6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen, noch in Mijn getrouwheid niet feilen. Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen; en hetgeen dat uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen.
Psalm 89:34, 35
Wij leven in een veranderlijke, steeds veranderende wereld. Alles buiten ons kenmerkt zich door verandering, dood en verval; en wat onszelf aangaat, alles in ons zegt hoe broos, hoe zwak en vergankelijk wij zijn. Zo ziet men overal, door het oog des verstands en der rede, onzekerheid en veranderlijkheid ingedrukt op iedere gebeurtenis, maar ook op alles wat wij hebben en zijn in lichaam en ziel; en die ervaring van hetgeen wij in onszelf gevoelen en in alles rondom ons zien, brengt dikwijls ons geloof en onze hoop in beproeving. Want wij zijn geneigd God naar onszelf af te meten en onze staat voor Hem te beoordelen, niet volgens Zijn Woord, maar volgens de zich afwisselende gedachten en oefeningen van onze geest.
Maar als wij door het oog des geloofs door al die nevelen kunnen heenzien die, de bodem onzer ziel als het ware bedekkende, zo dikwijls ons oog verduisteren, zodat wij niets kunnen onderscheiden van Gods plannen zoals ze zijn geopenbaard in een eeuwig verbond dat vast en zeker is, en zo wij tegelijkertijd een getuigenis hebben van ons deel daaraan, dan is er grond zowel voor het geloof als voor de hoop, alleen gegrond op het Woord en de belofte van Hem Die niet kan liegen. Zo werd David getroost op het leger der smarte, toen het klamme doodzweet zijn voorhoofd bedekte (2 Sam. 23:5).
Het was toen in dat „eeuwig verbond” opgenomen dat zelfs, vóór de wereld geformeerd, de mens gemaakt of de zonde bedreven was, een Redder werd bestemd, een Verlosser werd aangewezen, en ook de personen der verlosten in Hem verkoren en Hem gegeven werden. Hoe kunnen wij dan geloven dat veranderlijke en veranderende gebeurtenissen hier in de tijd datgene zouden veranderen en verijdelen wat door een vast en souverein raadsbesluit stellig was bepaald, of dat de een of andere veranderlijke omstandigheid in onszelf of in anderen de eeuwige plannen Gods zou kunnen vernietigen?
Geen onheil zal de stad verstoren
waar God zijn woning heeft verkoren.
God zal haar redden uit de nood
bij ’t dagen van het morgenrood.
Ps. 46:3
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u God soms afmeet naar uzelf. Ziet u in uw eigen hart niets dan broosheid en veranderlijkheid, en concludeert u daaruit dat ook Gods trouw jegens u wankel is? Dan beoordeelt u uw staat niet naar Zijn Woord, maar naar de wisselende gedachten van uw eigen geest. De nevelen die over de bodem van uw ziel hangen, verduisteren uw oog, maar zij veranderen niets aan het eeuwig verbond, dat vast en zeker is.
Hij heeft gezegd: „Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen.” Wat uit Zijn lippen gegaan is, zal Hij niet veranderen. Zou dan uw wankelen Zijn raadsbesluit kunnen verijdelen? Klem u aan dat Woord vast, ook op het leger der smarte. Uw grond voor geloof en hoop ligt niet in uzelf, maar in de belofte van Hem Die niet kan liegen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen, noch in Mijn getrouwheid niet feilen. Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen; en hetgeen dat uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen.
Psalm 89:34, 35
We leven in een veranderlijke, voortdurend veranderende wereld. Alles om ons heen wordt gekenmerkt door verandering, dood en verval. En wat onszelf betreft: alles in ons zegt hoe broos, hoe zwak en hoe vergankelijk we zijn. Zo ziet men met het oog van het verstand en de rede overal onzekerheid en veranderlijkheid gedrukt op iedere gebeurtenis, maar ook op alles wat we hebben en zijn naar lichaam en ziel. Die ervaring van wat we in onszelf voelen en in alles om ons heen zien, stelt ons geloof en onze hoop vaak op de proef. Want we zijn geneigd God naar onszelf af te meten en onze staat voor Hem te beoordelen, niet volgens Zijn Woord, maar volgens de wisselende gedachten en oefeningen van onze geest.
Maar soms kunnen we met het oog van het geloof heenzien door al die nevelen die als het ware de bodem van onze ziel bedekken en zo vaak ons oog verduisteren, zodat we niets kunnen onderscheiden van Gods plannen zoals die geopenbaard zijn in een eeuwig verbond dat vast en zeker is. Als we dan daardoorheen zien en tegelijk een getuigenis hebben dat we daar deel aan hebben, dan is er grond voor het geloof en ook voor de hoop. Die grond rust alleen op het Woord en de belofte van Hem Die niet kan liegen. Zo werd David getroost op het ziekbed, toen het klamme doodszweet zijn voorhoofd bedekte (2 Sam. 23:5).
Want in dat „eeuwig verbond” was al vastgelegd, nog vóór de wereld geformeerd, de mens gemaakt of de zonde begaan was, dat er een Redder bestemd en een Verlosser aangewezen werd, en dat ook de personen van de verlosten in Hem verkoren en aan Hem gegeven werden. Hoe kunnen we dan geloven dat veranderlijke en veranderende gebeurtenissen hier in de tijd zouden veranderen en verijdelen wat door een vast en soeverein raadsbesluit zeker bepaald was? Of dat de een of andere veranderlijke omstandigheid in onszelf of in anderen de eeuwige plannen van God zou kunnen vernietigen?
Geen onheil zal de stad verstoren
waar God zijn woning heeft verkoren.
God zal haar redden uit de nood
bij ’t dagen van het morgenrood.
Ps. 46:3
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u God soms afmeet naar uzelf. Ziet u in uw eigen hart niets dan broosheid en veranderlijkheid, en concludeert u daaruit dat ook Gods trouw tegenover u wankel is? Dan beoordeelt u uw staat niet naar Zijn Woord, maar naar de wisselende gedachten van uw eigen geest. De nevelen die over de bodem van uw ziel hangen, verduisteren uw oog, maar zij veranderen niets aan het eeuwig verbond, dat vast en zeker is.
Hij heeft gezegd: „Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen.” Wat uit Zijn lippen gegaan is, zal Hij niet veranderen. Zou uw wankelen dan Zijn raadsbesluit kunnen verijdelen? Klem u aan dat Woord vast, ook op uw ziekbed. Uw grond voor geloof en hoop ligt niet in uzelf, maar in de belofte van Hem Die niet kan liegen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Nevertheless My lovingkindness will I not utterly take from him, nor suffer My faithfulness to fail. My covenant will I not break, nor alter the thing that is gone out of My lips.
Psalm 89:33-34
We live in a changeable, ever-changing world. All outside of us is stamped with variation, death, and decay; and as regards ourselves, everything within us tells us how frail, weak, and mutable we are. Thus, as viewed by the eye of sense and reason, uncertainty and changeability are ever seen to be deeply stamped, not only on every event of time, but on all we are and have in body and soul; and this experience of what we feel in ourselves and see in all around us often greatly tries both our faith and hope, for we are apt to measure God by ourselves, and judge of our state before Him, not according to His word, but according to the varying thoughts and exercises of our mind.
But when we can look by faith through all these mists and fogs which, as resting on the lower grounds of our soul, so often obscure our view of divine realities, to the fixed purposes of God as manifested in an everlasting covenant, ordered in all things and sure, and have at the same time some testimony of our interest therein, ground is thus afforded both for faith and hope as resting, not on our ever-changing feelings, but on the word and promise of Him Who cannot lie. It was thus David was comforted on his bed of languishing when the cold damps of death sat upon his brow (2 Samuel 23:5).
It was then in this “everlasting covenant, ordered in all things, and sure,” that even before the world was formed, or man created, or sin committed, a Saviour was provided, a Redeemer set up, and the persons of the redeemed chosen in Him and given to Him. How can we think, then, that any changing and changeable events in time can alter and frustrate what was thus absolutely fixed by firm and sovereign decree, or that any mutable circumstances in ourselves or others can defeat and disannul the eternal purposes of God?
To the reader…
It may be that you sometimes measure God by yourself. Do you see nothing in your own heart but frailty and changeableness, and do you conclude from this that God’s faithfulness toward you is unsteady too? Then you are judging your state not by His Word, but by the shifting thoughts of your own mind. The mists that hang over the lower grounds of your soul cloud your eye, but they change nothing in the everlasting covenant, which is ordered in all things and sure.
He has said: “Nevertheless My lovingkindness will I not utterly take from him.” What has gone out of His lips He will not alter. Could your wavering, then, frustrate His counsel? Cling to that Word, even on your sickbed. Your ground for faith and hope does not lie in yourself, but in the promise of Him Who cannot lie.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas no quitaré de él Mi misericordia, ni falsearé Mi verdad. No olvidaré Mi pacto, ni mudaré lo que ha salido de Mis labios.
Salmo 89:33-34
Vivimos en un mundo mudable, siempre cambiante. Todo lo que está fuera de nosotros lleva el sello de la variación, la muerte y la decadencia; y en cuanto a nosotros mismos, todo lo que hay en nuestro interior nos dice cuán frágiles, débiles y mudables somos. Así, vistas con el ojo de los sentidos y de la razón, la incertidumbre y la mudanza se ven siempre profundamente selladas, no solo en cada acontecimiento del tiempo, sino en todo lo que somos y tenemos en cuerpo y alma; y esta experiencia de lo que sentimos en nosotros mismos y vemos en todo lo que nos rodea prueba a menudo grandemente nuestra fe y nuestra esperanza, porque somos propensos a medir a Dios por nosotros mismos y a juzgar nuestro estado delante de Él, no según Su Palabra, sino según los pensamientos y ejercicios variables de nuestra mente.
Pero cuando podemos mirar por fe a través de todas estas nieblas y brumas que, posadas en las tierras bajas de nuestra alma, tan a menudo oscurecen nuestra vista de las realidades divinas, hacia los propósitos fijos de Dios manifestados en un pacto eterno, ordenado en todas las cosas y seguro, y tenemos al mismo tiempo algún testimonio de nuestra parte en él, se nos ofrece así un fundamento tanto para la fe como para la esperanza, que no descansa en nuestros sentimientos siempre cambiantes, sino en la Palabra y la promesa de Aquel que no puede mentir. Así fue consolado David en su lecho de languidez, cuando el frío sudor de la muerte se posaba sobre su frente (2 Samuel 23:5).
Fue, pues, en este “pacto perpetuo, ordenado en todas las cosas, y seguro” donde, aun antes de que el mundo fuese formado, o el hombre creado, o el pecado cometido, se proveyó un Salvador, se estableció un Redentor, y las personas de los redimidos fueron escogidas en Él y dadas a Él. ¿Cómo podemos pensar, entonces, que acontecimientos cambiantes y mudables en el tiempo puedan alterar y frustrar lo que así fue absolutamente fijado por decreto firme y soberano, o que circunstancias mudables en nosotros o en otros puedan vencer y anular los propósitos eternos de Dios?
Al lector…
Puede ser que a veces usted mida a Dios por sí mismo. ¿No ve en su propio corazón más que fragilidad y mudanza, y concluye de ello que también la fidelidad de Dios hacia usted es inestable? Entonces está juzgando su estado no por Su Palabra, sino por los pensamientos cambiantes de su propia mente. Las nieblas que cuelgan sobre las tierras bajas de su alma nublan su vista, pero no cambian nada en el pacto eterno, que está ordenado en todas las cosas y es seguro.
Él ha dicho: “Mas no quitaré de él Mi misericordia”. Lo que ha salido de Sus labios no lo mudará. ¿Podría entonces su vacilación frustrar Su consejo? Aférrese a esa Palabra, aun en su lecho de enfermedad. Su fundamento para la fe y la esperanza no está en usted mismo, sino en la promesa de Aquel que no puede mentir.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Bevinding
Wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen.
2 Korinthe 5:7
Er bestaan misverstanden over wat wordt bedoeld met het woord openbaring. Terwijl de meesten het hele denkbeeld van innerlijke openbaring tegenwoordig bespotten, zoeken en verwachten sommigen, misleid door de gangbare betekenis van het woord en doordat zij de ware betekenis niet precies kennen of zich daaraan houden, iets verborgens dat God nooit in het Woord heeft beloofd en dat Hij zelden of nooit geeft. Anderen stellen zich door zulke verwachtingen open voor de bedriegerijen van de duivel, die zich voordoet als een engel des lichts. We moeten niet op zoek gaan naar dromen, visioenen, stemmen, bovennatuurlijke verschijningen, beelden aan de hemel, openlijke en uiterlijke beelden van Christus in Zijn heerlijkheid of van Christus Die aan het kruis hangt. We moeten niet iets verwachten of zelfs verlangen dat zichtbaar is, iets dat het oog van het verstand bijna kan begrijpen of de lichamelijke vinger bijna kan aanraken.
Ik kan en durf niets af te doen aan de kracht of de wijsheid van God. Ik twijfel er ook niet aan dat sommige, zo niet vele van Gods kinderen zo diep onder de indruk zijn geraakt van wat ze van en over de Heere hebben gezien of gehoord, dat het voor hen net leek alsof ze Zijn lichamelijke gestalte werkelijk zagen of Zijn stem werkelijk hoorden. Maar we wandelen door geloof en niet door aanschouwen, en als het lijkt of we onzichtbare dingen zien, zien we ze alleen maar door het oog van het geloof; of als we genadige woorden horen, horen we ze slechts door het oor van het geloof. God heeft in Zijn Woord geen belofte aan het natuurlijke oog of het natuurlijke oor gedaan. Ook worden we niet verlost door wat onze natuurlijke ogen zien of onze natuurlijke oren horen. Het is door de genade dat we worden verlost, door middel van het geloof, en niet doordat we bovennatuurlijke dingen zien of hoorbare woorden horen.
Lezen: 2 Korinthe 5:1-10
Aan de lezer…
Wie wacht er niet soms op iets wat hij zien of tasten kan, voordat hij durft te geloven dat de Heere Zich aan hem geopenbaard heeft? Hebt u anderen horen spreken van wat zij gezien of gehoord hebben, en meent u dat het bij u ontbreekt? Laat u daardoor niet verontrusten. God heeft geen belofte gedaan aan het natuurlijke oog of het natuurlijke oor, en wie zulke dingen najaagt, stelt zich bloot aan de bedriegerijen van de duivel.
Wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen. Is Christus u dierbaar geworden door het oog van het geloof, hebt u een genadig woord gehoord met het oor van het geloof, dan is dat geen minder werk Gods. Het is door de genade dat wij worden verlost, door middel van het geloof. Zoek dan niet naar het buitengewone, maar naar Hem, Die Zich in Zijn Woord laat vinden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen.
2 Korinthe 5:7
Er bestaan misverstanden over wat met het woord openbaring bedoeld wordt. De meesten bespotten tegenwoordig de hele gedachte van innerlijke openbaring. Maar sommigen worden misleid door de gangbare betekenis van het woord, omdat zij de ware betekenis niet precies kennen of zich daar niet aan houden. Zij zoeken en verwachten iets verborgens dat God nooit in het Woord beloofd heeft en dat Hij zelden of nooit geeft. Anderen stellen zich door zulke verwachtingen open voor de bedriegerijen van de duivel, die zich voordoet als een engel des lichts. We moeten niet zoeken naar dromen, visioenen, stemmen, bovennatuurlijke verschijningen, beelden aan de hemel, of openlijke en uiterlijke beelden van Christus in Zijn heerlijkheid of van Christus aan het kruis. We moeten niet iets zichtbaars verwachten of zelfs maar verlangen, iets wat het oog van het verstand bijna kan begrijpen of de lichamelijke vinger bijna kan aanraken.
Ik kan en durf niets af te doen aan de kracht of de wijsheid van God. Ik twijfel er ook niet aan dat sommige, zo niet vele kinderen van God zo diep onder de indruk zijn geraakt van wat ze van en over de Heere gezien of gehoord hebben, dat het voor hen was alsof ze Zijn lichamelijke gestalte werkelijk zagen of Zijn stem werkelijk hoorden. Maar we wandelen door geloof en niet door aanschouwen. Als het lijkt alsof we onzichtbare dingen zien, zien we ze alleen met het oog van het geloof; en als we genadige woorden horen, horen we ze alleen met het oor van het geloof. God heeft in Zijn Woord geen belofte gedaan aan het natuurlijke oog of het natuurlijke oor. Ook worden we niet verlost door wat onze natuurlijke ogen zien of onze natuurlijke oren horen. Het is door de genade dat we verlost worden, door middel van het geloof, en niet doordat we bovennatuurlijke dingen zien of hoorbare woorden horen.
Lezen: 2 Korinthe 5:1-10
Aan de lezer…
Wie wacht er niet soms op iets wat hij kan zien of aanraken, voordat hij durft te geloven dat de Heere Zich aan hem geopenbaard heeft? Hebt u anderen horen spreken over wat zij gezien of gehoord hebben, en denkt u dat het bij u ontbreekt? Laat u daardoor niet verontrusten. God heeft geen belofte gedaan aan het natuurlijke oog of het natuurlijke oor, en wie zulke dingen najaagt, stelt zich bloot aan de bedriegerijen van de duivel.
Wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen. Is Christus u dierbaar geworden door het oog van het geloof, hebt u een genadig woord gehoord met het oor van het geloof, dan is dat niet minder een werk van God. Het is door de genade dat wij verlost worden, door middel van het geloof. Zoek dan niet naar het buitengewone, maar naar Hem, Die Zich in Zijn Woord laat vinden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For we walk by faith, not by sight.
2 Corinthians 5:7
There are misunderstandings about what is meant by the word revelation. Most people nowadays ridicule the whole idea of inward revelation. But some are misled by the common meaning of the word, because they do not know its true meaning precisely or do not keep to it. They look for and expect something hidden which God has never promised in the Word and which He seldom or never gives. Others, by such expectations, lay themselves open to the delusions of the devil, who transforms himself into an angel of light. We are not to look for dreams, visions, voices, supernatural appearances, figures in the sky, or open and outward images of Christ in His glory or of Christ on the cross. We are not to expect or even desire anything visible, anything which the eye of the understanding can almost grasp or the bodily finger almost touch.
I cannot and dare not limit the power or the wisdom of God. Nor do I doubt that some, if not many, of God’s children have been so deeply impressed by what they have seen or heard of and about the Lord that it was to them as though they really saw His bodily form or really heard His voice. But we walk by faith, not by sight. If we seem to see invisible things, we see them only with the eye of faith; and if we hear gracious words, we hear them only with the ear of faith.
God has made no promise in His Word to the natural eye or the natural ear. Nor are we saved by what our natural eyes see or our natural ears hear. It is by grace that we are saved, through faith, and not by seeing supernatural things or hearing audible words.
Reading: 2 Corinthians 5:1-10
To the reader…
Who does not sometimes wait for something he can see or touch before he dares to believe that the Lord has revealed Himself to him? Have you heard others speak of what they have seen or heard, and do you think it is lacking in you? Do not let that trouble you. God has made no promise to the natural eye or the natural ear, and whoever chases after such things lays himself open to the delusions of the devil.
We walk by faith, not by sight. If Christ has become precious to you through the eye of faith, if you have heard a gracious word with the ear of faith, that is no less a work of God. It is by grace that we are saved, through faith. Do not look, then, for the extraordinary, but for Him Who lets Himself be found in His Word.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque por fe andamos, no por vista.
2 Corintios 5:7
Hay malentendidos acerca de lo que se quiere decir con la palabra revelación. La mayoría de la gente hoy en día ridiculiza toda la idea de una revelación interior. Pero algunos son extraviados por el sentido común de la palabra, porque no conocen con precisión su verdadero sentido o no se atienen a él. Buscan y esperan algo oculto que Dios nunca ha prometido en la Palabra y que rara vez o nunca da. Otros, por tales expectativas, se exponen a los engaños del diablo, que se transforma en ángel de luz. No debemos buscar sueños, visiones, voces, apariciones sobrenaturales, figuras en el cielo, ni imágenes abiertas y externas de Cristo en Su gloria o de Cristo en la cruz. No debemos esperar ni siquiera desear nada visible, nada que el ojo del entendimiento casi pueda asir o el dedo del cuerpo casi tocar.
No puedo ni me atrevo a limitar el poder ni la sabiduría de Dios. Tampoco dudo de que algunos, si no muchos, de los hijos de Dios han sido tan profundamente impresionados por lo que han visto u oído del Señor y acerca de Él que les fue como si realmente vieran Su forma corporal o realmente oyeran Su voz. Pero por fe andamos, no por vista. Si nos parece ver cosas invisibles, las vemos solo con el ojo de la fe; y si oímos palabras de gracia, las oímos solo con el oído de la fe.
Dios no ha hecho en Su Palabra ninguna promesa al ojo natural ni al oído natural. Tampoco somos salvos por lo que ven nuestros ojos naturales u oyen nuestros oídos naturales. Por gracia somos salvos, por la fe, y no por ver cosas sobrenaturales ni por oír palabras audibles.
Lectura: 2 Corintios 5:1-10
Al lector…
¿Quién no espera a veces algo que pueda ver o tocar antes de atreverse a creer que el Señor se le ha revelado? ¿Ha oído a otros hablar de lo que han visto u oído, y piensa que eso le falta a usted? No deje que eso lo turbe. Dios no ha hecho ninguna promesa al ojo natural ni al oído natural, y quien corre tras tales cosas se expone a los engaños del diablo.
Por fe andamos, no por vista. Si Cristo ha llegado a serle precioso por el ojo de la fe, si ha oído una palabra de gracia con el oído de la fe, eso no es menos obra de Dios. Por gracia somos salvos, por la fe. No busque, pues, lo extraordinario, sino a Aquel que se deja hallar en Su Palabra.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden). En heeft ons mede opgewekt.
Efeze 2:4, 5, 6
Achttienhonderd jaren zijn voorbijgegaan sedert het lichaam van Christus levend gemaakt werd in het graf; maar de geestelijke vrucht van die levendmaking komt tot alle uitverkorenen en zal zich uitstrekken tot aan het einde der eeuwen. Nu, uit kracht van deze levendmaking doet het leven zijn intrede in de ziel wanneer de Heilige Geest aan Zijn voornemen gevolg gaat geven. U heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart. Met de levendmaking komen levende indrukken, als overtuiging van zonde, een schuldige consciëntie, de vreze Gods, een verslagen hart, de geest des gebeds, berouw; in één woord: dit is het eerste werk der genade in de ziel.
Gelijk er in het lichaam van Christus, toen het door de Heilige Geest levend gemaakt werd, levensbewegingen waren eer het lichaam het graf verliet, zo zijn er levensbewegingen in de ziel van een kind van God door de levendmakende bewerkingen van God de Heilige Geest, vóór zij wordt opgewekt. Zij is in het leven gebracht, en uit kracht van die levendmaking ziet, gevoelt, vreest, roept en bidt zij, en ziet zij uit naar genade. Elk vermogen van het vernieuwde gemoed van de zondaar is levend en open voor de dingen van God. Nooit zullen wij bidden, leren, horen en de zekerheid der eeuwige dingen beseffen, dan alleen wanneer het de Heere behaagt ons door Zijn Geest in het geestelijke leven te brengen.
Maar dan is er nog geen opstanding; de levendmaking gaat vooraf. Maar gelijk, toen de adem des Heiligen Geestes, om zo te spreken, het lichaam van Christus, zoals het in het graf lag, levend maakte, dit slechts een voorbereiding was voor de opstanding van dat dode lichaam uit het graf, evenzo zijn de levendmakende bewerkingen van God de Heilige Geest in het hart van een kind van God slechts voorbereidselen voor de opwekking met Christus. Christus’ lichaam bleef niet in het graf, ofschoon het daarin reeds levend was. Zo is het ook met diegenen die God levend gemaakt heeft, en die nog liggen in het graf der zonde, ellende en ongerechtigheid, en niettemin zuchten, klagen en bedelen om genade: ook zij zullen gewisselijk worden uitgebracht.
Christus’ lichaam werd daar niet gelaten toen het levend gemaakt was; ook zal niemand van u die levend gemaakt zijt, gelaten worden in uw zonde en ellende, in uw veroordeling en schuld. Hetzelfde Goddelijke werk dat u in het geestelijke leven stelde, zal u uit deze staat van onrust en benauwdheid halen en met Christus doen opstaan, gelijk het geschiedde met Zijn lichaam toen Hij uit het graf uitging.
Wanneer nu de kracht Gods in de ziel wordt uitgeoefend; wanneer de barmhartigheid het hart bereikt; wanneer Christus geopenbaard en Zijn Woord toegepast wordt, en de ziel uitkomt uit het donkere graf waarin zij gelegen heeft, gelijk Lazarus, gebonden met grafdoeken, en nochtans levend; wanneer alzo de deur der hoop geopend wordt, en de ziel opgewekt wordt tot geloof, hoop en liefde, dan is zij „met Christus mede opgewekt”.
De opstanding van Christus was niet alleen het grote getuigenis dat God Hem gaf als Zijn lieve Zoon, want Hij is „krachtiglijk bewezen te zijn de Zone Gods, door de opstanding uit de doden”; maar Hij is ook „opgewekt om onze rechtvaardigmaking”, en wij zijn in Hem opgestaan, indien wij in Zijn Naam geloven. Al de uitverkorenen Gods zijn met Hem opgestaan, want zij zijn „leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen.” Toen Hij stierf, stierven zij; toen Hij opstond, stonden zij op. En gelijk zij in de Persoon van de Zoon van God opstonden toen Hij zegepralend uit het graf verrees, zo wekt de Heilige Geest hen op, wanneer Hij de weldaden en zegeningen van Zijn dood en opstanding aan hart en consciëntie toepast, en brengt Hij hen uit het donkere graf in het open licht van een heerlijke Evangeliedag. En dit is „met Christus mede opgewekt” te zijn.
Aan de lezer…
Arme zondaar, ligt u nog als in het graf der zonde en ellende, en vraagt u zich af of er ooit een opstanding voor u komen zal? Let dan op wat er in u leeft. Zucht u, klaagt u, bedelt u om genade? Vreest u God, en is uw hart verslagen over de zonde? Een dode doet dat niet. Dat zijn de levensbewegingen die de Heilige Geest werkt, vóór de ziel wordt opgewekt.
Christus’ lichaam bleef niet in het graf, ofschoon het daarin reeds levend was; en niemand die levend gemaakt is, zal gelaten worden in zijn veroordeling en schuld. God, Die rijk is in barmhartigheid, voltooit wat Hij begon. Hetzelfde werk dat u levend maakte, zal u ook uit deze staat van onrust en benauwdheid halen. Uit genade bent u zalig geworden, en uit genade zult u met Christus opstaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden). En heeft ons mede opgewekt.
Efeze 2:4, 5, 6
Achttienhonderd jaar zijn voorbijgegaan sinds het lichaam van Christus in het graf levend gemaakt werd; maar de geestelijke vrucht van die levendmaking komt tot alle uitverkorenen en zal zich uitstrekken tot het einde van de eeuwen. Krachtens deze levendmaking doet het leven zijn intrede in de ziel wanneer de Heilige Geest Zijn voornemen gaat uitvoeren. U heeft Hij mede levend gemaakt, toen u dood was. Met de levendmaking komen levende indrukken, zoals overtuiging van zonde, een schuldig geweten, de vreze Gods, een verslagen hart, de geest van het gebed en berouw. In één woord: dit is het eerste werk van de genade in de ziel.
Toen het lichaam van Christus door de Heilige Geest levend gemaakt werd, waren er levensbewegingen voordat het lichaam het graf verliet. Zo zijn er ook levensbewegingen in de ziel van een kind van God door de levendmakende werkingen van God de Heilige Geest, voordat zij wordt opgewekt. Zij is tot leven gebracht, en krachtens die levendmaking ziet, voelt, vreest, roept en bidt zij, en ziet zij uit naar genade. Elk vermogen van het vernieuwde gemoed van de zondaar is levend en open voor de dingen van God. Nooit zullen wij bidden, leren, horen en de zekerheid van de eeuwige dingen beseffen, behalve wanneer het de Heere behaagt ons door Zijn Geest tot het geestelijk leven te brengen.
Maar dan is er nog geen opstanding; de levendmaking gaat eraan vooraf. Toen de adem van de Heilige Geest, om zo te zeggen, het lichaam van Christus levend maakte terwijl het in het graf lag, was dat alleen een voorbereiding op de opstanding van dat dode lichaam uit het graf. Zo zijn ook de levendmakende werkingen van God de Heilige Geest in het hart van een kind van God alleen voorbereidingen op de opwekking met Christus. Het lichaam van Christus bleef niet in het graf, ook al was het daarin al levend. Zo is het ook met hen die God levend gemaakt heeft en die nog in het graf van zonde, ellende en ongerechtigheid liggen, maar toch zuchten, klagen en om genade bedelen: ook zij zullen zeker naar buiten gebracht worden.
Het lichaam van Christus werd daar niet gelaten toen het levend gemaakt was; en zo zal ook niemand van u die levend gemaakt bent, gelaten worden in uw zonde en ellende, in uw veroordeling en schuld. Hetzelfde Goddelijke werk dat u tot het geestelijk leven bracht, zal u uit deze staat van onrust en benauwdheid halen en met Christus doen opstaan, zoals het gebeurde met Zijn lichaam toen Hij uit het graf uitging.
Wanneer nu de kracht van God in de ziel werkt, wanneer de barmhartigheid het hart bereikt, wanneer Christus geopenbaard en Zijn Woord toegepast wordt, en de ziel uit het donkere graf komt waarin zij gelegen heeft, zoals Lazarus, gebonden met grafdoeken en toch levend; wanneer zo de deur van de hoop geopend wordt en de ziel opgewekt wordt tot geloof, hoop en liefde, dan is zij „met Christus mede opgewekt”.
De opstanding van Christus was niet alleen het grote getuigenis dat God Hem gaf als Zijn geliefde Zoon, want Hij is „krachtiglijk bewezen te zijn de Zone Gods, door de opstanding uit de doden.” Hij is ook „opgewekt om onze rechtvaardigmaking”, en wij zijn in Hem opgestaan als wij in Zijn Naam geloven. Alle uitverkorenen van God zijn met Hem opgestaan, want zij zijn „leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen.” Toen Hij stierf, stierven zij; toen Hij opstond, stonden zij op. Zij zijn in de Persoon van de Zoon van God opgestaan toen Hij zegevierend uit het graf verrees. Zo wekt de Heilige Geest hen ook op wanneer Hij de weldaden en zegeningen van Zijn dood en opstanding aan hun hart en geweten toepast, en brengt Hij hen uit het donkere graf in het open licht van een heerlijke dag van het Evangelie. Dat is „met Christus mede opgewekt” zijn.
Aan de lezer…
Arme zondaar, ligt u nog als in het graf van zonde en ellende, en vraagt u zich af of er ooit een opstanding voor u zal komen? Let dan op wat er in u leeft. Zucht u, klaagt u, bedelt u om genade? Vreest u God, en is uw hart verslagen over de zonde? Een dode doet dat niet. Dat zijn de levensbewegingen die de Heilige Geest werkt, voordat de ziel wordt opgewekt.
Het lichaam van Christus bleef niet in het graf, ook al was het daarin al levend; en niemand die levend gemaakt is, zal gelaten worden in zijn veroordeling en schuld. God, Die rijk is in barmhartigheid, voltooit wat Hij begon. Hetzelfde werk dat u levend maakte, zal u ook uit deze staat van onrust en benauwdheid halen. Uit genade bent u zalig geworden, en uit genade zult u met Christus opstaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“But God, who is rich in mercy, for his great love wherewith he loved us, even when we were dead in sins, hath quickened us together with Christ, (by grace ye are saved;) and hath raised us up together.”
Ephesians 2:4-6
Eighteen hundred years have rolled away since the body of Christ was quickened in the sepulcher; but the virtual effect of that quickening reached all the election of grace, and will stretch down to the remotest period of time. Now, by virtue of this quickening, when the Holy Spirit comes forward for the execution of His purpose, life enters into the soul. “You has He quickened, who were dead.” With quickening comes living sensations, such as conviction of sin, guilt of conscience, the fear of God, the heart broken, the spirit of prayer, repentance unto life; in a word, all the first work of grace in the soul.
As in the body of Christ, when quickened by the Holy Spirit, there were vital movements before that body left the sepulcher, so there are vital movements in the soul of a child of God under the quickening operations of God the Holy Spirit, before raised up and brought forth. He is quickened into life, and under that quickening sees, feels, trembles, cries, groans, begs, and sues for mercy; every faculty of his renewed mind is alive and open to the things of God. Never do we pray, read, hear, feel so much the power of eternal things, as when the Lord by His Spirit and grace is first pleased to quicken us into this spiritual life. But no resurrection yet; the quickening precedes.
But as, when the breath of the Holy Spirit, so to speak, quickened the body of Christ as it lay in the sepulcher, it was but a preparation for the raising of that dead body from the tomb, so the quickening operations of God the Holy Spirit in the heart of a child of God are but preparatory to his being raised up together with Christ. Christ’s body did not remain in the tomb, though it was alive in the tomb; so those whom God has quickened, and who are still lying in the tomb of sin, misery, and wretchedness, but are sighing, suing, and begging for mercy at His hands will certainly be brought out. Christ’s body was not left there when it was quickened, neither will any of you who are quickened be left in your sin and misery, in your condemnation and guilt. The same divine operation that quickened you into spiritual life will bring you out of this state of concern and anxiety into the resurrection life of Christ, as was done in the case of His body, when He rose out of the tomb.
Now, when the power of God is put forth in the soul; when mercy reaches the heart; when Christ is revealed, His Word applied, and it comes forth out of the dark tomb in which it has lain, like Lazarus, bound with grave-clothes, and yet alive; when the door of hope thus is set open, and the soul is raised up to believe, hope and love, then it is “raised up together with Christ.” The resurrection of Christ was not merely the grand testimony that God put upon Him as His dear Son, for He was declared to be “the Son of God with power, by the resurrection from the dead,” but He was “raised also for our justification;” and we rose in Him, if we believe in His Name.
All the elect of God rose with Him; for they are “members of His body, of His flesh, and of His bones.” When He died, they died; when He rose again, they rose again; and as they rose virtually in the Person of the Son of God when He rose triumphant from the tomb, so, when the Holy Spirit applies to the heart and conscience the benefits and blessings of His death and resurrection, He raises them up and brings them out of the dark sepulcher into the open light of a glorious gospel day. And this is being “raised up together with Christ.”
To the reader…
Poor sinner, are you still lying as it were in the tomb of sin and misery, and do you wonder whether a resurrection will ever come for you? Then take note of what lives in you. Do you sigh, do you complain, do you beg for mercy? Do you fear God, and is your heart broken over sin? A dead man does not do that. These are the living movements that the Holy Spirit works before the soul is raised up.
The body of Christ did not remain in the tomb, even though it was already alive in it; and no one who has been quickened will be left in his condemnation and guilt. God, Who is rich in mercy, completes what He began. The same work that quickened you will also bring you out of this state of concern and anxiety. By grace you are saved, and by grace you will rise with Christ.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Empero Dios, que es rico en misericordia, por su mucho amor con que nos amó, aun estando nosotros muertos en pecados, nos dió vida juntamente con Cristo; (por gracia sois salvos;) y juntamente nos resucitó.”
Efesios 2:4-6
Han pasado mil ochocientos años desde que el cuerpo de Cristo fue vivificado en el sepulcro; pero el efecto virtual de esa vivificación alcanzó a toda la elección de gracia, y se extenderá hasta el período más remoto del tiempo. Ahora bien, en virtud de esta vivificación, cuando el Espíritu Santo se adelanta para ejecutar Su propósito, la vida entra en el alma. “Y de ella recibisteis vosotros, que estabais muertos.” Con la vivificación vienen sensaciones vivas, como la convicción de pecado, la culpa de conciencia, el temor de Dios, el corazón quebrantado, el espíritu de oración, el arrepentimiento para vida; en una palabra, toda la primera obra de la gracia en el alma.
Así como en el cuerpo de Cristo, cuando fue vivificado por el Espíritu Santo, hubo movimientos vitales antes de que ese cuerpo dejara el sepulcro, así hay movimientos vitales en el alma de un hijo de Dios bajo las operaciones vivificadoras de Dios el Espíritu Santo, antes de ser resucitado y sacado fuera. Es vivificado a la vida, y bajo esa vivificación ve, siente, tiembla, clama, gime, ruega y suplica misericordia; cada facultad de su mente renovada está viva y abierta a las cosas de Dios. Nunca oramos, leemos, oímos ni sentimos tanto el poder de las cosas eternas como cuando al Señor, por Su Espíritu y Su gracia, Le place vivificarnos por primera vez a esta vida espiritual. Pero todavía no hay resurrección; la vivificación va antes.
Pero así como, cuando el aliento del Espíritu Santo, por así decirlo, vivificó el cuerpo de Cristo mientras yacía en el sepulcro, no era sino una preparación para que ese cuerpo muerto fuera levantado de la tumba, así las operaciones vivificadoras de Dios el Espíritu Santo en el corazón de un hijo de Dios no son sino preparatorias para que sea resucitado juntamente con Cristo. El cuerpo de Cristo no permaneció en la tumba, aunque estaba vivo en la tumba; así aquellos a quienes Dios ha vivificado, y que aún yacen en la tumba del pecado, la miseria y la desdicha, pero suspiran, suplican y ruegan misericordia de Sus manos, ciertamente serán sacados fuera. El cuerpo de Cristo no fue dejado allí cuando fue vivificado, ni tampoco ninguno de ustedes que ha sido vivificado será dejado en su pecado y su miseria, en su condenación y su culpa. La misma operación divina que les vivificó a la vida espiritual les sacará de este estado de preocupación y ansiedad a la vida de resurrección de Cristo, como sucedió con Su cuerpo cuando resucitó de la tumba.
Ahora bien, cuando el poder de Dios se manifiesta en el alma; cuando la misericordia alcanza el corazón; cuando Cristo es revelado, Su Palabra aplicada, y el alma sale de la oscura tumba en que ha yacido, como Lázaro, atada con vendas y sin embargo viva; cuando así se abre la puerta de la esperanza y el alma es levantada a creer, esperar y amar, entonces es “resucitada juntamente con Cristo”. La resurrección de Cristo no fue solo el gran testimonio que Dios puso sobre Él como Su amado Hijo, pues fue “declarado Hijo de Dios con potencia, por la resurrección de los muertos”, sino que fue “resucitado para nuestra justificación”; y nosotros resucitamos en Él, si creemos en Su Nombre.
Todos los elegidos de Dios resucitaron con Él; porque son “miembros de su cuerpo, de su carne y de sus huesos”. Cuando Él murió, ellos murieron; cuando Él resucitó, ellos resucitaron; y así como resucitaron virtualmente en la Persona del Hijo de Dios cuando Él se levantó triunfante de la tumba, así, cuando el Espíritu Santo aplica al corazón y a la conciencia los beneficios y bendiciones de Su muerte y resurrección, Él los levanta y los saca del oscuro sepulcro a la luz abierta de un glorioso día del evangelio. Y esto es ser “resucitados juntamente con Cristo”.
Al lector…
Pobre pecador, ¿yace usted todavía, por así decirlo, en la tumba del pecado y la miseria, y se pregunta si alguna vez llegará para usted una resurrección? Entonces fíjese en lo que vive en usted. ¿Suspira, se queja, ruega misericordia? ¿Teme a Dios, y está su corazón quebrantado por el pecado? Un muerto no hace eso. Estos son los movimientos vivos que el Espíritu Santo obra antes de que el alma sea levantada.
El cuerpo de Cristo no permaneció en la tumba, aunque ya estaba vivo en ella; y nadie que haya sido vivificado será dejado en su condenación y su culpa. Dios, Que es rico en misericordia, acaba lo que comenzó. La misma obra que le vivificó le sacará también de este estado de preocupación y ansiedad. Por gracia es usted salvo, y por gracia resucitará con Cristo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl