24 de enero
Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn.
Psalm 119:117
Wij zijn omringd met strikken; verleidingen liggen ieder ogenblik voor ons op de weg uitgespreid. Die strikken en die verleidingen zijn zo geschikt voor de lusten van het vlees, dat wij er onvermijdelijk in vallen moeten en erin bezwijken zonder de terughoudende hand van de Voorzienigheid, of de bewarende genade Gods. Dit ziet, dit voelt de christen. Hij heeft er wellicht een treurige ervaring van achter zich; hij heeft gezien hoe hij, door niet in de vreze Gods te wandelen, door niet voorzichtig te zijn en niet te staan op zijn wachttoren, in vroegere tijden verward is in de strikken van de dood.
Hij heeft de gevolgen betreurd, de ellende gevoeld door te zijn uitgegleden en gevallen; het staal is in zijn ziel gedrongen; hij is in het huis der gevangenschap in slavernij, in duisternis en dood geweest; door zijn overtredingen is hij „de dwaas” geweest, beschreven in Psalm 107 als „geplaagd om zijn ongerechtigheden”, en hij kan van zijn eigen dwaasheid zeggen: „Ik speel de rol van die dwaze zeeman, die de plank des behouds ziet, maar ze van zich afstoot.” Een kind dat zich gebrand heeft, vreest het vuur; zo ook vreest hij de gevolgen van een ogenblik aan zichzelf overgelaten te zijn; en hoe hoger zijn gerustheid stijgt en hoe duidelijker hij de genade Gods, die hem verlossing aanbrengt, en zijn eigen belang erbij ziet, des te banger is hij om te vallen.
Wanneer zijn ogen wijd openstaan voor de reinheid van God, de gelukzaligheid van Christus en de kracht van Zijn zoenbloed, des te meer ziet hij de snoodheid van de zonde en zijn eigen zwakheid en onbekwaamheid om in eigen kracht aan de verzoeking het hoofd te bieden. En dit alles verenigt zich om in alle ernst uit te roepen: „Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn.”
Wie wijs is merkt die dingen
en geeft verstandig acht
op ’s Heeren handelingen,
zo vol van gunst als macht!
Ps. 107:22
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u bang bent om te vallen. Draagt u de herinnering mee aan vroegere tijden waarin u niet waakte, uitgleedt en de bittere gevolgen moest dragen: duisternis, slavernij en een ziel waarin het staal gedrongen was? Dan begrijpt u dit gebed beter dan wie ook. Een kind dat zich gebrand heeft, vreest het vuur. Die vrees is geen ongeloof; zij is de vrucht van een geweten dat de reinheid van God en de snoodheid van de zonde heeft leren zien.
Laat die vrees u dan niet verlammen, maar tot gebed drijven. U kunt in eigen kracht geen enkele verzoeking het hoofd bieden, en dat hoeft ook niet. Er is een terughoudende hand van de Voorzienigheid en een bewarende genade Gods, en die zijn er juist voor zwakken die het weten. Roep dan met de psalmist, niet één keer maar elke dag opnieuw: „Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn.” Hij Die u zo leert bidden, zal u ook niet aan uzelf overlaten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn.
Psalm 119:117
Wij zijn omringd door strikken; ieder ogenblik liggen er verleidingen voor ons op de weg uitgespreid. Die strikken en verleidingen passen zo goed bij de lusten van het vlees, dat wij er onvermijdelijk in moeten vallen en erin bezwijken zonder de terughoudende hand van de Voorzienigheid of de bewarende genade van God. Dat ziet en voelt de christen. Misschien heeft hij er een treurige ervaring mee achter de rug. Hij heeft gezien hoe hij, doordat hij niet in de vreze van God wandelde, niet voorzichtig was en niet op zijn wachttoren stond, in vroegere tijden verward raakte in de strikken van de dood.
Hij heeft de gevolgen betreurd en de ellende gevoeld van het uitglijden en vallen; het staal is in zijn ziel gedrongen. Hij is in het diensthuis geweest, in slavernij, in duisternis en dood. Door zijn overtredingen is hij „de dwaas” geweest die in Psalm 107 beschreven wordt als „geplaagd om zijn ongerechtigheden”, en hij kan van zijn eigen dwaasheid zeggen: „Ik speel de rol van die dwaze zeeman, die de plank des behouds ziet, maar ze van zich afstoot.” Een kind dat zich gebrand heeft, vreest het vuur. Zo vreest ook hij de gevolgen van ook maar één ogenblik aan zichzelf overgelaten te zijn. En hoe meer zijn zekerheid groeit, en hoe duidelijker hij de genade van God ziet die hem verlossing brengt, en zijn eigen deel daaraan, des te banger is hij om te vallen.
Hoe wijder zijn ogen opengaan voor de reinheid van God, de gelukzaligheid van Christus en de kracht van Zijn zoenbloed, des te meer ziet hij de snoodheid van de zonde en zijn eigen zwakheid en onvermogen om in eigen kracht de verzoeking te weerstaan. En dat alles samen doet hem in alle ernst uitroepen: „Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn.”
Wie wijs is merkt die dingen
en geeft verstandig acht
op ’s Heeren handelingen,
zo vol van gunst als macht!
Ps. 107:22
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u bang bent om te vallen. Draagt u de herinnering mee aan vroegere tijden waarin u niet waakte, uitgleed en de bittere gevolgen moest dragen: duisternis, slavernij en een ziel waarin het staal gedrongen was? Dan begrijpt u dit gebed beter dan wie ook. Een kind dat zich gebrand heeft, vreest het vuur. Die vrees is geen ongeloof; zij is de vrucht van een geweten dat de reinheid van God en de snoodheid van de zonde heeft leren zien.
Laat die vrees u dan niet verlammen, maar tot gebed drijven. U kunt in eigen kracht geen enkele verzoeking weerstaan, en dat hoeft ook niet. Er is een terughoudende hand van de Voorzienigheid en een bewarende genade van God, en die zijn er juist voor zwakken die dat weten. Roep dan met de psalmist, niet één keer maar elke dag opnieuw: „Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn.” Hij Die u zo leert bidden, zal u ook niet aan uzelf overlaten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hold Thou me up, and I shall be safe.
Psalm 119:117
We are surrounded with snares; temptations lie spread every moment in our path. These snares and temptations are so suitable to the lusts of our flesh, that we shall infallibly fall into them, and be overcome by them but for the restraining providence or the preserving grace of God. The Christian sees this; the Christian feels this. He has had, it may be, a bitter experience of the past.
He has seen how, from lack of walking in godly fear, for lack of circumspection and standing upon his watch-tower, he has been entangled in times past in the snares of death. He has regretted the consequences, felt the misery of having slipped and fallen; the iron has entered into his soul; he has been in the prison house, in bondage, in darkness, and death. In consequence of his transgressions he has been “the fool” described in Psalm 107, as “afflicted because of his iniquity.”
As, then, a burnt child dreads the fire, so he dreads the consequence of being left for a moment to himself; and the higher his assurance rises and the clearer his views become of the grace of God which brings salvation, and of his own interest in it, the more is he afraid that he shall fall. If his eyes are more widely opened to see the purity of God, the blessedness of Christ, and the efficacy of atoning blood, the more also does he see of the evil of sin, and his own weakness and inability to stand against temptation in his own strength. And all these feelings combine to raise up the earnest cry, “Hold Thou me up, and I shall be safe.”
To the reader…
There are times when you are afraid of falling. Do you carry with you the memory of earlier days when you did not watch, slipped and had to bear the bitter consequences: darkness, bondage and a soul into which the iron had entered? Then you understand this prayer better than anyone. A burnt child dreads the fire. That fear is not unbelief; it is the fruit of a conscience that has learned to see the purity of God and the evil of sin.
So do not let that fear paralyse you, but drive you to prayer. You cannot withstand a single temptation in your own strength, and you do not have to. There is a restraining hand of providence and a preserving grace of God, and they are there precisely for the weak who know it. Cry, then, with the psalmist, not once but every day afresh: “Hold Thou me up, and I shall be safe.” He Who teaches you to pray like this will not leave you to yourself.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Sostenme, y seré salvo.
Salmo 119:117
Estamos rodeados de lazos; las tentaciones están tendidas en nuestro camino a cada momento. Estos lazos y tentaciones se ajustan tanto a las concupiscencias de nuestra carne, que infaliblemente caeríamos en ellos y seríamos vencidos por ellos, si no fuera por la providencia que refrena o la gracia que preserva de Dios. El cristiano ve esto; el cristiano siente esto. Quizá ha tenido una amarga experiencia en el pasado.
Ha visto cómo, por no andar en temor piadoso, por falta de cautela y de estar sobre su atalaya, en tiempos pasados se enredó en los lazos de la muerte. Ha lamentado las consecuencias, ha sentido la miseria de haber resbalado y caído; el hierro ha entrado en su alma; ha estado en la cárcel, en esclavitud, en tinieblas y en muerte. A causa de sus transgresiones ha sido “el insensato” descrito en el Salmo 107, “afligido a causa de sus maldades”.
Así pues, como el niño quemado teme el fuego, así teme él la consecuencia de ser dejado un momento a sí mismo; y cuanto más se eleva su seguridad y más claras se hacen sus vistas de la gracia de Dios que trae salvación, y de su propia parte en ella, tanto más teme caer. Si sus ojos son abiertos más ampliamente para ver la pureza de Dios, la bienaventuranza de Cristo y la eficacia de la sangre expiatoria, tanto más ve también la maldad del pecado y su propia debilidad e incapacidad para resistir la tentación con sus propias fuerzas. Y todos estos sentimientos se unen para levantar el clamor ferviente: “Sostenme, y seré salvo”.
Al lector…
Hay tiempos en que usted tiene miedo de caer. ¿Lleva consigo el recuerdo de días anteriores en que no veló, resbaló y tuvo que soportar las amargas consecuencias: tinieblas, esclavitud y un alma en la que había entrado el hierro? Entonces entiende esta oración mejor que nadie. El niño quemado teme el fuego. Ese temor no es incredulidad; es el fruto de una conciencia que ha aprendido a ver la pureza de Dios y la maldad del pecado.
No deje, pues, que ese temor le paralice, sino que le lleve a la oración. Usted no puede resistir una sola tentación con sus propias fuerzas, y no tiene por qué hacerlo. Hay una mano de la providencia que refrena y una gracia de Dios que preserva, y están ahí precisamente para los débiles que lo saben. Clame, pues, con el salmista, no una vez sino cada día de nuevo: “Sostenme, y seré salvo”. Aquel que le enseña a orar así no le dejará a usted a sí mismo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl