Nieuw verschenenHet gesprek van een gelovige met zijn zielPreken · 6 dagen geleden
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren

 

 

Vandaag

Korenaren Uit De Volle Oogst

25 mei Korenaren uit de volle oogst

Als stervende, en ziet, wij leven.
2 Korinthe 6:9

Hoewel wij sterven, en dagelijks sterven, zie, toch leven wij; en in zekere zin geldt: hoe meer wij sterven, des te meer leven wij. Hoe meer wij aan onszelf sterven, des te meer sterven wij aan de zonde. Hoe meer wij aan hoogmoed en eigengerechtigheid sterven, des te meer sterven wij aan de kracht van het schepsel. En hoe meer wij aan de natuur sterven, des te meer leven wij uit de genade. Dat is het hele leven door de ervaring van de christen. De natuur moet sterven, zodat de genade kan leven.

Het onkruid moet uitgeroeid worden, zodat het gewas op het veld kan groeien. Het vlees moet gedood worden, zodat de geest gevoed kan worden. De oude mens moet afgelegd worden, zodat de nieuwe mens aangedaan kan worden. De daden van het lichaam moeten gedood worden, zodat de ziel voor God mag leven.

Zo leven wij dus, als wij sterven. Hoe meer wij aan onze eigen kracht sterven, des te meer leven wij in de kracht van Christus. Hoe meer wij aan de hoop op het schepsel sterven, des te meer leven wij in een goede hoop door genade. Hoe meer wij aan onze eigengerechtigheid sterven, des te meer leven wij uit de gerechtigheid van Christus. En hoe meer wij aan de wereld sterven, des te meer leven wij voor de hemel. Dit is de grote verborgenheid: de christen sterft altijd en leeft toch altijd, en hoe meer hij sterft, des te meer leeft hij. De dood van het vlees is het leven van de geest; de dood van de zonde is het leven van de gerechtigheid; en de dood van het schepsel is het ware leven van God in de ziel.

In ’t stille graf zingt niemand ’s Heeren lof.
Het zielloos lijf, gedompeld in het stof,
kan Hem geen glorie geven,
maar onze tong zingt tot in eeuwigheid
des Heeren lof, zijn roem en majesteit.
Looft God, de bron van ’t leven!

Ps. 115:9

Aan de lezer…

Voelt u zich, lezer, dagelijks kleiner worden? Valt uw eigen kracht weg, uw eigengerechtigheid, uw hoop op uzelf, zodat u meent dat het met u achteruitgaat? Wees niet verschrikt. Ik noem het de grote verborgenheid van het christelijk leven: hoe meer wij sterven, des te meer leven wij. De natuur moet sterven, zodat de genade kan leven; het onkruid moet uitgeroeid worden, zodat het gewas kan groeien.

Het is pijnlijk om de eigen kracht te verliezen, maar het is de weg waarlangs u leert leven in de kracht van Christus. Wie aan zijn eigen gerechtigheid sterft, leert leven uit de gerechtigheid van Christus; wie aan de wereld sterft, leeft meer voor de hemel. Zo is uw sterven niet uw ondergang, maar het ware leven van God in uw ziel. „Als stervende, en ziet, wij leven.”

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

365 Dagen Met Philpot

25 mei 365 dagen met Philpot

Het uitgieten van Gods Geest

Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten en Mijn zegen op uw nakomelingen.
Jesaja 44:3

Het eerste werk van Gods Geest is de overtuiging van zonde. „En Die, gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde” (Joh. 16:8). Toen Petrus op de Pinksterdag preekte en de Heilige Geest het Woord met kracht vergezelde, werden de hoorders verslagen in het hart.

Daarna giet God Zijn Geest uit over het zaad van Sion als een Geest der genade en der gebeden. Dit is nadrukkelijk gebeurd, overeenkomstig Zijn eigen belofte: „Over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten de Geest der genade en der gebeden” (Zach. 12:10). Deze Geest giet de Heere altijd over de ziel uit wanneer het Hem behaagt haar levend te maken. Wanneer Hij Ananias het duidelijkste bewijs wil geven van de bekering van Paulus, zegt Hij: „Zie, hij bidt.”

Maar in de uitstorting van de Geest giet de Heere ook de Geest des geloofs over de ziel uit. Want van het geloof wordt ons uitdrukkelijk gezegd dat het een „gave Gods” is (Ef. 2:8), en de Heilige Geest verklaart dat het „een vrucht des Geestes” is (Gal. 5:22). Alleen langs deze weg blijkt het Evangelie een „kracht Gods” te zijn, „een iegelijk die gelooft”. Zonder de Geest dus geen geloof, en zonder geloof geen zaligheid.

Ook geeft de Heere het zaad van Sion, wanneer Hij Zijn Geest over hen uitgiet, een goede hoop door genade. Want de Geest ontdekt Christus, Zijn liefde, genade en bloed, en door deze innerlijke ontdekking wekt Hij een lieflijke hoop op Zijn heil, „als een anker der ziel, dat zeker en vast is en ingaat achter het voorhangsel.”

Lezen: Handelingen 2:29-42

Aan de lezer…

Misschien weet u van uzelf niet veel meer te zeggen dan dat u een zondaar bent. U bent verslagen in het hart en vindt in uzelf niets dan schuld. Wees dan niet bang dat dit een teken is dat God u verlaten heeft. De overtuiging van zonde is juist het eerste werk van Zijn Geest. Wie Hij levend maakt, leert Hij eerst zichzelf kennen; en wie Hij zo heeft leren kennen, leert Hij ook bidden.

Kunt u niet anders dan zuchten en roepen? Dan wordt ook van u gezegd: „Zie, hij bidt.” Die Geest der genade en der gebeden werkt ook het geloof, dat een gave Gods is, en ontdekt u Christus, Zijn liefde, genade en bloed. Zo groeit er een hoop die als een anker der ziel is, zeker en vast. Houd vol met roepen; Hij giet Zijn Geest uit over het zaad van Sion.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Door Baca's Vallei

25 mei Door Baca’s vallei

Ontwaak, Noordenwind! en kom, Gij Zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten.
Hooglied 4:16

De meesten van ons zijn zo vastgebonden door de ketenen van de tijd en van het zintuiglijke, door de zorgen van dit leven en onze dagelijkse bezigheden, door de zwakheid van onze aardse tabernakel, de afleidende zorgen van een gezin en de ellendige vleselijkheid en zinnelijkheid van onze gevallen natuur, dat we op zijn best maar een arm, slepend, stervend leven leiden. We kunnen geen genoegen vinden in de wereld, en kunnen ons ook niet met een goed geweten mengen in haar lusten en vermaken. Velen van ons zijn arme, neergeslagen, moedeloze schepselen onder allerlei beproevingen en verdrukkingen. We hebben een dagelijks kruis en verkeren voortdurend onder de plaag van ons eigen hart; we krijgen maar weinig troost onder Gods volk of onder de uitwendige middelen van de genade. We kennen onszelf genoeg om te beseffen dat er in ons geen goed woont, en dat we noch hulp of hoop van onszelf kunnen verwachten. Daarom kunnen we ook niet rekenen op een effener pad, op een beter, wijzer, heiliger hart, of erop dat we morgen in staat zullen zijn te doen wat we vandaag niet kunnen. Zoals dan de vermoeide rust zoekt, de hongerige voedsel, de dorstige drinken en de zieke gezondheid, zo strekken we ons hart en onze armen uit, om de Heere Jezus Christus te mogen omhelzen en de ware vereniging en gemeenschap met Hem te mogen genieten.

Van Hem komen zowel het gebed als het antwoord, zowel de honger als het voedsel, zowel de begeerte als de boom des levens. Hij ontdekt het kwaad en de vuilheid van de zonde, opdat we verzoening zouden zoeken in Zijn bloedende wonden en doorstoken zijde. Hij maakt ons bekend met onze naaktheid en schande, en dat we daardoor blootstaan aan de toorn van God, opdat we ons zouden verbergen onder het kleed van Zijn gerechtigheid. Hij giet gal en alsem in de hoogste vermaken van de wereld, opdat we geen zoetheid zouden vinden dan in en van Hem. Hij onthoudt ons lange tijd het geestelijk voedsel, opdat we een kruimel zouden leren waarderen. Daarom laat Hij ons lang wachten, want dat maakt één woordje uit Zijn mond zo overdierbaar. Hij wil ons hele hart en niets minder, en als wij dat niet kunnen geven, dan neemt Hij het met één van Zijn ogen, met een keten van Zijn hals. Als we Hem liefhebben, is het omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. En als we gemeenschap met Hem zoeken, is het omdat Hij Zich aan ons wil openbaren, zoals Hij dat niet doet aan de wereld.

Willen we zien wat de Heilige Geest geopenbaard heeft over de aard van deze gemeenschap, dan vinden we dat duidelijk en bevindelijk ontvouwd in het Hooglied van Salomo. Van het eerste vers van dit boek, „Hij kusse mij met de kussen Zijns monds”, tot de laatst uitgesproken begeerte van de liefhebbende bruid, „Kom haastelijk, mijn Liefste! en wees Gij gelijk een ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen”, is alles één lied van liefde. Alles is een Goddelijke openbaring van de gemeenschap die op aarde wordt onderhouden tussen Christus en de kerk. Zij komt op uit de woestijn, lieflijk leunend op haar Liefste, terwijl Zijn linkerhand onder haar hoofd is en Zijn rechterhand haar ondersteunt. Zij zegt: „Zie mij niet aan, dat ik zwartachtig ben.” Maar Hij antwoordt: „Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u.” Het ene ogenblik zegt ze: „Ik zocht des nachts op mijn leger, maar vond Hem niet”, en dan roept zij weer uit: „Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, Die mijn ziel liefheeft. Ik hield Hem vast en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had en in de binnenste kamer dergene die mij gebaard heeft.”

Komen en gaan, zuchten en zingen, nietige verontschuldigingen en snijdende tegenwerpingen, klachten over zichzelf en lofprijzingen voor Hem, het ademen van de liefde en de vlammen van de jaloersheid, de tedere genegenheden van een maagdelijk hart en het welgevallig omhelzen door een koninklijke Bruidegom: dit alles is de bevinding van de kerk wanneer zij gemeenschap met Christus zoekt en beoefent, zoals in dit Goddelijke boek beschreven is.

Aan de lezer…

Deze woorden zijn voor wie dat arme, slepende leven leidt, vastgebonden door de zorgen van elke dag, onder een dagelijks kruis en de plaag van het eigen hart. Leeft u ook zo? Weet u dat er in u geen goed woont en dat u morgen niet meer zult kunnen dan vandaag? Wanhoop dan niet om die armoede. Zoals de vermoeide rust zoekt en de hongerige voedsel, zo mag ook uw hart zich uitstrekken naar de Heere Jezus Christus, om Hem te omhelzen en gemeenschap met Hem te genieten.

Want van Hem komen zowel het gebed als het antwoord, zowel de honger als het voedsel. Laat Hij u lang wachten, dan is het opdat één woordje uit Zijn mond u zo overdierbaar zou worden. Zegt u met de bruid: „Zie mij niet aan, dat ik zwartachtig ben”, Hij heeft een ander antwoord. Bid dan maar: „Ontwaak, Noordenwind! en kom, Gij Zuidenwind!” Zoekt u Hem, dan is het omdat Hij u eerst heeft liefgehad.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina