2 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
9 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn.
Psalm 119:117
Wij zijn omringd met strikken; verleidingen liggen ieder ogenblik voor ons op de weg uitgespreid. Die strikken en die verleidingen zijn zo geschikt voor de lusten van het vlees, dat wij er onvermijdelijk in vallen moeten en erin bezwijken zonder de terughoudende hand van de Voorzienigheid, of de bewarende genade Gods. Dit ziet, dit voelt de christen. Hij heeft er wellicht een treurige ervaring van achter zich; hij heeft gezien hoe hij, door niet in de vreze Gods te wandelen, door niet voorzichtig te zijn en niet te staan op zijn wachttoren, in vroegere tijden verward is in de strikken van de dood.
Hij heeft de gevolgen betreurd, de ellende gevoeld door te zijn uitgegleden en gevallen; het staal is in zijn ziel gedrongen; hij is in het huis der gevangenschap in slavernij, in duisternis en dood geweest; door zijn overtredingen is hij „de dwaas” geweest, beschreven in Psalm 107 als „geplaagd om zijn ongerechtigheden”, en hij kan van zijn eigen dwaasheid zeggen: „Ik speel de rol van die dwaze zeeman, die de plank des behouds ziet, maar ze van zich afstoot.” Een kind dat zich gebrand heeft, vreest het vuur; zo ook vreest hij de gevolgen van een ogenblik aan zichzelf overgelaten te zijn; en hoe hoger zijn gerustheid stijgt en hoe duidelijker hij de genade Gods, die hem verlossing aanbrengt, en zijn eigen belang erbij ziet, des te banger is hij om te vallen.
Wanneer zijn ogen wijd openstaan voor de reinheid van God, de gelukzaligheid van Christus en de kracht van Zijn zoenbloed, des te meer ziet hij de snoodheid van de zonde en zijn eigen zwakheid en onbekwaamheid om in eigen kracht aan de verzoeking het hoofd te bieden. En dit alles verenigt zich om in alle ernst uit te roepen: „Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn.”
Wie wijs is merkt die dingen
en geeft verstandig acht
op ’s Heeren handelingen,
zo vol van gunst als macht!
Ps. 107:22
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u bang bent om te vallen. Draagt u de herinnering mee aan vroegere tijden waarin u niet waakte, uitgleedt en de bittere gevolgen moest dragen: duisternis, slavernij en een ziel waarin het staal gedrongen was? Dan begrijpt u dit gebed beter dan wie ook. Een kind dat zich gebrand heeft, vreest het vuur. Die vrees is geen ongeloof; zij is de vrucht van een geweten dat de reinheid van God en de snoodheid van de zonde heeft leren zien.
Laat die vrees u dan niet verlammen, maar tot gebed drijven. U kunt in eigen kracht geen enkele verzoeking het hoofd bieden, en dat hoeft ook niet. Er is een terughoudende hand van de Voorzienigheid en een bewarende genade Gods, en die zijn er juist voor zwakken die het weten. Roep dan met de psalmist, niet één keer maar elke dag opnieuw: „Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn.” Hij Die u zo leert bidden, zal u ook niet aan uzelf overlaten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn.
Psalm 119:117
Wij zijn omringd door strikken; ieder ogenblik liggen er verleidingen voor ons op de weg uitgespreid. Die strikken en verleidingen passen zo goed bij de lusten van het vlees, dat wij er onvermijdelijk in moeten vallen en erin bezwijken zonder de terughoudende hand van de Voorzienigheid of de bewarende genade van God. Dat ziet en voelt de christen. Misschien heeft hij er een treurige ervaring mee achter de rug. Hij heeft gezien hoe hij, doordat hij niet in de vreze van God wandelde, niet voorzichtig was en niet op zijn wachttoren stond, in vroegere tijden verward raakte in de strikken van de dood.
Hij heeft de gevolgen betreurd en de ellende gevoeld van het uitglijden en vallen; het staal is in zijn ziel gedrongen. Hij is in het diensthuis geweest, in slavernij, in duisternis en dood. Door zijn overtredingen is hij „de dwaas” geweest die in Psalm 107 beschreven wordt als „geplaagd om zijn ongerechtigheden”, en hij kan van zijn eigen dwaasheid zeggen: „Ik speel de rol van die dwaze zeeman, die de plank des behouds ziet, maar ze van zich afstoot.” Een kind dat zich gebrand heeft, vreest het vuur. Zo vreest ook hij de gevolgen van ook maar één ogenblik aan zichzelf overgelaten te zijn. En hoe meer zijn zekerheid groeit, en hoe duidelijker hij de genade van God ziet die hem verlossing brengt, en zijn eigen deel daaraan, des te banger is hij om te vallen.
Hoe wijder zijn ogen opengaan voor de reinheid van God, de gelukzaligheid van Christus en de kracht van Zijn zoenbloed, des te meer ziet hij de snoodheid van de zonde en zijn eigen zwakheid en onvermogen om in eigen kracht de verzoeking te weerstaan. En dat alles samen doet hem in alle ernst uitroepen: „Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn.”
Wie wijs is merkt die dingen
en geeft verstandig acht
op ’s Heeren handelingen,
zo vol van gunst als macht!
Ps. 107:22
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u bang bent om te vallen. Draagt u de herinnering mee aan vroegere tijden waarin u niet waakte, uitgleed en de bittere gevolgen moest dragen: duisternis, slavernij en een ziel waarin het staal gedrongen was? Dan begrijpt u dit gebed beter dan wie ook. Een kind dat zich gebrand heeft, vreest het vuur. Die vrees is geen ongeloof; zij is de vrucht van een geweten dat de reinheid van God en de snoodheid van de zonde heeft leren zien.
Laat die vrees u dan niet verlammen, maar tot gebed drijven. U kunt in eigen kracht geen enkele verzoeking weerstaan, en dat hoeft ook niet. Er is een terughoudende hand van de Voorzienigheid en een bewarende genade van God, en die zijn er juist voor zwakken die dat weten. Roep dan met de psalmist, niet één keer maar elke dag opnieuw: „Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn.” Hij Die u zo leert bidden, zal u ook niet aan uzelf overlaten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hold Thou me up, and I shall be safe.
Psalm 119:117
We are surrounded with snares; temptations lie spread every moment in our path. These snares and temptations are so suitable to the lusts of our flesh, that we shall infallibly fall into them, and be overcome by them but for the restraining providence or the preserving grace of God. The Christian sees this; the Christian feels this. He has had, it may be, a bitter experience of the past.
He has seen how, from lack of walking in godly fear, for lack of circumspection and standing upon his watch-tower, he has been entangled in times past in the snares of death. He has regretted the consequences, felt the misery of having slipped and fallen; the iron has entered into his soul; he has been in the prison house, in bondage, in darkness, and death. In consequence of his transgressions he has been “the fool” described in Psalm 107, as “afflicted because of his iniquity.”
As, then, a burnt child dreads the fire, so he dreads the consequence of being left for a moment to himself; and the higher his assurance rises and the clearer his views become of the grace of God which brings salvation, and of his own interest in it, the more is he afraid that he shall fall. If his eyes are more widely opened to see the purity of God, the blessedness of Christ, and the efficacy of atoning blood, the more also does he see of the evil of sin, and his own weakness and inability to stand against temptation in his own strength. And all these feelings combine to raise up the earnest cry, “Hold Thou me up, and I shall be safe.”
To the reader…
There are times when you are afraid of falling. Do you carry with you the memory of earlier days when you did not watch, slipped and had to bear the bitter consequences: darkness, bondage and a soul into which the iron had entered? Then you understand this prayer better than anyone. A burnt child dreads the fire. That fear is not unbelief; it is the fruit of a conscience that has learned to see the purity of God and the evil of sin.
So do not let that fear paralyse you, but drive you to prayer. You cannot withstand a single temptation in your own strength, and you do not have to. There is a restraining hand of providence and a preserving grace of God, and they are there precisely for the weak who know it. Cry, then, with the psalmist, not once but every day afresh: “Hold Thou me up, and I shall be safe.” He Who teaches you to pray like this will not leave you to yourself.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Sostenme, y seré salvo.
Salmo 119:117
Estamos rodeados de lazos; las tentaciones están tendidas en nuestro camino a cada momento. Estos lazos y tentaciones se ajustan tanto a las concupiscencias de nuestra carne, que infaliblemente caeríamos en ellos y seríamos vencidos por ellos, si no fuera por la providencia que refrena o la gracia que preserva de Dios. El cristiano ve esto; el cristiano siente esto. Quizá ha tenido una amarga experiencia en el pasado.
Ha visto cómo, por no andar en temor piadoso, por falta de cautela y de estar sobre su atalaya, en tiempos pasados se enredó en los lazos de la muerte. Ha lamentado las consecuencias, ha sentido la miseria de haber resbalado y caído; el hierro ha entrado en su alma; ha estado en la cárcel, en esclavitud, en tinieblas y en muerte. A causa de sus transgresiones ha sido “el insensato” descrito en el Salmo 107, “afligido a causa de sus maldades”.
Así pues, como el niño quemado teme el fuego, así teme él la consecuencia de ser dejado un momento a sí mismo; y cuanto más se eleva su seguridad y más claras se hacen sus vistas de la gracia de Dios que trae salvación, y de su propia parte en ella, tanto más teme caer. Si sus ojos son abiertos más ampliamente para ver la pureza de Dios, la bienaventuranza de Cristo y la eficacia de la sangre expiatoria, tanto más ve también la maldad del pecado y su propia debilidad e incapacidad para resistir la tentación con sus propias fuerzas. Y todos estos sentimientos se unen para levantar el clamor ferviente: “Sostenme, y seré salvo”.
Al lector…
Hay tiempos en que usted tiene miedo de caer. ¿Lleva consigo el recuerdo de días anteriores en que no veló, resbaló y tuvo que soportar las amargas consecuencias: tinieblas, esclavitud y un alma en la que había entrado el hierro? Entonces entiende esta oración mejor que nadie. El niño quemado teme el fuego. Ese temor no es incredulidad; es el fruto de una conciencia que ha aprendido a ver la pureza de Dios y la maldad del pecado.
No deje, pues, que ese temor le paralice, sino que le lleve a la oración. Usted no puede resistir una sola tentación con sus propias fuerzas, y no tiene por qué hacerlo. Hay una mano de la providencia que refrena y una gracia de Dios que preserva, y están ahí precisamente para los débiles que lo saben. Clame, pues, con el salmista, no una vez sino cada día de nuevo: “Sostenme, y seré salvo”. Aquel que le enseña a orar así no le dejará a usted a sí mismo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De zegen van Jozef
Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein.
Genesis 49:22
Er is een zin uit Gods mond opgetekend door de profeet Hosea, die ons laat zien wat de bron van alle echte vruchtbaarheid is: „Uw vrucht is uit Mij” (niet uit u) „gevonden” (Hosea 14:9). En er is nog een zin opgeschreven door dezelfde geïnspireerde pen, waarin God over Efraïm zegt: „Efraïm brengt weder vrucht voor zich” (Hosea 10:1). Efraïm zelf was de bron van al de ogenschijnlijke vruchten die aan zijn tak groeiden, en aangezien hij vrucht voor zichzelf droeg, verachtte God die en wees die af. Hier worden we gewezen op de verborgen bron van evangelievruchten. „Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein.”
In een oosters klimaat, en zelfs tot op zekere hoogte in ons eigen vochtige klimaat, kunnen bomen, struiken of bloemen niet groeien tenzij ze voortdurend worden bevochtigd. In het Oosten heeft met name de wijnstok een bron die nooit opdroogt nodig om in leven te blijven, hem te doen bloeien en vrucht voort te doen brengen. Derhalve ontsprong Jozefs vruchtbaarheid aan deze bron, dat hij „bij een fontein” geplant was. En wat was deze bron? Wat zei de Heere tegen de Samaritaanse vrouw? „Het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven” (Joh. 4:14).
U weet heel goed dat de werkzaamheden en invloeden van de Heilige Geest in de Heilige Schrift telkens weer worden vergeleken met water. „En op de laatste dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien. En dit zeide Hij van de Geest” (Joh. 7:37-39). En elders: „Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen” (Jes. 44:3).
Lezen: Johannes 4:1-14
Aan de lezer…
Misschien hebt u zich nooit afgevraagd waar uw vruchten vandaan komen. Het is een onderzoekende vraag, want er is een vruchtdragen dat God veracht. „Efraïm brengt weder vrucht voor zich.” Hoeveel ijver, hoeveel godsdienstigheid kan er niet zijn die uit onszelf opkomt en naar onszelf terugkeert! Zulke vrucht moge er schoon uitzien, de Heere wijst haar af.
Maar hoor ook de andere stem: „Uw vrucht is uit Mij gevonden.” Daarin ligt de troost voor een dorre ziel. U hoeft de vrucht niet uit uw eigen hart te persen; u mag geplant staan bij de fontein. De Heere sprak tot de Samaritaanse vrouw van een water dat in de mens wordt een fontein, springende tot in het eeuwige leven, en Hij riep op het feest: „Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.” Bent u dorstig? Dan geldt die nodiging u. Hij giet water op de dorstigen en stromen op het droge.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein.
Genesis 49:22
Er is een zin uit Gods mond die de profeet Hosea heeft opgetekend, en die ons laat zien wat de bron is van alle echte vruchtbaarheid: „Uw vrucht is uit Mij” (niet uit u) „gevonden” (Hosea 14:9). En er is nog een zin, opgeschreven door dezelfde geïnspireerde pen, waarin God over Efraïm zegt: „Efraïm brengt weder vrucht voor zich” (Hosea 10:1). Efraïm zelf was de bron van alle schijnbare vruchten die aan zijn tak groeiden. Omdat hij vrucht voor zichzelf droeg, verachtte God die en wees Hij die af. Hier worden we gewezen op de verborgen bron van de vruchten van het evangelie: „Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein.”
In een oosters klimaat, en tot op zekere hoogte zelfs in ons eigen vochtige klimaat, kunnen bomen, struiken of bloemen niet groeien als ze niet voortdurend bevochtigd worden. Vooral de wijnstok heeft in het Oosten een bron nodig die nooit opdroogt, om in leven te blijven, te bloeien en vrucht voort te brengen. Daarom kwam Jozefs vruchtbaarheid hieruit voort, dat hij „bij een fontein” geplant was. En wat was deze bron? Wat zei de Heere tegen de Samaritaanse vrouw? „Het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven” (Joh. 4:14).
U weet heel goed dat de werkingen en invloeden van de Heilige Geest in de Heilige Schrift telkens weer met water worden vergeleken. „En op de laatste dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien. En dit zeide Hij van de Geest” (Joh. 7:37-39). En elders: „Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen” (Jes. 44:3).
Lezen: Johannes 4:1-14
Aan de lezer…
Misschien hebt u zich nooit afgevraagd waar uw vruchten vandaan komen. Het is een onderzoekende vraag, want er is een vruchtdragen dat God veracht. „Efraïm brengt weder vrucht voor zich.” Hoeveel ijver en hoeveel godsdienstigheid kan er niet zijn die uit onszelf opkomt en naar onszelf terugkeert! Zulke vrucht mag er mooi uitzien, de Heere wijst haar af.
Maar luister ook naar de andere stem: „Uw vrucht is uit Mij gevonden.” Daarin ligt de troost voor een dorre ziel. U hoeft de vrucht niet uit uw eigen hart te persen; u mag geplant staan bij de fontein. De Heere sprak tegen de Samaritaanse vrouw over een water dat in de mens een fontein wordt, springende tot in het eeuwige leven, en Hij riep op het feest: „Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.” Bent u dorstig? Dan geldt die nodiging ook u. Hij giet water op de dorstigen en stromen op het droge.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Joseph is a fruitful bough, even a fruitful bough by a well.
Genesis 49:22
There is a saying from God’s mouth recorded by the prophet Hosea which shows us the source of all true fruitfulness: “From Me” (not from thee) “is thy fruit found” (Hos. 14:8). And there is another saying, written by the same inspired pen, in which God says of Ephraim, “he bringeth forth fruit unto himself” (Hos. 10:1). Ephraim himself was the source of all the apparent fruit that grew on his branch. Because he bore fruit unto himself, God despised and rejected it. Here we are pointed to the hidden source of gospel fruit: “Joseph is a fruitful bough, even a fruitful bough by a well.”
In an Eastern climate, and to some extent even in our own moist climate, trees, shrubs or flowers cannot grow unless they are continually watered. The vine especially needs in the East a spring that never runs dry, to keep it alive, to make it flourish and to bring forth fruit. Joseph’s fruitfulness therefore came from this, that he was planted “by a well.” And what was this well? What did the Lord say to the woman of Samaria? “The water that I shall give him shall be in him a well of water springing up into everlasting life” (John 4:14).
You know very well that the operations and influences of the Holy Ghost are again and again compared to water in the Holy Scriptures. “In the last day, that great day of the feast, Jesus stood and cried, saying, If any man thirst, let him come unto Me, and drink. He that believeth on Me, as the scripture hath said, out of his belly shall flow rivers of living water. (But this spake He of the Spirit)” (John 7:37-39). And elsewhere: “I will pour water upon him that is thirsty, and floods upon the dry ground: I will pour My Spirit upon thy seed, and My blessing upon thine offspring” (Isa. 44:3).
Reading: John 4:1-14
To the reader…
Perhaps you have never asked yourself where your fruits come from. It is a searching question, for there is a fruit-bearing that God despises. Ephraim “bringeth forth fruit unto himself.” How much zeal and how much religiousness there may be that rises out of ourselves and returns to ourselves! Such fruit may look fair, but the Lord rejects it.
But listen also to the other voice: “From Me is thy fruit found.” Therein lies the comfort for a barren soul. You need not press the fruit out of your own heart; you may stand planted by the well. The Lord spoke to the woman of Samaria of a water that becomes in a man a well of water springing up into everlasting life, and He cried at the feast, “If any man thirst, let him come unto Me, and drink.” Are you thirsty? Then that invitation is for you too. He pours water upon him that is thirsty, and floods upon the dry ground.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Ramo fructífero José, ramo fructífero junto a fuente.
Génesis 49:22
Hay un dicho de la boca de Dios registrado por el profeta Oseas que nos muestra la fuente de toda verdadera fecundidad: “De Mí” (no de ti) “será hallado tu fruto” (Os. 14:8). Y hay otro dicho, escrito por la misma pluma inspirada, en el cual Dios dice de Efraín: “haciendo fruto para sí” (Os. 10:1). Efraín mismo era la fuente de todo el fruto aparente que crecía en su rama. Porque llevaba fruto para sí, Dios lo despreció y lo rechazó. Aquí se nos señala la fuente escondida del fruto del evangelio: “Ramo fructífero José, ramo fructífero junto a fuente”.
En un clima oriental, y hasta cierto punto aun en nuestro propio clima húmedo, los árboles, arbustos o flores no pueden crecer a menos que sean regados continuamente. La vid, especialmente, necesita en el Oriente un manantial que nunca se seque, para mantenerla viva, hacerla florecer y producir fruto. La fecundidad de José procedía, pues, de que estaba plantado “junto a fuente”. ¿Y qué era esta fuente? ¿Qué dijo el Señor a la mujer de Samaria? “El agua que Yo le daré, será en él una fuente de agua que salte para vida eterna” (Jn. 4:14).
Usted sabe muy bien que las operaciones e influencias del Espíritu Santo son comparadas una y otra vez al agua en las Santas Escrituras. “Mas en el postrer día grande de la fiesta, Jesús se ponía en pie y clamaba, diciendo: Si alguno tiene sed, venga a Mí y beba. El que cree en Mí, como dice la Escritura, ríos de agua viva correrán de su vientre. (Y esto dijo del Espíritu)” (Jn. 7:37-39). Y en otro lugar: “Porque Yo derramaré aguas sobre el secadal, y ríos sobre la tierra árida: Mi Espíritu derramaré sobre tu generación, y Mi bendición sobre tus renuevos” (Is. 44:3).
Lectura: Juan 4:1-14
Al lector…
Quizá nunca se ha preguntado de dónde vienen sus frutos. Es una pregunta escudriñadora, porque hay un llevar fruto que Dios desprecia. Efraín hacía “fruto para sí”. ¡Cuánto celo y cuánta religiosidad puede haber que nace de nosotros mismos y vuelve a nosotros mismos! Tal fruto puede parecer hermoso, pero el Señor lo rechaza.
Pero escuche también la otra voz: “De Mí será hallado tu fruto”. Ahí está el consuelo para un alma estéril. No necesita exprimir el fruto de su propio corazón; puede estar plantado junto a la fuente. El Señor habló a la mujer de Samaria de un agua que llega a ser en el hombre una fuente de agua que salta para vida eterna, y clamó en la fiesta: “Si alguno tiene sed, venga a Mí y beba”. ¿Tiene usted sed? Entonces esa invitación es también para usted. Él derrama aguas sobre el sediento, y ríos sobre la tierra árida.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Altijd de doding des Heeren Jezus in het lichaam omdragende.
2 Korinthe 4:10
De twee gezichtspunten, indien ik deze uitdrukking moge gebruiken, van onze barmhartige God, en waarin geheel ons geloof en hoop en liefde liggen besloten, zijn een stervende Jezus en een uit de dood herrezen Jezus. Christus in Zijn lijden en dood; Christus in Zijn opstanding en leven. Dit is de Christus Gods; dit is de Zoon van God, in Wie wij geloven ten eeuwigen leven, zoals Hij wordt voorgesteld voor ons oog in de Schrift der waarheid en door de inwendige onderwijzing en het getuigenis van de Heilige Geest. Indien gij dan niet gelooft in een Christus Die gestorven is en opgestaan, dan is uw geloof niet het geloof van een christen.
Zie nu hoe dit juist slaat op onze tekst. Waarom dragen wij de doding des Heeren Jezus in ons? Opdat het leven van Jezus in ons sterfelijk lichaam zou geopenbaard worden. Wanneer wij dan de doding des Heeren Jezus in ons sterfelijk lichaam omdragen, met Christus lijden, met Christus sterven, en door het geloof in het wonder van Zijn kruisiging ingaan, dus als verborgen en geestelijk met Hem gekruisigd worden, dan staan wij om zo te zeggen uit deze dood op en komen wij in vereniging met de verrezen, levende Christus en trekken wij leven en sterkte, genade en kracht uit Zijn heerlijke volheid. Want Hij is opgestaan van de dood.
Hij is niet meer in het graf, waarin Hij gezonken was in al de zwakheid of krachteloosheid van de dood; maar Hij is herrezen en krachtig geopenbaard of bewezen te zijn de Zoon van God. Ja, Hij is opgevaren en zit nu aan de rechterhand Gods in de hoogste hemelen. Hij is ingegaan in het binnenste heiligdom, om Hogepriester te zijn over het huis Gods. Daar ook regeert Hij als Koning over Sion en daar leeft Hij voor eeuwig als ons verheerlijkt en verrezen Hoofd. Als wij dan de doding des Heeren Jezus in het lichaam omdragen, als wij met Hem gekruisigd en Zijn dood gelijkvormig gemaakt zijn, als ook met Hem opstaan, dan is er zelfs in ons lichaam een bewijs van Zijn opstanding.
Aan de lezer…
Kent u iets van die doding des Heeren Jezus in uw eigen leven? Misschien voelt u zich dagelijks gebroken, zwak en als in het stof gelegd, en vraagt u zich af waar toch het leven is. Bedenk dan dat geheel ons geloof, onze hoop en onze liefde besloten liggen in deze twee: een stervende Jezus en een uit de dood herrezen Jezus. Wie met Hem lijdt en met Hem sterft, blijft niet in het graf liggen.
Want Hij is niet meer in het graf, waarin Hij in alle zwakheid gezonken was. Hij is opgestaan en opgevaren, en leeft nu voor eeuwig als het verheerlijkte Hoofd, Hogepriester over het huis Gods en Koning over Sion. Uit Zijn volheid trekt de arme ziel leven en sterkte, genade en kracht. Wanhoop dan niet als u het sterven in uzelf gewaarwordt; het is de weg waarlangs Hij Zijn opstandingsleven in u openbaart. Zie op Hem, en Hij zal het niet bij de dood laten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Altijd de doding des Heeren Jezus in het lichaam omdragende.
2 Korinthe 4:10
De twee gezichtspunten, als ik deze uitdrukking mag gebruiken, van onze barmhartige God, waarin heel ons geloof en onze hoop en liefde besloten liggen, zijn een stervende Jezus en een uit de dood opgestane Jezus. Christus in Zijn lijden en dood; Christus in Zijn opstanding en leven. Dat is de Christus van God; dat is de Zoon van God, in Wie wij geloven tot het eeuwige leven, zoals Hij ons voor ogen gesteld wordt in de Schrift der waarheid en door het innerlijk onderwijs en het getuigenis van de Heilige Geest. Als u dan niet gelooft in een Christus Die gestorven en opgestaan is, dan is uw geloof niet het geloof van een christen.
Zie nu hoe precies dit past bij onze tekst. Waarom dragen wij de doding van de Heere Jezus in ons om? Opdat het leven van Jezus in ons sterfelijk lichaam geopenbaard zou worden. Wanneer wij dan de doding van de Heere Jezus in ons sterfelijk lichaam omdragen, met Christus lijden, met Christus sterven, en door het geloof ingaan in het wonder van Zijn kruisiging, en zo op een verborgen en geestelijke wijze met Hem gekruisigd worden, dan staan wij als het ware uit deze dood op. Dan komen wij in vereniging met de opgestane, levende Christus en putten wij leven en sterkte, genade en kracht uit Zijn heerlijke volheid. Want Hij is opgestaan uit de dood.
Hij is niet meer in het graf, waarin Hij in al de zwakheid of krachteloosheid van de dood was weggezonken, maar Hij is opgestaan en met kracht bewezen de Zoon van God te zijn. Ja, Hij is opgevaren en zit nu aan de rechterhand van God in de hoogste hemelen. Hij is ingegaan in het binnenste heiligdom, om Hogepriester te zijn over het huis van God. Daar regeert Hij ook als Koning over Sion, en daar leeft Hij voor eeuwig als ons verheerlijkt en opgestaan Hoofd. Als wij dan de doding van de Heere Jezus in het lichaam omdragen, als wij met Hem gekruisigd en aan Zijn dood gelijkvormig gemaakt zijn, en ook met Hem opstaan, dan is er zelfs in ons lichaam een bewijs van Zijn opstanding.
Aan de lezer…
Kent u iets van die doding van de Heere Jezus in uw eigen leven? Misschien voelt u zich dagelijks gebroken, zwak en als in het stof gelegd, en vraagt u zich af waar toch het leven is. Bedenk dan dat heel ons geloof, onze hoop en onze liefde besloten liggen in deze twee: een stervende Jezus en een uit de dood opgestane Jezus. Wie met Hem lijdt en met Hem sterft, blijft niet in het graf liggen.
Want Hij is niet meer in het graf, waarin Hij in alle zwakheid was weggezonken. Hij is opgestaan en opgevaren, en leeft nu voor eeuwig als het verheerlijkte Hoofd, Hogepriester over het huis van God en Koning over Sion. Uit Zijn volheid put de arme ziel leven en sterkte, genade en kracht. Wanhoop dan niet als u het sterven in uzelf merkt; het is de weg waarlangs Hij Zijn opstandingsleven in u openbaart. Zie op Hem, en Hij zal het niet bij de dood laten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Always bearing about in the body the dying of the Lord Jesus.
2 Corinthians 4:10
The two aspects, if I may use the expression, of our gracious Lord, in which are wrapped up all our faith, and hope, and love, are a dying Jesus and a risen Jesus—Christ in His sufferings and death, Christ in His resurrection and life. This is the Christ of God, this is the Son of God in Whom we believe unto life eternal, as He is presented to our view in the Scriptures of truth, and by the inward teaching and testimony of the Holy Spirit. If, then, you do not believe in a dying Christ and in a risen Christ, your faith is not the faith of a Christian. Now just see how this bears upon our text.
WHY do we bear about the dying of the Lord Jesus? It is that the life of Jesus might be made manifest in our body. As then we bear about in the body the dying of the Lord Jesus; as we suffer with Christ, die with Christ, and enter by faith into the mystery of His crucifixion so as to be mystically and spiritually crucified with Him, we rise, so to speak, out of this death into union with the risen, living Christ, so as to derive life and strength, grace and power out of His glorious fullness.
For He is risen from the dead—He is no more in the tomb, into which He sank in all the weakness of death; but is risen again, and was thus “declared to be the Son of God with power.” Yes, He has gone up on high, and now sits at the right hand of God in the highest heavens. He is gone within the veil, to be the High Priest over the house of God; there, also, He rules and reigns as King in Zion; and there He ever lives as our glorified and risen Head. As, then, we bear about in the body the dying of the Lord Jesus, as crucified with Him and conformed to His death, so as “risen with Him,” there is even now in our body a manifestation of His risen life.
To the reader…
Do you know something of this dying of the Lord Jesus in your own life? Perhaps you feel broken, weak and laid in the dust day by day, and you wonder where the life can be. Remember, then, that all our faith, our hope and our love are wrapped up in these two: a dying Jesus and a Jesus risen from the dead. Whoever suffers with Him and dies with Him does not remain lying in the grave.
For He is no longer in the tomb into which He sank in all weakness. He is risen and ascended, and now lives for ever as the glorified Head, High Priest over the house of God and King in Zion. Out of His fullness the poor soul draws life and strength, grace and power. Do not despair, then, when you feel the dying in yourself; it is the way by which He manifests His risen life in you. Look to Him, and He will not leave it at death.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Llevando siempre por todas partes la muerte de Jesús en el cuerpo.
2 Corintios 4:10
Los dos aspectos, si se me permite la expresión, de nuestro Señor lleno de gracia, en los cuales está envuelta toda nuestra fe, esperanza y amor, son un Jesús que muere y un Jesús resucitado: Cristo en Sus sufrimientos y Su muerte, Cristo en Su resurrección y Su vida. Este es el Cristo de Dios, este es el Hijo de Dios en quien creemos para vida eterna, tal como se presenta a nuestra vista en las Escrituras de verdad y por la enseñanza y el testimonio interiores del Espíritu Santo. Si, pues, usted no cree en un Cristo que muere y en un Cristo resucitado, su fe no es la fe de un cristiano. Vea ahora cómo se relaciona esto con nuestro texto.
¿POR QUÉ llevamos por todas partes la muerte del Señor Jesús? Para que también la vida de Jesús sea manifestada en nuestro cuerpo. Así pues, a medida que llevamos en el cuerpo la muerte del Señor Jesús; a medida que padecemos con Cristo, morimos con Cristo y entramos por la fe en el misterio de Su crucifixión, de modo que somos crucificados con Él mística y espiritualmente, nos levantamos, por así decirlo, de esta muerte a la unión con el Cristo resucitado y viviente, de modo que recibimos vida y fuerza, gracia y poder de Su gloriosa plenitud.
Porque Él ha resucitado de los muertos; ya no está en el sepulcro, al cual descendió en toda la flaqueza de la muerte, sino que ha resucitado, y así fue “declarado Hijo de Dios con potencia”. Sí, ha subido a lo alto, y ahora está sentado a la diestra de Dios en los más altos cielos. Ha entrado dentro del velo, para ser el Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios; allí también gobierna y reina como Rey en Sion; y allí vive siempre como nuestra Cabeza glorificada y resucitada. Así pues, a medida que llevamos en el cuerpo la muerte del Señor Jesús, como crucificados con Él y conformados a Su muerte, así también, como “resucitados con Él”, hay ya ahora en nuestro cuerpo una manifestación de Su vida de resucitado.
Al lector…
¿Conoce usted algo de esta muerte del Señor Jesús en su propia vida? Quizá se siente quebrantado, débil y puesto en el polvo día tras día, y se pregunta dónde puede estar la vida. Recuerde entonces que toda nuestra fe, nuestra esperanza y nuestro amor están envueltos en estos dos: un Jesús que muere y un Jesús resucitado de los muertos. Quien padece con Él y muere con Él no se queda tendido en el sepulcro.
Porque Él ya no está en el sepulcro al cual descendió en toda flaqueza. Ha resucitado y ascendido, y ahora vive para siempre como la Cabeza glorificada, Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios y Rey en Sion. De Su plenitud el alma pobre saca vida y fuerza, gracia y poder. No desespere, pues, cuando sienta la muerte en sí mismo; es el camino por el cual Él manifiesta en usted Su vida de resucitado. Mire a Él, y no lo dejará en la muerte.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl