4 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
11 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Indien gij de gave Gods kendet, en wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken; zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zoude u levend water gegeven hebben.
Johannes 4:10
De natuur van de gave Gods kunnen wij niet kennen, ofschoon wij er de noodzakelijkheid van kunnen kennen, wanneer wij haar macht ervaren als aan onze ziel geopenbaard en in haar uitgestort. Dan kennen wij iets van de gave Gods, wanneer wij het eeuwige leven voelen stromen door onze geestelijke aderen. Hoe draag ik kennis van mijn natuurlijk leven? Is het niet door het innerlijk bewustzijn dat ik daar natuurlijk leven bezit? Zo ook zullen wij, als wij geestelijk leven hebben, bij tijden en gelegenheden een inwendig bewustzijn ervan gevoelen; wij zullen het geestelijke hart voelen kloppen en de geestelijke longen ademen, en de geestelijke ogen zien, en de geestelijke oren horen; in één woord, wij zullen ons inwendig bewust worden van die aandoeningen en gevoelens die het leven Gods in de ziel eigen zijn.
Het geestelijke leven zal gezien worden in zijn eigen licht, gevoeld in zijn eigen kracht en spreken uit zijn eigen getuigenis. Het weinige dat wij kennen (en het is voor de meesten maar weinig), doet ons naar meer verlangen. Zo wij ooit de „gave Gods” ontvangen hebben in ons geweten; zo wij ooit de geheimzinnige werking van het Goddelijke leven in onze harten hebben gevoeld; zo wij ooit de zoete aandoeningen en eigenaardige gewaarwordingen hebben gekend waardoor zij zich openbaart, dan heeft zij ons voor alle andere godsdienst gedood; en zo een mate van Goddelijk leven in het hart uit de volheid van de Zoon Gods gevloeid is, hebben wij geen andere godsdienst nodig dan die welke staat in de kracht Gods; daardoor alleen kunnen wij leven, en daardoor alleen, zo gevoelen wij, kunnen wij sterven.
Ik zet mijn treden in uw spoor,
opdat mijn voet niet uit zou glijden.
Wil mij voor struikelen bevrijden
en ga mij met uw heillicht voor.
Ik roep U aan, ’k blijf op U wachten,
omdat G’, o God, mij altoos redt.
Ai, luister dan naar mijn gebed
en neig uw oren tot mijn klachten!
Ps. 17:3
Aan de lezer…
Dat woord over de gave Gods doet vragen: weet u iets van dat inwendige bewustzijn van geestelijk leven? Hebt u weleens, al was het maar bij tijden, het geestelijke hart voelen kloppen en de ogen van uw ziel voelen opengaan? Misschien is het weinige dat u kent zo weinig, dat u het nauwelijks durft te noemen. Maar juist dat weinige doet naar meer verlangen, en dat verlangen zelf is een teken van leven; een dode ziel begeert niets.
Hoor dan wat de Heere Jezus tot de vrouw bij de put zeide: kendet u de gave Gods, en wie Hij is, u zou van Hem begeren, en Hij zou u levend water geven. Begeer het dan van Hem. Het leven dat uit de volheid van de Zoon Gods in het hart vloeit, maakt alle andere godsdienst overbodig. Daardoor alleen kunnen wij leven, en daardoor alleen kunnen wij ook met vrede sterven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Indien gij de gave Gods kendet, en wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken; zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zoude u levend water gegeven hebben.
Johannes 4:10
De natuur van de gave van God kunnen wij niet kennen, hoewel wij er wel de noodzaak van kunnen kennen, wanneer wij haar macht ervaren doordat zij aan onze ziel geopenbaard en in haar uitgestort wordt. Dan kennen wij iets van de gave van God, wanneer wij het eeuwige leven door onze geestelijke aderen voelen stromen. Hoe weet ik dat ik natuurlijk leven heb? Is het niet door het innerlijke besef dat ik natuurlijk leven bezit? Zo zullen ook wij, als wij geestelijk leven hebben, op bepaalde tijden en momenten er een inwendig besef van hebben. Wij zullen het geestelijke hart voelen kloppen en de geestelijke longen voelen ademen, de geestelijke ogen zullen zien en de geestelijke oren zullen horen. Kortom, wij zullen ons inwendig bewust worden van die aandoeningen en gevoelens die eigen zijn aan het leven van God in de ziel.
Het geestelijke leven zal gezien worden in zijn eigen licht, gevoeld worden in zijn eigen kracht en spreken met zijn eigen getuigenis. Het weinige dat wij kennen (en voor de meesten is het maar weinig), doet ons naar meer verlangen. Als wij ooit de „gave Gods” in ons geweten ontvangen hebben; als wij ooit de verborgen werking van het Goddelijke leven in ons hart hebben gevoeld; als wij ooit de zoete aandoeningen en bijzondere gewaarwordingen hebben gekend waardoor dat leven zich openbaart, dan heeft het ons gedood voor alle andere godsdienst. En als er een mate van Goddelijk leven uit de volheid van de Zoon van God in het hart is gevloeid, dan hebben wij geen andere godsdienst nodig dan die welke bestaat in de kracht van God. Daardoor alleen kunnen wij leven, en daardoor alleen, zo voelen wij, kunnen wij sterven.
Ik zet mijn treden in uw spoor,
opdat mijn voet niet uit zou glijden.
Wil mij voor struikelen bevrijden
en ga mij met uw heillicht voor.
Ik roep U aan, ’k blijf op U wachten,
omdat G’, o God, mij altoos redt.
Ai, luister dan naar mijn gebed
en neig uw oren tot mijn klachten!
Ps. 17:3
Aan de lezer…
Dat woord over de gave van God roept een vraag op: weet u iets van dat inwendige besef van geestelijk leven? Hebt u weleens, al was het maar op bepaalde tijden, het geestelijke hart voelen kloppen en de ogen van uw ziel voelen opengaan? Misschien is het weinige dat u kent zo weinig, dat u het nauwelijks durft te noemen. Maar juist dat weinige doet naar meer verlangen, en dat verlangen zelf is een teken van leven; een dode ziel begeert niets.
Hoor dan wat de Heere Jezus tegen de vrouw bij de put zei: als u de gave van God kende, en wie Hij is, dan zou u van Hem begeren, en Hij zou u levend water geven. Begeer het dan van Hem. Het leven dat uit de volheid van de Zoon van God in het hart vloeit, maakt alle andere godsdienst overbodig. Daardoor alleen kunnen wij leven, en daardoor alleen kunnen wij ook met vrede sterven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
If thou knewest the gift of God, and Who it is that saith to thee, Give Me to drink; thou wouldest have asked of Him, and He would have given thee living water.
John 4:10
We cannot know the nature, though we may know the necessity, of the gift of God, until we experience its power as revealed and shed abroad in our soul. Then we know some measure of the gift of God when we feel eternal life flowing through our spiritual veins. How do I know I live naturally? Is not my participation of natural life known to me by an internal consciousness that I possess it? I know I live, because I feel that I live.
And so, if we have spiritual life, there will be, at times and seasons, an internal consciousness that we have it; we shall feel the spiritual heart beat, and the spiritual lungs breathe, and the spiritual eyes see, and the spiritual ears hear—in a word, we shall be internally conscious of those emotions and sensations which are peculiar to the life of God in the soul. Spiritual life will be seen in its own light, felt in its own power, and shine forth in its own testimony.
The little that we do know (and it is indeed for the most part but a little) makes us long for more of it. If ever we have received “the gift of God” into our conscience; if ever we have felt the mysterious operation of divine life in our hearts; if ever we have known the sweet emotions and peculiar sensations by which it manifests itself, it has killed us to all other religions; and as a measure of divine life has flowed into the heart out of the fullness of the Son of God, we want no other religion but that which stands in the power of God; by that alone we can live, and by that alone we feel that we can die.
To the reader…
That word about the gift of God raises a question: do you know anything of that inward consciousness of spiritual life? Have you ever, even if only at certain times, felt the spiritual heart beat and the eyes of your soul open? Perhaps the little you know is so little that you hardly dare to mention it. But that very little makes you long for more, and that longing itself is a sign of life; a dead soul desires nothing.
Hear, then, what the Lord Jesus said to the woman at the well: if you knew the gift of God, and Who He is, you would ask of Him, and He would give you living water. So ask it of Him. The life that flows into the heart out of the fulness of the Son of God makes all other religion unnecessary. By that alone can we live, and by that alone can we also die in peace.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Si conocieses el don de Dios, y quién es el que te dice: Dame de beber: tú pedirías de él, y él te daría agua viva.
Juan 4:10
No podemos conocer la naturaleza del don de Dios, aunque podamos conocer su necesidad, hasta que experimentamos su poder tal como es revelado y derramado en nuestra alma. Entonces conocemos en alguna medida el don de Dios, cuando sentimos la vida eterna fluir por nuestras venas espirituales. ¿Cómo sé que vivo naturalmente? ¿No me es conocida mi participación de la vida natural por una conciencia interior de que la poseo? Sé que vivo, porque siento que vivo.
Y así, si tenemos vida espiritual, habrá, en ciertos tiempos y ocasiones, una conciencia interior de que la tenemos; sentiremos latir el corazón espiritual, y respirar los pulmones espirituales, y ver los ojos espirituales, y oír los oídos espirituales; en una palabra, tendremos conciencia interior de aquellas emociones y sensaciones que son propias de la vida de Dios en el alma. La vida espiritual será vista en su propia luz, sentida en su propio poder, y resplandecerá en su propio testimonio.
Lo poco que sabemos (y en verdad, la mayoría de las veces, no es sino poco) nos hace anhelar más de ello. Si alguna vez hemos recibido “el don de Dios” en nuestra conciencia; si alguna vez hemos sentido la misteriosa operación de la vida divina en nuestro corazón; si alguna vez hemos conocido las dulces emociones y las sensaciones peculiares por las que se manifiesta, nos ha hecho morir a todas las demás religiones; y a medida que una medida de vida divina ha fluido al corazón de la plenitud del Hijo de Dios, no queremos otra religión sino la que consiste en el poder de Dios; solo por ella podemos vivir, y solo por ella sentimos que podemos morir.
Al lector…
Esa palabra sobre el don de Dios suscita una pregunta: ¿sabe usted algo de esa conciencia interior de la vida espiritual? ¿Ha sentido alguna vez, aunque solo fuera en ciertos momentos, latir el corazón espiritual y abrirse los ojos de su alma? Quizá lo poco que sabe es tan poco que apenas se atreve a mencionarlo. Pero precisamente ese poco le hace anhelar más, y ese mismo anhelo es una señal de vida; un alma muerta no desea nada.
Escuche, pues, lo que el Señor Jesús dijo a la mujer junto al pozo: si conocieses el don de Dios, y quién es Él, tú pedirías de Él, y Él te daría agua viva. Pídaselo, pues, a Él. La vida que fluye al corazón de la plenitud del Hijo de Dios hace innecesaria toda otra religión. Solo por ella podemos vivir, y solo por ella podemos también morir en paz.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Hanna’s gebed
En haar tegenpartijdige tergde haar ook met terging, omdat de Heere haar baarmoeder toegesloten had.
1 Samuël 1:6
De vruchtbaarheid van Peninna kwetste en smartte haar onvruchtbare rivale zeer, net zoals de ijver, toewijding, vroomheid en voorkomendheid van vele belijders de kinderen van God vaak zeer ergeren. Want zij zijn geestelijk onvruchtbaar, zoals Hanna het van nature was. En zo kunnen ze geen goede werken voortbrengen volgens het gebruikelijke natuurlijke verloop. Onvruchtbaarheid, machteloosheid en hulpeloosheid hebben hen zo volkomen verlamd, dat er een bovennatuurlijk, of zelfs, mag ik wel zeggen, een wonderbaarlijk werk van de Heilige Geest aan hun geweten nodig is, net zoals Hanna een wonderbaarlijk werk aan haar baarmoeder nodig had om vrucht te kunnen dragen. Ze worden dus bijzonder gekwetst en raken geërgerd als ze zien hoe vruchtbaar degenen zijn die uitsluitend godsdienst belijden, terwijl zij onvruchtbaar voortgaan.
Dus kunnen de vruchtbare Peninna’s bidden, terwijl de onvruchtbare Hanna’s geen enkel geestelijk gebed kunnen doen; de eersten kunnen altijd geloven, terwijl de anderen geen greintje levend geloof in het hart kunnen opwekken. De eersten kunnen hopen, terwijl de laatsten soms wel bijna in wanhoop kunnen vervallen; de doden kunnen gelukkig zijn, terwijl de levenden vaak door ellende worden overweldigd; de vleselijken kunnen de Bijbel van voor tot achter lezen, terwijl de geestelijken hem soms nauwelijks open krijgen vanwege de verzoekingen die hen overstelpen; en degenen zonder genade kunnen het pad van religie bewandelen met alle gemak en aangenaamheid ter wereld, terwijl de genadigen, zoals Asaf, de hele dag door worden gekweld en elke morgen worden gekastijd.
Zoals Peninna haar rivale ook met haar eigen vruchtbaarheid en met Hanna’s onvruchtbaarheid tergde, zo tergen degenen die religie alleen maar belijden Gods kinderen vaak met hun gebrek aan goede werken, vergeleken met hun eigen superieure en overvloedige religieuze verrichtingen. Ze maken degenen die geestelijke religie belijden uit voor onderontwikkeld, terwijl zij zelf verder ontwikkeld zijn. Daarom berispen ze hen, net zoals Peninna Hanna, vanwege hun onvruchtbaarheid en beschuldigen ze hen van religieuze onverschilligheid, of, wat zij noemen, hun antinomiaanse luiheid. Hun eigen overvloedige vruchtbaarheid vergelijken ze met heimelijke voldoening en grote zelfingenomenheid met de onvruchtbaarheid van de anderen.
Maar wat was de uitwerking van deze beschimpingen, of, liever, wat was de uitwerking van de stille pijnscheuten in Hanna’s ziel vanwege het besef van haar onvruchtbaarheid? Ze keerde zich van alles af en ging met haar last naar de Heere.
Lezen: 1 Samuël 1:1-16
Aan de lezer…
U die de stille pijnscheuten in de ziel kent, ziet misschien anderen vlot bidden, gemakkelijk geloven en de Bijbel van voor tot achter lezen, terwijl u zelf nauwelijks een geestelijk gebed kunt doen. Wordt u misschien zelfs beschimpt om uw onvruchtbaarheid, alsof het enkel luiheid was? Het is pijnlijk, en de Heere weet het. Toch is uw machteloosheid geen bewijs dat u buiten Gods werk staat; zij toont juist dat er niets minder dan een wonderbaarlijk werk van de Heilige Geest aan uw geweten nodig is.
Doe dan wat Hanna deed. Zij twistte niet met haar tegenpartijdige en zocht geen troost in eigen inspanning, maar keerde zich van alles af en ging met haar last naar de Heere. Hij had haar baarmoeder toegesloten, en Hij alleen kon die openen. Zo is het ook met uw ziel. Breng uw onvruchtbaarheid bij Hem; Die de last oplegde, weet ook hoe Hij hem wegneemt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En haar tegenpartijdige tergde haar ook met terging, omdat de Heere haar baarmoeder toegesloten had.
1 Samuël 1:6
De vruchtbaarheid van Peninna kwetste en griefde haar onvruchtbare rivale diep, net zoals de ijver, toewijding, vroomheid en voorkomendheid van veel belijders de kinderen van God vaak diep ergeren. Want zij zijn geestelijk onvruchtbaar, zoals Hanna het van nature was. Daarom kunnen ze langs de gewone, natuurlijke weg geen goede werken voortbrengen. Onvruchtbaarheid, machteloosheid en hulpeloosheid hebben hen zo volkomen verlamd, dat er een bovennatuurlijk, ja, mag ik wel zeggen, een wonderbaarlijk werk van de Heilige Geest aan hun geweten nodig is, net zoals Hanna een wonderbaarlijk werk aan haar baarmoeder nodig had om vrucht te kunnen dragen. Ze worden dan ook bijzonder gekwetst en geërgerd als ze zien hoe vruchtbaar degenen zijn die alleen maar godsdienst belijden, terwijl zijzelf onvruchtbaar blijven.
Zo kunnen de vruchtbare Peninna’s bidden, terwijl de onvruchtbare Hanna’s geen enkel geestelijk gebed kunnen doen. De eersten kunnen altijd geloven, terwijl de anderen geen greintje levend geloof in hun hart kunnen opwekken. De eersten kunnen hopen, terwijl de laatsten soms bijna in wanhoop vervallen. De doden kunnen gelukkig zijn, terwijl de levenden vaak door ellende worden overweldigd. De vleselijken kunnen de Bijbel van voor tot achter lezen, terwijl de geestelijken hem soms nauwelijks open krijgen door de verzoekingen die hen overstelpen. En wie geen genade heeft, kan de weg van de godsdienst gaan met alle gemak en aangenaamheid van de wereld, terwijl de begenadigden, zoals Asaf, de hele dag geplaagd en elke morgen gekastijd worden.
Zoals Peninna haar rivale ook tergde met haar eigen vruchtbaarheid en met Hanna’s onvruchtbaarheid, zo tergen wie alleen maar godsdienst belijden de kinderen van God vaak met hun gebrek aan goede werken, vergeleken met hun eigen superieure en overvloedige godsdienstige prestaties. Ze stellen degenen die een geestelijke godsdienst belijden voor als achterblijvers, terwijl zijzelf veel verder zijn. Daarom berispen ze hen, net zoals Peninna Hanna, om hun onvruchtbaarheid en beschuldigen ze hen van godsdienstige onverschilligheid of, zoals zij het noemen, antinomiaanse luiheid. Met heimelijke voldoening en grote zelfingenomenheid vergelijken ze hun eigen overvloedige vruchtbaarheid met de onvruchtbaarheid van de anderen.
Maar wat was het gevolg van deze beschimpingen, of liever, wat was het gevolg van de stille pijnscheuten in Hanna’s ziel door het besef van haar onvruchtbaarheid? Ze keerde zich van alles af en ging met haar last naar de Heere.
Lezen: 1 Samuël 1:1-16
Aan de lezer…
U die de stille pijnscheuten in de ziel kent, ziet misschien anderen vlot bidden, gemakkelijk geloven en de Bijbel van voor tot achter lezen, terwijl u zelf nauwelijks een geestelijk gebed kunt doen. Wordt u misschien zelfs beschimpt om uw onvruchtbaarheid, alsof het alleen luiheid was? Het is pijnlijk, en de Heere weet het. Toch is uw machteloosheid geen bewijs dat u buiten Gods werk staat; zij laat juist zien dat er niets minder dan een wonderbaarlijk werk van de Heilige Geest aan uw geweten nodig is.
Doe dan wat Hanna deed. Zij twistte niet met haar tegenpartijdige en zocht geen troost in eigen inspanning, maar keerde zich van alles af en ging met haar last naar de Heere. Hij had haar baarmoeder toegesloten, en Hij alleen kon die openen. Zo is het ook met uw ziel. Breng uw onvruchtbaarheid bij Hem; Hij Die de last oplegde, weet ook hoe Hij hem wegneemt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And her adversary also provoked her sore, for to make her fret, because the LORD had shut up her womb.
1 Samuel 1:6
The fruitfulness of Peninnah deeply wounded and grieved her barren rival, just as the zeal, devotedness, piety and amiability of many professors often deeply fret the children of God. For they are spiritually barren, as Hannah was naturally. Therefore they cannot bring forth good works in the ordinary, natural way. Barrenness, impotence and helplessness have so completely paralysed them, that a supernatural, yes, I may say, a miraculous work of the Holy Spirit upon their conscience is needed, just as Hannah needed a miraculous work upon her womb to bear fruit. They are therefore especially wounded and fretted when they see how fruitful those are who merely profess religion, while they themselves remain barren.
Thus the fruitful Peninnahs can pray, while the barren Hannahs cannot put up a single spiritual prayer. The former can always believe, while the others cannot raise up a grain of living faith in their heart. The former can hope, while the latter sometimes almost sink into despair. The dead can be happy, while the living are often overwhelmed with misery. The carnal can read the Bible from beginning to end, while the spiritual sometimes can scarcely open it for the temptations that overwhelm them. And those who have no grace can walk the road of religion with all the ease and pleasantness in the world, while the gracious, like Asaph, are plagued all the day long and chastened every morning.
As Peninnah also provoked her rival with her own fruitfulness and with Hannah’s barrenness, so those who merely profess religion often provoke the children of God with their want of good works, compared with their own superior and abundant religious performances. They represent those who profess a spiritual religion as lagging behind, while they themselves are far ahead. Therefore they reproach them, just as Peninnah reproached Hannah, for their barrenness, and charge them with religious indifference or, as they call it, Antinomian sloth. With secret satisfaction and great self-complacency they compare their own abundant fruitfulness with the barrenness of the others.
But what was the effect of these taunts, or rather, what was the effect of the silent pangs in Hannah’s soul from a sense of her barrenness? She turned away from everything and went with her burden to the Lord.
Reading: 1 Samuel 1:1-16
To the reader…
You who know the silent pangs of the soul perhaps see others pray readily, believe easily and read the Bible from beginning to end, while you yourself can scarcely put up a spiritual prayer. Are you perhaps even taunted for your barrenness, as if it were mere sloth? It is painful, and the Lord knows it. Yet your helplessness is no proof that you stand outside God’s work; it shows rather that nothing less than a miraculous work of the Holy Spirit upon your conscience is needed.
Then do what Hannah did. She did not quarrel with her adversary, nor seek comfort in her own efforts, but turned away from everything and went with her burden to the Lord. He had shut up her womb, and He alone could open it. So it is with your soul too. Bring your barrenness to Him; He Who laid the burden on knows also how to take it away.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y su competidora la irritaba, enojándola y entristeciéndola, porque Jehová había cerrado su matriz.
1 Samuel 1:6
La fecundidad de Penina hería y afligía profundamente a su estéril rival, así como el celo, la devoción, la piedad y la amabilidad de muchos profesantes a menudo afligen profundamente a los hijos de Dios. Porque estos son espiritualmente estériles, como Ana lo era naturalmente. Por eso no pueden producir buenas obras de la manera ordinaria y natural. La esterilidad, la impotencia y el desamparo los han paralizado tan completamente que se necesita una obra sobrenatural, sí, puedo decir milagrosa, del Espíritu Santo en su conciencia, así como Ana necesitó una obra milagrosa en su seno para dar fruto. Por eso se sienten especialmente heridos y afligidos cuando ven cuán fructíferos son los que meramente profesan la religión, mientras ellos mismos permanecen estériles.
Así las Peninas fructíferas pueden orar, mientras las Anas estériles no pueden elevar ni una sola oración espiritual. Las primeras siempre pueden creer, mientras las otras no pueden suscitar en su corazón ni un grano de fe viva. Las primeras pueden esperar, mientras las segundas a veces casi se hunden en la desesperación. Los muertos pueden ser felices, mientras los vivos a menudo están abrumados de miseria. Los carnales pueden leer la Biblia de principio a fin, mientras los espirituales a veces apenas pueden abrirla por las tentaciones que los abruman. Y los que no tienen gracia pueden andar el camino de la religión con toda la facilidad y el agrado del mundo, mientras los que tienen gracia, como Asaf, son azotados todo el día y castigados cada mañana.
Así como Penina provocaba a su rival con su propia fecundidad y con la esterilidad de Ana, así los que meramente profesan la religión a menudo provocan a los hijos de Dios con su falta de buenas obras, comparada con sus propias prácticas religiosas, superiores y abundantes. Presentan a los que profesan una religión espiritual como rezagados, mientras ellos mismos van muy por delante. Por eso les echan en cara, como Penina a Ana, su esterilidad, y los acusan de indiferencia religiosa o, como ellos la llaman, de pereza antinomiana. Con secreta satisfacción y gran complacencia en sí mismos comparan su propia abundante fecundidad con la esterilidad de los otros.
Pero ¿cuál fue el efecto de estas burlas, o más bien, cuál fue el efecto de los dolores silenciosos en el alma de Ana por el sentimiento de su esterilidad? Se apartó de todo y fue con su carga al Señor.
Lectura: 1 Samuel 1:1-16
Al lector…
Usted que conoce los dolores silenciosos del alma quizá ve a otros orar con soltura, creer con facilidad y leer la Biblia de principio a fin, mientras usted mismo apenas puede elevar una oración espiritual. ¿Quizá hasta se burlan de usted por su esterilidad, como si fuera mera pereza? Es doloroso, y el Señor lo sabe. Sin embargo, su desamparo no es prueba de que esté fuera de la obra de Dios; muestra más bien que no se necesita nada menos que una obra milagrosa del Espíritu Santo en su conciencia.
Haga entonces lo que hizo Ana. Ella no riñó con su adversaria, ni buscó consuelo en sus propios esfuerzos, sino que se apartó de todo y fue con su carga al Señor. Él había cerrado su matriz, y solo Él podía abrirla. Así sucede también con su alma. Lleve a Él su esterilidad; Aquel que puso la carga sabe también cómo quitarla.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der gemeente.
Kolossenzen 1:18
Dat de Heere Jezus Christus een volk zou hebben, waarin Hij eeuwig zou verheerlijkt worden, was vastgelegd in de belofte des Vaders aan de Zoon: „Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting” (Psalm 2:8). Dit was de vreugde die Hem voorgesteld was, waarvoor Hij het kruis heeft gedragen en de schande veracht. Dit was de verkregen erfenis, de arbeid Zijner ziel en de beloning voor Zijn vernedering en lijden (Filipp. 2:9, 10). Dit volk vormt de leden van Zijn verborgen lichaam, en zij allen waren in Zijn boek geschreven, het boek des levens, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen er nog geen van die was (Psalm 139:16). Deze allen werden in de eeuwigheid Hem gegeven toen Hij verordineerd werd hun Verbondshoofd te zijn in het eeuwigdurend verbond, dat in alles welgeordineerd en bewaard is.
Zo werden zij dus, in het vooruitzicht van Zijn menswording, leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen. Op hoe treffende wijze herinnerde de gezegende Verlosser Zijn Vader aan deze verbondsonderhandeling, toen Hij in Zijn gedenkwaardig gebed zeide: „Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen die Gij Mij gegeven hebt; want zij zijn Uwe. En al het Mijne is Uwe, en het Uwe is Mijne, en Ik ben in hen verheerlijkt.” Zijnde alzo aan Christus gegeven en verordineerd tot leden van Zijn verborgen lichaam, kunnen zij zo min verloren gaan als Christus Zelf. Hij is hun Hoofd, en daar Hij alle macht bezit en vol liefde is, vervuld met alle wijsheid en vol van barmhartigheid, genade en waarheid, hoe kan of wil Hij het dan verdragen dat één van Zijn leden uit Zijn lichaam zou uitvallen en voor Hem, zowel als voor zichzelf, zou verloren gaan?
Zal iemand uit vrije wil dulden dat zijn oog uitgestoken wordt, of dat zijn hand of voet, of zelfs de top van zijn pink afgesneden wordt? Indien enig lid van ons lichaam verderft, indien wij een arm of een been verliezen, dan is het omdat wij geen macht hebben om dit te beletten. Maar Christus bezit alle macht in de hemel en op de aarde, en daarom kan geen lid van Zijn verborgen lichaam verloren gaan uit kracht van niet te kunnen behouden.
Doch hoezeer deze leerstelling de waarheid is, het is alleen wanneer wij door een geestelijke geboorte zijn levend gemaakt, dat wij de werkelijkheid daarvan geloven. Eerst worden wij in de noodzakelijkheid gezet van Christus te moeten hebben als Verlosser van de toekomende toorn, van de vrees des doods, van de vloek der wet, van de aantijgingen van een beschuldigende consciëntie. En worden wij door de gezegende werking des Geestes in staat gesteld om Hem als de Christus Gods door het geloof in ons hart te ontvangen en enigermate ons aandeel in Hem vast te stellen, dan worden wij in de behoefte gebracht van de dagelijkse ondersteuningen van genade en kracht uit Zijn volheid.
Want wij moeten iets leren van de diepten van onze val, van de boosheden van ons hart, van de verzoekingen des satans, van de kracht der zonde, van onze eigen zwakheid en onwaardigheid. En elke nieuwe ontdekking van onze hulpbehoevendheid en ellende opent de weg om op Hem te zien en van Hem af te hangen. Wij worden meer en meer afhankelijk van Hem, als Die ons geworden is van God tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en verlossing.
Aan de lezer…
Wanneer u soms vreest dat u toch nog verloren zult gaan, is dit woord voor u. Leert u elke dag meer van de boosheid van uw hart, van de kracht der zonde en van uw eigen zwakheid, zodat u uzelf nauwelijks meer kunt vertrouwen? Dat is geen vreemde weg; het is de weg waarlangs de Heere Zijn volk afhankelijk maakt. Elke nieuwe ontdekking van uw ellende wil u leren op Hem te zien en van Hem af te hangen.
Want Christus is het Hoofd van Zijn lichaam, en Hij laat geen lid uitvallen. Wie van ons laat vrijwillig zijn oog uitsteken of zelfs de top van zijn pink afsnijden? Wij verliezen een lid alleen omdat wij geen macht hebben om het te beletten. Maar Hij bezit alle macht in de hemel en op de aarde, en Hij is vol liefde, genade en waarheid. Hij bidt voor de Zijnen. Steun dan niet op uw eigen vasthouden, maar op Zijn vasthouden; Hij is u van God geworden tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en verlossing.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der gemeente.
Kolossenzen 1:18
Dat de Heere Jezus Christus een volk zou hebben in wie Hij eeuwig verheerlijkt zou worden, lag vast in de belofte van de Vader aan de Zoon: „Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting” (Psalm 2:8). Dit was de vreugde die Hem was voorgesteld, waarvoor Hij het kruis heeft verdragen en de schande heeft veracht. Dit was de verworven erfenis, de arbeid van Zijn ziel en de beloning voor Zijn vernedering en lijden (Filipp. 2:9, 10). Dit volk vormt de leden van Zijn verborgen lichaam, en zij waren allen geschreven in Zijn boek, het boek des levens, de dagen dat zij geformeerd zouden worden, toen er nog geen van hen was (Psalm 139:16). Zij allen werden Hem in de eeuwigheid gegeven, toen Hij verordineerd werd om hun Verbondshoofd te zijn in het eeuwig verbond, dat in alles welgeordend en bewaard is.
Zo werden zij dus, met het oog op Zijn menswording, leden van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn benen. Op hoe treffende wijze herinnerde de gezegende Verlosser Zijn Vader aan deze verbondsafspraak, toen Hij in Zijn gedenkwaardig gebed zei: „Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen die Gij Mij gegeven hebt; want zij zijn Uwe. En al het Mijne is Uwe, en het Uwe is Mijne, en Ik ben in hen verheerlijkt.” Omdat zij zo aan Christus gegeven zijn en verordineerd zijn tot leden van Zijn verborgen lichaam, kunnen zij evenmin verloren gaan als Christus Zelf. Hij is hun Hoofd. En omdat Hij alle macht bezit en vol liefde is, vervuld met alle wijsheid en vol van barmhartigheid, genade en waarheid, hoe kan of zal Hij dan verdragen dat een van Zijn leden uit Zijn lichaam zou wegvallen en zowel voor Hem als voor zichzelf verloren zou gaan?
Zal iemand vrijwillig dulden dat zijn oog uitgestoken wordt, of dat zijn hand of voet, of zelfs het topje van zijn pink, wordt afgesneden? Als een lid van ons lichaam te gronde gaat, als wij een arm of een been verliezen, dan is dat omdat wij geen macht hebben om het te verhinderen. Maar Christus bezit alle macht in de hemel en op de aarde, en daarom kan geen lid van Zijn verborgen lichaam verloren gaan doordat Hij het niet zou kunnen behouden.
Maar hoezeer deze leer ook de waarheid is, pas wanneer wij door een geestelijke geboorte levend gemaakt zijn, geloven wij de werkelijkheid ervan. Eerst worden wij in de noodzaak gebracht dat wij Christus moeten hebben als Verlosser van de toekomende toorn, van de vrees voor de dood, van de vloek van de wet, van de aanklachten van een beschuldigend geweten. En wanneer wij door de gezegende werking van de Geest in staat gesteld worden Hem als de Christus van God door het geloof in ons hart te ontvangen en in zekere mate ons deel aan Hem vast te stellen, dan worden wij gebracht tot de behoefte aan de dagelijkse ondersteuning van genade en kracht uit Zijn volheid.
Want wij moeten iets leren van de diepte van onze val, van de boosheid van ons hart, van de verzoekingen van satan, van de kracht van de zonde, van onze eigen zwakheid en onwaardigheid. En elke nieuwe ontdekking van onze hulpeloosheid en ellende opent de weg om op Hem te zien en van Hem afhankelijk te zijn. Wij worden meer en meer afhankelijk van Hem, Die ons geworden is van God tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en verlossing.
Aan de lezer…
Wanneer u soms vreest dat u toch nog verloren zult gaan, is dit woord voor u. Leert u elke dag meer van de boosheid van uw hart, van de kracht van de zonde en van uw eigen zwakheid, zodat u uzelf nauwelijks meer kunt vertrouwen? Dat is geen vreemde weg; het is de weg waarlangs de Heere Zijn volk afhankelijk maakt. Elke nieuwe ontdekking van uw ellende wil u leren op Hem te zien en van Hem afhankelijk te zijn.
Want Christus is het Hoofd van Zijn lichaam, en Hij laat geen lid wegvallen. Wie van ons laat vrijwillig zijn oog uitsteken of zelfs het topje van zijn pink afsnijden? Wij verliezen een lid alleen omdat wij geen macht hebben om het te verhinderen. Maar Hij bezit alle macht in de hemel en op de aarde, en Hij is vol liefde, genade en waarheid. Hij bidt voor de Zijnen. Steun dan niet op uw eigen vasthouden, maar op Zijn vasthouden; Hij is u van God geworden tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en verlossing.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And he is the head of the body, the church.”
Colossians 1:18
That the Lord Jesus Christ should have a people, in whom He should be eternally glorified, was the original promise made by the Father to the Son. “Ask of Me, and I shall give You the heathen for Your inheritance, and the uttermost parts of the earth for Your possession” (Psalm 2:8). This was “the joy that was set before Him, for which He endured the cross, despising the shame.” This was “the purchased possession,” “the travail of His soul,” and the reward of His humiliation and sufferings (Phil. 2:9, 10). This people form the members of His mystical body, all of which were written in His book, the book of life, when as yet, as regards their actual existence, there was none of them (Psalm 139:16). All these were given to Him in eternity, when He was constituted their covenant Head in the everlasting covenant, ordered in all things, and sure. They thus became, in prospect of His incarnation, “members of His body, of His flesh, and of His bones.”
How touchingly did the blessed Redeemer remind His Father of those covenant transactions, when He said in His memorable prayer, “I pray for them—I pray not for the world, but for those whom You have given Me; for they are Yours. And all Mine are Yours, and Yours are Mine; and I am glorified in them.” Being thus given to Christ, and constituted members of His mystical body, they can no more perish than Christ Himself. He is their Head; and as He is possessed of all power, full of all love, filled with all wisdom, and replete with all mercy, grace, and truth, how can He, how will He, allow any of His members to fall out of His body, and be lost to Him as well as to themselves?
Will any man willingly allow his eye, or his hand, or his foot, or even the tip of his little finger, to be taken out or cut off? If any member of our body perish, if we lose an arm or a leg, it is because we have not power to prevent it. But all power belongs to Christ, in heaven and in earth; and therefore no one member of His mystical body can perish for lack of power in Him to save it.
But however truly blessed this doctrine is, it is only when we are quickened and made alive unto God by a spiritual birth that we savingly and experimentally know and realize it; and we are, for the most part, led into it thus. We are first made to feel our need of Christ as a Saviour from the wrath to come, from the fear of death, the curse of the law, and the accusations of a guilty conscience.
When enabled, by the blessed Spirit’s operations, to receive Him into our heart, by faith, as the Christ of God, and to realize in some measure a saving interest in Him, we are then taught to feel our need of continual supplies of grace and strength out of His fullness. For we have to learn something of the depths of the fall, of the evils of our heart, of the temptations of Satan, of the strength of sin, of our own weakness and worthlessness; and as every fresh discovery of our helplessness and wretchedness makes a way for looking to and hanging upon Him, we become more and more dependent on Him as of God made unto us wisdom, righteousness, sanctification, and redemption.
To the reader…
When you sometimes fear that you will be lost after all, this word is for you. Do you learn every day more of the wickedness of your heart, of the strength of sin, and of your own weakness, so that you can hardly trust yourself any longer? That is no strange way; it is the way by which the Lord makes His people dependent. Every fresh discovery of your wretchedness is meant to teach you to look to Him and to depend upon Him.
For Christ is the Head of His body, and He lets no member fall away. Which of us would willingly let his eye be put out, or even the tip of his little finger be cut off? We lose a member only because we have no power to prevent it. But He possesses all power in heaven and on earth, and He is full of love, grace, and truth. He prays for His own. Do not lean, then, on your own holding fast, but on His holding you; He is of God made unto you wisdom, righteousness, sanctification, and redemption.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y Él es la cabeza del cuerpo que es la iglesia.
Colosenses 1:18
Que el Señor Jesucristo tuviera un pueblo en el cual fuese eternamente glorificado fue la promesa original hecha por el Padre al Hijo. “Pídeme, y te daré por heredad las gentes, y por posesión Tuya los términos de la tierra” (Salmo 2:8). Este era “el gozo que le fue propuesto, por el cual sufrió la cruz, menospreciando la vergüenza”. Esta era “la posesión adquirida”, “el trabajo de Su alma”, y la recompensa de Su humillación y Sus sufrimientos (Fil. 2:9, 10). Este pueblo forma los miembros de Su cuerpo místico, todos los cuales estaban escritos en Su libro, el libro de la vida, cuando aún, en cuanto a su existencia real, no había ninguno de ellos (Salmo 139:16). Todos estos le fueron dados en la eternidad, cuando Él fue constituido su Cabeza del pacto en el pacto eterno, ordenado en todas las cosas, y será guardado. Así llegaron a ser, en previsión de Su encarnación, “miembros de Su cuerpo, de Su carne y de Sus huesos”.
¡Con qué ternura recordó el bendito Redentor a Su Padre aquellas transacciones del pacto, cuando dijo en Su memorable oración: “Yo ruego por ellos: no ruego por el mundo, sino por los que me diste; porque Tuyos son. Y todas Mis cosas son Tus cosas, y Tus cosas son Mis cosas; y he sido glorificado en ellas”! Habiendo sido así dados a Cristo, y constituidos miembros de Su cuerpo místico, no pueden perecer más de lo que puede perecer Cristo mismo. Él es su Cabeza; y puesto que posee todo poder, está lleno de todo amor, colmado de toda sabiduría y rebosante de toda misericordia, gracia y verdad, ¿cómo puede Él, cómo querrá Él, permitir que alguno de Sus miembros se desprenda de Su cuerpo y se pierda para Él tanto como para sí mismo?
¿Permitirá hombre alguno de buen grado que le saquen el ojo, o le corten la mano, o el pie, o siquiera la punta de su dedo meñique? Si algún miembro de nuestro cuerpo perece, si nosotros perdemos un brazo o una pierna, es porque no tenemos poder para impedirlo. Pero toda potestad pertenece a Cristo, en el cielo y en la tierra; y por tanto ningún miembro de Su cuerpo místico puede perecer por falta de poder en Él para salvarlo.
Pero por verdaderamente bendita que sea esta doctrina, solo cuando somos vivificados y hechos vivos para Dios por un nacimiento espiritual la conocemos y experimentamos de manera salvadora y experimental; y somos, en su mayor parte, conducidos a ella de este modo. Primero se nos hace sentir nuestra necesidad de Cristo como Salvador de la ira venidera, del temor de la muerte, de la maldición de la ley y de las acusaciones de una conciencia culpable.
Cuando somos capacitados, por las operaciones del bendito Espíritu, para recibirle por la fe en nuestro corazón como el Cristo de Dios, y para experimentar en alguna medida una parte salvadora en Él, se nos enseña entonces a sentir nuestra necesidad de continuas provisiones de gracia y fuerza de Su plenitud. Porque hemos de aprender algo de las profundidades de la caída, de los males de nuestro corazón, de las tentaciones de Satanás, de la fuerza del pecado, de nuestra propia debilidad e indignidad; y como cada nuevo descubrimiento de nuestra impotencia y miseria abre un camino para mirar a Él y depender de Él, llegamos a depender cada vez más de Aquel que nos ha sido hecho por Dios sabiduría, justificación, santificación y redención.
Al lector…
Cuando a veces teme que al final se perderá, esta palabra es para usted. ¿Aprende cada día más de la maldad de su corazón, de la fuerza del pecado y de su propia debilidad, de modo que apenas puede ya fiarse de sí mismo? Ese no es un camino extraño; es el camino por el cual el Señor hace dependiente a Su pueblo. Cada nuevo descubrimiento de su miseria tiene por fin enseñarle a mirar a Él y a depender de Él.
Porque Cristo es la Cabeza de Su cuerpo, y no deja que ningún miembro se desprenda. ¿Quién de nosotros dejaría de buen grado que le sacaran el ojo, o que le cortaran siquiera la punta del dedo meñique? Solo perdemos un miembro porque no tenemos poder para impedirlo. Pero Él posee toda potestad en el cielo y en la tierra, y está lleno de amor, gracia y verdad. Él ruega por los Suyos. No se apoye, pues, en que usted se aferre, sino en que Él le sostiene; Él le ha sido hecho por Dios sabiduría, justificación, santificación y redención.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl