July 24
Maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen, noch in Mijn getrouwheid niet feilen. Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen; en hetgeen dat uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen.
Psalm 89:34, 35
Wij leven in een veranderlijke, steeds veranderende wereld. Alles buiten ons kenmerkt zich door verandering, dood en verval; en wat onszelf aangaat, alles in ons zegt hoe broos, hoe zwak en vergankelijk wij zijn. Zo ziet men overal, door het oog des verstands en der rede, onzekerheid en veranderlijkheid ingedrukt op iedere gebeurtenis, maar ook op alles wat wij hebben en zijn in lichaam en ziel; en die ervaring van hetgeen wij in onszelf gevoelen en in alles rondom ons zien, brengt dikwijls ons geloof en onze hoop in beproeving. Want wij zijn geneigd God naar onszelf af te meten en onze staat voor Hem te beoordelen, niet volgens Zijn Woord, maar volgens de zich afwisselende gedachten en oefeningen van onze geest.
Maar als wij door het oog des geloofs door al die nevelen kunnen heenzien die, de bodem onzer ziel als het ware bedekkende, zo dikwijls ons oog verduisteren, zodat wij niets kunnen onderscheiden van Gods plannen zoals ze zijn geopenbaard in een eeuwig verbond dat vast en zeker is, en zo wij tegelijkertijd een getuigenis hebben van ons deel daaraan, dan is er grond zowel voor het geloof als voor de hoop, alleen gegrond op het Woord en de belofte van Hem Die niet kan liegen. Zo werd David getroost op het leger der smarte, toen het klamme doodzweet zijn voorhoofd bedekte (2 Sam. 23:5).
Het was toen in dat „eeuwig verbond” opgenomen dat zelfs, vóór de wereld geformeerd, de mens gemaakt of de zonde bedreven was, een Redder werd bestemd, een Verlosser werd aangewezen, en ook de personen der verlosten in Hem verkoren en Hem gegeven werden. Hoe kunnen wij dan geloven dat veranderlijke en veranderende gebeurtenissen hier in de tijd datgene zouden veranderen en verijdelen wat door een vast en souverein raadsbesluit stellig was bepaald, of dat de een of andere veranderlijke omstandigheid in onszelf of in anderen de eeuwige plannen Gods zou kunnen vernietigen?
Geen onheil zal de stad verstoren
waar God zijn woning heeft verkoren.
God zal haar redden uit de nood
bij ’t dagen van het morgenrood.
Ps. 46:3
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u God soms afmeet naar uzelf. Ziet u in uw eigen hart niets dan broosheid en veranderlijkheid, en concludeert u daaruit dat ook Gods trouw jegens u wankel is? Dan beoordeelt u uw staat niet naar Zijn Woord, maar naar de wisselende gedachten van uw eigen geest. De nevelen die over de bodem van uw ziel hangen, verduisteren uw oog, maar zij veranderen niets aan het eeuwig verbond, dat vast en zeker is.
Hij heeft gezegd: „Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen.” Wat uit Zijn lippen gegaan is, zal Hij niet veranderen. Zou dan uw wankelen Zijn raadsbesluit kunnen verijdelen? Klem u aan dat Woord vast, ook op het leger der smarte. Uw grond voor geloof en hoop ligt niet in uzelf, maar in de belofte van Hem Die niet kan liegen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen, noch in Mijn getrouwheid niet feilen. Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen; en hetgeen dat uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen.
Psalm 89:34, 35
We leven in een veranderlijke, voortdurend veranderende wereld. Alles om ons heen wordt gekenmerkt door verandering, dood en verval. En wat onszelf betreft: alles in ons zegt hoe broos, hoe zwak en hoe vergankelijk we zijn. Zo ziet men met het oog van het verstand en de rede overal onzekerheid en veranderlijkheid gedrukt op iedere gebeurtenis, maar ook op alles wat we hebben en zijn naar lichaam en ziel. Die ervaring van wat we in onszelf voelen en in alles om ons heen zien, stelt ons geloof en onze hoop vaak op de proef. Want we zijn geneigd God naar onszelf af te meten en onze staat voor Hem te beoordelen, niet volgens Zijn Woord, maar volgens de wisselende gedachten en oefeningen van onze geest.
Maar soms kunnen we met het oog van het geloof heenzien door al die nevelen die als het ware de bodem van onze ziel bedekken en zo vaak ons oog verduisteren, zodat we niets kunnen onderscheiden van Gods plannen zoals die geopenbaard zijn in een eeuwig verbond dat vast en zeker is. Als we dan daardoorheen zien en tegelijk een getuigenis hebben dat we daar deel aan hebben, dan is er grond voor het geloof en ook voor de hoop. Die grond rust alleen op het Woord en de belofte van Hem Die niet kan liegen. Zo werd David getroost op het ziekbed, toen het klamme doodszweet zijn voorhoofd bedekte (2 Sam. 23:5).
Want in dat „eeuwig verbond” was al vastgelegd, nog vóór de wereld geformeerd, de mens gemaakt of de zonde begaan was, dat er een Redder bestemd en een Verlosser aangewezen werd, en dat ook de personen van de verlosten in Hem verkoren en aan Hem gegeven werden. Hoe kunnen we dan geloven dat veranderlijke en veranderende gebeurtenissen hier in de tijd zouden veranderen en verijdelen wat door een vast en soeverein raadsbesluit zeker bepaald was? Of dat de een of andere veranderlijke omstandigheid in onszelf of in anderen de eeuwige plannen van God zou kunnen vernietigen?
Geen onheil zal de stad verstoren
waar God zijn woning heeft verkoren.
God zal haar redden uit de nood
bij ’t dagen van het morgenrood.
Ps. 46:3
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u God soms afmeet naar uzelf. Ziet u in uw eigen hart niets dan broosheid en veranderlijkheid, en concludeert u daaruit dat ook Gods trouw tegenover u wankel is? Dan beoordeelt u uw staat niet naar Zijn Woord, maar naar de wisselende gedachten van uw eigen geest. De nevelen die over de bodem van uw ziel hangen, verduisteren uw oog, maar zij veranderen niets aan het eeuwig verbond, dat vast en zeker is.
Hij heeft gezegd: „Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen.” Wat uit Zijn lippen gegaan is, zal Hij niet veranderen. Zou uw wankelen dan Zijn raadsbesluit kunnen verijdelen? Klem u aan dat Woord vast, ook op uw ziekbed. Uw grond voor geloof en hoop ligt niet in uzelf, maar in de belofte van Hem Die niet kan liegen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Nevertheless My lovingkindness will I not utterly take from him, nor suffer My faithfulness to fail. My covenant will I not break, nor alter the thing that is gone out of My lips.
Psalm 89:33-34
We live in a changeable, ever-changing world. All outside of us is stamped with variation, death, and decay; and as regards ourselves, everything within us tells us how frail, weak, and mutable we are. Thus, as viewed by the eye of sense and reason, uncertainty and changeability are ever seen to be deeply stamped, not only on every event of time, but on all we are and have in body and soul; and this experience of what we feel in ourselves and see in all around us often greatly tries both our faith and hope, for we are apt to measure God by ourselves, and judge of our state before Him, not according to His word, but according to the varying thoughts and exercises of our mind.
But when we can look by faith through all these mists and fogs which, as resting on the lower grounds of our soul, so often obscure our view of divine realities, to the fixed purposes of God as manifested in an everlasting covenant, ordered in all things and sure, and have at the same time some testimony of our interest therein, ground is thus afforded both for faith and hope as resting, not on our ever-changing feelings, but on the word and promise of Him Who cannot lie. It was thus David was comforted on his bed of languishing when the cold damps of death sat upon his brow (2 Samuel 23:5).
It was then in this “everlasting covenant, ordered in all things, and sure,” that even before the world was formed, or man created, or sin committed, a Saviour was provided, a Redeemer set up, and the persons of the redeemed chosen in Him and given to Him. How can we think, then, that any changing and changeable events in time can alter and frustrate what was thus absolutely fixed by firm and sovereign decree, or that any mutable circumstances in ourselves or others can defeat and disannul the eternal purposes of God?
To the reader…
It may be that you sometimes measure God by yourself. Do you see nothing in your own heart but frailty and changeableness, and do you conclude from this that God’s faithfulness toward you is unsteady too? Then you are judging your state not by His Word, but by the shifting thoughts of your own mind. The mists that hang over the lower grounds of your soul cloud your eye, but they change nothing in the everlasting covenant, which is ordered in all things and sure.
He has said: “Nevertheless My lovingkindness will I not utterly take from him.” What has gone out of His lips He will not alter. Could your wavering, then, frustrate His counsel? Cling to that Word, even on your sickbed. Your ground for faith and hope does not lie in yourself, but in the promise of Him Who cannot lie.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas no quitaré de él Mi misericordia, ni falsearé Mi verdad. No olvidaré Mi pacto, ni mudaré lo que ha salido de Mis labios.
Salmo 89:33-34
Vivimos en un mundo mudable, siempre cambiante. Todo lo que está fuera de nosotros lleva el sello de la variación, la muerte y la decadencia; y en cuanto a nosotros mismos, todo lo que hay en nuestro interior nos dice cuán frágiles, débiles y mudables somos. Así, vistas con el ojo de los sentidos y de la razón, la incertidumbre y la mudanza se ven siempre profundamente selladas, no solo en cada acontecimiento del tiempo, sino en todo lo que somos y tenemos en cuerpo y alma; y esta experiencia de lo que sentimos en nosotros mismos y vemos en todo lo que nos rodea prueba a menudo grandemente nuestra fe y nuestra esperanza, porque somos propensos a medir a Dios por nosotros mismos y a juzgar nuestro estado delante de Él, no según Su Palabra, sino según los pensamientos y ejercicios variables de nuestra mente.
Pero cuando podemos mirar por fe a través de todas estas nieblas y brumas que, posadas en las tierras bajas de nuestra alma, tan a menudo oscurecen nuestra vista de las realidades divinas, hacia los propósitos fijos de Dios manifestados en un pacto eterno, ordenado en todas las cosas y seguro, y tenemos al mismo tiempo algún testimonio de nuestra parte en él, se nos ofrece así un fundamento tanto para la fe como para la esperanza, que no descansa en nuestros sentimientos siempre cambiantes, sino en la Palabra y la promesa de Aquel que no puede mentir. Así fue consolado David en su lecho de languidez, cuando el frío sudor de la muerte se posaba sobre su frente (2 Samuel 23:5).
Fue, pues, en este “pacto perpetuo, ordenado en todas las cosas, y seguro” donde, aun antes de que el mundo fuese formado, o el hombre creado, o el pecado cometido, se proveyó un Salvador, se estableció un Redentor, y las personas de los redimidos fueron escogidas en Él y dadas a Él. ¿Cómo podemos pensar, entonces, que acontecimientos cambiantes y mudables en el tiempo puedan alterar y frustrar lo que así fue absolutamente fijado por decreto firme y soberano, o que circunstancias mudables en nosotros o en otros puedan vencer y anular los propósitos eternos de Dios?
Al lector…
Puede ser que a veces usted mida a Dios por sí mismo. ¿No ve en su propio corazón más que fragilidad y mudanza, y concluye de ello que también la fidelidad de Dios hacia usted es inestable? Entonces está juzgando su estado no por Su Palabra, sino por los pensamientos cambiantes de su propia mente. Las nieblas que cuelgan sobre las tierras bajas de su alma nublan su vista, pero no cambian nada en el pacto eterno, que está ordenado en todas las cosas y es seguro.
Él ha dicho: “Mas no quitaré de él Mi misericordia”. Lo que ha salido de Sus labios no lo mudará. ¿Podría entonces su vacilación frustrar Su consejo? Aférrese a esa Palabra, aun en su lecho de enfermedad. Su fundamento para la fe y la esperanza no está en usted mismo, sino en la promesa de Aquel que no puede mentir.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl