gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Het koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht.
1 Korinthe 4:20
Het is door het Woord Gods in de hand des Geestes dat dit koninkrijk in de ziel is opgericht. Al Gods volk komt hierin overeen, dat zij niet meer godsvrucht hebben dan innerlijke kracht. En het gehele levende huisgezin zucht, elk naar zijn mate en bekwaamheden, naar de openbaring dier Goddelijke kracht in hun ziel. Zij die onder de wet zijn en zwoegen onder hun zware last, zuchten naar verlossing, en om door die verlossing tot Goddelijke kracht te komen — een kracht die al hun zonden zal werpen in de diepte der zee. Zij die, geproefd hebbende dat de Heere goed is, hun eerste liefde hebben verloren, drukken al zuchtende hun inwendig verlangen uit naar kracht, om hun zielen weder levend te maken.
Zij die omringd zijn van sterke verzoekingen, en worstelen, ofschoon dikwijls tevergeefs, met vuile lusten, roepen om kracht, ten einde hun voeten te verlossen uit de strik des vogelvangers. Zij die hard zijn, hebben behoefte aan kracht om zachter te worden; zij die twijfelen en vrezen, hebben kracht nodig om hun geloof te geven; de afgedwaalde heeft kracht nodig om terug te keren, en de wegzinkenden om te zwemmen. Door kracht versta ik iets vasts, wezenlijks, hemels, Goddelijks.
Hoe kunnen wij de kracht van een stoommachine bepalen? Wij zeggen: zij heeft zoveel paardekrachten. Maar wie zou het in de zin komen een stoommachine te maken van tweehonderd paardekrachten om stokken door te breken en strohalmen op te lezen? Wij meten de kracht af naar haar uitwerking. De ene is geëvenredigd naar de andere. De Heilige Geest nu, de God van alle kracht en macht, zou Zijn krachtige en weldadige hand niet uitsteken om in de ziel stokken te breken en strohalmen te lezen.
Neen, Zijn werk is een Gode waardig werk: een „werk van geloof met kracht”, omdat het voortkomt uit een God van macht. De God van Israël is geen Baäl, die slaapt en wakker moet gemaakt worden, of op reis is en dus te ver verwijderd om te komen wanneer het nodig is, maar een Hulp, Die in tijd van nood tegenwoordig is om te helpen. Door die geheime macht worden valse verwachtingen weggevaagd, verrotte steunsels verwijderd en eigengerechtigheid vernietigd, en de ziel wordt geholpen en in staat gesteld op de Heere te steunen.
Deze kracht is geen gedruis of geraas, maar de stille, zachte stem van Jezus in de ziel. Het volk van God heeft geen uitwendige stem nodig, maar zij zoeken naar die verborgen stem van het verzoenend bloed in hun consciëntie, dat betere dingen spreekt dan Abel. Het inwendig gefluister van de hemelse liefde, dat in hun ziel weerklinkt — niet de aardbeving van de verschrikking, niet het vuur van de Goddelijke toorn, maar de stille, zachte stem van vergeving en vrede — doet hen zich voor de Heere buigen en hun aangezicht met hun mantel bewinden. De koningin van Engeland behoeft in haar paleis niet luid te roepen om haar bevelen uitgevoerd te krijgen. Waar het woord des konings is, daar is macht, hetzij van een aardse vorst, hetzij van de Koning Sions. Wij begeren daarom geen gedruis, gewoel en opwinding, geen razen en tieren over de godsdienst; maar wij begeren inwendig gevoel, het koninkrijk Gods zelf in het hart opgericht.
Psalm 111:4
Aan de lezer…
Herkent u dit? De ernstige vraag of uw godsdienst in woorden bestaat, of dat u iets van kracht kent, want het koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden. Maar misschien zucht u juist, omdat u zo weinig kracht in uzelf vindt. Bent u hard, en wilt u zacht worden? Twijfelt en vreest u? Bent u afgedwaald, of voelt u dat u wegzinkt? Dan staat u niet buiten dit levende huisgezin, maar zucht u met al Gods volk mee naar de openbaring van die Goddelijke kracht.
De God van Israël is geen Baäl, die slaapt of op reis is. Hij is een Hulp, Die in tijd van nood tegenwoordig is. Zijn werk is een Gode waardig werk, en Hij steekt Zijn hand niet uit voor strohalmen. Laat Hem dan uw valse verwachtingen wegvagen en uw verrotte steunsels wegnemen. Het doet pijn als eigen gerechtigheid wordt vernietigd, maar zo leert de ziel op de Heere te steunen, en die steun bezwijkt nooit.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Het koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht.
1 Korinthe 4:20
Het is door het Woord van God in de hand van de Geest dat dit koninkrijk in de ziel is opgericht. Heel Gods volk stemt hierin overeen, dat zij niet meer godsvrucht hebben dan innerlijke kracht. En het hele levende huisgezin zucht, ieder naar zijn mate en vermogen, om de openbaring van die Goddelijke kracht in hun ziel. Zij die onder de wet zijn en zwoegen onder hun zware last, zuchten om verlossing, en om door die verlossing Goddelijke kracht te ontvangen: een kracht die al hun zonden in de diepte van de zee zal werpen. Zij die geproefd hebben dat de Heere goed is, maar hun eerste liefde verloren hebben, geven al zuchtend uiting aan hun innerlijk verlangen naar kracht om hun ziel weer levend te maken.
Zij die omringd zijn door sterke verzoekingen en worstelen met vuile begeerten, ook al is het vaak tevergeefs, roepen om kracht om hun voeten te bevrijden uit de strik van de vogelvanger. Zij die hard zijn, hebben kracht nodig om zachter te worden. Zij die twijfelen en vrezen, hebben kracht nodig om geloof te krijgen. De afgedwaalde heeft kracht nodig om terug te keren, en wie wegzinkt om te zwemmen. Onder kracht versta ik iets vasts, wezenlijks, hemels, Goddelijks.
Hoe kunnen wij de kracht van een stoommachine bepalen? Wij zeggen: zij heeft zoveel paardenkrachten. Maar wie zou het in zijn hoofd halen een stoommachine van tweehonderd paardenkrachten te bouwen om stokken te breken en strohalmen op te rapen? Wij meten de kracht af aan haar uitwerking. Het ene staat in verhouding tot het andere. Zo zou ook de Heilige Geest, de God van alle kracht en macht, Zijn krachtige en weldadige hand niet uitsteken om in de ziel stokken te breken en strohalmen op te rapen.
Nee, Zijn werk is een werk dat God waardig is: een „werk van geloof met kracht”, omdat het voortkomt uit een God van macht. De God van Israël is geen Baäl die slaapt en gewekt moet worden, of die op reis is en dus te ver weg om te komen wanneer het nodig is. Hij is een Hulp Die in tijd van nood aanwezig is om te helpen. Door die verborgen macht worden valse verwachtingen weggevaagd, verrotte steunsels weggenomen en eigengerechtigheid vernietigd, en wordt de ziel geholpen en in staat gesteld op de Heere te steunen.
Deze kracht is geen lawaai of geschreeuw, maar de stille, zachte stem van Jezus in de ziel. Gods volk heeft geen uitwendige stem nodig. Zij zoeken naar die verborgen stem van het verzoenende bloed in hun geweten, dat betere dingen spreekt dan het bloed van Abel. Het innerlijke fluisteren van de hemelse liefde dat in hun ziel klinkt — niet de aardbeving van de verschrikking, niet het vuur van Gods toorn, maar de stille, zachte stem van vergeving en vrede — doet hen zich voor de Heere buigen en hun gezicht in hun mantel hullen. De koningin van Engeland hoeft in haar paleis niet luid te roepen om haar bevelen uitgevoerd te krijgen. Waar het woord van een koning is, daar is macht, of het nu van een aardse vorst komt of van de Koning van Sion. Daarom verlangen wij geen lawaai, drukte en opwinding, geen geraas en getier over het geloof. Wij verlangen naar innerlijk gevoel: het koninkrijk van God zelf, opgericht in het hart.
Psalm 111:4
Aan de lezer…
Herkent u dit? De ernstige vraag of uw godsdienst in woorden bestaat, of dat u iets van kracht kent, want het koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden. Maar misschien zucht u juist omdat u zo weinig kracht in uzelf vindt. Bent u hard, en wilt u zacht worden? Twijfelt en vreest u? Bent u afgedwaald, of voelt u dat u wegzinkt? Dan staat u niet buiten dit levende huisgezin, maar zucht u met heel Gods volk mee om de openbaring van die Goddelijke kracht.
De God van Israël is geen Baäl die slaapt of op reis is. Hij is een Hulp Die in tijd van nood aanwezig is. Zijn werk is een werk dat God waardig is, en Hij steekt Zijn hand niet uit voor strohalmen. Laat Hem dan uw valse verwachtingen wegvagen en uw verrotte steunsels wegnemen. Het doet pijn als eigen gerechtigheid wordt vernietigd, maar zo leert de ziel op de Heere te steunen, en die steun bezwijkt nooit.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For the kingdom of God is not in word, but in power.
1 Corinthians 4:20
It is through the Word of God in the hands of the Spirit, that this kingdom is set up in the soul. All God’s people are agreed on this point, that they have no more religion than they have inward power. And all the living family are sighing, each according to his measure and season, after the manifestation of this divine power in their souls. Those that are under the law, and toiling under heavy burdens, are sighing after relief, and for that relief to come in divine power—power that shall cast all their sins into the depth of the sea.
Those who having tasted that the Lord is gracious have lost their first love, are at times breathing out their inmost desire after power to revive their souls. Those who are beset with powerful temptations, and struggling, often ineffectually, with base lusts, are crying after power to deliver their feet from the fowler’s snares. Those who are hard, need power to soften; those who are doubting and fearing, need power to give them faith; the backsliding need power to return, and the sinking need power to swim.
By power I understand something solid, real, substantial, heavenly, supernatural. How do we measure the capabilities of a steam engine? We say that it has so many horse-power. But who in his senses would construct a steam engine of two hundred horse-power to break sticks and pick up straws? We measure power by its effects. We proportion the one to the other. Now the Holy Spirit, the God of all power and might, would not put forth His mighty and efficacious hand to break sticks and pick up straws in the soul. No. His work is worthy of a God; a “work of faith with power,” because springing from a God of power.
The God of Israel is not a Baal that is sleeping and needs to be awakened, or gone a journey and therefore too far off to come when needed, but “a very present help in time of trouble.” By this secret power false hopes are swept away, rotten props removed, creature righteousness brought to an end, and the soul is helped and enabled to lean upon the Lord. This power is not noise and rant; but the still, small voice of Jesus in the soul.
The people of God need no outward voice, but they are seeking after that secret voice of atoning blood in their conscience, that speaks better things than the blood of Abel. The inward whisper of heavenly love sounding in their soul—not the earthquake of terror, not the fire of divine wrath, but the still, small voice of pardon and peace—makes them bow themselves before the Lord, and wrap their faces in their mantle. The Queen of England need not shout aloud in her palace, to give her commands effect. Where the word of a king is, there is power, whether from an earthly monarch or from the King of Zion. We therefore desire no noise, bustle, and excitement, no raving and ranting about religion; but we desire inward feeling, the very kingdom of God set up in the heart.
To the reader…
Do you recognise this? The earnest question whether your religion consists in words, or whether you know something of power, for the kingdom of God is not in word. But perhaps you sigh precisely because you find so little power in yourself. Are you hard, and do you long to be softened? Are you doubting and fearing? Have you gone astray, or do you feel yourself sinking? Then you do not stand outside this living family, but you sigh together with all God’s people for the manifestation of that divine power.
The God of Israel is not a Baal that is asleep or gone on a journey. He is a very present help in time of trouble. His work is a work worthy of God, and He does not put forth His hand to pick up straws. Let Him, then, sweep away your false hopes and remove your rotten props. It hurts when self-righteousness is brought to an end, but so the soul learns to lean upon the Lord, and that support never fails.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque el reino de Dios no consiste en palabras, sino en virtud.
1 Corintios 4:20
Es por medio de la Palabra de Dios en las manos del Espíritu como este reino se establece en el alma. Todo el pueblo de Dios está de acuerdo en este punto: que no tiene más religión que el poder interior que posee. Y toda la familia viviente suspira, cada uno según su medida y su tiempo, por la manifestación de este poder divino en su alma. Los que están bajo la ley y se afanan bajo pesadas cargas suspiran por alivio, y por que ese alivio venga con poder divino, un poder que eche todos sus pecados en lo profundo del mar.
Los que, habiendo gustado que el Señor es benigno, han perdido su primer amor, a veces exhalan su más íntimo deseo de un poder que avive su alma. Los que están acosados por tentaciones poderosas y luchan, a menudo sin éxito, contra bajas concupiscencias, claman por un poder que libre sus pies de los lazos del cazador. Los que están endurecidos necesitan poder que los ablande; los que dudan y temen necesitan poder que les dé fe; los descarriados necesitan poder para volver, y los que se hunden necesitan poder para mantenerse a flote.
Por poder entiendo algo sólido, real, sustancial, celestial, sobrenatural. ¿Cómo medimos la capacidad de una máquina de vapor? Decimos que tiene tantos caballos de fuerza. Pero ¿quién en su sano juicio construiría una máquina de vapor de doscientos caballos de fuerza para romper palitos y recoger pajas? Medimos el poder por sus efectos. Proporcionamos lo uno a lo otro. Pues bien, el Espíritu Santo, el Dios de todo poder y fortaleza, no extendería Su mano poderosa y eficaz para romper palitos y recoger pajas en el alma. No. Su obra es digna de un Dios; una “obra de fe con potencia”, porque brota de un Dios de poder.
El Dios de Israel no es un Baal que duerme y hay que despertarlo, o que se ha ido de viaje y por eso está demasiado lejos para venir cuando se le necesita, sino “nuestro pronto auxilio en las tribulaciones”. Por este poder secreto son barridas las falsas esperanzas, quitados los apoyos podridos, puesto fin a la justicia de la criatura, y el alma es ayudada y capacitada para apoyarse en el Señor. Este poder no es ruido ni palabrería exaltada, sino el silbo apacible y delicado de Jesús en el alma.
El pueblo de Dios no necesita ninguna voz exterior, sino que busca esa voz secreta de la sangre expiatoria en su conciencia, que habla mejor que la de Abel. El susurro interior del amor celestial que resuena en su alma, no el terremoto del terror, no el fuego de la ira divina, sino el silbo apacible y delicado del perdón y de la paz, les hace inclinarse ante el Señor y cubrir su rostro con su manto. La reina de Inglaterra no necesita gritar en su palacio para que sus órdenes se cumplan. Donde está la palabra del rey, allí está la potestad, ya sea de un monarca terrenal o del Rey de Sion. Por eso no deseamos ruido, bullicio ni agitación, ni desvaríos ni palabrería exaltada acerca de la religión; sino que deseamos un sentir interior, el mismo reino de Dios establecido en el corazón.
Al lector…
¿Reconoce usted esto? La pregunta seria de si su religión consiste en palabras, o si conoce algo del poder, porque el reino de Dios no consiste en palabras. Pero quizá suspira precisamente porque halla tan poco poder en sí mismo. ¿Está endurecido y anhela ser ablandado? ¿Duda y teme? ¿Se ha descarriado, o se siente hundir? Entonces no está fuera de esta familia viviente, sino que suspira junto con todo el pueblo de Dios por la manifestación de ese poder divino.
El Dios de Israel no es un Baal que duerme o que se ha ido de viaje. Él es nuestro pronto auxilio en las tribulaciones. Su obra es digna de Dios, y Él no extiende Su mano para recoger pajas. Déjele, pues, barrer sus falsas esperanzas y quitar sus apoyos podridos. Duele cuando se pone fin a la propia justicia, pero así aprende el alma a apoyarse en el Señor, y ese apoyo nunca falla.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De treurigen Sions vertroost
Om de treurigen Sions te beschikken, dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwde geest.
Jesaja 61:3
Toen God in Zijn oneindige wijsheid Zijn geliefde Zoon aanstelde om allen die treuren te troosten, stelde Hij Iemand aan Die in staat was het werk te doen; niet alleen Iemand Wiens hart en genegenheden erbij betrokken waren, niet alleen Iemand Die ertoe bereid was, maar Iemand Die sterk was om het te kunnen doen, omdat Hij in Zijn schitterende Persoon de oneindige sterkte en kracht van de Godheid bezat. Daarom zei de Heere: „Ik heb hulp besteld bij een held; Ik heb een Verkorene uit het volk verhoogd” (Ps. 89:20). Hij kwam op het door God bepaalde tijdstip, en de Heilige Geest rustte onbeperkt op Hem en zalfde Hem om deze blijde boodschap te brengen: „om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening der gevangenis” (Jes. 61:1). Zowel Zijn aanstelling voor de taak als de vervulling ervan komen beide uit de genade.
Het schepsel heeft hierin geen aandeel, noch heb ik een enkel woord gelezen over hun verdienste of hun goede werken. Ze treuren weliswaar, maar God ziet geen verdienste in tranen, noch in treuren, noch in lijden, noch in smart. Als hun ogen een fontein van tranen waren, zou deze geen enkele zonde kunnen afwassen. Als de Heere dus op deze treurigen met medelijden neerkijkt, is dit geheel uit Zijn genade. Zijn ogen zijn gericht op hun beproevingen, en Zijn hart leeft mee met hun verzoekingen, want Hijzelf werd in de dagen van Zijn vlees op soortgelijke wijze verzocht, en Hij voelt met hen mee in hun bezoekingen, want ook Hij was een „Man van smarten en verzocht in krankheid” (Jes. 53:3).
Maar niet alleen heeft Hij medelijden. Medelijden zonder hulp is zinloos. Derhalve helpt Hij en leeft Hij mee. Aldus geeft Hij hun sieraad voor as. We hebben hen in de as zien zitten, treurend om hun zonden en smarten, bittere dingen over zichzelf schrijvend, omdat ze weinig anders dan ellende en dood vanbinnen en vanbuiten zien. Hij komt dan en spreekt door Zijn gezegende Geest een woord van vergeving of vrede tot hun hart en geweten.
Als dit woord met Goddelijke kracht in hun ziel komt, verdwijnt de as; dat wil zeggen, het verwijdert het gevoel van verderf en ellende dat ze koesteren, neemt hun droefenis en smart weg en doet hun gezicht stralen. Zo geeft Hij hun schoonheid, maar wiens schoonheid? Niet die van henzelf, maar die van Hem. Maar hoe kan Hij hun Zijn schoonheid geven; kan die worden overgedragen? Ja, door hun een blik op Hemzelf te schenken, naar de belofte: „Uw ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid” (Jes. 33:17). Als hun ogen de Koning in Zijn schoonheid zien, als ze een glimp van Zijn schitterende aangezicht opvangen, dan weerkaatst die schoonheid van Zijn gezicht op het hunne.
Lezen: Psalm 89:1-25
Aan de lezer…
Deze woorden gelden de treurigen Sions; maar zoekt u in uw tranen nog iets van verdienste? Denkt u soms dat uw treuren u wat dichter bij God brengt, of dat de Heere u eerder zal aanzien als u maar genoeg berouw voelt? Ach, al waren uw ogen een fontein van tranen, zij konden geen enkele zonde afwassen. Maar laat dat u niet ontmoedigen. Juist omdat er in u niets te vinden is, is alles wat de Heere aan treurigen doet geheel uit Zijn genade.
Hij is een Held, sterk om te helpen, en een Man van smarten, Die weet hoe het u te moede is. Hij heeft niet alleen medelijden, maar Hij helpt ook. Eén woord van vergeving of vrede door Zijn Geest, en de as verdwijnt. Hij geeft u dan geen schoonheid van uzelf, maar van Hem. Vraag Hem daarom niet in de eerste plaats om betere gevoelens, maar om een blik op Hemzelf. Wie de Koning in Zijn schoonheid ziet, op diens gelaat weerkaatst iets van Zijn glans.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Om de treurigen Sions te beschikken, dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwde geest.
Jesaja 61:3
Toen God in Zijn oneindige wijsheid Zijn geliefde Zoon aanstelde om allen die treuren te troosten, stelde Hij Iemand aan Die in staat was het werk te doen. Niet alleen Iemand Wiens hart en genegenheden erbij betrokken waren, niet alleen Iemand Die ertoe bereid was, maar Iemand Die sterk genoeg was om het te kunnen doen, omdat Hij in Zijn heerlijke Persoon de oneindige sterkte en kracht van de Godheid bezat. Daarom zei de Heere: „Ik heb hulp besteld bij een held; Ik heb een Verkorene uit het volk verhoogd” (Ps. 89:20). Hij kwam op de door God bepaalde tijd, en de Heilige Geest rustte zonder mate op Hem en zalfde Hem om deze blijde boodschap te brengen: „om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening der gevangenis” (Jes. 61:1). Zowel Zijn aanstelling tot deze taak als de vervulling ervan komen geheel uit genade voort.
Het schepsel heeft hierin geen aandeel, en ik heb geen enkel woord gelezen over hun verdienste of hun goede werken. Ze treuren weliswaar, maar God ziet geen verdienste in tranen, niet in treuren, niet in lijden en niet in smart. Al waren hun ogen een fontein van tranen, die zou geen enkele zonde kunnen afwassen. Als de Heere dus met medelijden op deze treurigen neerziet, is dat geheel uit Zijn genade. Zijn ogen zijn gericht op hun beproevingen en Zijn hart leeft mee met hun verzoekingen, want Hij Zelf werd in de dagen van Zijn vlees op dezelfde wijze verzocht. Hij voelt met hen mee in hun bezoekingen, want ook Hij was een „Man van smarten en verzocht in krankheid” (Jes. 53:3).
Maar Hij heeft niet alleen medelijden. Medelijden zonder hulp heeft geen zin. Daarom helpt Hij, en leeft Hij ook mee. Zo geeft Hij hun sieraad voor as. We hebben hen in de as zien zitten, treurend over hun zonden en smarten, bittere dingen over zichzelf schrijvend, omdat ze van binnen en van buiten weinig anders zien dan ellende en dood. Dan komt Hij en spreekt door Zijn gezegende Geest een woord van vergeving of vrede tot hun hart en geweten.
Als dit woord met goddelijke kracht in hun ziel komt, verdwijnt de as. Dat wil zeggen: het neemt het gevoel van verderf en ellende weg dat hen vervult, het neemt hun droefheid en smart weg en doet hun gezicht stralen. Zo geeft Hij hun schoonheid, maar wiens schoonheid? Niet die van henzelf, maar die van Hem. Maar hoe kan Hij hun Zijn schoonheid geven? Kan die worden overgedragen? Ja, door hun een blik op Hemzelf te schenken, volgens de belofte: „Uw ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid” (Jes. 33:17). Als hun ogen de Koning in Zijn schoonheid zien, als ze een glimp van Zijn heerlijk aangezicht opvangen, dan straalt de schoonheid van Zijn gezicht terug op het hunne.
Lezen: Psalm 89:1-25
Aan de lezer…
Deze woorden gelden de treurigen Sions, maar zoekt u in uw tranen nog iets van verdienste? Denkt u soms dat uw treuren u wat dichter bij God brengt, of dat de Heere eerder naar u zal omzien als u maar genoeg berouw voelt? Ach, al waren uw ogen een fontein van tranen, ze konden geen enkele zonde afwassen. Maar laat dat u niet ontmoedigen. Juist omdat er in u niets te vinden is, is alles wat de Heere aan treurigen doet geheel uit Zijn genade.
Hij is een Held, sterk om te helpen, en een Man van smarten, Die weet hoe het u te moede is. Hij heeft niet alleen medelijden, maar Hij helpt ook. Eén woord van vergeving of vrede door Zijn Geest, en de as verdwijnt. Hij geeft u dan geen schoonheid van uzelf, maar van Hem. Vraag Hem daarom niet in de eerste plaats om betere gevoelens, maar om een blik op Hemzelf. Wie de Koning in Zijn schoonheid ziet, op diens gezicht straalt iets van Zijn glans terug.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
To appoint unto them that mourn in Zion, to give unto them beauty for ashes, the oil of joy for mourning, the garment of praise for the spirit of heaviness.
Isaiah 61:3
When God in His infinite wisdom appointed His beloved Son to comfort all that mourn, He appointed One Who was able to do the work. Not only One Whose heart and affections were engaged in it, not only One Who was willing to do it, but One Who was strong enough to accomplish it, because in His glorious Person He possessed the infinite strength and power of the Godhead. Therefore the Lord said, “I have laid help upon One that is mighty; I have exalted One chosen out of the people” (Ps. 89:19). He came at the appointed time, and the Holy Ghost rested upon Him without measure and anointed Him to bring these glad tidings: “to bind up the brokenhearted, to proclaim liberty to the captives, and the opening of the prison to them that are bound” (Isa. 61:1). Both His appointment to this work and the fulfilment of it spring wholly from grace.
The creature has no share in this, and I have not read a single word about their merit or their good works. They mourn indeed, but God sees no merit in tears, none in mourning, none in suffering and none in sorrow. Though their eyes were a fountain of tears, they could not wash away a single sin. When the Lord, then, looks down with compassion upon these mourners, it is wholly of His grace. His eyes are upon their trials and His heart feels for their temptations, for He Himself in the days of His flesh was tempted in like manner. He sympathises with them in their afflictions, for He too was “a Man of sorrows, and acquainted with grief” (Isa. 53:3).
But He does not only pity. Pity without help is of no avail. Therefore He helps, as well as sympathises. So He gives them beauty for ashes. We have seen them sitting in the ashes, mourning over their sins and sorrows, writing bitter things against themselves, because within and without they see little else than misery and death. Then He comes and by His blessed Spirit speaks a word of pardon or peace to their heart and conscience.
When this word comes with divine power into their soul, the ashes disappear. That is to say, it takes away the sense of ruin and misery that fills them, it takes away their grief and sorrow and makes their faces shine. So He gives them beauty, but whose beauty? Not their own, but His. But how can He give them His beauty? Can it be transferred? Yes, by granting them a view of Himself, according to the promise, “Thine eyes shall see the King in His beauty” (Isa. 33:17). When their eyes see the King in His beauty, when they catch a glimpse of His glorious face, then the beauty of His countenance shines back upon theirs.
Reading: Psalm 89:1-24
To the reader…
These words concern the mourners in Zion, but are you still looking for some merit in your tears? Do you sometimes think that your mourning brings you a little nearer to God, or that the Lord will look upon you sooner if only you feel enough repentance? Ah, though your eyes were a fountain of tears, they could not wash away a single sin. But do not let that discourage you. Just because nothing is to be found in you, all that the Lord does for mourners is wholly of His grace.
He is a Mighty One, strong to help, and a Man of sorrows, Who knows how it is with you. He does not only pity, but He helps as well. One word of pardon or peace by His Spirit, and the ashes disappear. He then gives you no beauty of your own, but His. So do not ask Him first of all for better feelings, but for a view of Himself. Whoever sees the King in His beauty finds something of His brightness shining back upon his own face.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
A ordenar a Sion a los enlutados, para darles gloria en lugar de ceniza, óleo de gozo en lugar de luto, manto de alegría en lugar del espíritu angustiado.
Isaías 61:3
Cuando Dios, en Su infinita sabiduría, señaló a Su amado Hijo para consolar a todos los enlutados, señaló a Uno que era capaz de hacer la obra. No solo a Uno cuyo corazón y cuyos afectos estaban puestos en ella, no solo a Uno que estaba dispuesto a hacerla, sino a Uno que era lo bastante fuerte para llevarla a cabo, porque en Su gloriosa Persona poseía la fuerza y el poder infinitos de la Deidad. Por eso dijo el Señor: “He puesto el socorro sobre Valiente; he ensalzado un Escogido de Mi pueblo” (Salmo 89:19). Él vino en el tiempo señalado, y el Espíritu Santo reposó sobre Él sin medida y Le ungió para traer estas buenas nuevas: “a vendar a los quebrantados de corazón, a publicar libertad a los cautivos, y a los presos abertura de la cárcel” (Isaías 61:1). Tanto Su nombramiento para esta obra como el cumplimiento de ella brotan enteramente de la gracia.
La criatura no tiene parte en esto, y no he leído ni una sola palabra acerca de su mérito o de sus buenas obras. Ciertamente lloran, pero Dios no ve mérito en las lágrimas, ninguno en el luto, ninguno en el padecer y ninguno en la tristeza. Aunque sus ojos fueran una fuente de lágrimas, no podrían lavar un solo pecado. Así pues, cuando el Señor mira con compasión a estos enlutados, es enteramente por Su gracia. Sus ojos están sobre sus pruebas y Su corazón se conduele de sus tentaciones, porque Él mismo, en los días de Su carne, fue tentado de igual manera. Él se compadece de ellos en sus aflicciones, porque también Él fue “Varón de dolores, experimentado en quebranto” (Isaías 53:3).
Pero Él no solo se compadece. La compasión sin ayuda de nada sirve. Por eso Él ayuda, además de compadecerse. Así les da gloria en lugar de ceniza. Los hemos visto sentados en la ceniza, llorando por sus pecados y sus penas, escribiendo cosas amargas contra sí mismos, porque dentro y fuera no ven apenas otra cosa que miseria y muerte. Entonces Él viene y, por Su bendito Espíritu, habla una palabra de perdón o de paz a su corazón y a su conciencia.
Cuando esta palabra llega con poder divino a su alma, la ceniza desaparece. Es decir, quita el sentimiento de ruina y miseria que los llena, quita su pena y su tristeza y hace resplandecer sus rostros. Así les da hermosura, pero ¿la hermosura de quién? No la suya propia, sino la de Él. Pero ¿cómo puede darles Su hermosura? ¿Puede transferirse? Sí, concediéndoles una vista de Sí mismo, conforme a la promesa: “Tus ojos verán al Rey en Su hermosura” (Isaías 33:17). Cuando sus ojos ven al Rey en Su hermosura, cuando vislumbran Su glorioso rostro, entonces la hermosura de Su semblante resplandece de nuevo sobre el de ellos.
Lectura: Salmo 89:1-24
Al lector…
Estas palabras tratan de los enlutados en Sion, pero ¿busca usted todavía algún mérito en sus lágrimas? ¿Piensa a veces que su luto le acerca un poco más a Dios, o que el Señor le mirará antes si tan solo siente bastante arrepentimiento? Ah, aunque sus ojos fueran una fuente de lágrimas, no podrían lavar un solo pecado. Pero no deje que eso le desanime. Precisamente porque nada se halla en usted, todo lo que el Señor hace por los enlutados es enteramente de Su gracia.
Él es el Valiente, fuerte para ayudar, y un Varón de dolores, que sabe cómo le va a usted. No solo se compadece, sino que también ayuda. Una sola palabra de perdón o de paz por Su Espíritu, y la ceniza desaparece. Entonces no le da una hermosura propia, sino la Suya. No Le pida, pues, ante todo mejores sentimientos, sino una vista de Sí mismo. Quien ve al Rey en Su hermosura halla que algo de Su resplandor brilla de nuevo sobre su propio rostro.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Vader, Ik wil, dat daar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld.
Johannes 17:24
Hoe groot, hoe verheven boven alle uiting of begrip van mensen of engelen moet de heerlijkheid van Christus zijn als de Zoon des Vaders in waarheid en liefde! En niet alleen is de Heere Jezus Christus heerlijk in Zijn wezenlijke Godheid als de Zoon van God, maar ook heerlijk in Zijn heilige, vlekkeloze mensheid, die Hij aannam in de baarmoeder van de maagd Maria. Want ofschoon die mensheid het vlees en bloed der kinderen was, zij was het Heilige, van de Heilige Geest ontvangen, en verenigd geworden met Zijn eeuwige Godheid, opdat Hij mocht zijn Immanuël, God met ons. De zuiverheid, heiligheid en onschuld, de vlekkeloze schoonheid en algehele volmaaktheid van deze menselijke natuur maakt haar in zichzelf buitengewoon heerlijk; maar haar grote heerlijkheid bestaat in de vereniging die zij bezit en geniet met de Goddelijke natuur van de Zoon van God. De zuivere mensheid van de Heere Jezus Christus omsluiert Zijn Godheid, en toch schijnt de Godheid erin uit, haar vervullende met onuitsprekelijke glans en haar beschijnende met een onbegrijpelijke heerlijkheid.
Er is geen verwarring of vermenging van de twee naturen, want de mensheid kan niet de Godheid worden, noch de Godheid de mensheid; elke natuur blijft afzonderlijk, en iedere natuur heeft haar eigen bijzondere heerlijkheid. Maar er is ook een heerlijkheid in de vereniging van beide naturen in de Persoon van de Godheid. Dat zulk een wijsheid moest ontplooid worden, zulk een genade aan het licht gebracht, zulk een liefde geopenbaard, en dat de vereniging der twee naturen in de Persoon des Zoons Gods niet slechts, om zo te spreken, eertijds zou plaatshebben, maar zou blijven voortbestaan, en dat de zaligheid met al haar tegenwoordige vruchten van genade en al haar toekomende vruchten van heerlijkheid zou gehandhaafd worden, dit maakt de vereniging van de twee naturen zo onuitsprekelijk heerlijk.
En wanneer we verder daarop acht geven dat door de vereniging van de menselijke natuur met de Goddelijke de kerk in de nauwste en innigste gemeenschap is gebracht met de Vader en de Heilige Geest, welk een heerlijkheid wordt dan aanschouwd in de verheerlijking van de Persoon van de Godmens, Die als God één is met God, en als mens één is met de mens, en aldus als mens verenigd is met God, en God met de mens, waarin de vervulling van deze wonderlijke woorden volbracht wordt: „Opdat zij allen één zijn; gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn.” En wederom: „Ik in hen, en Gij in Mij, opdat zij volmaakt zijn in één.” Zo is er dus de heerlijkheid van Christus als God, de heerlijkheid van Christus als mens, en de heerlijkheid van Christus als Godmens.
En deze drievoudige heerlijkheid komt in zekere mate overeen met wat Hij was vóór Hij in de wereld kwam, met wat Hij was toen Hij in de wereld was, en met hetgeen Hij nu is, nadat Hij tot de Vader is heengegaan, volgens Zijn eigen woorden, Joh. 16:28. Vóór Hij in de wereld kwam, was Zijn hoogste heerlijkheid hetgeen Hem eigen was als de Zoon van God; terwijl Hij in de wereld was, was Zijn hoogste heerlijkheid dat Hij de Zoon des mensen was; en nu Hij is heengegaan naar de hemel, is Zijn hoogste heerlijkheid dat Hij God en mens is in één heerlijk Persoon. Deze laatste heerlijkheid van Christus is in bijzondere zin Zijn middelaarsheerlijkheid. Zij wordt hier door het geloof aanschouwd en zal hiernamaals van aangezicht tot aangezicht gezien worden door degenen die Hem verwachten tot zaligheid.
De drie discipelen op de berg der verheerlijking, Stefanus toen hij gemarteld werd, Paulus toen hij werd opgetrokken in de derde hemel, Johannes op het eiland Patmos, zij hebben allen bijzondere en bovennatuurlijke openbaringen gehad van de heerlijkheid van Christus, dat wil zeggen: openbaringen die te boven gaan wat gewoonlijk aan een gelovige gegeven wordt. Doch de gewone wijze waarop wij nu Zijn heerlijkheid aanschouwen, is door de Heilige Geest, Die Hem verheerlijkt door het te nemen uit het Zijne en het aan de ziel te openbaren. Deze Goddelijke en gezegende Leraar getuigt van Hem, neemt het deksel van onwetendheid en ongeloof dat Hem voor de ziel verbergt weg, schijnt met een heilig en glansrijk licht op de Schrift die van Hem spreekt, wekt het geloof op om in Zijn Naam te geloven, en verlicht de ogen des verstands, zodat op Hem gezien kan worden. En ofschoon Hij niet gezien wordt met het lichamelijk oog, wordt Hij bemind, geliefd, geloofd, en verblijdt de ziel zich met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde. Alzo door het oog des geloofs gezien in wat Hij is en heeft, wat Hij zegt en doet, maakt het Hem dierbaar en heerlijk.
Zijn genadewonderen toen Hij op aarde was; Zijn woorden, zo vol genade, wijsheid en waarheid; Zijn gaan door het land, goeddoende; Zijn uitnemend voorbeeld van lijdzaamheid, zachtmoedigheid en onderdanigheid; Zijn lijden en smarten in de hof en op het kruis; Zijn vlekkeloze heiligheid en reinheid; Zijn verzoenend bloed en rechtvaardigmakende gehoorzaamheid; Zijn stervende liefde, zo sterk en krachtig en toch zo beproefd door de wereld, de hemel en de hel; Zijn nederige en toch eerbare begrafenis; Zijn heerlijke opstanding als de Eerstgeborene des doods, waardoor Hij krachtig bewezen werd te zijn de Zoon van God; Zijn zitten aan de rechterhand des Vaders, waar Hij regeert en de scepter zwaait, alle macht Hem gegeven zijnde in de hemel en op de aarde, en waar Hij nog voortreedt voor Zijn volk als de Hogepriester over het huis Gods — welk een schoonheid en heerlijkheid blinken er uit al deze Goddelijke werkelijkheden, wanneer het geloof ze bespiedt in vereniging met het werk en de Persoon van Immanuël!
Aan de lezer…
Hoe wonderlijk is het wanneer een ziel iets van deze heerlijkheid mag zien! Hebt u dat ooit gekend? Niet met het lichamelijk oog, zoals de discipelen op de berg of Johannes op Patmos, maar met het oog des geloofs, wanneer de Heilige Geest het deksel van onwetendheid en ongeloof wegnam en u één blik op Christus gaf? Klaagt u misschien dat het deksel nog zo dikwijls op uw hart ligt en dat Hij u zo verborgen is? Vraag dan de Geest, Die Hem verheerlijkt, om het uit het Zijne te nemen en het aan uw ziel te openbaren.
En vergeet niet wat er staat: „Vader, Ik wil, dat daar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.” Wat hier slechts bij ogenblikken door het geloof aanschouwd wordt, zal hiernamaals van aangezicht tot aangezicht gezien worden. Dat is de wil en de bede van de Zoon Zelf. Hoe arm en duister het nu ook in u is, Hij is dezelfde: God en mens in één heerlijk Persoon, de Hogepriester Die nog voor Zijn volk voortreedt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Vader, Ik wil, dat daar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld.
Johannes 17:24
Hoe groot, hoe verheven boven alles wat mensen of engelen kunnen uitspreken of begrijpen, moet de heerlijkheid van Christus zijn als de Zoon van de Vader in waarheid en liefde! En de Heere Jezus Christus is niet alleen heerlijk in Zijn wezenlijke Godheid als de Zoon van God, maar ook in Zijn heilige, vlekkeloze mensheid, die Hij aannam in de schoot van de maagd Maria. Want hoewel die mensheid het vlees en bloed van de kinderen was, was zij het Heilige, ontvangen van de Heilige Geest, en verenigd met Zijn eeuwige Godheid, zodat Hij Immanuël kon zijn, God met ons. De zuiverheid, heiligheid en onschuld, de vlekkeloze schoonheid en volkomen volmaaktheid van deze menselijke natuur maken haar in zichzelf buitengewoon heerlijk. Maar haar grote heerlijkheid ligt in de vereniging die zij heeft en geniet met de Goddelijke natuur van de Zoon van God. De zuivere mensheid van de Heere Jezus Christus omsluiert Zijn Godheid, en toch schijnt de Godheid erdoorheen; zij vervult haar met onuitsprekelijke glans en beschijnt haar met een onbegrijpelijke heerlijkheid.
Er is geen verwarring of vermenging van de twee naturen, want de mensheid kan niet de Godheid worden, en de Godheid niet de mensheid; elke natuur blijft afzonderlijk, en iedere natuur heeft haar eigen bijzondere heerlijkheid. Maar er is ook een heerlijkheid in de vereniging van beide naturen in de Persoon van de Godheid. Dat zo’n wijsheid ontplooid moest worden, zo’n genade aan het licht gebracht, zo’n liefde geopenbaard; dat de vereniging van de twee naturen in de Persoon van de Zoon van God niet alleen, om zo te zeggen, eenmaal zou plaatsvinden, maar zou blijven voortbestaan; en dat de zaligheid met al haar huidige vruchten van genade en al haar toekomstige vruchten van heerlijkheid zo gehandhaafd zou worden: dat maakt de vereniging van de twee naturen zo onuitsprekelijk heerlijk.
Laten we er verder op letten dat de kerk door de vereniging van de menselijke natuur met de Goddelijke in de nauwste en innigste gemeenschap is gebracht met de Vader en de Heilige Geest. Wat een heerlijkheid wordt er dan gezien in de verheerlijking van de Persoon van de Godmens! Als God is Hij één met God, en als mens is Hij één met de mens; zo is Hij als mens verenigd met God, en God met de mens. Daarin worden deze wonderlijke woorden vervuld: „Opdat zij allen één zijn; gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn.” En opnieuw: „Ik in hen, en Gij in Mij, opdat zij volmaakt zijn in één.” Zo is er dus de heerlijkheid van Christus als God, de heerlijkheid van Christus als mens, en de heerlijkheid van Christus als Godmens.
En deze drievoudige heerlijkheid komt in zekere mate overeen met wat Hij was voordat Hij in de wereld kwam, met wat Hij was toen Hij in de wereld was, en met wat Hij nu is, nu Hij naar de Vader is heengegaan, volgens Zijn eigen woorden, Joh. 16:28. Voordat Hij in de wereld kwam, was Zijn hoogste heerlijkheid wat Hem eigen was als de Zoon van God. Terwijl Hij in de wereld was, was Zijn hoogste heerlijkheid dat Hij de Zoon des mensen was. En nu Hij naar de hemel is heengegaan, is Zijn hoogste heerlijkheid dat Hij God en mens is in één heerlijk Persoon. Deze laatste heerlijkheid van Christus is in bijzondere zin Zijn middelaarsheerlijkheid. Zij wordt hier door het geloof aanschouwd en zal hierna van aangezicht tot aangezicht gezien worden door hen die Hem verwachten tot zaligheid.
De drie discipelen op de berg van de verheerlijking, Stefanus toen hij de marteldood stierf, Paulus toen hij werd opgetrokken in de derde hemel, Johannes op het eiland Patmos: zij hebben allen bijzondere en bovennatuurlijke openbaringen gehad van de heerlijkheid van Christus, dat wil zeggen openbaringen die uitgaan boven wat gewoonlijk aan een gelovige gegeven wordt. Maar de gewone manier waarop wij nu Zijn heerlijkheid aanschouwen, is door de Heilige Geest, Die Hem verheerlijkt door het uit het Zijne te nemen en het aan de ziel te openbaren. Deze Goddelijke en gezegende Leraar getuigt van Hem en neemt het deksel van onwetendheid en ongeloof weg dat Hem voor de ziel verbergt. Hij schijnt met een heilig en stralend licht op de Schrift die van Hem spreekt, wekt het geloof op om in Zijn Naam te geloven, en verlicht de ogen van het verstand, zodat men op Hem kan zien. En hoewel Hij niet met het lichamelijk oog gezien wordt, wordt Hij bemind, liefgehad en geloofd, en verblijdt de ziel zich met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde. Zo met het oog van het geloof gezien in wat Hij is en heeft, in wat Hij zegt en doet, wordt Hij dierbaar en heerlijk.
Zijn wonderen van genade toen Hij op aarde was; Zijn woorden, zo vol genade, wijsheid en waarheid; Zijn gaan door het land, goeddoende; Zijn uitnemend voorbeeld van lijdzaamheid, zachtmoedigheid en onderworpenheid; Zijn lijden en smarten in de hof en aan het kruis; Zijn vlekkeloze heiligheid en reinheid; Zijn verzoenend bloed en rechtvaardigmakende gehoorzaamheid; Zijn stervende liefde, zo sterk en krachtig en toch zo beproefd door de wereld, de hemel en de hel; Zijn nederige en toch eervolle begrafenis; Zijn heerlijke opstanding als de Eerstgeborene uit de doden, waardoor Hij krachtig bewezen werd de Zoon van God te zijn; Zijn zitten aan de rechterhand van de Vader, waar Hij regeert en de scepter zwaait, nu Hem alle macht gegeven is in de hemel en op de aarde, en waar Hij nog voor Zijn volk pleit als de Hogepriester over het huis van God — wat een schoonheid en heerlijkheid stralen er uit al deze Goddelijke werkelijkheden, wanneer het geloof ze ziet in verbinding met het werk en de Persoon van Immanuël!
Aan de lezer…
Hoe wonderlijk is het wanneer een ziel iets van deze heerlijkheid mag zien! Hebt u dat ooit gekend? Niet met het lichamelijk oog, zoals de discipelen op de berg of Johannes op Patmos, maar met het oog van het geloof, wanneer de Heilige Geest het deksel van onwetendheid en ongeloof wegnam en u één blik op Christus gaf? Klaagt u misschien dat het deksel nog zo vaak op uw hart ligt en dat Hij zo verborgen voor u is? Vraag dan de Geest, Die Hem verheerlijkt, om het uit het Zijne te nemen en het aan uw ziel te openbaren.
En vergeet niet wat er staat: „Vader, Ik wil, dat daar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.” Wat hier slechts bij ogenblikken door het geloof aanschouwd wordt, zal hierna van aangezicht tot aangezicht gezien worden. Dat is de wil en de bede van de Zoon Zelf. Hoe arm en duister het nu ook in u is, Hij is dezelfde: God en mens in één heerlijk Persoon, de Hogepriester Die nog voor Zijn volk pleit.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Father, I will that they also, whom Thou hast given Me, be with Me where I am; that they may behold My glory, which Thou hast given Me: for Thou lovedst Me before the foundation of the world.
John 17:24
How great, how elevated above all utterance or all conception of men or angels, must the glory of Christ be—as the Son of the Father in truth and love! And not only is the Lord Jesus Christ glorious in His essential Deity as the Son of God, but glorious also in His holy, spotless humanity which He assumed in the womb of the Virgin Mary. For this, though the flesh and blood of the children, was “that holy One Who was begotten of the Holy Spirit,” and was taken into union with His eternal Deity, that He might be “Immanuel, God with us.” The purity, holiness and innocence, the spotless beauty and complete perfection of this human nature, make it in itself exceedingly glorious; but its great glory is the union that it possesses and enjoys with the divine nature of the Son of God.
The pure humanity of Jesus veils His Deity, and yet the Deity shines through it, filling it with unutterable brightness, and irradiating it with inconceivable glory. There is no blending of the two natures, for humanity cannot become Deity, nor can Deity become humanity; each nature remains distinct; and each nature has its own peculiar glory. But there is a glory also in the union of both natures in the Person of the God-man. That such wisdom should have been displayed, such grace manifested, such love revealed, and that the union of the two natures in the Person of the Son of God should not only have, so to speak, formerly originated, but should still unceasingly uphold, and eternally maintain salvation with all its present fruits of grace, and all its future fruits of glory, makes the union of the two natures unspeakably glorious.
And when we consider further that through this union of humanity with Deity, the Church is brought into the most intimate nearness and closest relationship with the Father and the Holy Spirit, what a glory is seen to illuminate the Person of the God-man, Who as God is one with God, and as man is one with man, and thus unites man to God, and God to man; thus bringing about the fulfillment of those wonderful words, “That they all may be one; as You, Father, are in Me, and I in You, that they also may be one in Us.” And again, “I in them, and You in Me, that they may be made perfect in one.”
Thus there is the glory of Christ as God, the glory of Christ as man, and the glory of Christ as God-man. And this threefold glory of Christ corresponds in a measure with what He was before He came into the world, with what He was while in the world, and with what He now is as having gone to the Father, according to His own words (John 16:28). Before He came into the world His chief glory was that belonging to Him as the Son of God; while in the world His chief glory was in being the Son of man; and now that He is gone back to heaven His chief glory is that of His being God and man in one glorious Person.
This latter glory of Christ, which is, in an especial sense, His mediatorial glory, is seen by faith here, and will be seen in the open vision of bliss hereafter. The three disciples on the Mount of transfiguration, Stephen at the time of his martyrdom, Paul when caught up into the third heaven, John in Patmos, had all special and supernatural manifestations of the glory of Christ; that is, surpassing what is generally given to believers. But the usual way in which we now see His glory is by the Holy Spirit “glorifying Him by receiving of what is His, and showing it to the soul.”
This divine and blessed Teacher testifies of Him; takes away the veil of ignorance and unbelief which hides Him from view; shines with a holy and sacred light on the Scriptures that speak of Him; and raising up faith to believe in His Name sets Him before the eyes of the enlightened understanding, so that He is looked unto and upon; and though not seen with the bodily eye, is loved, believed, and rejoiced in with joy unspeakable and full of glory. Thus seen by the eye of faith, all that He is and has, all that He says and does is made precious and glorious.
His miracles of mercy, while here below; His words so full of grace, wisdom, and truth; His going about doing good; His sweet example of patience, meekness, and submission; His sufferings and sorrows in the garden and on the cross; His spotless holiness and purity, yet tender compassion to poor lost sinners; His atoning blood and justifying obedience; His dying love, so strong and firm, yet so tried by earth, heaven, and hell; His lowly, yet honorable burial; His glorious resurrection, as the first-begotten of the dead, by which He was declared to be the Son of God with power; His ascension to the right hand of the Father, where He reigns and rules, all power being given unto Him in heaven and earth, and yet intercedes for His people as the great High Priest over the house of God. What beauty and glory shine forth in all these divine realities, when faith can view them in union with the work and Person of Immanuel!
To the reader…
How wonderful it is when a soul may see something of this glory! Have you ever known it? Not with the bodily eye, like the disciples on the mount or John on Patmos, but with the eye of faith, when the Holy Spirit took away the veil of ignorance and unbelief and gave you one glimpse of Christ? Do you perhaps complain that the veil still lies so often on your heart and that He is so hidden from you? Then ask the Spirit, Who glorifies Him, to take of what is His and reveal it to your soul.
And do not forget what is written: “Father, I will that they also, whom Thou hast given Me, be with Me where I am.” What is seen here by faith only in moments will hereafter be seen face to face. That is the will and the prayer of the Son Himself. However poor and dark it may be within you now, He is the same: God and man in one glorious Person, the High Priest Who still pleads for His people.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Padre, aquellos que Me has dado, quiero que donde Yo estoy, ellos estén también conmigo; para que vean Mi gloria que Me has dado: por cuanto Me has amado desde antes de la constitución del mundo.
Juan 17:24
¡Cuán grande, cuán elevada por encima de toda expresión y de toda concepción de hombres o de ángeles ha de ser la gloria de Cristo como el Hijo del Padre en verdad y en amor! Y no solo es glorioso el Señor Jesucristo en Su Deidad esencial como el Hijo de Dios, sino glorioso también en Su santa e inmaculada humanidad, que asumió en el seno de la virgen María. Porque esta, aunque era la carne y sangre de los hijos, era “lo Santo” engendrado del Espíritu Santo, y fue tomada en unión con Su eterna Deidad, para que Él fuese “Emmanuel, Dios con nosotros”. La pureza, santidad e inocencia, la belleza sin mancha y la completa perfección de esta naturaleza humana la hacen en sí misma sumamente gloriosa; pero su gran gloria es la unión que posee y disfruta con la naturaleza divina del Hijo de Dios.
La pura humanidad de Jesús vela Su Deidad, y sin embargo la Deidad resplandece a través de ella, llenándola de un brillo indecible e irradiándola de una gloria inconcebible. No hay mezcla de las dos naturalezas, porque la humanidad no puede convertirse en Deidad, ni la Deidad en humanidad; cada naturaleza permanece distinta, y cada naturaleza tiene su propia gloria peculiar. Pero hay también una gloria en la unión de ambas naturalezas en la Persona del Dios-hombre. Que se haya desplegado tal sabiduría, manifestado tal gracia, revelado tal amor, y que la unión de las dos naturalezas en la Persona del Hijo de Dios no solo haya, por así decirlo, originado en otro tiempo la salvación, sino que aún la sostenga sin cesar y la mantenga eternamente, con todos sus frutos presentes de gracia y todos sus frutos futuros de gloria, hace que la unión de las dos naturalezas sea indeciblemente gloriosa.
Y cuando consideramos además que, por medio de esta unión de la humanidad con la Deidad, la Iglesia es traída a la más íntima cercanía y a la más estrecha relación con el Padre y el Espíritu Santo, ¡qué gloria se ve iluminar la Persona del Dios-hombre, el cual como Dios es uno con Dios, y como hombre es uno con el hombre, y así une al hombre con Dios y a Dios con el hombre, llevando a cumplimiento aquellas maravillosas palabras: “Para que todos sean una cosa; como Tú, oh Padre, en Mí, y Yo en Ti, que también ellos sean en Nosotros una cosa”! Y de nuevo: “Yo en ellos, y Tú en Mí, para que sean consumadamente una cosa”.
Así hay la gloria de Cristo como Dios, la gloria de Cristo como hombre y la gloria de Cristo como Dios-hombre. Y esta triple gloria de Cristo corresponde en cierta medida a lo que Él era antes de venir al mundo, a lo que fue mientras estuvo en el mundo, y a lo que ahora es habiéndose ido al Padre, conforme a Sus propias palabras (Juan 16:28). Antes de venir al mundo, Su principal gloria era la que le pertenecía como el Hijo de Dios; mientras estuvo en el mundo, Su principal gloria fue ser el Hijo del hombre; y ahora que ha vuelto al cielo, Su principal gloria es la de ser Dios y hombre en una gloriosa Persona.
Esta última gloria de Cristo, que es en sentido especial Su gloria de Mediador, se ve aquí por la fe, y se verá en la visión abierta de la dicha en lo venidero. Los tres discípulos en el monte de la transfiguración, Esteban en la hora de su martirio, Pablo cuando fue arrebatado al tercer cielo, Juan en Patmos, tuvieron todos manifestaciones especiales y sobrenaturales de la gloria de Cristo, es decir, que sobrepasaban lo que generalmente se da a los creyentes. Pero el modo usual en que ahora vemos Su gloria es por el Espíritu Santo, que “le glorifica, tomando de lo Suyo y haciéndolo saber al alma”.
Este divino y bendito Maestro da testimonio de Él; quita el velo de ignorancia e incredulidad que le oculta a la vista; resplandece con una luz santa y sagrada sobre las Escrituras que hablan de Él; y, suscitando la fe para creer en Su Nombre, le pone delante de los ojos del entendimiento iluminado, de modo que se mira a Él y se le contempla; y aunque no se le ve con el ojo corporal, se le ama, se cree en Él y se goza en Él con gozo inefable y glorificado. Así, visto con el ojo de la fe, todo lo que Él es y tiene, todo lo que dice y hace, se hace precioso y glorioso.
Sus milagros de misericordia mientras estuvo aquí abajo; Sus palabras tan llenas de gracia, sabiduría y verdad; Su andar haciendo bienes; Su dulce ejemplo de paciencia, mansedumbre y sumisión; Sus sufrimientos y dolores en el huerto y en la cruz; Su santidad y pureza sin mancha, y sin embargo Su tierna compasión por los pobres pecadores perdidos; Su sangre expiatoria y Su obediencia justificadora; Su amor hasta la muerte, tan fuerte y firme, y sin embargo tan probado por la tierra, el cielo y el infierno; Su sepultura humilde y a la vez honrosa; Su gloriosa resurrección, como el primogénito de los muertos, por la cual fue declarado Hijo de Dios con potencia; Su ascensión a la diestra del Padre, donde reina y gobierna, habiéndole sido dada toda potestad en el cielo y en la tierra, y sin embargo intercede por Su pueblo como el gran Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios. ¡Qué belleza y qué gloria resplandecen en todas estas realidades divinas, cuando la fe puede contemplarlas en unión con la obra y la Persona de Emmanuel!
Al lector…
¡Qué maravilloso es cuando un alma puede ver algo de esta gloria! ¿Lo ha conocido usted alguna vez? No con el ojo corporal, como los discípulos en el monte o Juan en Patmos, sino con el ojo de la fe, cuando el Espíritu Santo quitó el velo de ignorancia e incredulidad y le dio una vislumbre de Cristo. ¿Se queja usted quizá de que el velo sigue tan a menudo sobre su corazón y de que Él le está tan oculto? Pida entonces al Espíritu, que le glorifica, que tome de lo Suyo y lo revele a su alma.
Y no olvide lo que está escrito: “Padre, aquellos que Me has dado, quiero que donde Yo estoy, ellos estén también conmigo”. Lo que aquí se ve por la fe solo en momentos, se verá después cara a cara. Esa es la voluntad y la oración del Hijo mismo. Por pobre y oscuro que esté ahora dentro de usted, Él es el mismo: Dios y hombre en una gloriosa Persona, el Sumo Sacerdote que sigue intercediendo por Su pueblo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl