5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Ik zal des Heeren gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd.
Micha 7:9
Het is het zicht op onze zonden tegen God dat ons in staat stelt de toorn van de Heere over ons en onze zonden te dragen. Zolang we bezield zijn met een geest van trots en eigengerechtigheid, mopperen we over de wegen van de Heere als Zijn hand zwaar op ons drukt. Maar als wij werkelijk voelen wat wij rechtvaardig verdienen, dan zal al het gemopper onmiddellijk ophouden. U kunt mopperen en soms in opstand komen tegen het lot dat de Voorzienigheid u oplegt. Maar als u voelt wat u verdient, zult u het zwaarste kruis dat u wordt opgelegd met tranen van berouw besproeien.
Wanneer u dus het gewicht van uw zonden voelt, en treurt en zucht omdat u tegen God hebt gezondigd, kunt u soms uw handen in heilige bewondering opheffen over Gods lankmoedige barmhartigheid, dat Hij zo lang geduld met u heeft gehad; dat Hij u niet heeft verpletterd, of uw schuldige ziel naar de hel heeft gezonden. U zult zien dat de zwaarste slagen slechts Vaderlijke kastijdingen waren; dat de roede in liefde gedoopt was, en dat het voor uw welzijn en Zijn eer was dat u gekastijd werd. Wanneer dit besef van verdiende toorn in de ziel komt, volgen zachtmoedigheid en onderwerping, en kan zij met de profeet zeggen: „Ik zal des Heeren gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd.” U zult kunnen zeggen:
De roede mag een bastaard sparen,
Verdwaald in de wereld, zonde en lust;
Maar ’t kind niet, dat God zelf wou baren,
Daar dit de roede zelfs nog kust.
Groot en eeuwig Opperwezen,
zeer te vrezen,
straf mij in Uw gramschap niet!
Toon mij toch, dat Uw kastijden
in mijn lijden
niet uit grimmigheid geschiedt.
Ps. 38:1
Aan de lezer…
Misschien drukt de hand des Heeren zwaar op u, en merkt u dat uw hart daartegen mort en in opstand komt. Ik zeg het eerlijk: zolang trots en eigengerechtigheid ons bezielen, klagen wij over Gods wegen. Maar wanneer de Heere u laat zien wat u tegen Hem gezondigd hebt, en wat u rechtvaardig verdient, dan verstomt het gemopper. Dan wordt het zwaarste kruis met tranen van berouw besproeid, en leert u met de profeet zeggen: „Ik zal des Heeren gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd.”
Dat is geen bittere berusting, maar een zachtmoedige onderwerping. Want wie zijn schuld voelt, gaat zich verwonderen dat de Heere zo lang geduld met hem heeft gehad en hem niet verpletterd heeft. Dan blijken de zwaarste slagen Vaderlijke kastijdingen te zijn, en de roede in liefde gedoopt. Vraag de Heere dan om dat besef, opdat u ook in uw lijden mag zien dat het niet uit grimmigheid geschiedt, maar tot uw welzijn en Zijn eer.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik zal des Heeren gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd.
Micha 7:9
Het is het zicht op onze zonden tegen God dat ons in staat stelt de toorn van de Heere over ons en onze zonden te dragen. Zolang wij bezield zijn met een geest van trots en eigengerechtigheid, mopperen wij over de wegen van de Heere wanneer Zijn hand zwaar op ons drukt. Maar wanneer wij werkelijk voelen wat wij rechtvaardig verdienen, houdt al het gemopper onmiddellijk op. U kunt mopperen en soms in opstand komen tegen het lot dat de Voorzienigheid u oplegt. Maar wanneer u voelt wat u verdient, zult u het zwaarste kruis dat u wordt opgelegd met tranen van berouw besproeien.
Wanneer u dus het gewicht van uw zonden voelt, en treurt en zucht omdat u tegen God gezondigd hebt, kunt u soms in heilige verwondering uw handen opheffen over Gods lankmoedige barmhartigheid: dat Hij zo lang geduld met u gehad heeft, dat Hij u niet verpletterd heeft en uw schuldige ziel niet naar de hel heeft gezonden. U zult zien dat de zwaarste slagen alleen Vaderlijke kastijdingen waren, dat de roede in liefde gedoopt was, en dat het tot uw welzijn en Zijn eer was dat u gekastijd werd. Wanneer dit besef van verdiende toorn in de ziel komt, volgen zachtmoedigheid en onderwerping, en kan de ziel met de profeet zeggen: „Ik zal des Heeren gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd.” U zult kunnen zeggen:
De roede mag een bastaard sparen,
Verdwaald in de wereld, zonde en lust;
Maar ’t kind niet, dat God zelf wou baren,
Daar dit de roede zelfs nog kust.
Groot en eeuwig Opperwezen,
zeer te vrezen,
straf mij in Uw gramschap niet!
Toon mij toch, dat Uw kastijden
in mijn lijden
niet uit grimmigheid geschiedt.
Ps. 38:1
Aan de lezer…
Misschien drukt de hand van de Heere zwaar op u, en merkt u dat uw hart daartegen mort en in opstand komt. Ik zeg het eerlijk: zolang trots en eigengerechtigheid ons bezielen, klagen wij over Gods wegen. Maar wanneer de Heere u laat zien wat u tegen Hem gezondigd hebt en wat u rechtvaardig verdient, dan verstomt het gemopper. Dan wordt het zwaarste kruis met tranen van berouw besproeid, en leert u met de profeet zeggen: „Ik zal des Heeren gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd.”
Dat is geen bittere berusting, maar een zachtmoedige onderwerping. Want wie zijn schuld voelt, gaat zich erover verwonderen dat de Heere zo lang geduld met hem gehad heeft en hem niet verpletterd heeft. Dan blijken de zwaarste slagen Vaderlijke kastijdingen te zijn, en de roede in liefde gedoopt. Vraag de Heere dan om dat besef, zodat u ook in uw lijden mag zien dat het niet uit grimmigheid gebeurt, maar tot uw welzijn en Zijn eer.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I will bear the indignation of the Lord, because I have sinned against Him.
Micah 7:9
It is a view of our sins against God that enables us to bear the indignation of the Lord against us and them. As long as we are left to a spirit of pride and self-righteousness, we murmur at the Lord’s dealings when His hand lies heavy upon us. But let us only truly feel what we rightly deserve—that will silence at once all murmuring. You may murmur and rebel sometimes at your hard lot in providence; but if you feel what you deserve, it will make you water with tears of repentance the hardest cross. So in grace, if you feel the weight of your sins, and mourn and sigh because you have sinned against God, you can lift up your hands sometimes with holy wonder at God’s patient mercy that He has borne with you so long; that He has not smitten you to the earth, or sent your guilty soul to hell.
You will see, also, that the heaviest strokes were but fatherly chastenings; that the rod was dipped in love; and that it was for your good and His glory that it was laid on you. When this sense of merited indignation comes into the soul, then meekness and submission come with it, and it can say with the prophet, “I will bear the indignation of the Lord, because I have sinned against Him.” You would not escape the rod if you might. As Cowper says,
“Bastards may escape the rod,
Sunk in earthly, vain delight;
But the true-born child of God
Must not, would not if he might.”
To the reader…
Perhaps the hand of the Lord presses heavily upon you, and you notice that your heart murmurs and rebels against it. I say it honestly: as long as pride and self-righteousness drive us, we complain about God’s ways. But when the Lord shows you how you have sinned against Him and what you justly deserve, the murmuring falls silent. Then the hardest cross is watered with tears of repentance, and you learn to say with the prophet: “I will bear the indignation of the Lord, because I have sinned against Him.”
That is no bitter resignation, but a meek submission. For whoever feels his guilt begins to wonder that the Lord has been patient with him for so long and has not crushed him. Then the heaviest strokes prove to be fatherly chastenings, and the rod dipped in love. Ask the Lord, then, for that sense, so that even in your suffering you may see that it does not come from wrath, but for your good and His glory.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
La ira de Jehová soportaré, porque pequé contra Él.
Miqueas 7:9
Es la visión de nuestros pecados contra Dios lo que nos capacita para soportar la ira del Señor contra nosotros y contra ellos. Mientras somos dejados a un espíritu de orgullo y de justicia propia, murmuramos de los tratos del Señor cuando Su mano pesa sobre nosotros. Pero basta que sintamos de veras lo que justamente merecemos: eso acallará de inmediato toda murmuración. Usted puede a veces murmurar y rebelarse contra su dura suerte en la providencia; pero si siente lo que merece, eso le hará regar con lágrimas de arrepentimiento la cruz más dura. Así también en la gracia: si siente el peso de sus pecados, y llora y suspira porque ha pecado contra Dios, puede a veces alzar las manos con santo asombro ante la paciente misericordia de Dios, que le ha soportado tanto tiempo; que no le ha derribado a tierra ni ha enviado su alma culpable al infierno.
Verá también que los golpes más pesados no eran sino castigos paternales; que la vara estaba mojada en amor; y que fue para su bien y para la gloria de Él que se puso sobre usted. Cuando este sentimiento de la ira merecida entra en el alma, vienen con él la mansedumbre y la sumisión, y el alma puede decir con el profeta: “La ira de Jehová soportaré, porque pequé contra Él”. No escaparía usted de la vara aunque pudiera. Como dice Cowper:
“Los bastardos pueden escapar de la vara,
hundidos en vano deleite terrenal;
mas el verdadero hijo de Dios
no debe, ni querría aunque pudiera.”
Al lector…
Quizá la mano del Señor pesa sobre usted, y nota que su corazón murmura y se rebela contra ello. Lo digo con sinceridad: mientras nos mueven el orgullo y la justicia propia, nos quejamos de los caminos de Dios. Pero cuando el Señor le muestra cómo ha pecado contra Él y lo que justamente merece, la murmuración calla. Entonces la cruz más dura es regada con lágrimas de arrepentimiento, y aprende a decir con el profeta: “La ira de Jehová soportaré, porque pequé contra Él”.
Eso no es una resignación amarga, sino una sumisión mansa. Porque quien siente su culpa empieza a asombrarse de que el Señor haya sido paciente con él tanto tiempo y no le haya aplastado. Entonces los golpes más pesados resultan ser castigos paternales, y la vara, mojada en amor. Pida, pues, al Señor ese sentimiento, para que aun en su sufrimiento vea que no viene de la ira, sino para su bien y para la gloria de Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De wonderen van Christus
De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd. En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.
Mattheüs 11:5-6
Soms maakt de Heere het de ziel mogelijk verder te wandelen op haar pad. De verlammingstoestand is tijdelijk opgeheven. Het bidden is zoet — het Woord van God is dierbaar — het hart is verruimd — de ziel kan vrolijk verdergaan op Gods wegen. „Ik zal de weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.” Godsdienst en de dingen van God zijn niet langer een last — het hart en het geweten, het geheugen en het gevoel zijn niet langer verlamd en kreupel, maar zoet leven stroomt de ziel binnen — het levenssap dat uit de stam stroomt, dringt door tot in de verste twijg aan de tak.
En als het krachtige sap in elke tak doordringt, en als het levensbloed van het Hoofd elke ledemaat van het lichaam dóórtrekt, is er kracht om vrolijk te wandelen in Gods inzettingen, om te wandelen in nauw en zoet contact met de Drie-enige God; te wandelen in licht, leven en vrijheid, met de beschikking over evangeliemiddelen, en in de straling van Gods opgeheven aangezicht. Als dit in vervulling is gegaan, als we ons bed verlaten na misschien wel maandenlang bedlegerig te zijn geweest; als de ledematen op bovennatuurlijke wijze versterkt worden en we vrolijk voortgaan; als de Heere Zelf de eeuwige armen eronder legt — dan, net als de kreupele bij de schone tempelpoort toen zijn enkels kracht ontvingen, springen we op en loven en prijzen we de Heere.
Hebt u dit niet gevoeld? U bent niet altijd kreupel en verlamd als u een kind van God bent. U kunt dit negen van de tien keer hebben meegemaakt, maar is er de tiende keer dan geen gevoel in uw hart, leven in uw ziel, geen heerlijke verruiming, hemelse liefde, goddelijke gevoelens? Dat is wandelen; en telkens wanneer dit in het hart wordt beleefd, is het wonder dat „de lammen wandelen” in vervulling gegaan.
Lezen: Handelingen 3:1-11
Aan de lezer…
Kent u ook die zeldzame dagen waarop het bidden zoet is en het Woord dierbaar, waarop uw hart verruimd wordt en u vrolijk op Gods wegen voortgaat? Misschien zijn ze schaars geweest. Misschien bent u negen van de tien keer kreupel en verlamd. Maar was er niet ook die tiende keer, met leven in uw ziel en een zachte verruiming van het hart?
Dat is wandelen; dat is het wonder dat „de lammen wandelen” in vervulling gegaan. Zulke tijden komen niet uit uzelf voort; het levenssap stroomt uit de Stam tot in de verste twijg. Daarom zegt de ziel: „Ik zal de weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.” Bent u nu weer stil en stijf, vergeet dan niet wat Hij gedaan heeft. Die u eenmaal deed opspringen en Hem loven, kan u opnieuw kracht geven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd. En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.
Mattheüs 11:5-6
Soms maakt de Heere het de ziel mogelijk om verder te wandelen op haar pad. De verlamming is dan tijdelijk opgeheven. Het bidden is zoet, het Woord van God is dierbaar, het hart is verruimd, en de ziel kan blij verdergaan op Gods wegen. „Ik zal de weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.” De godsdienst en de dingen van God zijn niet langer een last. Het hart en het geweten, het geheugen en het gevoel zijn niet langer verlamd en kreupel, maar een zoet leven stroomt de ziel binnen: het levenssap dat uit de stam stroomt, dringt door tot in de verste twijg aan de tak.
Wanneer dat krachtige sap in elke tak doordringt en het levensbloed van het Hoofd elk lid van het lichaam doortrekt, is er kracht om blij te wandelen in Gods inzettingen. Er is dan kracht om te wandelen in nauwe en zoete gemeenschap met de Drie-enige God, te wandelen in licht, leven en vrijheid, met de evangeliemiddelen tot onze beschikking, en in de glans van Gods opgeheven aangezicht. Als dit vervuld wordt, als we ons bed verlaten nadat we misschien wel maandenlang bedlegerig zijn geweest, als de ledematen op bovennatuurlijke wijze versterkt worden en we blij voortgaan, als de Heere Zelf de eeuwige armen eronder legt, dan springen we op en loven en prijzen we de Heere, net als de kreupele bij de Schone Poort van de tempel toen zijn enkels kracht ontvingen.
Hebt u dit niet gevoeld? Als u een kind van God bent, bent u niet altijd kreupel en verlamd. Misschien hebt u dat negen van de tien keer meegemaakt, maar is er de tiende keer dan geen gevoel in uw hart, leven in uw ziel, geen heerlijke verruiming, hemelse liefde, goddelijke gevoelens? Dat is wandelen. En telkens wanneer dit in het hart beleefd wordt, is het wonder vervuld dat „de lammen wandelen”.
Lezen: Handelingen 3:1-11
Aan de lezer…
Kent u ook die zeldzame dagen waarop het bidden zoet is en het Woord dierbaar, waarop uw hart verruimd wordt en u blij op Gods wegen voortgaat? Misschien zijn ze schaars geweest. Misschien bent u negen van de tien keer kreupel en verlamd. Maar was er niet ook die tiende keer, met leven in uw ziel en een zachte verruiming van het hart?
Dat is wandelen; dan is het wonder vervuld dat „de lammen wandelen”. Zulke tijden komen niet uit uzelf voort; het levenssap stroomt uit de Stam tot in de verste twijg. Daarom zegt de ziel: „Ik zal de weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.” Bent u nu weer stil en stijf, vergeet dan niet wat Hij gedaan heeft. Hij Die u eenmaal deed opspringen en Hem loven, kan u opnieuw kracht geven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The blind receive their sight, and the lame walk, the lepers are cleansed, and the deaf hear, the dead are raised up, and the poor have the gospel preached to them. And blessed is he, whosoever shall not be offended in Me.
Matthew 11:5-6
Sometimes the Lord enables the soul to walk on in its path. The paralysis is then for a time removed. Prayer is sweet, the Word of God is precious, the heart is enlarged, and the soul can go joyfully on in the ways of God. “I will run the way of Thy commandments, when Thou shalt enlarge my heart.” Religion and the things of God are no longer a burden. The heart and the conscience, the memory and the feelings are no longer paralysed and lame, but a sweet life flows into the soul: the sap that flows from the stem makes its way into the farthest twig on the branch.
When that powerful sap penetrates every branch and the life-blood of the Head runs through every member of the body, there is strength to walk joyfully in God’s ordinances. There is then strength to walk in close and sweet communion with the Triune God, to walk in light, life and liberty, with the means of the gospel at our disposal, and in the shining of the light of God’s countenance lifted up upon us. When this is fulfilled, when we leave our bed after having perhaps been bedridden for months, when the limbs are supernaturally strengthened and we go joyfully forward, when the Lord Himself puts the everlasting arms underneath, then we leap up and praise and bless the Lord, just as the lame man at the Beautiful gate of the temple did when his ankle bones received strength.
Have you not felt this? If you are a child of God, you are not always lame and paralysed. Perhaps you have known that nine times out of ten, but the tenth time is there not feeling in your heart, life in your soul, a glorious enlargement, heavenly love, divine feelings? That is walking. And whenever this is experienced in the heart, the miracle is fulfilled that “the lame walk.”
Reading: Acts 3:1-11
To the reader…
Do you also know those rare days when prayer is sweet and the Word precious, when your heart is enlarged and you go joyfully on in God’s ways? Perhaps they have been few. Perhaps nine times out of ten you are lame and paralysed. But was there not also that tenth time, with life in your soul and a gentle enlarging of the heart?
That is walking; then the miracle is fulfilled that “the lame walk.” Such times do not come from yourself; the sap flows from the Stem into the farthest twig. That is why the soul says, “I will run the way of Thy commandments, when Thou shalt enlarge my heart.” If you are now still and stiff again, do not forget what He has done. He Who once made you leap up and praise Him can give you strength again.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Los ciegos ven, y los cojos andan; los leprosos son limpiados, y los sordos oyen; los muertos son resucitados, y a los pobres es anunciado el evangelio. Y bienaventurado es el que no fuere escandalizado en Mí.
Mateo 11:5-6
A veces el Señor capacita al alma para seguir andando por su senda. La parálisis es entonces quitada por un tiempo. La oración es dulce, la Palabra de Dios es preciosa, el corazón se ensancha, y el alma puede avanzar con gozo en los caminos de Dios. “Por el camino de Tus mandamientos correré, cuando ensanchares mi corazón.” La religión y las cosas de Dios ya no son una carga. El corazón y la conciencia, la memoria y los sentimientos ya no están paralizados y cojos, sino que una dulce vida fluye en el alma: la savia que brota del tronco se abre paso hasta la ramita más lejana de la rama.
Cuando esa savia poderosa penetra en cada rama y la sangre vital de la Cabeza corre por cada miembro del cuerpo, hay fuerza para andar con gozo en las ordenanzas de Dios. Hay entonces fuerza para andar en comunión íntima y dulce con el Dios Trino, para andar en luz, vida y libertad, con los medios del evangelio a nuestra disposición, y en el resplandor de la luz del rostro de Dios alzada sobre nosotros. Cuando esto se cumple, cuando dejamos nuestro lecho después de haber estado quizá postrados durante meses, cuando los miembros son fortalecidos sobrenaturalmente y avanzamos con gozo, cuando el Señor mismo pone debajo los brazos eternos, entonces saltamos y alabamos y bendecimos al Señor, tal como lo hizo el cojo a la puerta del templo llamada la Hermosa cuando sus tobillos cobraron fuerza.
¿No ha sentido usted esto? Si es un hijo de Dios, no está siempre cojo y paralizado. Quizá lo ha conocido nueve veces de cada diez, pero la décima vez, ¿no hay sentimiento en su corazón, vida en su alma, un glorioso ensanchamiento, amor celestial, sentimientos divinos? Eso es andar. Y siempre que esto se experimenta en el corazón, se cumple el milagro de que “los cojos andan”.
Lectura: Hechos 3:1-11
Al lector…
¿Conoce usted también esos días escasos en que la oración es dulce y la Palabra preciosa, en que su corazón se ensancha y avanza con gozo en los caminos de Dios? Quizá han sido pocos. Quizá nueve veces de cada diez está cojo y paralizado. Pero ¿no hubo también esa décima vez, con vida en su alma y un suave ensanchamiento del corazón?
Eso es andar; entonces se cumple el milagro de que “los cojos andan”. Tales tiempos no vienen de usted mismo; la savia fluye del Tronco hasta la ramita más lejana. Por eso dice el alma: “Por el camino de Tus mandamientos correré, cuando ensanchares mi corazón.” Si ahora está otra vez quieto y entumecido, no olvide lo que Él ha hecho. Aquel que una vez le hizo saltar y alabarle puede darle fuerza de nuevo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, Die Ik u zenden zal van de Vader, namelijk de Geest der waarheid, Die van de Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen.
Johannes 15:26
Het bijzondere werk en de bediening van de Heilige Geest is te getuigen van Jezus, Hem te verheerlijken en de zaken uit het Zijne te nemen en deze aan de ziel te tonen. Daarom hebben wij zonder de onderwijzingen en leringen van de Heilige Geest geen ware, zaligmakende kennis van Hem, geen levend geloof in Hem, geen zoete gemeenschap met Hem, geen tedere en toegenegen liefde jegens Hem. En zijn dit niet de kentekenen die in het bijzonder de levende huisgenoten Gods onderscheiden van degenen die dood zijn in de zonde en dood in de belijdenis?
Een blote kennis van de letter der waarheid kan niet zulke zoete gemoedsgestalten mededelen, als verwarming, vertedering en wegsmelten, zoals de ziel van een kind van God door de gevoelige kracht en invloed van de Heilige Geest dit wel ontwaart. Zij kan niet zulk een geloof voortbrengen, dat het bewijs levert van de vereniging met Jezus; zij kan niet zulk een hoop mededelen, die elke begeerte des harten binnen het voorhangsel voert; kan ook die Goddelijke smart over de zonde niet teweegbrengen, een smart die ons van onszelf doet walgen en ons doet nederbuigen in stof en as; zij kan niet die liefde instorten, die ons de Heere doet liefhebben met geheel ons hart.
Maar dezelfde gezegende en heilige Leermeester, Die het alles uit Christus neemt en het aan de ziel openbaart, Die het geloof, de hoop en de liefde schenkt, en Die alle andere geestelijke gaven en genaden in een levendige oefening brengt, bereidt allereerst het hart om Hem in al Zijn dierbare eigenschappen en verbondsbetrekkingen te kunnen ontvangen. En dit doet Hij door ons te overtuigen van onze behoefte aan Hem, als ons al in al.
Is Hij een Priester? Wij hebben Zijn verzoenend bloed en Zijn alles overwinnende voorspraak nodig, opdat wij mogen hebben vrede met God en dat onze gebeden en smekingen mogen veraangenaamd worden voor Zijn aangezicht. Is Hij een Profeet? Wij hebben Zijn hemelse onderrichting nodig om aan Zijn voeten te zitten om Zijn Woord te horen en Zijn beloften te geloven en Zijn geboden te gehoorzamen. Is Hij een Koning? Wij hebben Zijn krachtige en vermogende schepter nodig om elke vijand te onderwerpen, elke vrees tot bedaardheid te brengen, elke lust te onderdrukken, het gehele lichaam der zonde te kruisigen en elke gedachte gevangen te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus.
Aan de lezer…
Misschien, lezer, kent u de waarheid wel, maar is uw hart koud gebleven. U hebt de letter, maar mist de verwarming, de vertedering en het wegsmelten waarvan de levende huisgenoten Gods spreken. Wees dan eerlijk voor God: een blote kennis van de letter kan geen levend geloof geven en geen liefde instorten. Daarvoor is de Trooster nodig, de Geest der waarheid, Die van Christus getuigt en uit het Zijne neemt om het de ziel te tonen.
En hoe begint Hij? Door u uw behoefte te doen voelen. Hebt u Zijn verzoenend bloed nodig als Priester, Zijn onderwijs als Profeet, Zijn sterke scepter als Koning om uw vijanden en lusten te onderwerpen? Dan is dat gemis al het werk van de Geest in u. Bid dat Hij voortga en u Jezus als uw al in al doe zien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, Die Ik u zenden zal van de Vader, namelijk de Geest der waarheid, Die van de Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen.
Johannes 15:26
Het bijzondere werk en de bediening van de Heilige Geest is van Jezus te getuigen, Hem te verheerlijken en uit het Zijne te nemen en dat aan de ziel te tonen. Daarom hebben wij zonder het onderwijs en de lering van de Heilige Geest geen ware, zaligmakende kennis van Hem, geen levend geloof in Hem, geen zoete gemeenschap met Hem en geen tedere, toegenegen liefde tot Hem. En zijn dit niet juist de kenmerken die de levende huisgenoten van God onderscheiden van hen die dood zijn in de zonde en dood in de belijdenis?
Een kale kennis van de letter van de waarheid kan niet zulke zoete gestalten van het hart meedelen als verwarming, vertedering en wegsmelten, zoals de ziel van een kind van God die wel ervaart door de voelbare kracht en invloed van de Heilige Geest. Zij kan niet zo’n geloof voortbrengen dat het bewijs levert van de vereniging met Jezus. Zij kan niet zo’n hoop meedelen die elke begeerte van het hart binnen het voorhangsel voert. Zij kan ook niet die Goddelijke droefheid over de zonde teweegbrengen, een droefheid die ons van onszelf doet walgen en ons doet neerbuigen in stof en as. En zij kan niet die liefde instorten die ons de Heere doet liefhebben met heel ons hart.
Maar dezelfde gezegende en heilige Leermeester, Die alles uit Christus neemt en het aan de ziel openbaart, Die het geloof, de hoop en de liefde schenkt en alle andere geestelijke gaven en genaden levendig in oefening brengt, bereidt allereerst het hart om Christus in al Zijn dierbare eigenschappen en verbondsbetrekkingen te kunnen ontvangen. Dat doet Hij door ons te overtuigen van onze behoefte aan Hem als ons al in al.
Is Hij een Priester? Wij hebben Zijn verzoenend bloed en Zijn alles overwinnende voorspraak nodig, zodat wij vrede met God mogen hebben en onze gebeden en smekingen voor Zijn aangezicht aangenaam gemaakt worden. Is Hij een Profeet? Wij hebben Zijn hemels onderwijs nodig, om aan Zijn voeten te zitten, Zijn Woord te horen, Zijn beloften te geloven en Zijn geboden te gehoorzamen. Is Hij een Koning? Wij hebben Zijn krachtige en machtige scepter nodig om elke vijand te onderwerpen, elke vrees tot bedaren te brengen, elke lust te onderdrukken, heel het lichaam van de zonde te kruisigen en elke gedachte gevangen te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus.
Aan de lezer…
Misschien, lezer, kent u de waarheid wel, maar is uw hart koud gebleven. U hebt de letter, maar mist de verwarming, de vertedering en het wegsmelten waarover de levende huisgenoten van God spreken. Wees dan eerlijk voor God: een kale kennis van de letter kan geen levend geloof geven en geen liefde instorten. Daarvoor is de Trooster nodig, de Geest der waarheid, Die van Christus getuigt en uit het Zijne neemt om het de ziel te tonen.
En hoe begint Hij? Door u uw behoefte te laten voelen. Hebt u Zijn verzoenend bloed nodig als Priester, Zijn onderwijs als Profeet, Zijn sterke scepter als Koning om uw vijanden en lusten te onderwerpen? Dan is dat gemis al het werk van de Geest in u. Bid dat Hij voortgaat en u Jezus laat zien als uw al in al.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But when the Comforter is come, whom I will send unto you from the Father, even the Spirit of truth, which proceedeth from the Father, he shall testify of me.
John 15:26
The special work and office of the Holy Spirit is to testify of Jesus, to glorify Him, to take of the things that are His, and to show them to the soul; and therefore without these teachings and testimonies of the Holy Spirit we have no true, no saving knowledge of Christ, no living faith in Him, no sweet communion with Him, no tender and affectionate love toward Him. And are not these the marks which peculiarly distinguish the living family of God from those dead in sin, and those dead in profession?
A bare knowledge of the letter of truth—can communicate no such gracious affections as will warm, soften, melt, and animate the soul of a child of God, under the felt power and influence of the Holy Spirit—can create no such faith as gives him manifest union with Jesus—can inspire no such hope as carries every desire of his heart within the veil—can produce no such godly sorrow for sin as makes him loathe and abhor himself in dust and ashes—can shed abroad no such love as makes him love the Lord with a pure heart fervently.
But the same blessed and holy Teacher Who takes of the things that are Christ’s and reveals them to the soul, thus raising up faith, hope, and love, and bringing into living exercise every other spiritual gift and grace, first prepares the heart to receive Him in all His gracious characters and covenant relationships by deeply and powerfully convincing us of our need of Him as our all in all.
Is He a Priest? We need His atoning blood and His all-prevailing intercession that we may have peace with God, and that our prayers and supplications may rise up with acceptance into His ears.
Is He a Prophet? We need His heavenly instruction, that we may sit at His feet and hear His Word, so as to believe His promises and obey His precepts.
Is He a King? We need His powerful and peaceful scepter to subdue every foe, calm every fear, subdue every lust, crucify the whole body of sin, and bring into captivity every thought to the obedience of Christ.
To the reader…
Perhaps, dear reader, you know the truth well enough, but your heart has remained cold. You have the letter, but you miss the warming, the softening and the melting of which the living family of God speak. Be honest before God, then: a bare knowledge of the letter cannot give living faith or pour in love. For that the Comforter is needed, the Spirit of truth, Who testifies of Christ and takes of His things to show them to the soul.
And how does He begin? By making you feel your need. Do you need His atoning blood as Priest, His instruction as Prophet, His mighty sceptre as King to subdue your enemies and lusts? Then that very need is already the work of the Spirit in you. Pray that He will go on and show you Jesus as your all in all.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Empero cuando viniere el Consolador, el cual Yo os enviaré del Padre, el Espíritu de verdad, el cual procede del Padre, Él dará testimonio de Mí.
Juan 15:26
La obra y el oficio especiales del Espíritu Santo son testificar de Jesús, glorificarle, tomar de lo Suyo y mostrarlo al alma; y por tanto, sin estas enseñanzas y testimonios del Espíritu Santo no tenemos ningún conocimiento verdadero y salvador de Cristo, ninguna fe viva en Él, ninguna dulce comunión con Él, ningún amor tierno y afectuoso hacia Él. ¿Y no son estas las señales que distinguen de manera peculiar a la familia viviente de Dios de los que están muertos en el pecado y de los que están muertos en su profesión?
Un mero conocimiento de la letra de la verdad no puede comunicar afectos de gracia tales que calienten, ablanden, derritan y animen el alma de un hijo de Dios bajo el poder y la influencia sentidos del Espíritu Santo; no puede crear una fe tal que le dé una unión manifiesta con Jesús; no puede inspirar una esperanza tal que lleve todo deseo de su corazón dentro del velo; no puede producir una tristeza según Dios por el pecado tal que le haga aborrecerse y detestarse en polvo y ceniza; no puede derramar un amor tal que le haga amar al Señor entrañablemente de corazón puro.
Pero el mismo bendito y santo Maestro que toma de lo que es de Cristo y lo revela al alma, levantando así la fe, la esperanza y el amor, y poniendo en ejercicio vivo todo otro don y gracia espiritual, prepara primero el corazón para recibirle en todos Sus caracteres de gracia y en todas Sus relaciones del pacto, convenciéndonos profunda y poderosamente de nuestra necesidad de Él como nuestro todo en todo.
¿Es Él Sacerdote? Necesitamos Su sangre expiatoria y Su intercesión que todo lo alcanza, para que tengamos paz con Dios y para que nuestras oraciones y súplicas suban con aceptación a Sus oídos.
¿Es Él Profeta? Necesitamos Su instrucción celestial, para sentarnos a Sus pies y oír Su Palabra, de modo que creamos Sus promesas y obedezcamos Sus preceptos.
¿Es Él Rey? Necesitamos Su cetro poderoso y pacífico para someter a todo enemigo, calmar todo temor, sujetar toda concupiscencia, crucificar todo el cuerpo del pecado y llevar cautivo todo pensamiento a la obediencia de Cristo.
Al lector…
Quizá, querido lector, usted conoce bastante bien la verdad, pero su corazón se ha quedado frío. Tiene la letra, pero echa de menos el calor, el ablandamiento y el derretimiento de los que habla la familia viviente de Dios. Sea, pues, sincero delante de Dios: un mero conocimiento de la letra no puede dar fe viva ni derramar amor. Para eso hace falta el Consolador, el Espíritu de verdad, que testifica de Cristo y toma de lo Suyo para mostrarlo al alma.
¿Y cómo comienza Él? Haciéndole sentir su necesidad. ¿Necesita usted Su sangre expiatoria como Sacerdote, Su instrucción como Profeta, Su poderoso cetro como Rey para someter a sus enemigos y concupiscencias? Entonces esa misma necesidad ya es obra del Espíritu en usted. Ore para que Él prosiga y le muestre a Jesús como su todo en todo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl