24 de abril
Door de vreze des Heeren wijkt men af van het kwade.
Spreuken 3:7
Er is een zeer nauwe en innige gemeenschap tussen Godvrezend en „heilig zijn in alle gesprekken”. Wanneer laten wij ons tot drift vervoeren in onze gesprekken? Wanneer komen er lichtzinnige en ijdele woorden over onze lippen? Wanneer zweven die driftige uitvallen, die gemelijke uitdrukkingen, die vleselijke, wereldse taal, waartegen wij van nature gekant liggen, over onze lippen en banen zich meer of minder onbedachtzaam een uitgang over onze tong? Is het niet wanneer de vreze Gods haar stromen niet laat vloeien als een fontein des levens, om de ziel te besproeien en haar tot nederigheid en liefde te stemmen, en als zij ook niet opspringt en zich niet uitdrukt in Goddelijke waarschuwingen, om de tong als met een teugel te breidelen en dat kleine lid te besturen, dat, ofschoon zo klein, niet in bedwang gehouden wordende, het ganse lichaam bezoedelt?
Maar indien deze vrees beoefend wordt, zal zij de levendigheid der taal bedwingen, die niet alleen ons eigen geweten kwetst, maar dikwijls een steen des aanstoots is voor de wereld, een slecht voorbeeld voor het huisgezin Gods en een wapen in de hand van de Satan om de dood in hun ziel te brengen. Wij zouden wèl doen de woorden van de apostel te overpeinzen en ze met ons om te dragen, wanneer wij in de dagelijkse omgang tot spreken geroepen zijn: „Geen vuile rede ga uit uw mond; maar zo daar enige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve diegenen die ze horen. En bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door Welke gij verzegeld zijt tot de dag der verlossing” (Efeze 4:29, 30).
Zet, Heer, een wacht voor mijne lippen,
behoed de deuren van mijn mond,
opdat ik mij tot genen stond
iets onbedachtzaams laat ontglippen.
Bewaar mij voor ’t geweld der strikken
die tot mijn val mij zijn gelegd
door hen, die wars van ’t heilig recht,
het boze doen all’ ogenblikken.
Ps. 141:3, 10
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u zich moet afvragen hoe het met uw tong staat. Het is een klein lid, maar hoe snel ontglipt er een driftig woord, een lichtzinnige opmerking, een gemelijke uitval. En achteraf brandt het in het geweten. Misschien kent u die schaamte maar al te goed, en vraagt u zich af hoe het kan dat iemand die de Heere zoekt nog zo spreekt.
Laat mij de oorzaak eerlijk aanwijzen: het gebeurt wanneer de vreze Gods niet vloeit als een fontein des levens in de ziel. Die vreze is de teugel die de tong breidelt en het hart tot nederigheid en liefde stemt. Zoek haar dan niet in eigen voornemens alleen, maar bid de Heere dat Hij een wacht voor uw lippen zet. Draag het woord van de apostel met u mee in de dagelijkse omgang, dat geen vuile rede uit uw mond ga, en bedroef de Heilige Geest niet, door Welke u verzegeld bent tot de dag der verlossing.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Door de vreze des Heeren wijkt men af van het kwade.
Spreuken 3:7
Er is een zeer nauwe en innige samenhang tussen godvrezend zijn en „heilig zijn in alle gesprekken”. Wanneer laten wij ons in onze gesprekken door drift meeslepen? Wanneer komen er lichtzinnige en ijdele woorden over onze lippen? Wanneer komen die driftige uitvallen, die knorrige uitdrukkingen, die vleselijke, wereldse taal, waar wij van nature toe geneigd zijn, over onze lippen en zoeken zij zich min of meer onbedachtzaam een uitweg over onze tong? Is het niet wanneer de vreze Gods haar stromen niet laat vloeien als een fontein des levens, om de ziel te bevochtigen en haar te stemmen tot nederigheid en liefde? En is het niet wanneer zij ook niet opwelt en zich niet uit in Goddelijke waarschuwingen, om de tong als met een teugel te breidelen en dat kleine lid te besturen, dat, hoe klein ook, het hele lichaam bezoedelt wanneer het niet in bedwang wordt gehouden?
Maar als deze vrees beoefend wordt, zal zij die levendigheid van taal bedwingen die niet alleen ons eigen geweten kwetst, maar vaak ook een steen des aanstoots is voor de wereld, een slecht voorbeeld voor het huisgezin van God en een wapen in de hand van de satan om de dood in hun ziel te brengen. Wij zouden er goed aan doen de woorden van de apostel te overdenken en ze met ons mee te dragen wanneer wij in de dagelijkse omgang moeten spreken: „Geen vuile rede ga uit uw mond; maar zo daar enige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve diegenen die ze horen. En bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door Welke gij verzegeld zijt tot de dag der verlossing” (Efeze 4:29, 30).
Zet, Heer, een wacht voor mijne lippen,
behoed de deuren van mijn mond,
opdat ik mij tot genen stond
iets onbedachtzaams laat ontglippen.
Bewaar mij voor ’t geweld der strikken
die tot mijn val mij zijn gelegd
door hen, die wars van ’t heilig recht,
het boze doen all’ ogenblikken.
Ps. 141:3, 10
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u zich moet afvragen hoe het met uw tong staat. Het is een klein lid, maar hoe snel ontglipt er een driftig woord, een lichtzinnige opmerking, een knorrige uitval. En achteraf brandt het in het geweten. Misschien kent u die schaamte maar al te goed, en vraagt u zich af hoe het kan dat iemand die de Heere zoekt nog zo spreekt.
Laat mij de oorzaak eerlijk aanwijzen: het gebeurt wanneer de vreze Gods niet als een fontein des levens in de ziel vloeit. Die vreze is de teugel die de tong breidelt en het hart stemt tot nederigheid en liefde. Zoek haar dan niet alleen in eigen voornemens, maar bid de Heere dat Hij een wacht voor uw lippen zet. Draag het woord van de apostel met u mee in de dagelijkse omgang: laat geen vuile rede uit uw mond gaan, en bedroef de Heilige Geest niet, door Wie u verzegeld bent tot de dag der verlossing.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
By the fear of the LORD men depart from evil.
Proverbs 16:6
There is a very close and intimate connection between godly fear and being holy in all manner of life. When do we drop into levity of conversation? When do light and frothy words fall from our lips? When do any of those hasty bursts of temper, or those fretful expressions, or that mere carnal, worldly talk to which we are naturally prone, hover upon our lips and break forth, more or less unguardedly, from our tongue? Is it not when this godly fear is not flowing its streams as a fountain of life, to well water the soul and soften it into humility and love, and is not springing up in wholesome checks and godly admonitions to keep the tongue as with a bridle and to rule that little member which, though so little, if untamed, defiles the whole body?
But if this godly fear be in exercise, it will restrain that levity of speech which not only grieves and wounds our own conscience, but is often a stumbling-block to the world, a bad example to the family of God, and a weapon in the hands of Satan to bring death into their soul. We should do well to ponder over those words of the Apostle, and to carry them with us when we are brought into conversation with others in the daily walks of life—“Do not let any unwholesome talk come out of your mouths, but only what is helpful for building others up according to their needs, that it may benefit those who listen. And do not grieve the Holy Spirit of God, with Whom you were sealed for the day of redemption.” (Eph. 4:29, 30)
To the reader…
There are days when you must ask yourself how things stand with your tongue. It is a little member, but how quickly a hasty word slips out, a frivolous remark, a fretful outburst. And afterwards it burns in the conscience. Perhaps you know that shame all too well, and you wonder how someone who seeks the Lord can still speak like that.
Let me honestly point out the cause: it happens when the fear of God is not flowing in the soul as a fountain of life. That fear is the bridle that curbs the tongue and tunes the heart to humility and love. So do not look for it only in your own resolutions, but pray the Lord to set a watch before your lips. Carry the word of the apostle with you in your daily dealings: let no corrupt communication proceed out of your mouth, and grieve not the Holy Spirit of God, whereby you are sealed unto the day of redemption.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y con el temor de Jehová se apartan del mal los hombres.
Proverbios 16:6
Hay una conexión muy estrecha e íntima entre el temor piadoso y el ser santos en toda manera de vivir. ¿Cuándo caemos en la ligereza en la conversación? ¿Cuándo salen de nuestros labios palabras livianas y vanas? ¿Cuándo esos arrebatos precipitados de mal genio, o esas expresiones de enfado, o esa conversación meramente carnal y mundana a la que somos naturalmente propensos, asoman a nuestros labios y brotan, con más o menos descuido, de nuestra lengua? ¿No es cuando este temor piadoso no fluye en sus corrientes como manantial de vida, para regar bien el alma y ablandarla en humildad y amor, y no brota en saludables frenos y piadosas amonestaciones para guardar la lengua como con un freno y gobernar ese pequeño miembro que, aunque tan pequeño, si no es domado, contamina todo el cuerpo?
Pero si este temor piadoso está en ejercicio, refrenará esa ligereza de palabra que no solo entristece y hiere nuestra propia conciencia, sino que a menudo es piedra de tropiezo para el mundo, mal ejemplo para la familia de Dios y un arma en manos de Satanás para traer muerte a su alma. Haríamos bien en meditar en aquellas palabras del apóstol y en llevarlas con nosotros cuando entramos en conversación con otros en los caminos diarios de la vida: “Ninguna palabra torpe salga de vuestra boca, sino la que sea buena para edificación, para que dé gracia a los oyentes. Y no contristéis al Espíritu Santo de Dios, con el cual estáis sellados para el día de la redención” (Efesios 4:29, 30).
Al lector…
Hay días en que usted debe preguntarse cómo andan las cosas con su lengua. Es un pequeño miembro, pero cuán pronto se escapa una palabra precipitada, un comentario frívolo, un arrebato de enfado. Y después arde en la conciencia. Quizá conoce usted esa vergüenza demasiado bien, y se pregunta cómo alguien que busca al Señor puede todavía hablar así.
Permítame señalar con sinceridad la causa: sucede cuando el temor de Dios no fluye en el alma como manantial de vida. Ese temor es el freno que refrena la lengua y dispone el corazón a la humildad y al amor. No lo busque, pues, solo en sus propios propósitos, sino ruegue al Señor que ponga guarda a sus labios. Lleve consigo la palabra del apóstol en su trato diario: ninguna palabra torpe salga de su boca, y no contriste al Espíritu Santo de Dios, con el cual está sellado para el día de la redención.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl