6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Door de vreze des Heeren wijkt men af van het kwade.
Spreuken 3:7
Er is een zeer nauwe en innige gemeenschap tussen Godvrezend en „heilig zijn in alle gesprekken”. Wanneer laten wij ons tot drift vervoeren in onze gesprekken? Wanneer komen er lichtzinnige en ijdele woorden over onze lippen? Wanneer zweven die driftige uitvallen, die gemelijke uitdrukkingen, die vleselijke, wereldse taal, waartegen wij van nature gekant liggen, over onze lippen en banen zich meer of minder onbedachtzaam een uitgang over onze tong? Is het niet wanneer de vreze Gods haar stromen niet laat vloeien als een fontein des levens, om de ziel te besproeien en haar tot nederigheid en liefde te stemmen, en als zij ook niet opspringt en zich niet uitdrukt in Goddelijke waarschuwingen, om de tong als met een teugel te breidelen en dat kleine lid te besturen, dat, ofschoon zo klein, niet in bedwang gehouden wordende, het ganse lichaam bezoedelt?
Maar indien deze vrees beoefend wordt, zal zij de levendigheid der taal bedwingen, die niet alleen ons eigen geweten kwetst, maar dikwijls een steen des aanstoots is voor de wereld, een slecht voorbeeld voor het huisgezin Gods en een wapen in de hand van de Satan om de dood in hun ziel te brengen. Wij zouden wèl doen de woorden van de apostel te overpeinzen en ze met ons om te dragen, wanneer wij in de dagelijkse omgang tot spreken geroepen zijn: „Geen vuile rede ga uit uw mond; maar zo daar enige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve diegenen die ze horen. En bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door Welke gij verzegeld zijt tot de dag der verlossing” (Efeze 4:29, 30).
Zet, Heer, een wacht voor mijne lippen,
behoed de deuren van mijn mond,
opdat ik mij tot genen stond
iets onbedachtzaams laat ontglippen.
Bewaar mij voor ’t geweld der strikken
die tot mijn val mij zijn gelegd
door hen, die wars van ’t heilig recht,
het boze doen all’ ogenblikken.
Ps. 141:3, 10
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u zich moet afvragen hoe het met uw tong staat. Het is een klein lid, maar hoe snel ontglipt er een driftig woord, een lichtzinnige opmerking, een gemelijke uitval. En achteraf brandt het in het geweten. Misschien kent u die schaamte maar al te goed, en vraagt u zich af hoe het kan dat iemand die de Heere zoekt nog zo spreekt.
Laat mij de oorzaak eerlijk aanwijzen: het gebeurt wanneer de vreze Gods niet vloeit als een fontein des levens in de ziel. Die vreze is de teugel die de tong breidelt en het hart tot nederigheid en liefde stemt. Zoek haar dan niet in eigen voornemens alleen, maar bid de Heere dat Hij een wacht voor uw lippen zet. Draag het woord van de apostel met u mee in de dagelijkse omgang, dat geen vuile rede uit uw mond ga, en bedroef de Heilige Geest niet, door Welke u verzegeld bent tot de dag der verlossing.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Door de vreze des Heeren wijkt men af van het kwade.
Spreuken 3:7
Er is een zeer nauwe en innige samenhang tussen godvrezend zijn en „heilig zijn in alle gesprekken”. Wanneer laten wij ons in onze gesprekken door drift meeslepen? Wanneer komen er lichtzinnige en ijdele woorden over onze lippen? Wanneer komen die driftige uitvallen, die knorrige uitdrukkingen, die vleselijke, wereldse taal, waar wij van nature toe geneigd zijn, over onze lippen en zoeken zij zich min of meer onbedachtzaam een uitweg over onze tong? Is het niet wanneer de vreze Gods haar stromen niet laat vloeien als een fontein des levens, om de ziel te bevochtigen en haar te stemmen tot nederigheid en liefde? En is het niet wanneer zij ook niet opwelt en zich niet uit in Goddelijke waarschuwingen, om de tong als met een teugel te breidelen en dat kleine lid te besturen, dat, hoe klein ook, het hele lichaam bezoedelt wanneer het niet in bedwang wordt gehouden?
Maar als deze vrees beoefend wordt, zal zij die levendigheid van taal bedwingen die niet alleen ons eigen geweten kwetst, maar vaak ook een steen des aanstoots is voor de wereld, een slecht voorbeeld voor het huisgezin van God en een wapen in de hand van de satan om de dood in hun ziel te brengen. Wij zouden er goed aan doen de woorden van de apostel te overdenken en ze met ons mee te dragen wanneer wij in de dagelijkse omgang moeten spreken: „Geen vuile rede ga uit uw mond; maar zo daar enige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve diegenen die ze horen. En bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door Welke gij verzegeld zijt tot de dag der verlossing” (Efeze 4:29, 30).
Zet, Heer, een wacht voor mijne lippen,
behoed de deuren van mijn mond,
opdat ik mij tot genen stond
iets onbedachtzaams laat ontglippen.
Bewaar mij voor ’t geweld der strikken
die tot mijn val mij zijn gelegd
door hen, die wars van ’t heilig recht,
het boze doen all’ ogenblikken.
Ps. 141:3, 10
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u zich moet afvragen hoe het met uw tong staat. Het is een klein lid, maar hoe snel ontglipt er een driftig woord, een lichtzinnige opmerking, een knorrige uitval. En achteraf brandt het in het geweten. Misschien kent u die schaamte maar al te goed, en vraagt u zich af hoe het kan dat iemand die de Heere zoekt nog zo spreekt.
Laat mij de oorzaak eerlijk aanwijzen: het gebeurt wanneer de vreze Gods niet als een fontein des levens in de ziel vloeit. Die vreze is de teugel die de tong breidelt en het hart stemt tot nederigheid en liefde. Zoek haar dan niet alleen in eigen voornemens, maar bid de Heere dat Hij een wacht voor uw lippen zet. Draag het woord van de apostel met u mee in de dagelijkse omgang: laat geen vuile rede uit uw mond gaan, en bedroef de Heilige Geest niet, door Wie u verzegeld bent tot de dag der verlossing.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
By the fear of the LORD men depart from evil.
Proverbs 16:6
There is a very close and intimate connection between godly fear and being holy in all manner of life. When do we drop into levity of conversation? When do light and frothy words fall from our lips? When do any of those hasty bursts of temper, or those fretful expressions, or that mere carnal, worldly talk to which we are naturally prone, hover upon our lips and break forth, more or less unguardedly, from our tongue? Is it not when this godly fear is not flowing its streams as a fountain of life, to well water the soul and soften it into humility and love, and is not springing up in wholesome checks and godly admonitions to keep the tongue as with a bridle and to rule that little member which, though so little, if untamed, defiles the whole body?
But if this godly fear be in exercise, it will restrain that levity of speech which not only grieves and wounds our own conscience, but is often a stumbling-block to the world, a bad example to the family of God, and a weapon in the hands of Satan to bring death into their soul. We should do well to ponder over those words of the Apostle, and to carry them with us when we are brought into conversation with others in the daily walks of life—“Do not let any unwholesome talk come out of your mouths, but only what is helpful for building others up according to their needs, that it may benefit those who listen. And do not grieve the Holy Spirit of God, with Whom you were sealed for the day of redemption.” (Eph. 4:29, 30)
To the reader…
There are days when you must ask yourself how things stand with your tongue. It is a little member, but how quickly a hasty word slips out, a frivolous remark, a fretful outburst. And afterwards it burns in the conscience. Perhaps you know that shame all too well, and you wonder how someone who seeks the Lord can still speak like that.
Let me honestly point out the cause: it happens when the fear of God is not flowing in the soul as a fountain of life. That fear is the bridle that curbs the tongue and tunes the heart to humility and love. So do not look for it only in your own resolutions, but pray the Lord to set a watch before your lips. Carry the word of the apostle with you in your daily dealings: let no corrupt communication proceed out of your mouth, and grieve not the Holy Spirit of God, whereby you are sealed unto the day of redemption.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y con el temor de Jehová se apartan del mal los hombres.
Proverbios 16:6
Hay una conexión muy estrecha e íntima entre el temor piadoso y el ser santos en toda manera de vivir. ¿Cuándo caemos en la ligereza en la conversación? ¿Cuándo salen de nuestros labios palabras livianas y vanas? ¿Cuándo esos arrebatos precipitados de mal genio, o esas expresiones de enfado, o esa conversación meramente carnal y mundana a la que somos naturalmente propensos, asoman a nuestros labios y brotan, con más o menos descuido, de nuestra lengua? ¿No es cuando este temor piadoso no fluye en sus corrientes como manantial de vida, para regar bien el alma y ablandarla en humildad y amor, y no brota en saludables frenos y piadosas amonestaciones para guardar la lengua como con un freno y gobernar ese pequeño miembro que, aunque tan pequeño, si no es domado, contamina todo el cuerpo?
Pero si este temor piadoso está en ejercicio, refrenará esa ligereza de palabra que no solo entristece y hiere nuestra propia conciencia, sino que a menudo es piedra de tropiezo para el mundo, mal ejemplo para la familia de Dios y un arma en manos de Satanás para traer muerte a su alma. Haríamos bien en meditar en aquellas palabras del apóstol y en llevarlas con nosotros cuando entramos en conversación con otros en los caminos diarios de la vida: “Ninguna palabra torpe salga de vuestra boca, sino la que sea buena para edificación, para que dé gracia a los oyentes. Y no contristéis al Espíritu Santo de Dios, con el cual estáis sellados para el día de la redención” (Efesios 4:29, 30).
Al lector…
Hay días en que usted debe preguntarse cómo andan las cosas con su lengua. Es un pequeño miembro, pero cuán pronto se escapa una palabra precipitada, un comentario frívolo, un arrebato de enfado. Y después arde en la conciencia. Quizá conoce usted esa vergüenza demasiado bien, y se pregunta cómo alguien que busca al Señor puede todavía hablar así.
Permítame señalar con sinceridad la causa: sucede cuando el temor de Dios no fluye en el alma como manantial de vida. Ese temor es el freno que refrena la lengua y dispone el corazón a la humildad y al amor. No lo busque, pues, solo en sus propios propósitos, sino ruegue al Señor que ponga guarda a sus labios. Lleve consigo la palabra del apóstol en su trato diario: ninguna palabra torpe salga de su boca, y no contriste al Espíritu Santo de Dios, con el cual está sellado para el día de la redención.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Vervolgen de Heere te kennen
Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen om de Heere te kennen. Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen, en als de vroege regen des lands.
Hosea 6:3
Vervolg, vervolg om de Heere te kennen. Wees nooit tevreden eer u de cheque hebt verzilverd, en als u het geld hebt, vraag dan om meer, en roep altijd uit: „Meer geloof, meer hoop, meer liefde, meer kracht, Heere, meer krachtige godsvrucht, meer geestelijkheid, meer overeenkomst met Uw beeld, meer kennis van Uw wil en verlangen hem te doen, meer ongeschiktheid voor de wereld, meer geschiktheid voor de hemel.” Blijf altijd voortgaan, en u zult ontdekken dat hoe meer u van de Heere weet, des te meer de dierbaarheid van Zijn wil in uw ziel gevoeld zal worden. Weliswaar zult u daarbij ook veel beproevingen, bezoekingen en tegenslagen kennen, want het is door veel rampspoed dat we het koninkrijk zullen binnengaan, en leed en zegen, beproeving en verlossing gaan altijd hand in hand. De apostel bad zelfs dat hij „de gemeenschap van Christus’ lijden” mocht kennen (vgl. Fil. 3:10), waarbij hij die wetenschap een grotere zegen achtte dan de kennis van de kracht van Zijn opstanding.
Maar overdenkt u nogmaals de woorden: „Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om de Heere te kennen”, en pas ze op uw eigen situatie toe. Ik heb reeds gezegd dat er een „indien” is. Dit „indien” staat als het ware als een engel aan het begin van de weg, om degenen tegen te houden die niet vervolgen om de Heere te kennen, en degenen toe te laten die dit wel doen. Welnu, indien u vervolgt, hebt u een getuigenis, niet alleen dat de Heere Zijn vrees in uw hart heeft geplant, maar dat Hij u een barmhartige belofte heeft gedaan om u op het rechte pad te houden. Blijf dus stevig doorgaan op de weg waarop Hij uw voetstappen heeft neergezet.
Luister niet naar dwalende mensen. Behandel hen zoals de kerk te Efeze, tegen wie de Heere getuigt: „Ik weet … dat gij de kwaden niet kunt dragen; en dat gij beproefd hebt degenen die uitgeven dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet; en hebt ze leugenaars bevonden” (Openb. 2:2). Lees geen verkeerde boeken, die tegenwoordig zo overvloedig verschijnen. Houd u sterk aan de waarheid, aan uw geweten, aan het evangelie dat is gepredikt, aan de dingen die God u heeft getoond en waarvan u de smaak en de kracht hebt opgemerkt. Laat dit altijd uw zielswens zijn: de Heere te kennen in de zoete onthullingen van Zijn Persoon en werk, Zijn bloed en liefde, en Hij zal u alles onthullen wat u ten goede en tot Zijn eer zal zijn.
Lezen: Handelingen 14:8-22
Aan de lezer…
Zou u tevreden geworden zijn met wat u eens gesmaakt hebt? Het is goed te gedenken wat de Heere u getoond heeft, maar Hij wil niet dat u daarbij stil blijft staan. Hoe meer u van Hem leert kennen, hoe dierbaarder Zijn wil u wordt. Roep daarom gerust om meer: meer geloof, meer hoop, meer liefde, meer overeenkomst met Zijn beeld. Zulk een begeerte is geen hoogmoed, maar het kenmerk van een ziel die Hem nodig heeft.
En schrikt u ervoor terug dat er op die weg ook beproevingen liggen? Leed en zegen gaan hand in hand, en wie de gemeenschap van Christus’ lijden leert kennen, verliest daar niets bij. Houd u dan vast aan de waarheid, aan wat God u heeft doen smaken, en laat u niet afleiden door dwalende stemmen. Dat u vervolgt, is een getuigenis dat Hij Zijn vreze in uw hart geplant heeft en u op het rechte pad zal houden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen om de Heere te kennen. Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen, en als de vroege regen des lands.
Hosea 6:3
Vervolg, vervolg om de Heere te kennen. Wees nooit tevreden voordat u de cheque hebt verzilverd, en als u het geld hebt, vraag dan om meer. Roep altijd uit: „Meer geloof, meer hoop, meer liefde, meer kracht, Heere, meer krachtige godsvrucht, meer geestelijkheid, meer overeenkomst met Uw beeld, meer kennis van Uw wil en verlangen hem te doen, meer ongeschiktheid voor de wereld, meer geschiktheid voor de hemel.” Blijf altijd voortgaan, en u zult ontdekken dat hoe meer u van de Heere weet, hoe meer u de dierbaarheid van Zijn wil in uw ziel zult voelen. Weliswaar zult u daarbij ook veel beproevingen, bezoekingen en tegenslagen leren kennen, want het is door veel rampspoed dat we het koninkrijk zullen binnengaan; leed en zegen, beproeving en verlossing gaan altijd hand in hand. De apostel bad zelfs dat hij „de gemeenschap van Christus’ lijden” mocht kennen (vgl. Fil. 3:10), en hij achtte die kennis een grotere zegen dan de kennis van de kracht van Zijn opstanding.
Maar overdenk nog eens de woorden: „Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om de Heere te kennen”, en pas ze toe op uw eigen situatie. Ik heb al gezegd dat er een „indien” is. Dit „indien” staat als het ware als een engel aan het begin van de weg, om hen tegen te houden die niet vervolgen om de Heere te kennen, en hen toe te laten die dat wel doen. Welnu, als u vervolgt, hebt u een getuigenis, niet alleen dat de Heere Zijn vreze in uw hart heeft geplant, maar ook dat Hij u een barmhartige belofte heeft gedaan om u op het rechte pad te houden. Blijf dus vastberaden doorgaan op de weg waarop Hij uw voeten heeft gezet.
Luister niet naar dwalende mensen. Behandel hen zoals de gemeente te Efeze deed, van wie de Heere getuigt: „Ik weet … dat gij de kwaden niet kunt dragen; en dat gij beproefd hebt degenen die uitgeven dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet; en hebt ze leugenaars bevonden” (Openb. 2:2). Lees geen verkeerde boeken, die tegenwoordig zo overvloedig verschijnen. Houd u vast aan de waarheid, aan uw geweten, aan het evangelie dat u gepredikt is, aan de dingen die God u heeft getoond en waarvan u de smaak en de kracht hebt ervaren. Laat dit altijd de wens van uw ziel zijn: de Heere te kennen in de zoete onthullingen van Zijn Persoon en werk, Zijn bloed en liefde. Dan zal Hij u alles onthullen wat u ten goede en tot Zijn eer zal zijn.
Lezen: Handelingen 14:8-22
Aan de lezer…
Zou u tevreden geworden zijn met wat u ooit gesmaakt hebt? Het is goed om te gedenken wat de Heere u getoond heeft, maar Hij wil niet dat u daarbij stil blijft staan. Hoe meer u Hem leert kennen, hoe dierbaarder Zijn wil u wordt. Roep daarom gerust om meer: meer geloof, meer hoop, meer liefde, meer overeenkomst met Zijn beeld. Zo’n verlangen is geen hoogmoed, maar het kenmerk van een ziel die Hem nodig heeft.
En schrikt u ervoor terug dat er op die weg ook beproevingen liggen? Leed en zegen gaan hand in hand, en wie de gemeenschap van Christus’ lijden leert kennen, verliest daar niets bij. Houd u dan vast aan de waarheid, aan wat God u heeft laten smaken, en laat u niet afleiden door dwalende stemmen. Dat u vervolgt, is een getuigenis dat Hij Zijn vreze in uw hart heeft geplant en u op het rechte pad zal houden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Then shall we know, if we follow on to know the LORD: His going forth is prepared as the morning; and He shall come unto us as the rain, as the latter and former rain unto the earth.
Hosea 6:3
Follow on, follow on to know the Lord. Never be satisfied until you have cashed the cheque, and when you have the money, ask for more. Cry out always, “More faith, more hope, more love, more strength, Lord, more vital godliness, more spirituality, more conformity to Thine image, more knowledge of Thy will and desire to do it, more unfitness for the world, more fitness for heaven.” Keep always going on, and you will find that the more you know of the Lord, the more you will feel the preciousness of His will in your soul. True, you will also come to know many trials, afflictions and crosses, for it is through much tribulation that we must enter into the kingdom; sorrow and blessing, trial and deliverance, always go hand in hand. The apostle even prayed that he might know “the fellowship of Christ’s sufferings” (compare Philippians 3:10), and he counted that knowledge a greater blessing than the knowledge of the power of His resurrection.
But consider once more the words, “Then shall we know, if we follow on to know the LORD,” and apply them to your own case. I have already said that there is an “if.” This “if” stands, as it were, like an angel at the beginning of the way, to turn back those who do not follow on to know the Lord, and to let through those who do. Now, if you follow on, you have a testimony, not only that the Lord has planted His fear in your heart, but also that He has given you a gracious promise to keep you in the right path. Go on, then, steadfastly in the way in which He has set your feet.
Do not listen to men in error. Treat them as did the church at Ephesus, of which the Lord testifies, “I know… how thou canst not bear them which are evil: and thou hast tried them which say they are apostles, and are not, and hast found them liars” (Revelation 2:2). Do not read wrong books, which appear so abundantly in our day. Hold fast to the truth, to your conscience, to the gospel which has been preached to you, to the things which God has shown you and of which you have felt the savour and the power. Let this always be the desire of your soul: to know the Lord in the sweet discoveries of His Person and work, His blood and love. Then He will discover to you all that will be for your good and for His glory.
Reading: Acts 14:8-22
To the reader…
Have you perhaps become content with what you once tasted? It is good to remember what the Lord has shown you, but He does not want you to stand still there. The more you learn to know Him, the more precious His will becomes to you. So do not hesitate to cry for more: more faith, more hope, more love, more conformity to His image. Such a longing is not pride, but the mark of a soul that needs Him.
And do you shrink back because there are trials on that way as well? Sorrow and blessing go hand in hand, and whoever learns to know the fellowship of Christ’s sufferings loses nothing by it. Hold fast, then, to the truth, to what God has let you taste, and do not let yourself be drawn aside by erring voices. That you follow on is a testimony that He has planted His fear in your heart and will keep you in the right path.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y conoceremos, y proseguiremos en conocer a Jehová: como el alba está aparejada Su salida, y vendrá a nosotros como la lluvia, como la lluvia tardía y temprana a la tierra.
Oseas 6:3
Prosiga, prosiga en conocer al Señor. No se dé nunca por satisfecho hasta que haya cobrado el cheque, y cuando tenga el dinero, pida más. Clame siempre: “Más fe, más esperanza, más amor, más fuerza, Señor, más piedad vital, más espiritualidad, más conformidad a Tu imagen, más conocimiento de Tu voluntad y deseo de hacerla, más ineptitud para el mundo, más idoneidad para el cielo”. Siga siempre adelante, y hallará que cuanto más conozca al Señor, tanto más sentirá en su alma lo precioso de Su voluntad. Es verdad que también llegará a conocer muchas pruebas, aflicciones y cruces, porque es necesario que por muchas tribulaciones entremos en el reino; la tristeza y la bendición, la prueba y la liberación, van siempre de la mano. El apóstol incluso oró para conocer “la participación de los padecimientos de Cristo” (compárese Filipenses 3:10), y tuvo ese conocimiento por una bendición mayor que el conocimiento de la virtud de Su resurrección.
Pero considere una vez más las palabras: “Y conoceremos, y proseguiremos en conocer a Jehová”, y aplíquelas a su propio caso. Ya he dicho que hay una condición: “si proseguimos”. Esta condición está, por así decirlo, como un ángel al comienzo del camino, para hacer volver a los que no prosiguen en conocer al Señor, y dejar pasar a los que sí lo hacen. Ahora bien, si usted prosigue, tiene un testimonio, no solo de que el Señor ha plantado Su temor en su corazón, sino también de que le ha dado una promesa misericordiosa de guardarle en la senda recta. Siga, pues, firmemente en el camino en que Él ha puesto sus pies.
No escuche a los hombres que están en el error. Trátelos como lo hizo la iglesia de Éfeso, de la cual el Señor testifica: “Yo sé… que tú no puedes sufrir los malos, y has probado a los que se dicen ser apóstoles, y no lo son, y los has hallado mentirosos” (Apocalipsis 2:2). No lea libros erróneos, que tan abundantemente aparecen en nuestros días. Aférrese a la verdad, a su conciencia, al evangelio que le ha sido predicado, a las cosas que Dios le ha mostrado y de las cuales ha sentido el sabor y el poder. Que este sea siempre el deseo de su alma: conocer al Señor en los dulces descubrimientos de Su Persona y obra, de Su sangre y amor. Entonces Él le descubrirá todo lo que será para su bien y para Su gloria.
Lectura: Hechos 14:8-22
Al lector…
¿Se ha conformado quizá con lo que una vez gustó? Es bueno recordar lo que el Señor le ha mostrado, pero Él no quiere que usted se quede parado ahí. Cuanto más aprenda a conocerle, tanto más preciosa le será Su voluntad. No dude, pues, en clamar por más: más fe, más esperanza, más amor, más conformidad a Su imagen. Tal anhelo no es orgullo, sino la señal de un alma que le necesita.
¿Y retrocede usted porque en ese camino también hay pruebas? La tristeza y la bendición van de la mano, y quien aprende a conocer la participación de los padecimientos de Cristo nada pierde con ello. Aférrese, pues, a la verdad, a lo que Dios le ha dejado gustar, y no se deje desviar por voces erradas. Que usted prosiga es un testimonio de que Él ha plantado Su temor en su corazón y le guardará en la senda recta.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Nog een kleine tijd, en de wereld zal Mij niet meer zien; maar gij zult Mij zien; want Ik leef en gij zult leven.
Johannes 14:19
Gemeenschap met Christus bevat drie zaken: Hem aanschouwen door het geloof, leven door Zijn leven, en Zijn geopenbaarde tegenwoordigheid genieten. Doch al deze drie zaken hebben hun grondslag in Zijn opstanding en een kennis van de kracht daarvan. Als opgestaan van de dood zien zij Hem; als opgestaan van de dood leven zij een leven des geloofs uit Hem; als opgestaan van de dood openbaart Hij Zich aan hen; en als het leven en gevoel, uit kracht van de zoete gemeenschap met Hem, in hun ziel ontspringen, wordt de kracht Zijner opstanding in hen geopenbaard. Derhalve doet deze gemeenschap met de Heere Jezus, als een herrezen Hoofd, de met God verzoende en gerechtvaardigde heiligen Hem achteraan kleven, naar de mate van hun genade en van het leven en de kracht Gods in hun zielen.
Inderdaad wordt deze gemeenschap menigmaal treurig en smartelijk onderbroken door de zonde die in ons woont. Maar het grondbeginsel is er, want dit beginsel is leven, en het leven is het voorrecht, het bezit en de onderscheiding van de kinderen Gods. Gij hebt niemand van node om u te verzekeren dat Jezus is opgestaan van de dood, als Hij Zich in uw ziel openbaart. Gij behoeft geen nader bewijs dat gij een schaap zijt, als gij Zijn stem gehoord hebt en gij Zijn stem kent. Zo kunt gij dus zeggen: „Jezus is opgestaan, want ik heb Hem aanschouwd; Jezus is opgestaan, want ik heb Hem gehoord; Jezus is opgestaan, want ik leef uit Hem.”
Gemeenschap met Jezus is het leven van de godsdienst, en zonder dit leven is de godsdienst maar een ledig iets. Gelijk wij zonder Hem niets doen kunnen, gelijk Hij ons leven is, ons herrezen Verbondshoofd, onze Voorspraak bij de Vader, onze Man, Vriend en Broeder, hoe zullen wij, gelijk de rank uit de wijnstok, sap trekken uit Zijn volheid, of Hem persoonlijk en bevindelijk kennen in elk van Zijn beminnelijke eigenschappen, tenzij dan door de gedurige gemeenschap met Hem aan de troon Zijner genade? Inderdaad is dit het punt dat de levenden onderscheidt van de doden, het ware kind van God van de blote belijder: dat namelijk de een ware vereniging en gemeenschap heeft met een Jezus Die uit de dood herrezen is, en de ander zich vergenoegt met een gedaante van godzaligheid.
Elke levend gemaakte ziel staat ernaar de kracht Gods in zich te ontwaren, staat naar gemeenschap van boven, naar vergeving en vrede, naar blijken van barmhartigheid en genade. En wanneer zij een gezicht van Christus heeft door het geloof en enige openbaring heeft van Zijn Persoon en werk, genade en heerlijkheid, kan naderhand niets anders haar waarlijk bevredigen dan de inwendige gemeenschap des geestes met Jezus, waardoor de Heere en zij één worden, want die de Heere aanhangt, is één geest met Hem.
Aan de lezer…
Misschien is uw gemeenschap met de Heere Jezus onderbroken. Heeft de zonde die in u woont tussenbeide gekomen, zodat u Hem niet meer ziet en Zijn stem niet meer hoort zoals eens? Dat is treurig en smartelijk, en u mag erover klagen. Maar wanhoop niet alsof alles verloren is. Het grondbeginsel blijft, want dat beginsel is leven, en dat leven hangt niet aan uw gevoel, maar aan Hem Die leeft.
„Ik leef,” zegt Hij, „en gij zult leven.” Hebt u ooit Zijn stem gehoord en gekend, dan behoeft u geen nader bewijs dat u een van Zijn schapen bent. Laat u dan niet vergenoegen met een gedaante van godzaligheid, maar blijf aankloppen aan de troon der genade, als een rank die sap zoekt uit de wijnstok. Hij Die is opgestaan, zal Zich weer aan u openbaren, en dan zal uw ziel opnieuw mogen zeggen: Jezus is opgestaan, want ik leef uit Hem.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Nog een kleine tijd, en de wereld zal Mij niet meer zien; maar gij zult Mij zien; want Ik leef en gij zult leven.
Johannes 14:19
Gemeenschap met Christus omvat drie dingen: Hem aanschouwen door het geloof, leven door Zijn leven, en Zijn geopenbaarde tegenwoordigheid genieten. Maar alle drie hebben zij hun grondslag in Zijn opstanding en in het kennen van de kracht daarvan. Als de Opgestane uit de dood zien zij Hem; als de Opgestane uit de dood leven zij uit Hem een leven van geloof; als de Opgestane uit de dood openbaart Hij Zich aan hen. En wanneer het leven en het gevoel door de kracht van de zoete gemeenschap met Hem in hun ziel ontspringen, wordt de kracht van Zijn opstanding in hen geopenbaard. Daarom doet deze gemeenschap met de Heere Jezus als het opgestane Hoofd de heiligen, die met God verzoend en gerechtvaardigd zijn, Hem navolgen en aankleven, naar de mate van hun genade en van het leven en de kracht van God in hun ziel.
Deze gemeenschap wordt weliswaar vaak treurig en pijnlijk onderbroken door de zonde die in ons woont. Maar het grondbeginsel is er, want dat beginsel is leven, en het leven is het voorrecht, het bezit en het kenmerk van de kinderen van God. U hebt niemand nodig om u te verzekeren dat Jezus uit de dood is opgestaan, als Hij Zich in uw ziel openbaart. U hebt geen verder bewijs nodig dat u een schaap bent, als u Zijn stem gehoord hebt en Zijn stem kent. Zo kunt u dus zeggen: „Jezus is opgestaan, want ik heb Hem aanschouwd; Jezus is opgestaan, want ik heb Hem gehoord; Jezus is opgestaan, want ik leef uit Hem.”
Gemeenschap met Jezus is het leven van de godsdienst, en zonder dat leven is de godsdienst maar iets leegs. Zonder Hem kunnen wij niets doen; Hij is ons leven, ons opgestane Verbondshoofd, onze Voorspraak bij de Vader, onze Man, Vriend en Broeder. Hoe zullen wij dan, zoals de rank uit de wijnstok, sap trekken uit Zijn volheid, of Hem persoonlijk en bevindelijk kennen in elk van Zijn beminnelijke eigenschappen, anders dan door de voortdurende gemeenschap met Hem aan de troon van Zijn genade? Dit is werkelijk het punt dat de levenden onderscheidt van de doden, het ware kind van God van de blote belijder: de een heeft ware vereniging en gemeenschap met een Jezus Die uit de dood is opgestaan, en de ander neemt genoegen met een gedaante van godzaligheid.
Elke levend gemaakte ziel verlangt ernaar de kracht van God in zich te ervaren; zij verlangt naar gemeenschap van boven, naar vergeving en vrede, naar blijken van barmhartigheid en genade. En wanneer zij door het geloof een gezicht op Christus heeft gekregen en iets geopenbaard heeft gekregen van Zijn Persoon en werk, Zijn genade en heerlijkheid, kan haar daarna niets anders werkelijk voldoen dan de innerlijke gemeenschap van de geest met Jezus, waardoor de Heere en zij één worden; want die de Heere aanhangt, is één geest met Hem.
Aan de lezer…
Misschien is uw gemeenschap met de Heere Jezus onderbroken. Is de zonde die in u woont ertussen gekomen, zodat u Hem niet meer ziet en Zijn stem niet meer hoort zoals vroeger? Dat is treurig en pijnlijk, en u mag erover klagen. Maar wanhoop niet alsof alles verloren is. Het grondbeginsel blijft, want dat beginsel is leven, en dat leven hangt niet aan uw gevoel, maar aan Hem Die leeft.
„Ik leef,” zegt Hij, „en gij zult leven.” Hebt u ooit Zijn stem gehoord en gekend, dan hebt u geen verder bewijs nodig dat u een van Zijn schapen bent. Neem dan geen genoegen met een gedaante van godzaligheid, maar blijf aankloppen bij de troon der genade, als een rank die sap zoekt uit de wijnstok. Hij Die is opgestaan, zal Zich weer aan u openbaren, en dan zal uw ziel opnieuw mogen zeggen: Jezus is opgestaan, want ik leef uit Hem.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Yet a little while, and the world seeth Me no more; but ye see Me: because I live, ye shall live also.”
John 14:19
Communion with Christ rests on three things—seeing Him by faith, living upon His life, and experiencing His manifested presence. But all these three things depend on His resurrection and a knowledge of its power. As risen from the dead, the saints see Him; as risen from the dead, they live a life of faith upon Him; as risen from the dead, He manifests Himself unto them; and as life and feeling spring up in their souls from sweet communion with Him, the power of His resurrection becomes manifest in them.
This communion, therefore, with the Lord Jesus as a risen Head all the reconciled and justified saints of God are pressing forward after, according to the measure of their grace and the life and power of God in their soul. It is indeed often sadly interrupted and grievously broken through, by the sin that dwells in us. But the principle is there, for that principle is life; and life is the privilege, the possession, and the distinction of the children of God. You need none to assure you that Jesus is risen from the dead if He manifests Himself to your soul. You need no evidence that you are one of His sheep if you have heard and know His voice. So you may say, “Jesus is risen, for I have seen Him; Jesus is risen, for I have heard Him; Jesus is risen, for I live upon Him.”
Communion with Jesus is the life of religion, and indeed without it religion is but an empty name. If without Him we can do nothing; if He is our life, our risen covenant Head, our Advocate with the Father, our Husband, our Friend, our Brother, how are we to draw sap out of His fullness, as the branch from the vine, or to know Him personally and experimentally in any one of His endearing relationships, unless by continual communion with Him on His throne of grace? In fact, this is the grand distinguishing point between the living and the dead, between the true child of God and the mere professor, that the one has real union and communion with a risen Jesus, and the other is satisfied with a form of godliness.
Every quickened soul is made to feel after the power of God, after communion from above, after pardon and peace, after visitations of mercy and grace; and when he has had a view of Christ by faith, and some revelation of His Person and work, grace and glory, nothing afterwards can ever really satisfy him but that inward communion of spirit with Jesus whereby the Lord and he become one; “for he that is joined to the Lord is one spirit.”
To the reader…
Perhaps your communion with the Lord Jesus has been interrupted. Has the sin that dwells in you come between, so that you no longer see Him and hear His voice as you once did? That is sad and painful, and you may mourn over it. But do not despair as if all were lost. The principle remains, for that principle is life, and that life does not hang on your feelings, but on Him Who lives.
“Because I live,” He says, “ye shall live also.” If you have ever heard and known His voice, you need no further proof that you are one of His sheep. Do not be content, then, with a form of godliness, but keep knocking at the throne of grace, like a branch seeking sap from the vine. He Who is risen will reveal Himself to you again, and then your soul may say once more: Jesus is risen, for I live upon Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Aun un poquito, y el mundo no Me verá más; empero vosotros Me veréis; porque Yo vivo, y vosotros también viviréis.
Juan 14:19
La comunión con Cristo descansa en tres cosas: verle por la fe, vivir de Su vida y experimentar Su presencia manifestada. Pero estas tres cosas dependen de Su resurrección y de un conocimiento de su poder. Como resucitado de los muertos, los santos le ven; como resucitado de los muertos, viven una vida de fe en Él; como resucitado de los muertos, Él se manifiesta a ellos; y a medida que brotan vida y sentir en sus almas por la dulce comunión con Él, el poder de Su resurrección se hace manifiesto en ellos.
Por lo tanto, todos los santos de Dios reconciliados y justificados están avanzando en pos de esta comunión con el Señor Jesús como Cabeza resucitada, según la medida de su gracia y de la vida y el poder de Dios en su alma. Es en verdad a menudo tristemente interrumpida y penosamente quebrantada por el pecado que mora en nosotros. Pero el principio está allí, porque ese principio es vida; y la vida es el privilegio, la posesión y la distinción de los hijos de Dios. Usted no necesita que nadie le asegure que Jesús ha resucitado de los muertos si Él se manifiesta a su alma. No necesita ninguna prueba de que es una de Sus ovejas si ha oído y conoce Su voz. Así puede decir: “Jesús ha resucitado, porque le he visto; Jesús ha resucitado, porque le he oído; Jesús ha resucitado, porque vivo de Él.”
La comunión con Jesús es la vida de la religión, y en verdad sin ella la religión no es más que un nombre vacío. Si sin Él nada podemos hacer; si Él es nuestra vida, nuestra Cabeza resucitada del pacto, nuestro Abogado para con el Padre, nuestro Esposo, nuestro Amigo, nuestro Hermano, ¿cómo hemos de sacar savia de Su plenitud, como el pámpano de la vid, o conocerle personal y experimentalmente en cualquiera de Sus entrañables relaciones, sino por la comunión continua con Él en Su trono de gracia? De hecho, este es el gran punto que distingue a los vivos de los muertos, al verdadero hijo de Dios del mero profesante: que el uno tiene verdadera unión y comunión con un Jesús resucitado, y el otro se contenta con una apariencia de piedad.
Toda alma vivificada es llevada a buscar a tientas el poder de Dios, la comunión de lo alto, el perdón y la paz, las visitas de misericordia y de gracia; y cuando ha tenido una visión de Cristo por la fe, y alguna revelación de Su Persona y obra, de Su gracia y gloria, nada después podrá realmente satisfacerla sino aquella comunión interior de espíritu con Jesús por la cual el Señor y ella llegan a ser uno; “porque el que se junta con el Señor, un espíritu es”.
Al lector…
Quizá su comunión con el Señor Jesús se ha visto interrumpida. ¿Se ha interpuesto el pecado que mora en usted, de modo que ya no le ve ni oye Su voz como antes? Eso es triste y doloroso, y bien puede usted lamentarlo. Pero no se desespere como si todo estuviera perdido. El principio permanece, porque ese principio es vida, y esa vida no depende de sus sentimientos, sino de Aquel que vive.
“Porque Yo vivo”, dice Él, “vosotros también viviréis.” Si alguna vez ha oído y conocido Su voz, no necesita más prueba de que es una de Sus ovejas. No se contente, pues, con una apariencia de piedad, sino siga llamando al trono de la gracia, como un pámpano que busca savia en la vid. Aquel que ha resucitado se le revelará de nuevo, y entonces su alma podrá decir otra vez: Jesús ha resucitado, porque vivo de Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl