6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Als stervende, en ziet, wij leven.
2 Korinthe 6:9
Ofschoon wij sterven, en dagelijks sterven, ziet, toch leven wij; en in zekere zin, hoe meer wij sterven, des te meer leven wij. Hoe meer wij onszelf afsterven, des te meer sterven wij de zonde af; hoe meer wij de hoogmoed en de eigengerechtigheid afsterven, des te meer sterven wij de kracht van het schepsel af, en hoe meer wij de natuur afsterven, des te meer leven wij de genade. En dit is het ganse leven door de ervaring van de christen. De natuur moet sterven, opdat de genade kan leven. Het onkruid moet uitgeroeid worden, opdat het te velde staande gewas kan groeien; het vlees gedood worden, opdat de geest kan gevoed worden; de oude mens afgelegd worden, opdat de nieuwe mens kan worden aangedaan; de handelingen des lichaams gedood worden, opdat de ziel moge leven voor God.
Zo wij dus sterven, leven wij. Hoe meer wij onze eigen kracht afsterven, des te meer leven wij in de kracht van Christus; hoe meer wij de hoop des schepsels afsterven, des te meer leven wij in een goede hoop door genade; hoe meer wij onze eigengerechtigheid afsterven, des te meer leven wij de gerechtigheid van Christus, en hoe meer wij de wereld afsterven, des te meer leven wij voor de hemel. Dit is de grote verborgenheid, dat de christen altijd sterft en toch altijd leeft, en hoe meer hij sterft, des te meer leeft hij. De dood des vleses is het leven des geestes; de dood der zonde is het leven der gerechtigheid, en de dood van het schepsel is het ware leven Gods in de ziel.
In ’t stille graf zingt niemand ’s Heeren lof.
Het zielloos lijf, gedompeld in het stof,
kan Hem geen glorie geven,
maar onze tong zingt tot in eeuwigheid
des Heeren lof, zijn roem en majesteit.
Looft God, de bron van ’t leven!
Ps. 115:9
Aan de lezer…
Voelt u zich, lezer, dagelijks kleiner worden? Valt uw eigen kracht weg, uw eigengerechtigheid, uw hoop op uzelf, zodat u meent dat het met u achteruitgaat? Wees niet verschrikt. Ik noem het de grote verborgenheid van het christelijk leven: hoe meer wij sterven, des te meer leven wij. De natuur moet sterven, opdat de genade kan leven; het onkruid moet uitgeroeid worden, opdat het gewas kan groeien.
Het is pijnlijk om de eigen kracht te verliezen, maar het is de weg waarlangs u leert leven in de kracht van Christus. Wie zijn eigen gerechtigheid afsterft, leert leven uit de gerechtigheid van Christus; wie de wereld afsterft, leeft meer voor de hemel. Zo is uw sterven niet uw ondergang, maar het ware leven Gods in uw ziel. „Als stervende, en ziet, wij leven.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Als stervende, en ziet, wij leven.
2 Korinthe 6:9
Hoewel wij sterven, en dagelijks sterven, zie, toch leven wij; en in zekere zin geldt: hoe meer wij sterven, des te meer leven wij. Hoe meer wij aan onszelf sterven, des te meer sterven wij aan de zonde. Hoe meer wij aan hoogmoed en eigengerechtigheid sterven, des te meer sterven wij aan de kracht van het schepsel. En hoe meer wij aan de natuur sterven, des te meer leven wij uit de genade. Dat is het hele leven door de ervaring van de christen. De natuur moet sterven, zodat de genade kan leven.
Het onkruid moet uitgeroeid worden, zodat het gewas op het veld kan groeien. Het vlees moet gedood worden, zodat de geest gevoed kan worden. De oude mens moet afgelegd worden, zodat de nieuwe mens aangedaan kan worden. De daden van het lichaam moeten gedood worden, zodat de ziel voor God mag leven.
Zo leven wij dus, als wij sterven. Hoe meer wij aan onze eigen kracht sterven, des te meer leven wij in de kracht van Christus. Hoe meer wij aan de hoop op het schepsel sterven, des te meer leven wij in een goede hoop door genade. Hoe meer wij aan onze eigengerechtigheid sterven, des te meer leven wij uit de gerechtigheid van Christus. En hoe meer wij aan de wereld sterven, des te meer leven wij voor de hemel. Dit is de grote verborgenheid: de christen sterft altijd en leeft toch altijd, en hoe meer hij sterft, des te meer leeft hij. De dood van het vlees is het leven van de geest; de dood van de zonde is het leven van de gerechtigheid; en de dood van het schepsel is het ware leven van God in de ziel.
In ’t stille graf zingt niemand ’s Heeren lof.
Het zielloos lijf, gedompeld in het stof,
kan Hem geen glorie geven,
maar onze tong zingt tot in eeuwigheid
des Heeren lof, zijn roem en majesteit.
Looft God, de bron van ’t leven!
Ps. 115:9
Aan de lezer…
Voelt u zich, lezer, dagelijks kleiner worden? Valt uw eigen kracht weg, uw eigengerechtigheid, uw hoop op uzelf, zodat u meent dat het met u achteruitgaat? Wees niet verschrikt. Ik noem het de grote verborgenheid van het christelijk leven: hoe meer wij sterven, des te meer leven wij. De natuur moet sterven, zodat de genade kan leven; het onkruid moet uitgeroeid worden, zodat het gewas kan groeien.
Het is pijnlijk om de eigen kracht te verliezen, maar het is de weg waarlangs u leert leven in de kracht van Christus. Wie aan zijn eigen gerechtigheid sterft, leert leven uit de gerechtigheid van Christus; wie aan de wereld sterft, leeft meer voor de hemel. Zo is uw sterven niet uw ondergang, maar het ware leven van God in uw ziel. „Als stervende, en ziet, wij leven.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
As dying, and, behold, we live.
2 Corinthians 6:9
Though we die, and die daily, yet, behold, we live; and in a sense, the more we die, the more we live. The more we die to self, the more we die to sin; the more we die to pride and self-righteousness, the more we die to creature strength; and the more we die to sinful nature, the more we live to grace. And this runs all the way through the life and experience of a Christian. Nature must die, that grace may live. The weeds must be plucked up, that the crop may grow; the flesh be starved, that the spirit may be fed; the old man put off, that the new man may be put on; the deeds of the body be mortified, that the soul may live unto God. As then we die, we live. The more we die to our own strength, the more we live to Christ’s strength; the more we die to creature hope, the more we live to a good hope through grace; the more we die to our own righteousness, the more we live to Christ’s righteousness; and the more we die to the world, the more we live to and for heaven.
This is the grand mystery, that the Christian is always dying, yet always living; and the more he dies, the more he lives. The death of the flesh is the life of the spirit; the death of sin is the life of righteousness; and the death of the creature is the very life of God in the soul.
To the reader…
Do you feel yourself becoming smaller every day? Is your own strength falling away, your self-righteousness, your hope in yourself, so that you think things are going backward with you? Do not be alarmed. I call it the great mystery of the Christian life: the more we die, the more we live. Nature must die, that grace may live; the weeds must be plucked up, that the crop may grow.
It is painful to lose your own strength, but it is the way by which you learn to live in the strength of Christ. Whoever dies to his own righteousness learns to live by the righteousness of Christ; whoever dies to the world lives more for heaven. So your dying is not your ruin, but the true life of God in your soul. “As dying, and, behold, we live.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Como muriendo, y he aquí vivimos.
2 Corintios 6:9
Aunque morimos, y morimos cada día, sin embargo, he aquí vivimos; y en cierto sentido, cuanto más morimos, más vivimos. Cuanto más morimos al yo, más morimos al pecado; cuanto más morimos al orgullo y a la justicia propia, más morimos a la fuerza de la criatura; y cuanto más morimos a la naturaleza pecaminosa, más vivimos para la gracia. Y esto recorre toda la vida y experiencia de un cristiano. La naturaleza tiene que morir para que la gracia viva. Las malas hierbas han de ser arrancadas para que crezca la cosecha; la carne ha de pasar hambre para que el espíritu sea alimentado; el viejo hombre ha de ser despojado para que el nuevo hombre sea vestido; las obras del cuerpo han de ser mortificadas para que el alma viva para Dios. Así, pues, mientras morimos, vivimos. Cuanto más morimos a nuestra propia fuerza, más vivimos para la fuerza de Cristo; cuanto más morimos a la esperanza en la criatura, más vivimos para una buena esperanza por gracia; cuanto más morimos a nuestra propia justicia, más vivimos para la justicia de Cristo; y cuanto más morimos al mundo, más vivimos hacia el cielo y para el cielo.
Este es el gran misterio: que el cristiano siempre está muriendo y, sin embargo, siempre está viviendo; y cuanto más muere, más vive. La muerte de la carne es la vida del espíritu; la muerte del pecado es la vida de la justicia; y la muerte de la criatura es la vida misma de Dios en el alma.
Al lector…
¿Siente que cada día se vuelve más pequeño? ¿Se le van cayendo su propia fuerza, su justicia propia, su esperanza en sí mismo, de modo que piensa que las cosas le van hacia atrás? No se alarme. Lo llamo el gran misterio de la vida cristiana: cuanto más morimos, más vivimos. La naturaleza tiene que morir para que la gracia viva; las malas hierbas han de ser arrancadas para que crezca la cosecha.
Es doloroso perder la propia fuerza, pero es el camino por el que usted aprende a vivir en la fuerza de Cristo. Quien muere a su propia justicia aprende a vivir por la justicia de Cristo; quien muere al mundo vive más para el cielo. Así, su morir no es su ruina, sino la verdadera vida de Dios en su alma. “Como muriendo, y he aquí vivimos”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Het uitgieten van Gods Geest
Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten en Mijn zegen op uw nakomelingen.
Jesaja 44:3
Het eerste werk van Gods Geest is de overtuiging van zonde. „En Die, gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde” (Joh. 16:8). Toen Petrus op de dag van het Pinksterfeest preekte en de Heilige Geest Zich met kracht bij het Woord voegde, werden de toehoorders verslagen in het hart.
Vervolgens giet God Zijn Geest uit over Sions zaad als een Geest der genade en der gebeden. Dit is nadrukkelijk gebeurd, overeenkomstig Zijn eigen belofte: „Over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten de Geest der genade en der gebeden” (Zach. 12:10). Deze Geest giet de Heere altijd uit over de ziel, wanneer het Hem behaagt om haar levend te maken. Als Hij aan Ananias het duidelijkste bewijs wil geven van de bekering van Paulus, zegt Hij: „Zie, hij bidt.”
Maar in de uitstorting van de Geest giet de Heere ook de Geest des geloofs over de ziel uit, want van het geloof wordt ons uitdrukkelijk gezegd dat het een „gave Gods” is (Ef. 2:8) en de Heilige Geest verklaart dat het „een vrucht des Geestes” is (Gal. 5:22). Alleen langs deze weg blijkt het Evangelie een „kracht Gods” te zijn, „een iegelijk die gelooft”. Zonder Geest dus geen geloof, en zonder geloof geen zaligheid.
Ook geeft de Heere in de uitstorting van Zijn Geest op Sions zaad hun een goede hoop in de genade, want de Geest ontdekt Christus, Zijn liefde, genade en bloed, en door deze innerlijke ontdekking verwekt Hij een lieflijke hoop in Zijn heil, „als een anker der ziel, dat zeker en vast is en ingaat achter het voorhangsel.”
Lezen: Handelingen 2:29-42
Aan de lezer…
Misschien weet u van uzelf niet veel meer te zeggen dan dat u een zondaar bent. U bent verslagen in het hart en vindt in uzelf niets dan schuld. Wees dan niet bang dat dit een teken is dat God u verlaten heeft. De overtuiging van zonde is juist het eerste werk van Zijn Geest. Wie Hij levend maakt, die leert Hij eerst zichzelf kennen; en wie Hij zo heeft leren kennen, die leert Hij ook bidden.
Kunt u niet anders dan zuchten en roepen? Dan wordt ook van u gezegd: „Zie, hij bidt.” Die Geest der genade en der gebeden werkt ook het geloof, dat een gave Gods is, en ontdekt u Christus, Zijn liefde, genade en bloed. Zo groeit er een hoop die als een anker der ziel is, zeker en vast. Houd vol met roepen; Hij giet Zijn Geest uit over het zaad van Sion.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten en Mijn zegen op uw nakomelingen.
Jesaja 44:3
Het eerste werk van Gods Geest is de overtuiging van zonde. „En Die, gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde” (Joh. 16:8). Toen Petrus op de Pinksterdag preekte en de Heilige Geest het Woord met kracht vergezelde, werden de hoorders verslagen in het hart.
Daarna giet God Zijn Geest uit over het zaad van Sion als een Geest der genade en der gebeden. Dit is nadrukkelijk gebeurd, overeenkomstig Zijn eigen belofte: „Over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten de Geest der genade en der gebeden” (Zach. 12:10). Deze Geest giet de Heere altijd over de ziel uit wanneer het Hem behaagt haar levend te maken. Wanneer Hij Ananias het duidelijkste bewijs wil geven van de bekering van Paulus, zegt Hij: „Zie, hij bidt.”
Maar in de uitstorting van de Geest giet de Heere ook de Geest des geloofs over de ziel uit. Want van het geloof wordt ons uitdrukkelijk gezegd dat het een „gave Gods” is (Ef. 2:8), en de Heilige Geest verklaart dat het „een vrucht des Geestes” is (Gal. 5:22). Alleen langs deze weg blijkt het Evangelie een „kracht Gods” te zijn, „een iegelijk die gelooft”. Zonder de Geest dus geen geloof, en zonder geloof geen zaligheid.
Ook geeft de Heere het zaad van Sion, wanneer Hij Zijn Geest over hen uitgiet, een goede hoop door genade. Want de Geest ontdekt Christus, Zijn liefde, genade en bloed, en door deze innerlijke ontdekking wekt Hij een lieflijke hoop op Zijn heil, „als een anker der ziel, dat zeker en vast is en ingaat achter het voorhangsel.”
Lezen: Handelingen 2:29-42
Aan de lezer…
Misschien weet u van uzelf niet veel meer te zeggen dan dat u een zondaar bent. U bent verslagen in het hart en vindt in uzelf niets dan schuld. Wees dan niet bang dat dit een teken is dat God u verlaten heeft. De overtuiging van zonde is juist het eerste werk van Zijn Geest. Wie Hij levend maakt, leert Hij eerst zichzelf kennen; en wie Hij zo heeft leren kennen, leert Hij ook bidden.
Kunt u niet anders dan zuchten en roepen? Dan wordt ook van u gezegd: „Zie, hij bidt.” Die Geest der genade en der gebeden werkt ook het geloof, dat een gave Gods is, en ontdekt u Christus, Zijn liefde, genade en bloed. Zo groeit er een hoop die als een anker der ziel is, zeker en vast. Houd vol met roepen; Hij giet Zijn Geest uit over het zaad van Sion.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I will pour My Spirit upon thy seed, and My blessing upon thine offspring.
Isaiah 44:3
The first work of God’s Spirit is conviction of sin. “And when He is come, He will reprove the world of sin” (John 16:8). When Peter preached on the day of Pentecost and the Holy Ghost accompanied the Word with power, the hearers were pricked in their heart.
Then God pours out His Spirit upon the seed of Zion as a Spirit of grace and of supplications. This has been done emphatically, according to His own promise: “I will pour upon the house of David, and upon the inhabitants of Jerusalem, the spirit of grace and of supplications” (Zech. 12:10). This Spirit the Lord always pours upon the soul when it pleases Him to quicken it. When He would give Ananias the clearest proof of Paul’s conversion, He says, “Behold, he prayeth.”
But in the pouring out of the Spirit the Lord also pours upon the soul the Spirit of faith. For of faith we are expressly told that it is “the gift of God” (Eph. 2:8), and the Holy Ghost declares that it is “the fruit of the Spirit” (Gal. 5:22). Only in this way does the gospel prove to be “the power of God unto salvation to every one that believeth.” Without the Spirit, then, no faith, and without faith no salvation.
The Lord also gives the seed of Zion, when He pours out His Spirit upon them, a good hope through grace. For the Spirit discovers Christ, His love, grace and blood, and by this inward discovery He raises up a sweet hope in His salvation, “as an anchor of the soul, both sure and stedfast, and which entereth into that within the veil.”
Reading: Acts 2:29-42
To the reader…
Perhaps you can say little more of yourself than that you are a sinner. You are pricked in your heart and find nothing in yourself but guilt. Then do not fear that this is a sign that God has forsaken you. Conviction of sin is the very first work of His Spirit. Those whom He quickens He first teaches to know themselves; and those whom He has taught in this way He also teaches to pray.
Can you do nothing but sigh and cry? Then it is said of you too, “Behold, he prayeth.” That Spirit of grace and of supplications also works faith, which is the gift of God, and discovers to you Christ, His love, grace and blood. So a hope grows that is as an anchor of the soul, sure and stedfast. Keep on crying; He pours out His Spirit upon the seed of Zion.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mi Espíritu derramaré sobre tu generación, y Mi bendición sobre tus renuevos.
Isaías 44:3
La primera obra del Espíritu de Dios es la convicción de pecado. “Y cuando Él viniere redargüirá al mundo de pecado” (Juan 16:8). Cuando Pedro predicó el día de Pentecostés y el Espíritu Santo acompañó la Palabra con poder, los oyentes fueron compungidos de corazón.
Luego Dios derrama Su Espíritu sobre la simiente de Sion como Espíritu de gracia y de oración. Esto se ha hecho de manera señalada, conforme a Su propia promesa: “Y derramaré sobre la casa de David, y sobre los moradores de Jerusalén, espíritu de gracia y de oración” (Zac. 12:10). Este Espíritu lo derrama siempre el Señor sobre el alma cuando le place vivificarla. Cuando quiere dar a Ananías la prueba más clara de la conversión de Pablo, dice: “He aquí, él ora”.
Pero en el derramamiento del Espíritu el Señor derrama también sobre el alma el Espíritu de fe. Porque de la fe se nos dice expresamente que es “don de Dios” (Ef. 2:8), y el Espíritu Santo declara que es “fruto del Espíritu” (Gál. 5:22). Solo de este modo se muestra el evangelio como “potencia de Dios para salud a todo aquel que cree”. Sin el Espíritu, pues, no hay fe, y sin fe no hay salvación.
El Señor da también a la simiente de Sion, cuando derrama Su Espíritu sobre ellos, una buena esperanza por gracia. Porque el Espíritu descubre a Cristo, Su amor, gracia y sangre, y por este descubrimiento interior levanta una dulce esperanza en Su salvación, “como segura y firme ancla del alma, y que entra hasta dentro del velo”.
Lectura: Hechos 2:29-42
Al lector…
Quizá poco más puede decir de sí mismo que el que es un pecador. Está compungido de corazón y no halla en sí nada más que culpa. Entonces no tema que esto sea señal de que Dios le ha abandonado. La convicción de pecado es la primerísima obra de Su Espíritu. A quienes Él vivifica, primero les enseña a conocerse a sí mismos; y a quienes ha enseñado así, también les enseña a orar.
¿No puede hacer otra cosa que suspirar y clamar? Entonces se dice también de usted: “He aquí, él ora”. Ese Espíritu de gracia y de oración obra también la fe, que es don de Dios, y le descubre a Cristo, Su amor, gracia y sangre. Así crece una esperanza que es como ancla del alma, segura y firme. Siga clamando; Él derrama Su Espíritu sobre la simiente de Sion.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Ontwaak, Noordenwind! en kom, Gij Zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten.
Hooglied 4:16
De meesten van ons allen zijn zo vastgebonden door de ketenen van de tijd en het zinnelijke, door de zorgvuldigheden van dit leven en onze dagelijkse bezigheden, door de zwakheid van onze aardse tabernakel, de afleidende zorgen van een huisgezin, de ellendige vleselijkheid en zinnelijkheid van onze gevallen natuur, dat wij op zijn best maar een arm, slepend, stervend leven lijden. Wij kunnen geen genoegen vinden in de wereld, noch ons met een goede consciëntie mengen in haar lusten en vermakelijkheden; velen van ons zijn arme, terneergeslagen, moedeloze schepselen, onder een verscheidenheid van beproevingen en verdrukkingen. Wij hebben een dagelijks kruis en verkeren voortdurend onder de plaag van ons eigen hart; krijgen al weinig vertroosting onder Gods volk of onder de uitwendige middelen der genade. Wij kennen genoeg van onszelf om te beseffen dat er in ons geen goed woont, en dat wij noch hulp of hoop van onszelf verwachten kunnen, en derhalve ook niet verwachten kunnen een effener pad, een beter, wijzer, heiliger hart, of dat wij morgen in staat zullen zijn te doen wat wij heden niet kunnen doen. Zoals dan de vermoeide rust zoekt, de hongerige voedsel, de dorstige drank en de zieke gezondheid, zo strekken wij onze harten en armen uit, opdat wij de Heere Jezus Christus zouden mogen omhelzen, om de ware vereniging en gemeenschap met Hem te mogen genieten.
Van Hem vloeien af beide het gebed en het antwoord, beide honger en voedsel, beide begeerte en de boom des levens. Hij ontdekt het kwaad en de vuilheid der zonde, opdat wij verzoening zouden zoeken in Zijn bloedende wonden en doorstoken zijde. Hij maakt ons bekend met onze naaktheid en schande, en dat wij derhalve blootstaan voor de toorn Gods, opdat wij ons mogen verbergen onder het kleed Zijner gerechtigheid. Hij giet gal en alsem in de hoogste vermakingen der wereld, opdat wij geen zoetheid zouden mogen vinden dan in en van Hem. Hij onthoudt ons lange tijd het geestelijk voedsel, opdat wij een kruimpje zouden leren waarderen. Hij laat ons daarom lang wachten, want dit maakt een woordje van Zijn mond zo overdierbaar. Hij wil ons gehele hart en niets minder, en als wij dit niet kunnen geven, dan neemt Hij het met één van Zijn ogen, met een keten van Zijn hals. Als wij Hem liefhebben, is het omdat Hij ons eerst heeft liefgehad, en als wij gemeenschap met Hem zoeken, is het omdat Hij Zich aan ons wil openbaren zo Hij dit niet doet aan de wereld.
Wensen wij te zien wat de Heilige Geest geopenbaard heeft van de natuur van deze gemeenschap, dan zullen wij dit klaar en bevindelijk ontvouwd zien in het Hooglied van Salomo. Van het eerste vers van dit boek: „Hij kusse mij met de kussen Zijns monds”, tot de laatst uitgedrukte begeerte van de beminnende bruid: „Kom haastelijk, mijn Liefste! en wees Gij gelijk een ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen”, is alles één lied der liefde, alles een Goddelijke openbaring van de gemeenschap die op aarde wordt voortgezet tussen Christus en de kerk. Zij klimt op uit de woestijn, lieflijk leunende op haar Liefste, terwijl Zijn linkerhand is onder haar hoofd en Zijn rechterhand haar ondersteunt. Zij zegt: „Zie mij niet aan, dat ik zwartachtig ben.” Maar Hij antwoordt: „Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u.” Het ene ogenblik zegt ze: „Ik zocht des nachts op mijn leger, maar vond Hem niet”, en dan roept zij wederom uit: „Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, Die mijn ziel liefheeft. Ik hield Hem vast en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had en in de binnenste kamer dergene die mij gebaard heeft.”
Komen en gaan, zuchten en zingen, nietige verontschuldigingen en snijdende tegenwerpingen, klachten over zichzelf en loftuitingen aan Hem, de uitademingen der liefde en de vlammen der jaloezie, de tedere genegenheden van een maagdenhart en het welgevallig omhelzen van een Koninklijke Bruidegom, dit alles is de bevinding van de kerk in het zoeken van een gemeenschap oefenen met Christus, zoals in dit Goddelijk boek beschreven is.
Aan de lezer…
Deze woorden zijn voor wie dat arme, slepende leven leidt, vastgebonden door de zorgen van elke dag, onder een dagelijks kruis en de plaag van het eigen hart; leeft u ook zo? Weet u dat er in u geen goed woont en dat u morgen niet beter zult kunnen dan heden? Wanhoop dan niet om die armoede. Zoals de vermoeide rust zoekt en de hongerige voedsel, zo mag ook uw hart zich uitstrekken naar de Heere Jezus Christus, om Hem te omhelzen en gemeenschap met Hem te genieten.
Want van Hem vloeit beide het gebed en het antwoord, beide de honger en het voedsel. Laat Hij u lang wachten, het is opdat een woordje van Zijn mond u zo overdierbaar zou worden. Zegt u met de bruid: „Zie mij niet aan, dat ik zwartachtig ben”, Hij heeft een ander antwoord. Bid dan maar: „Ontwaak, Noordenwind! en kom, Gij Zuidenwind!” Zoekt u Hem, het is omdat Hij u eerst heeft liefgehad.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ontwaak, Noordenwind! en kom, Gij Zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten.
Hooglied 4:16
De meesten van ons zijn zo vastgebonden door de ketenen van de tijd en van het zintuiglijke, door de zorgen van dit leven en onze dagelijkse bezigheden, door de zwakheid van onze aardse tabernakel, de afleidende zorgen van een gezin en de ellendige vleselijkheid en zinnelijkheid van onze gevallen natuur, dat we op zijn best maar een arm, slepend, stervend leven leiden. We kunnen geen genoegen vinden in de wereld, en kunnen ons ook niet met een goed geweten mengen in haar lusten en vermaken. Velen van ons zijn arme, neergeslagen, moedeloze schepselen onder allerlei beproevingen en verdrukkingen. We hebben een dagelijks kruis en verkeren voortdurend onder de plaag van ons eigen hart; we krijgen maar weinig troost onder Gods volk of onder de uitwendige middelen van de genade. We kennen onszelf genoeg om te beseffen dat er in ons geen goed woont, en dat we noch hulp of hoop van onszelf kunnen verwachten. Daarom kunnen we ook niet rekenen op een effener pad, op een beter, wijzer, heiliger hart, of erop dat we morgen in staat zullen zijn te doen wat we vandaag niet kunnen. Zoals dan de vermoeide rust zoekt, de hongerige voedsel, de dorstige drinken en de zieke gezondheid, zo strekken we ons hart en onze armen uit, om de Heere Jezus Christus te mogen omhelzen en de ware vereniging en gemeenschap met Hem te mogen genieten.
Van Hem komen zowel het gebed als het antwoord, zowel de honger als het voedsel, zowel de begeerte als de boom des levens. Hij ontdekt het kwaad en de vuilheid van de zonde, opdat we verzoening zouden zoeken in Zijn bloedende wonden en doorstoken zijde. Hij maakt ons bekend met onze naaktheid en schande, en dat we daardoor blootstaan aan de toorn van God, opdat we ons zouden verbergen onder het kleed van Zijn gerechtigheid. Hij giet gal en alsem in de hoogste vermaken van de wereld, opdat we geen zoetheid zouden vinden dan in en van Hem. Hij onthoudt ons lange tijd het geestelijk voedsel, opdat we een kruimel zouden leren waarderen. Daarom laat Hij ons lang wachten, want dat maakt één woordje uit Zijn mond zo overdierbaar. Hij wil ons hele hart en niets minder, en als wij dat niet kunnen geven, dan neemt Hij het met één van Zijn ogen, met een keten van Zijn hals. Als we Hem liefhebben, is het omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. En als we gemeenschap met Hem zoeken, is het omdat Hij Zich aan ons wil openbaren, zoals Hij dat niet doet aan de wereld.
Willen we zien wat de Heilige Geest geopenbaard heeft over de aard van deze gemeenschap, dan vinden we dat duidelijk en bevindelijk ontvouwd in het Hooglied van Salomo. Van het eerste vers van dit boek, „Hij kusse mij met de kussen Zijns monds”, tot de laatst uitgesproken begeerte van de liefhebbende bruid, „Kom haastelijk, mijn Liefste! en wees Gij gelijk een ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen”, is alles één lied van liefde. Alles is een Goddelijke openbaring van de gemeenschap die op aarde wordt onderhouden tussen Christus en de kerk. Zij komt op uit de woestijn, lieflijk leunend op haar Liefste, terwijl Zijn linkerhand onder haar hoofd is en Zijn rechterhand haar ondersteunt. Zij zegt: „Zie mij niet aan, dat ik zwartachtig ben.” Maar Hij antwoordt: „Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u.” Het ene ogenblik zegt ze: „Ik zocht des nachts op mijn leger, maar vond Hem niet”, en dan roept zij weer uit: „Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, Die mijn ziel liefheeft. Ik hield Hem vast en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had en in de binnenste kamer dergene die mij gebaard heeft.”
Komen en gaan, zuchten en zingen, nietige verontschuldigingen en snijdende tegenwerpingen, klachten over zichzelf en lofprijzingen voor Hem, het ademen van de liefde en de vlammen van de jaloersheid, de tedere genegenheden van een maagdelijk hart en het welgevallig omhelzen door een koninklijke Bruidegom: dit alles is de bevinding van de kerk wanneer zij gemeenschap met Christus zoekt en beoefent, zoals in dit Goddelijke boek beschreven is.
Aan de lezer…
Deze woorden zijn voor wie dat arme, slepende leven leidt, vastgebonden door de zorgen van elke dag, onder een dagelijks kruis en de plaag van het eigen hart. Leeft u ook zo? Weet u dat er in u geen goed woont en dat u morgen niet meer zult kunnen dan vandaag? Wanhoop dan niet om die armoede. Zoals de vermoeide rust zoekt en de hongerige voedsel, zo mag ook uw hart zich uitstrekken naar de Heere Jezus Christus, om Hem te omhelzen en gemeenschap met Hem te genieten.
Want van Hem komen zowel het gebed als het antwoord, zowel de honger als het voedsel. Laat Hij u lang wachten, dan is het opdat één woordje uit Zijn mond u zo overdierbaar zou worden. Zegt u met de bruid: „Zie mij niet aan, dat ik zwartachtig ben”, Hij heeft een ander antwoord. Bid dan maar: „Ontwaak, Noordenwind! en kom, Gij Zuidenwind!” Zoekt u Hem, dan is het omdat Hij u eerst heeft liefgehad.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Awake, O north wind; and come, thou south; blow upon my garden, that the spices thereof may flow out. Let my Beloved come into His garden, and eat His pleasant fruits.
Song of Solomon 4:16
We are, most of us, so fettered down by the chains of time and sense, the cares of life and daily business, the weakness of our earthly frame, the distracting claims of a family, and the miserable carnality and sensuality of our fallen nature, that we live at best a poor, dragging, dying life.
We can take no pleasure in the world, nor mix with a good conscience in its pursuits and amusements; we are many of us poor, moping, dejected creatures, from a variety of trials and afflictions; we have a daily cross and the continual plague of an evil heart; get little consolation from the family of God or the outward means of grace; know enough of ourselves to know that in SELF there is neither help nor hope, and never expect a smoother path, a better, wiser, holier heart, or to be able to do tomorrow what we cannot do today.
As then the weary man seeks rest, the hungry food, the thirsty drink, and the sick health, so do we stretch forth our hearts and arms that we may embrace the Lord Jesus Christ, and sensibly realize union and communion with Him. From Him come both prayer and answer, both hunger and food, both desire and the tree of life. He discovers the evil and misery of sin that we may seek pardon in His bleeding wounds and pierced side; makes known to us our nakedness and shame, and, as such, our exposure to God’s wrath, that we may hide ourselves under His justifying robe; puts gall and wormwood into the world’s choicest draughts, that we may have no sweetness but in and from Him; keeps us long fasting to endear a crumb, and long waiting to make a word precious.
He wants the whole heart, and will take no less; and as this we cannot give, He takes it to Himself by ravishing it with one of His eyes, with one chain of His neck. If we love Him, it is because He first loved us; and if we seek communion with Him, it is because He will manifest Himself to us as He does not unto the world.
Would we see what the Holy Spirit has revealed of the nature of this communion, we shall find it most clearly and experimentally unfolded in the Song of Solomon. From the first verse of that book, “Let Him kiss me with the kisses of His mouth,” to the last expressed desire of the loving bride, “Make haste, my Beloved, and be like to a roe or to a young deer upon the mountains of spices,” all is a “song of loves,” all a divine revelation of the communion that is carried on upon earth between Christ and the Church. She “comes up from the wilderness leaning upon her Beloved,” while “His left hand is under her head, and His right hand does embrace her.” She says, “Look not upon me, because I am black;” but He answers, “You are all beautiful, my love; there is no spot in you.”
At one moment she says, “By night, on my bed, I sought Him whom my soul loves; I sought Him, but I found Him not;” and then again she cries, “It was but a little that I passed from them, but I found Him whom my soul loves. I held Him, and would not let Him go, until I had brought Him into my mother’s house and into the chamber of her that conceived me.”
Comings and goings; sighs and songs; vain excuses and cutting self reflections; complaints of self, and praises of Him; the breathings of love, and the flames of jealousy; the tender affections of a virgin heart, and the condescending embraces of a royal spouse;—such is the experience of the Christian, in seeking or enjoying communion with Christ as described in this divine book.
To the reader…
These words are for those who live that poor, dragging life, tied down by the cares of every day, under a daily cross and the plague of their own heart. Do you live like that too? Do you know that in you dwells no good thing, and that tomorrow you will be able to do no more than today? Then do not despair over that poverty. As the weary man seeks rest and the hungry man food, so your heart too may stretch out towards the Lord Jesus Christ, to embrace Him and to enjoy communion with Him.
For from Him come both prayer and answer, both hunger and food. If He makes you wait long, it is so that one little word from His mouth may become so very precious to you. If you say with the bride, “Look not upon me, because I am black,” He has another answer. So pray: “Awake, O north wind; and come, thou south!” If you seek Him, it is because He first loved you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Levántate, Aquilón, y ven, Austro: sopla mi huerto, despréndanse sus aromas. Venga mi Amado a Su huerto, y coma de Su dulce fruta.
Cantares 4:16
La mayoría de nosotros estamos tan atados por las cadenas del tiempo y de los sentidos, por los afanes de la vida y los negocios de cada día, por la debilidad de nuestro cuerpo terrenal, por las exigencias que nos distraen de una familia y por la miserable carnalidad y sensualidad de nuestra naturaleza caída, que vivimos, en el mejor de los casos, una vida pobre, arrastrada y moribunda.
No podemos hallar placer en el mundo, ni mezclarnos con buena conciencia en sus afanes y diversiones; muchos de nosotros somos pobres criaturas abatidas y desanimadas por una variedad de pruebas y aflicciones; tenemos una cruz diaria y la plaga continua de un corazón malo; recibimos poco consuelo de la familia de Dios o de los medios externos de gracia; nos conocemos lo bastante para saber que en el YO no hay ni ayuda ni esperanza, y nunca esperamos un camino más llano, un corazón mejor, más sabio y más santo, ni poder hacer mañana lo que no podemos hacer hoy.
Así pues, como el cansado busca descanso, el hambriento alimento, el sediento bebida y el enfermo salud, así extendemos nuestro corazón y nuestros brazos para abrazar al Señor Jesucristo y experimentar sensiblemente la unión y comunión con Él. De Él vienen tanto la oración como la respuesta, tanto el hambre como el alimento, tanto el deseo como el árbol de la vida. Él descubre el mal y la miseria del pecado para que busquemos el perdón en Sus heridas sangrantes y Su costado traspasado; nos da a conocer nuestra desnudez y vergüenza y, como tales, nuestra exposición a la ira de Dios, para que nos escondamos bajo Su manto de justicia; pone hiel y ajenjo en las bebidas más selectas del mundo, para que no hallemos dulzura sino en Él y de Él; nos hace ayunar largo tiempo para hacernos querida una migaja, y esperar largo tiempo para hacernos preciosa una palabra.
Él quiere el corazón entero, y no aceptará menos; y como esto no podemos dárselo, Él lo toma para Sí, prendiéndolo con uno de Sus ojos, con una gargantilla de Su cuello. Si Le amamos, es porque Él nos amó primero; y si buscamos comunión con Él, es porque Él se nos manifestará a nosotros, y no al mundo.
Si queremos ver lo que el Espíritu Santo ha revelado acerca de la naturaleza de esta comunión, lo hallaremos desplegado con la mayor claridad y de la manera más experimental en el Cantar de los Cantares. Desde el primer versículo de ese libro: “¡Oh si Él me besara con besos de Su boca!”, hasta el último deseo expresado por la amante esposa: “Huye, amado mío; y sé semejante al gamo, o al cervatillo, sobre las montañas de los aromas”, todo es un “cantar de amores”, todo una revelación divina de la comunión que se mantiene en la tierra entre Cristo y la Iglesia. Ella “sube del desierto, recostada sobre su Amado”, mientras “Su izquierda está debajo de su cabeza, y Su derecha la abraza”. Ella dice: “No miréis en que soy morena”; pero Él responde: “Toda tú eres hermosa, amiga mía, y en ti no hay mancha.”
En un momento ella dice: “Por las noches busqué en mi lecho al que ama mi alma: busquéle, y no le hallé”; y luego vuelve a exclamar: “Pasado que hube de ellos un poco, hallé luego al que mi alma ama: asíle, y no le dejé, hasta que le metí en casa de mi madre, y en la cámara de la que me engendró.”
Idas y venidas; suspiros y cánticos; excusas vanas y reproches cortantes contra sí misma; quejas de sí y alabanzas de Él; los anhelos del amor y las llamas de los celos; los tiernos afectos de un corazón virginal y los abrazos condescendientes de un Esposo real: tal es la experiencia del cristiano al buscar o gozar la comunión con Cristo, tal como se describe en este libro divino.
Al lector…
Estas palabras son para quienes viven esa vida pobre y arrastrada, atados por los afanes de cada día, bajo una cruz diaria y la plaga de su propio corazón. ¿Vive usted también así? ¿Sabe que en usted no mora el bien, y que mañana no podrá hacer más que hoy? Entonces no desespere por esa pobreza. Como el cansado busca descanso y el hambriento alimento, así también su corazón puede extenderse hacia el Señor Jesucristo, para abrazarle y gozar de la comunión con Él.
Porque de Él vienen tanto la oración como la respuesta, tanto el hambre como el alimento. Si le hace esperar largo tiempo, es para que una sola palabra de Su boca le sea tan sumamente preciosa. Si usted dice con la esposa: “No miréis en que soy morena”, Él tiene otra respuesta. Ore, pues: “¡Levántate, Aquilón, y ven, Austro!” Si usted Le busca, es porque Él le amó primero.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl