6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Zo wandelt in vreze de tijd uwer inwoning.
1 Petrus 1:17
Ons leven hier op aarde is slechts een damp. Wij zijn slechts pelgrims en vreemdelingen op deze aardbol, bijwoners zonder vaste woonstede, en de wereld doortrekkende als niet ons tehuis en rustplaats. Daarom vermaant de apostel ons de tijd onzer aardse reis, hetzij lang of kort, onder de invloed en in de beoefening van de vreze Gods door te brengen. Wij zijn omringd van vijanden die als het ware allen naar ons leven staan; daarom worden we vermaand met de grootste behoedzaamheid voort te gaan, wetende hoe spoedig wij kunnen uitglijden en vallen, en zo ons eigen geweten kwetsen, onze vrienden smarten, onze vijanden verheugen en over onszelf een wolk van donkerheid brengen, die lang over onze zielen kan zweven.
Ons leven hier beneden is geen leven van gemak en rust, maar een zwerftocht, een strijd, een wedloop, een worstelen, niet met vlees en bloed alleen, maar met overheden en machten en geestelijke boosheden in de lucht. Wij hebben onszelf meer te vrezen dan iets of iemand anders, en ons vlees als onze grootste vijand te beschouwen. Die vrees is geen slaafse vrees, geen vrees voor de wet, zoals die waarvan Johannes spreekt en waarvan hij zegt dat „zij pijn heeft”, maar die heilige en kinderlijke vreze Gods, welke de eerste vrucht en het merkteken is van bondgenoten, en „een fontein des levens, om aan de strikken des doods te ontwijken.” Hoe noodzakelijk is het dan de tijd onzer inwoning hier door te brengen in de beoefening dezer eerbiedige vreze Gods! En dat niemand denke dat deze kinderlijke vrees onbestaanbaar is met het geloof in zijn hoogste kracht, of met de liefde in haar zoetste genot!
Al zie ik zelfs een leger mij omringen,
nog vrees ik niet, ’k verlaat mij op de Heer.
Al wil men mij ook door een oorlog dwingen,
’k leg mij gerust hierop vertrouwend neer.
Deez’ ene zaak heb ik begeerd van God,
daar zoek ik naar, dit zij mijn zalig lot:
dat ik, zolang mij ’t levenslicht bescheen,
in ’s Heeren huis mocht wonen hier beneên.
Ps. 27:2
Aan de lezer…
Vandaag wordt u eraan herinnerd dat u hier maar een vreemdeling bent, en dat uw leven is als een damp. Weet u dat, en leeft u er ook naar? Het pad is smal en de vijanden zijn vele, maar de grootste vijand draagt u in uw eigen boezem. Hoe snel kan een voet uitglijden, en hoe lang kan daarna een wolk van donkerheid over de ziel blijven hangen.
Daarom wordt u niet een slaafse angst aangeprezen, maar die heilige en kinderlijke vreze Gods, die een fontein des levens is om de strikken des doods te ontwijken. Zij staat het geloof niet in de weg en zij maakt de liefde niet koud; zij is juist het merkteken van wie de Heere toebehoren. Vraag dan dat Hij die vreze in u levend houdt, dag aan dag, opdat u behoedzaam gaat, uw geweten niet kwetst en uw vrienden geen smart aandoet. Wandel zo de tijd uwer inwoning, totdat u thuis bent.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zo wandelt in vreze de tijd uwer inwoning.
1 Petrus 1:17
Ons leven hier op aarde is maar een damp. Wij zijn slechts pelgrims en vreemdelingen op deze aarde, bijwoners zonder vaste woonplaats, die door de wereld trekken als door een plaats die niet ons thuis en onze rustplaats is. Daarom vermaant de apostel ons om de tijd van onze aardse reis, of die nu lang of kort is, door te brengen onder de invloed en in de beoefening van de vreze Gods. Wij zijn omringd door vijanden die het als het ware allemaal op ons leven gemunt hebben. Daarom worden wij vermaand om met de grootste behoedzaamheid verder te gaan. Wij weten immers hoe snel wij kunnen uitglijden en vallen, en zo ons eigen geweten kwetsen, onze vrienden verdriet doen, onze vijanden verheugen en over onszelf een wolk van duisternis brengen die lang over onze ziel kan blijven hangen.
Ons leven hier beneden is geen leven van gemak en rust, maar een zwerftocht, een strijd, een wedloop, een worsteling, niet alleen met vlees en bloed, maar met overheden en machten en geestelijke boosheden in de lucht. Wij moeten onszelf meer vrezen dan wat of wie ook, en ons vlees als onze grootste vijand beschouwen. Die vrees is geen slaafse vrees, geen vrees voor de wet, zoals die waarover Johannes spreekt en waarvan hij zegt dat „zij pijn heeft”. Het is die heilige en kinderlijke vreze Gods die de eerste vrucht en het kenmerk is van de bondgenoten, en „een fontein des levens, om aan de strikken des doods te ontwijken.” Hoe noodzakelijk is het dan om de tijd van onze inwoning hier door te brengen in de beoefening van deze eerbiedige vreze Gods! En laat niemand denken dat deze kinderlijke vrees niet samengaat met het geloof in zijn hoogste kracht, of met de liefde in haar zoetste genieten!
Al zie ik zelfs een leger mij omringen,
nog vrees ik niet, ’k verlaat mij op de Heer.
Al wil men mij ook door een oorlog dwingen,
’k leg mij gerust hierop vertrouwend neer.
Deez’ ene zaak heb ik begeerd van God,
daar zoek ik naar, dit zij mijn zalig lot:
dat ik, zolang mij ’t levenslicht bescheen,
in ’s Heeren huis mocht wonen hier beneên.
Ps. 27:2
Aan de lezer…
Vandaag wordt u eraan herinnerd dat u hier maar een vreemdeling bent, en dat uw leven is als een damp. Weet u dat, en leeft u er ook naar? Het pad is smal en de vijanden zijn talrijk, maar de grootste vijand draagt u in uw eigen hart. Hoe snel kan een voet uitglijden, en hoe lang kan daarna een wolk van duisternis over de ziel blijven hangen.
Daarom wordt u geen slaafse angst aangeprezen, maar die heilige en kinderlijke vreze Gods, die een fontein des levens is om de strikken des doods te ontwijken. Zij staat het geloof niet in de weg en zij maakt de liefde niet koud; zij is juist het kenmerk van wie de Heere toebehoren. Vraag dan of Hij die vreze dag aan dag in u levend houdt, zodat u behoedzaam gaat, uw geweten niet kwetst en uw vrienden geen verdriet doet. Wandel zo de tijd van uw inwoning, totdat u thuis bent.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Pass the time of your sojourning here in fear.
1 Peter 1:17
Our life here is but a vapor. We are but pilgrims and strangers on this earthly ball, mere sojourners, without fixed or settled habitation, and passing through this world as not our home or resting-place. The Apostle, therefore, bids us pass this time, whether long or short, of our earthly sojourn, under the influence and in the exercise of godly fear. We are surrounded with enemies, all seeking, as it were, our life, and therefore we are called upon to move with great caution, knowing how soon we may slip and fall, and thus wound our own consciences, grieve our friends, gratify our enemies, and bring upon ourselves a cloud of darkness which may long hover over our souls.
Our life here below is not one of ease and quiet, but a warfare, a conflict, a race, a wrestling not with flesh and blood alone, but with principalities and powers and spiritual wickedness in high places. We have to dread OURSELVES more than anything or anybody else, and to view our flesh as our greatest enemy. This fear is not a slavish, legal fear, such as that which John speaks of, and of which he says that “it has torment,” but that holy, godly, and filial fear which is the first fruit and mark of covenant grace, and is “a fountain of life, to depart from the snares of death.” How needful, then, is it to pass the time of our sojourning here in the exercise of this godly, reverential fear! And let no one think that this filial fear is inconsistent with faith even in its highest risings, or with love in its sweetest enjoyments.
To the reader…
Today you are reminded that you are only a stranger here, and that your life is as a vapour. Do you know that, and do you also live by it? The path is narrow and the enemies are many, but the greatest enemy you carry in your own heart. How quickly a foot can slip, and how long a cloud of darkness can then hang over the soul.
That is why it is not a slavish fear that is commended to you, but that holy and childlike fear of God which is a fountain of life, to depart from the snares of death. It does not stand in the way of faith and it does not make love cold; it is in fact the mark of those who belong to the Lord. So ask Him to keep that fear alive in you day by day, so that you walk carefully, do not wound your conscience and do not grieve your friends. Pass the time of your sojourning in this way, until you are home.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Conversad en temor todo el tiempo de vuestra peregrinación.
1 Pedro 1:17
Nuestra vida aquí no es más que un vapor. No somos sino peregrinos y extranjeros sobre este globo terrenal, meros transeúntes, sin morada fija ni establecida, y pasamos por este mundo como por algo que no es nuestro hogar ni nuestro lugar de reposo. Por eso el apóstol nos manda pasar este tiempo, sea largo o corto, de nuestra peregrinación terrenal bajo la influencia y en el ejercicio del temor piadoso. Estamos rodeados de enemigos que, por así decirlo, buscan todos nuestra vida, y por eso estamos llamados a andar con gran cautela, sabiendo cuán pronto podemos resbalar y caer, y así herir nuestra propia conciencia, entristecer a nuestros amigos, complacer a nuestros enemigos y traer sobre nosotros una nube de tinieblas que puede cernirse largo tiempo sobre nuestras almas.
Nuestra vida aquí abajo no es de comodidad y quietud, sino una milicia, un conflicto, una carrera, una lucha no solo contra sangre y carne, sino contra principados y potestades y malicias espirituales en los aires. Tenemos que temer a NOSOTROS MISMOS más que a cualquier cosa o persona, y considerar nuestra carne como nuestro mayor enemigo. Este temor no es un temor servil y legal, como aquel del que habla Juan y del cual dice que “tiene pena”, sino aquel temor santo, piadoso y filial que es el primer fruto y la señal de la gracia del pacto, y es “manantial de vida, para apartarse de los lazos de la muerte”. ¡Cuán necesario es, pues, pasar el tiempo de nuestra peregrinación aquí en el ejercicio de este temor piadoso y reverente! Y nadie piense que este temor filial es incompatible con la fe aun en sus más altos vuelos, o con el amor en sus más dulces goces.
Al lector…
Hoy se le recuerda que aquí usted no es más que un extranjero, y que su vida es como un vapor. ¿Lo sabe, y vive también de acuerdo con ello? El camino es estrecho y los enemigos son muchos, pero el mayor enemigo lo lleva en su propio corazón. Cuán pronto puede resbalar un pie, y cuánto tiempo puede luego cernirse una nube de tinieblas sobre el alma.
Por eso no se le recomienda un temor servil, sino aquel temor de Dios santo y filial que es manantial de vida, para apartarse de los lazos de la muerte. No estorba a la fe ni enfría el amor; es más bien la señal de los que pertenecen al Señor. Pídale, pues, que mantenga vivo ese temor en usted día tras día, para que ande con cuidado, no hiera su conciencia y no entristezca a sus amigos. Pase así el tiempo de su peregrinación, hasta que esté en casa.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Vervolgen de Heere te kennen
Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen om de Heere te kennen. Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen, en als de vroege regen des lands.
Hosea 6:3
De natuur en al het werk van de natuur, en de macht van de Satan die op de menselijke natuur werkt, proberen de mens terug te voeren, maar het werk van de Geest in de ziel is er om hem voorwaarts te leiden, hem levend te houden in de vreze Gods, hem van tijd tot tijd met kracht te versterken in zijn innerlijk, om hem de ruimte te geven, om in hem de hoop op te wekken, om de innerlijke genade mee te delen en de lenden des verstands op te schorten, zodat hij, ondanks verstand, natuur en verwachting, gedwongen is om te „vervolgen”. Soms schijnt hij gedreven te worden, dan weer getrokken; nu eens geleid, dan weer gedragen, maar op de een of andere wijze werkt God de Heilige Geest zo in hem, dat hij, hoewel hij misschien nauwelijks weet hoe, steeds vervolgt om de Heere te kennen.
Zelfs zijn lasten laten hem zuchten om verlossing; zijn moeiten en de oneffenheden van de weg laten hem de behoefte voelen om stap voor stap gedragen te worden. De verwarringen van het pad dringen hem te roepen om een machtige Leidsman. Zo werkt de Heere, de Heilige Geest, zelfs te midden van, onder en door elke moeilijkheid en alles wat moedeloos maakt. Hij leidt hem erdoor en ondersteunt hem van kracht tot kracht. Zo wordt hij door elke beproeving, benauwdheid en hindernis gebracht, totdat hij voor de Heere in heerlijkheid gesteld wordt.
Lezen: Hosea 13
Aan de lezer…
Kent u dat? U voelt soms meer van de trek terug dan van de drang voorwaarts. Natuur, verstand en de vijand werken allen samen om u stil te doen staan of terug te doen keren, en misschien weet u nauwelijks hoe het komt dat u nog niet hebt opgegeven. Maar dat u nog zucht, nog roept, nog uitziet, is geen werk van uzelf. Het is de Heilige Geest Die u, gedreven of getrokken, geleid of gedragen, doet vervolgen om de Heere te kennen.
Wees daarom niet bevreesd voor de lasten en de oneffenheden van de weg. Juist die laten u voelen dat u stap voor stap gedragen moet worden, en dringen u te roepen om een machtige Leidsman. Hij gebruikt elke moeite en elke moedeloosheid om u nader te brengen. Die u tot hiertoe van kracht tot kracht heeft gevoerd, zal u niet halverwege laten liggen, maar u eens voor Zijn aangezicht in heerlijkheid stellen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen om de Heere te kennen. Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen, en als de vroege regen des lands.
Hosea 6:3
De natuur en al wat de natuur werkt, en de macht van de satan die op de menselijke natuur inwerkt, proberen de mens terug te drijven. Maar het werk van de Geest in de ziel is erop gericht hem voorwaarts te leiden. Hij houdt hem levend in de vreze Gods, versterkt hem van tijd tot tijd met kracht naar de innerlijke mens, geeft hem ruimte, wekt de hoop in hem op, deelt hem innerlijke genade mee en omgordt de lendenen van zijn verstand. Zo wordt hij, tegen verstand, natuur en verwachting in, gedrongen om te „vervolgen”. Soms lijkt hij gedreven te worden, dan weer getrokken; nu eens geleid, dan weer gedragen. Maar op de een of andere wijze werkt God de Heilige Geest zo in hem, dat hij, hoewel hij misschien nauwelijks weet hoe, steeds vervolgt om de Heere te kennen.
Zelfs zijn lasten doen hem zuchten om verlossing; zijn moeiten en de oneffenheden van de weg doen hem voelen dat hij stap voor stap gedragen moet worden. De verwarringen op het pad dringen hem om te roepen om een machtige Leidsman. Zo werkt de Heere, de Heilige Geest, zelfs te midden van, onder en door elke moeilijkheid en alles wat moedeloos maakt. Hij leidt hem erdoor en ondersteunt hem, zodat hij van kracht tot kracht gaat. Zo wordt hij door elke beproeving, benauwdheid en hindernis heen gebracht, totdat hij voor de Heere in heerlijkheid gesteld wordt.
Lezen: Hosea 13
Aan de lezer…
Kent u dat? U voelt soms meer van de trek terug dan van de drang voorwaarts. Natuur, verstand en de vijand werken allemaal samen om u stil te laten staan of terug te laten keren, en misschien weet u nauwelijks hoe het komt dat u nog niet hebt opgegeven. Maar dat u nog zucht, nog roept, nog uitziet, is geen werk van uzelf. Het is de Heilige Geest Die u, gedreven of getrokken, geleid of gedragen, doet vervolgen om de Heere te kennen.
Wees daarom niet bevreesd voor de lasten en de oneffenheden van de weg. Juist die laten u voelen dat u stap voor stap gedragen moet worden, en dringen u om te roepen om een machtige Leidsman. Hij gebruikt elke moeite en elke moedeloosheid om u nader te brengen. Hij Die u tot hiertoe van kracht tot kracht heeft geleid, zal u niet halverwege laten liggen, maar u eens voor Zijn aangezicht in heerlijkheid stellen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Then shall we know, if we follow on to know the LORD: His going forth is prepared as the morning; and He shall come unto us as the rain, as the latter and former rain unto the earth.
Hosea 6:3
Nature and all that nature works, and the power of Satan working upon human nature, seek to drive a man back. But the work of the Spirit in the soul is to lead him forward. He keeps him alive in the fear of God, strengthens him from time to time with might in the inner man, gives him liberty, raises up hope in him, communicates inward grace to him and girds up the loins of his mind. Thus, against reason, nature and expectation, he is pressed on to “follow on.” Sometimes he seems to be driven, then again drawn; now led, then again carried. But in one way or another God the Holy Ghost so works in him that, though he may scarcely know how, he still follows on to know the Lord.
Even his burdens make him sigh for deliverance; his troubles and the roughness of the road make him feel that he must be carried step by step. The perplexities of the path press him to cry for a mighty Guide. So the Lord the Holy Ghost works even in the midst of, under and through every difficulty and every discouragement. He leads him through and upholds him, so that he goes from strength to strength. Thus he is brought through every trial, distress and hindrance, until he appears before the Lord in glory.
Reading: Hosea 13
To the reader…
Do you know this? You sometimes feel more of the pull backward than of the pressing forward. Nature, reason and the enemy all work together to make you stand still or turn back, and perhaps you scarcely know how it is that you have not yet given up. But that you still sigh, still cry, still look out, is no work of your own. It is the Holy Ghost Who, whether driven or drawn, led or carried, makes you follow on to know the Lord.
Do not be afraid, then, of the burdens and the roughness of the road. It is just these that make you feel you must be carried step by step, and press you to cry for a mighty Guide. He uses every trouble and every discouragement to bring you nearer. He Who has led you thus far from strength to strength will not leave you lying halfway, but will one day set you before His face in glory.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y conoceremos, y proseguiremos en conocer a Jehová: como el alba está aparejada Su salida, y vendrá a nosotros como la lluvia, como la lluvia tardía y temprana a la tierra.
Oseas 6:3
La naturaleza y todo lo que la naturaleza obra, y el poder de Satanás obrando sobre la naturaleza humana, procuran hacer retroceder al hombre. Pero la obra del Espíritu en el alma es llevarle hacia adelante. Él le mantiene vivo en el temor de Dios, le fortalece de tiempo en tiempo con poder en el hombre interior, le da libertad, despierta en él la esperanza, le comunica gracia interior y ciñe los lomos de su entendimiento. Así, contra la razón, la naturaleza y lo que cabría esperar, es impulsado a “proseguir”. A veces parece ser empujado, otras veces atraído; ora conducido, ora llevado en brazos. Pero de un modo u otro Dios el Espíritu Santo obra de tal manera en él que, aunque apenas sepa cómo, sigue prosiguiendo en conocer al Señor.
Aun sus cargas le hacen suspirar por liberación; sus aflicciones y la aspereza del camino le hacen sentir que debe ser llevado paso a paso. Las perplejidades de la senda le impulsan a clamar por un Guía poderoso. Así obra el Señor el Espíritu Santo aun en medio de, bajo y a través de toda dificultad y todo desaliento. Le conduce a través de ellos y le sostiene, de modo que va de poder en poder. Así es llevado a través de toda prueba, angustia y obstáculo, hasta que se presenta delante del Señor en la gloria.
Lectura: Oseas 13
Al lector…
¿Conoce usted esto? A veces siente más el tirón hacia atrás que el impulso hacia adelante. La naturaleza, la razón y el enemigo obran juntos para hacerle detenerse o volverse atrás, y quizá apenas sabe cómo es que todavía no se ha rendido. Pero que usted todavía suspire, todavía clame, todavía mire a lo alto, no es obra suya. Es el Espíritu Santo quien, empujado o atraído, conducido o llevado en brazos, le hace proseguir en conocer al Señor.
No tema, pues, las cargas ni la aspereza del camino. Precisamente ellas le hacen sentir que debe ser llevado paso a paso, y le impulsan a clamar por un Guía poderoso. Él usa toda aflicción y todo desaliento para acercarle más. Aquel que le ha conducido hasta aquí de poder en poder no le dejará tendido a medio camino, sino que un día le pondrá delante de Su rostro en la gloria.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Een vriend heeft te allen tijde lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.
Spreuken 17:17
Indien ik de uitdrukking mag gebruiken, hebben wij niet een dode, maar een levende Jezus nodig; niet één die afwezig, maar Die bij ons tegenwoordig is; niet één van vroeger, maar van nu; wij hebben een Vriend nodig aan de rechterhand Gods, nu op dit ogenblik. Een alwetende, alomtegenwoordige, almachtige en toch barmhartige en liefhebbende Middelaar tussen God en ons; een tussentredende Hogepriester, Borg en Voorspraak in onze natuur in het hof des hemels, Die barmhartigheid en medelijden met ons op aarde hebben kan.
Wiens hart bestaat uit tederheid;
Wiens ziele smelt van liefde.
Onze noden doen ons dit gevoelen. Onze zonden en smarten veroorzaken ons gedurig boodschappen te doen aan de troon der genade. Dit dal der tranen is te allen tijde voor ons aangezicht, en doornen en distelen schieten er voortdurend in op, die ons vlees verscheuren en vaneen rijten. Wij hebben een ware Vriend nodig.
Zijt gij niet eens een keer, toen gij vermoeid op uw bed laagt, heen en weer geslingerd in uw gedachten, zodat gij bijna uitriept: „Och, dat ik een vriend had!” Gij kunt wrede slagen ontvangen hebben van een vriend die gij als een oprechte vriend beschouwdet, en gij zijt vreselijk bedrogen. Gij gevoelt het nu dat gij niet iemand hebt die nota van u neemt of u liefde toedraagt en die gij kunt wederliefhebben. En uw hart zucht om een vriend die inderdaad een vriend voor u zijn moge. De weduwe, de wees, en die alleen staat op de wereld, de verlatene, zij allen gevoelen het diepe en scherpe gemis van een vriend.
Maar als genade uw hart heeft aangeraakt, gevoelt gij dat, ofschoon alle mensen u zouden verlaten, er een Vriend van zondaren is, een Broeder, in de benauwdheid geboren, een Vriend Die te allen tijde liefheeft, Die u niet begeven noch verlaten zal. Maar deze Vriend moeten wij als almachtig kennen, want zonder deze eigenschap zijn wij in ons geval er niet mede gebaat. Hij moet een Goddelijke Vriend zijn. Want wie, behalve God, kan ons bezoeken, waar wij ook zijn? Welk oog, behalve het Goddelijk oog, kan onze gedachten lezen? En welke hand, behalve de Goddelijke, kan zich ter onzer verlossing uitstrekken? En welk oor, dan alleen het Goddelijk oor, kan onze smekingen horen?
Zo is de Godheid van Christus geen droge, onvruchtbare beschouwing, niet slechts een waarheid die in de Bijbel staat, maar een ondervinding, krachtig gewerkt in de binnenste ziel van de gelovige. Gelukkige ziel! Gelukkige tijd, wanneer gij met de kerk zeggen kunt: „Zulk Eén is mijn Liefste, en zulk Eén is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem!” (Hooglied 5:16).
Zo onderwijzen de noden der ziel ons onwillekeurig dat een vriend, om een vriend te zijn, een hemelse Vriend zijn moet; dat Zijn hart en hand Goddelijk moeten zijn, zullen deze voor ons geschikt zijn. Deze Vriend, Wiens bitterste naspraak op aarde was dat Hij een Vriend van tollenaren en zondaren was, is der ziele hoogste heerlijkheid in de hemel, is de gezegende Jezus, onze grote Hogepriester in het hof des hemels. Wij ondervinden bij ogenblikken dat Hij zeer barmhartig, zeer medelijdend en zeer genadig is. En ik ben ervan overtuigd dat wij het mededogen van Zijn liefhebbend hart nodig hebben, want wij verkeren gedurig in die toestand, dat niets dan Zijn dierbare genade ons kan bevredigen, niets dan Zijn rijke, oneindige genade ons in ons geval kan helpen.
Aan de lezer…
Hebt u ook weleens vermoeid op uw bed gelegen, lezer, heen en weer geslingerd in uw gedachten, en bijna uitgeroepen: „Och, dat ik een vriend had”? Misschien bent u bedrogen door iemand die u als een oprechte vriend beschouwdet, of staat u alleen in de wereld en voelt u het scherpe gemis van iemand die u kent en liefheeft. Die eenzaamheid is diep, en zij wordt niet weggepraat.
Maar er is een Vriend van zondaren, een Broeder Die in de benauwdheid geboren wordt, en Die te allen tijde liefheeft. Hij is geen dode Jezus van vroeger, maar een levende Middelaar aan de rechterhand Gods, nu, op dit ogenblik. Zijn oog leest uw gedachten, Zijn oor hoort uw zuchten, Zijn hand kan zich tot uw verlossing uitstrekken. En Zijn hart bestaat uit tederheid. Gaat dan met uw noden tot de troon der genade; niets dan Zijn rijke genade kan u helpen, maar die genade is genoeg.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Een vriend heeft te allen tijde lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.
Spreuken 17:17
Als ik het zo mag zeggen: wij hebben niet een dode, maar een levende Jezus nodig; niet Een Die afwezig is, maar Die bij ons tegenwoordig is; niet Een van vroeger, maar van nu. Wij hebben een Vriend nodig aan de rechterhand van God, nu, op dit ogenblik. Een alwetende, alomtegenwoordige, almachtige en toch barmhartige en liefhebbende Middelaar tussen God en ons; een voorbiddende Hogepriester, Borg en Voorspraak in onze natuur in het hof van de hemel, Die barmhartigheid en medelijden met ons op aarde kan hebben.
Wiens hart bestaat uit tederheid;
Wiens ziele smelt van liefde.
Onze noden doen ons dat voelen. Onze zonden en smarten doen ons voortdurend met onze boodschappen naar de troon der genade gaan. Dit dal van tranen ligt altijd voor ons, en er schieten voortdurend doornen en distels in op, die ons vlees verscheuren en openrijten. Wij hebben een ware Vriend nodig.
Hebt u niet ooit vermoeid op uw bed gelegen, heen en weer geslingerd in uw gedachten, zodat u bijna uitriep: „Och, dat ik een vriend had!”? U hebt misschien wrede slagen ontvangen van iemand die u als een oprechte vriend beschouwde, en u bent vreselijk bedrogen. U voelt nu dat u niemand hebt die naar u omziet of u liefde toedraagt, en die u op uw beurt kunt liefhebben. En uw hart zucht naar een vriend die werkelijk een vriend voor u kan zijn. De weduwe, de wees, wie alleen staat in de wereld, de verlatene: zij allen voelen het diepe en scherpe gemis van een vriend.
Maar als de genade uw hart heeft aangeraakt, voelt u dat er, ook al zouden alle mensen u verlaten, een Vriend van zondaren is, een Broeder Die in de benauwdheid geboren is, een Vriend Die te allen tijde liefheeft, Die u niet begeven en niet verlaten zal. Maar deze Vriend moeten wij als almachtig kennen, want zonder die eigenschap zijn wij er in onze situatie niet mee geholpen. Hij moet een Goddelijke Vriend zijn. Want wie anders dan God kan ons bezoeken, waar wij ook zijn? Welk oog, behalve het Goddelijke oog, kan onze gedachten lezen? Welke hand, behalve de Goddelijke, kan zich uitstrekken om ons te verlossen? En welk oor, behalve het Goddelijke oor, kan onze smekingen horen?
Zo is de Godheid van Christus geen droge, onvruchtbare beschouwing, niet alleen een waarheid die in de Bijbel staat, maar een ervaring die krachtig in het binnenste van de ziel van de gelovige gewerkt wordt. Gelukkige ziel! Gelukkige tijd, wanneer u met de kerk kunt zeggen: „Zulk Eén is mijn Liefste, en zulk Eén is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem!” (Hooglied 5:16).
Zo leren de noden van de ziel ons vanzelf dat een vriend, om werkelijk een vriend te zijn, een hemelse Vriend moet zijn; Zijn hart en hand moeten Goddelijk zijn, willen zij voor ons geschikt zijn. Deze Vriend, Die op aarde het bitterst werd nagegeven dat Hij een Vriend van tollenaren en zondaren was, is in de hemel de hoogste heerlijkheid van de ziel: het is de gezegende Jezus, onze grote Hogepriester in het hof van de hemel. Wij ervaren op sommige ogenblikken dat Hij zeer barmhartig, zeer medelijdend en zeer genadig is. En ik ben ervan overtuigd dat wij het mededogen van Zijn liefhebbend hart nodig hebben. Want wij verkeren voortdurend in een toestand waarin niets dan Zijn dierbare genade ons kan voldoen, en niets dan Zijn rijke, oneindige genade ons in onze situatie kan helpen.
Aan de lezer…
Hebt u ook weleens vermoeid op uw bed gelegen, heen en weer geslingerd in uw gedachten, en bijna uitgeroepen: „Och, dat ik een vriend had”? Misschien bent u bedrogen door iemand die u als een oprechte vriend beschouwde, of staat u alleen in de wereld en voelt u het scherpe gemis van iemand die u kent en liefheeft. Die eenzaamheid is diep, en zij wordt niet weggepraat.
Maar er is een Vriend van zondaren, een Broeder Die in de benauwdheid geboren wordt en Die te allen tijde liefheeft. Hij is geen dode Jezus van vroeger, maar een levende Middelaar aan de rechterhand van God, nu, op dit ogenblik. Zijn oog leest uw gedachten, Zijn oor hoort uw zuchten, Zijn hand kan zich uitstrekken om u te verlossen. En Zijn hart bestaat uit tederheid. Ga dan met uw noden naar de troon der genade; niets dan Zijn rijke genade kan u helpen, maar die genade is genoeg.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“A friend loveth at all times, and a brother is born for adversity.”
Proverbs 17:17
If I may use the expression, we do not need a dead, but a living Jesus; not an absent, but a present Jesus; not a once, but a now Jesus; we need a friend at the right hand of God at the present moment; an omniscient, omnipresent, omnipotent and yet pitiful and loving Mediator between God and us; an interceding High Priest, Surety, and Representative in our nature in the courts of heaven, Who can show mercy and compassion to us now upon earth—“Whose heart is made of tenderness, Whose affections melt with love.”
Our needs make us feel this. Our sins and sorrows give us perpetual errands to the throne. This valley of tears is ever before our eyes, and thorns and briars are perpetually springing up in it, that rend and tear our flesh. We need a real friend. Have you not sometimes tossed to and fro upon your weary couch, and almost cried aloud, “O that I had a friend!” You may have received cruel blows from one whom you regarded as a real friend; but you have been cruelly deceived.
You feel now you have no one to take care of you or love you, and whom you can love again; and your heart sighs for a friend who shall be a friend indeed. The widow, the orphan, the friendless, the deserted one, all keenly and deeply feel this. But if grace has touched your heart, you feel that though all men forsake you, there is the Friend of sinners, a Brother born for adversity, a Friend Who loves at all times, Who will never leave or forsake you.
But we need this Friend to be almighty, for no other can suit our case—He must be a divine Friend. For who but God can see us wherever we are? What but a divine eye can read our thoughts? What but a divine ear can hear our petitions? And what but a divine hand can stretch itself forth and deliver? Thus the Deity of Christ is no dry, barren speculation, no mere Bible truth, but an experience wrought powerfully into a believer’s inmost soul. Happy soul! happy season! when you can say with the Church, “This is my Beloved, and this is my Friend, O daughters of Jerusalem” (Song Sol. 5:16).
Thus the very needs of the soul instinctively teach us that a friend, to be a friend, must be a heavenly friend; that His heart and hand must be divine, or they are not the heart and hand for us. This Friend, Whose bitterest reproach on earth that He “was the Friend of sinners,” is His highest glory in heaven, is the blessed Jesus, our great High Priest in the courts above. We find Him at times to be very merciful, very pitiful, and very compassionate. And I am sure that we need all the compassion of His loving breast; for we are continually in states of mind when nothing but His pure mercy can suit, when nothing but His rich and boundless compassion is adapted to our case.
To the reader…
Have you too ever lain wearily on your bed, tossed to and fro in your thoughts, and almost cried out, “O that I had a friend”? Perhaps you have been deceived by someone you regarded as a true friend, or you stand alone in the world and feel keenly the lack of someone who knows and loves you. That loneliness is deep, and it cannot be talked away.
But there is a Friend of sinners, a Brother born for adversity, Who loves at all times. He is no dead Jesus of long ago, but a living Mediator at the right hand of God, now, at this very moment. His eye reads your thoughts, His ear hears your sighs, His hand can stretch itself forth to deliver you. And His heart is made of tenderness. Go, then, with your needs to the throne of grace; nothing but His rich grace can help you, but that grace is enough.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
En todo tiempo ama el amigo; y el hermano para la angustia es nacido.
Proverbios 17:17
Si se me permite la expresión, no necesitamos un Jesús muerto, sino un Jesús vivo; no un Jesús ausente, sino un Jesús presente; no un Jesús de una vez, sino un Jesús de ahora; necesitamos un amigo a la diestra de Dios en el momento presente; un Mediador entre Dios y nosotros omnisciente, omnipresente, omnipotente y, sin embargo, compasivo y amoroso; un Sumo Sacerdote intercesor, Fiador y Representante en nuestra naturaleza en los atrios del cielo, que pueda mostrarnos misericordia y compasión ahora sobre la tierra: “Cuyo corazón está hecho de ternura, cuyos afectos se derriten de amor.”
Nuestras necesidades nos hacen sentir esto. Nuestros pecados y tristezas nos dan continuos recados al trono. Este valle de lágrimas está siempre delante de nuestros ojos, y en él brotan continuamente espinas y abrojos que desgarran y rasgan nuestra carne. Necesitamos un amigo verdadero. ¿No se ha revuelto usted a veces de un lado a otro en su lecho cansado, y casi ha clamado en voz alta: “¡Oh, si tuviera un amigo!”? Quizá haya recibido golpes crueles de alguien a quien tenía por amigo verdadero; pero ha sido cruelmente engañado.
Ahora siente que no tiene a nadie que cuide de usted o que le ame, y a quien pueda amar a su vez; y su corazón suspira por un amigo que sea de veras un amigo. La viuda, el huérfano, el que no tiene amigos, el abandonado, todos sienten esto aguda y profundamente. Pero si la gracia ha tocado su corazón, usted siente que, aunque todos los hombres le abandonen, está el Amigo de los pecadores, un Hermano nacido para la angustia, un Amigo que ama en todo tiempo, que nunca le dejará ni le desamparará.
Pero necesitamos que este Amigo sea todopoderoso, porque ningún otro puede convenir a nuestro caso: tiene que ser un Amigo divino. Porque ¿quién sino Dios puede vernos dondequiera que estemos? ¿Qué sino un ojo divino puede leer nuestros pensamientos? ¿Qué sino un oído divino puede oír nuestras peticiones? ¿Y qué sino una mano divina puede extenderse y librar? Así, la Deidad de Cristo no es una especulación seca y estéril, no es una mera verdad bíblica, sino una experiencia obrada con poder en lo más íntimo del alma del creyente. ¡Alma dichosa! ¡Tiempo dichoso! cuando usted puede decir con la Iglesia: “Tal es mi Amado, tal es mi Amigo, oh doncellas de Jerusalén” (Cantares 5:16).
Así, las mismas necesidades del alma nos enseñan instintivamente que un amigo, para ser amigo, tiene que ser un amigo celestial; que Su corazón y Su mano tienen que ser divinos, o no son el corazón ni la mano que nos convienen. Este Amigo, cuyo más amargo reproche en la tierra, que Él “era Amigo de pecadores”, es Su más alta gloria en el cielo, es el bendito Jesús, nuestro gran Sumo Sacerdote en los atrios de arriba. Lo hallamos a veces muy misericordioso, muy compasivo y muy lleno de piedad. Y estoy seguro de que necesitamos toda la compasión de Su pecho amoroso; porque continuamente estamos en estados de ánimo en los que nada sino Su pura misericordia puede convenir, en los que nada sino Su rica e ilimitada compasión se adapta a nuestro caso.
Al lector…
¿También usted ha estado alguna vez acostado, cansado, en su cama, revolviéndose de un lado a otro en sus pensamientos, y casi ha clamado: “¡Oh, si tuviera un amigo!”? Quizá ha sido engañado por alguien a quien tenía por amigo verdadero, o está solo en el mundo y siente agudamente la falta de alguien que le conozca y le ame. Esa soledad es profunda, y no se puede quitar con palabras.
Pero hay un Amigo de pecadores, un Hermano nacido para la angustia, que ama en todo tiempo. No es un Jesús muerto de hace mucho tiempo, sino un Mediador vivo a la diestra de Dios, ahora, en este mismo momento. Su ojo lee sus pensamientos, Su oído oye sus suspiros, Su mano puede extenderse para librarle. Y Su corazón está hecho de ternura. Vaya, pues, con sus necesidades al trono de la gracia; nada sino Su rica gracia puede ayudarle, pero esa gracia basta.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl