vandaag verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
7 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Door Zijn wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en de wolken druppen dauw.
Spreuken 3:20
Toen de Heere zeide: „Er zij licht,” was er op hetzelfde ogenblik licht. Zo ook, als de Heere zegt: „Laat de aarde zich openen,” dan opent het hart zich onmiddellijk; het geweten wordt vertederd en de ziel hoort en ontvangt wat God zegt. En wat volgt er na dit openen? Het hart ontvangt de dauw, en stromen van Gods genade vallen erin; en die dauw en die stromen van Gods genade geven het zachtheid en vruchtbaarheid.
O, hoe moeten wij dat door smartelijke ervaring leren! Is ons hart niet vaak zo hard als het onderste van de molensteen, en naar ons gevoel geheel beroofd van licht, leven en kracht, zonder een korrel bekommering, verslagenheid, droefheid naar God, geestelijk verlangen of vurig smachten naar de Heere? Deze smartelijke ervaring moet ’s Heeren volk voortdurend hebben, opdat het wete dat „in hen”, dat is in hun vlees, „geen goed woont” en dat „de kracht alleen des Heeren is”.
Zo ik mijn eigen hart volgzaam kon maken, zou ik dan de Heere nodig hebben om het voor mij te doen? Zo ik aan mijn eigen ziel vruchtbaarheid kon geven, zou ik dan ooit smachten naar de dauw en de stromen des Heiligen Geestes? Zo ik vergeving en vrede aan mijn eigen geweten geven kon, zou ik dan de Heere behoeven om met kracht te spreken? Zo ik kon geloven, hopen, mij verblijden en over elk genadig en gezegend gevoel beschikken dat ik verlang te ondervinden, dan zou ik niet behoeven te worstelen in het aanhoudend gebed, het Koninkrijk Gods niet met geweld te nemen, niet te verlangen en te smachten of de Heere in onze ziel mocht nederdalen. Daarom acht de Heere het nodig dat wij in deze wegen wandelen, opdat wij weten mogen dat „het niet is desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods”.
Maar d’ altoos wijze raad des Heeren
houdt eeuwig stand, heeft altoos kracht.
Niets kan zijn hoog besluit ooit keren,
’t blijft van geslachte tot geslacht.
Zalig moet men noemen
die hun Maker roemen
als hun Heer en God,
’t volk door Hem tevoren
gunstig uitverkoren
tot zijn erv’ en lot.
Ps. 33:6
Aan de lezer…
Hoe zwaar is het wanneer uw hart vandaag zo hard is als het onderste van de molensteen! Vindt u er geen korrel bekommering, geen verslagenheid, geen vurig smachten naar de Heere, en bent u daarover bedroefd en verlegen? Weet dan dat deze smartelijke ervaring niet vreemd is aan ’s Heeren volk. Zij moet u leren dat in uw vlees geen goed woont, en dat de kracht alleen des Heeren is.
Want kon u uw eigen hart volgzaam maken, u zou Hem niet nodig hebben. Maar Hij, Die eens sprak: „Er zij licht,” en het was er, kan ook nu spreken, en dan opent het hart zich en het geweten wordt vertederd. Zijn dauw valt op de dorre grond, en zachtheid en vruchtbaarheid komen terug. Zo leert u dat het niet is desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. Wacht dan op Hem, en houd aan in het gebed.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Door Zijn wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en de wolken druppen dauw.
Spreuken 3:20
Toen de Heere zei: „Er zij licht,” was er op hetzelfde ogenblik licht. Zo is het ook wanneer de Heere zegt: „Laat de aarde zich openen.” Dan opent het hart zich onmiddellijk, het geweten wordt vertederd, en de ziel hoort en ontvangt wat God zegt. En wat volgt er op dit openen? Het hart ontvangt de dauw, en stromen van Gods genade vallen erin; en die dauw en die stromen van Gods genade maken het zacht en vruchtbaar.
O, hoe moeten wij dat leren door pijnlijke ervaring! Is ons hart niet vaak zo hard als de onderste molensteen, en naar ons gevoel helemaal beroofd van licht, leven en kracht, zonder een korrel bekommering, verslagenheid, droefheid naar God, geestelijk verlangen of vurig smachten naar de Heere? Deze pijnlijke ervaring moet het volk van de Heere voortdurend hebben, zodat het weet dat „in hen”, dat wil zeggen in hun vlees, „geen goed woont” en dat „de kracht alleen des Heeren is”.
Als ik mijn eigen hart gewillig kon maken, zou ik dan de Heere nodig hebben om dat voor mij te doen? Als ik mijn eigen ziel vruchtbaar kon maken, zou ik dan ooit smachten naar de dauw en de stromen van de Heilige Geest? Als ik vergeving en vrede aan mijn eigen geweten kon geven, zou ik dan de Heere nodig hebben om met kracht te spreken? Als ik kon geloven, hopen, mij verblijden en kon beschikken over elk genadig en gezegend gevoel dat ik verlang te ervaren, dan zou ik niet hoeven te worstelen in het aanhoudend gebed. Dan zou ik het Koninkrijk van God niet met geweld hoeven te nemen, en niet hoeven te verlangen en te smachten dat de Heere in onze ziel zou neerdalen. Daarom acht de Heere het nodig dat wij deze wegen gaan, zodat wij mogen weten dat „het niet is desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods”.
Maar d’ altoos wijze raad des Heeren
houdt eeuwig stand, heeft altoos kracht.
Niets kan zijn hoog besluit ooit keren,
’t blijft van geslachte tot geslacht.
Zalig moet men noemen
die hun Maker roemen
als hun Heer en God,
’t volk door Hem tevoren
gunstig uitverkoren
tot zijn erv’ en lot.
Ps. 33:6
Aan de lezer…
Hoe zwaar is het wanneer uw hart vandaag zo hard is als de onderste molensteen! Vindt u er geen korrel bekommering, geen verslagenheid, geen vurig smachten naar de Heere, en bent u daarover bedroefd en verlegen? Weet dan dat deze pijnlijke ervaring niet vreemd is voor het volk van de Heere. Zij moet u leren dat in uw vlees geen goed woont, en dat de kracht alleen van de Heere is.
Want als u uw eigen hart gewillig kon maken, zou u Hem niet nodig hebben. Maar Hij Die eens sprak: „Er zij licht,” en het was er, kan ook nu spreken; en dan opent het hart zich en wordt het geweten vertederd. Zijn dauw valt op de dorre grond, en zachtheid en vruchtbaarheid komen terug. Zo leert u dat het niet is desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. Wacht dan op Hem, en houd aan in het gebed.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
By His knowledge the depths are broken up, and the clouds drop down the dew.
Proverbs 3:20
When the Lord said, “Let there be light,” instantly there was light. So when the Lord says, “Let the heart open,” the heart immediately opens, the conscience is made tender, and the soul hears and receives what God speaks. And what follows this opening? The heart receives the dews and showers of God’s grace that fall into it; and these dews and showers of God’s grace communicate to it softness, fertility, and productiveness.
O how we have to learn this by painful experience! Is not our heart as hard sometimes as the nether millstone; and also our feelings, utterly destitute of light, life and power, without one grain of brokenness, contrition, godly sorrow, spiritual desire, or fervent breathing after the Lord? This painful experience the Lord’s people have to pass through perpetually, that they may know that “in them, that is, in their flesh dwells no good thing,” and that “power belongs unto God.”
Could I make my own heart soft, would I need the Lord to do it for me? Could I communicate fertility to my own soul, would I ever pant after the dews and showers of the Holy Spirit? Could I bring pardon and peace into my own conscience, would I need the Lord Himself to speak with power? Could I believe, hope, rejoice, and have at my own command every gracious and blessed feeling that I desire to experience, there would be no pleading the Lord’s own promises, no wrestling in importunate prayer, no taking the kingdom of God by violence, no longing and panting for the Lord to appear in our souls.
The Lord therefore sees fit that we should walk in these paths, that we may know, “it is not of him that wills, nor of him that runs, but of God that shows mercy.”
To the reader…
How heavy it is when your heart today is as hard as the nether millstone! Do you find in it not one grain of concern, no brokenness, no fervent longing after the Lord, and are you grieved and troubled by it? Know then that this painful experience is not strange to the people of the Lord. It must teach you that in your flesh dwells no good thing, and that power belongs to the Lord alone.
For if you could make your own heart willing, you would not need Him. But He Who once said, “Let there be light,” and there was light, can speak now as well; and then the heart opens and the conscience is made tender. His dew falls on the dry ground, and softness and fruitfulness return. So you learn that it is not of him that wills, nor of him that runs, but of God that shows mercy. Wait, then, upon Him, and continue in prayer.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Con Su ciencia se partieron los abismos, y destilan el rocío los cielos.
Proverbios 3:20
Cuando el Señor dijo: “Sea la luz”, al instante fue la luz. Así, cuando el Señor dice: “Que se abra el corazón”, el corazón se abre inmediatamente, la conciencia se vuelve tierna, y el alma oye y recibe lo que Dios habla. ¿Y qué sigue a esta apertura? El corazón recibe los rocíos y las lluvias de la gracia de Dios que caen en él; y estos rocíos y lluvias de la gracia de Dios le comunican blandura, fertilidad y fruto.
¡Oh, cómo tenemos que aprender esto por dolorosa experiencia! ¿No es nuestro corazón a veces tan duro como la muela de abajo, y también nuestros sentimientos, del todo desprovistos de luz, vida y poder, sin un solo grano de quebrantamiento, contrición, tristeza piadosa, deseo espiritual o ferviente anhelo del Señor? Por esta dolorosa experiencia tiene que pasar continuamente el pueblo del Señor, para que sepan que “en ellos, es a saber, en su carne, no mora el bien”, y que “de Dios es la fortaleza”.
Si yo pudiera ablandar mi propio corazón, ¿necesitaría que el Señor lo hiciera por mí? Si pudiera comunicar fertilidad a mi propia alma, ¿anhelaría jamás los rocíos y las lluvias del Espíritu Santo? Si pudiera traer perdón y paz a mi propia conciencia, ¿necesitaría que el Señor mismo hablara con poder? Si pudiera creer, esperar, regocijarme y tener a mi disposición todo sentimiento lleno de gracia y bendito que deseo experimentar, no habría alegar las propias promesas del Señor, ni luchar en oración importuna, ni arrebatar el reino de Dios por la fuerza, ni anhelar y suspirar que el Señor aparezca en nuestras almas.
Por eso el Señor tiene a bien que andemos por estas sendas, para que sepamos que “no es del que quiere, ni del que corre, sino de Dios que tiene misericordia”.
Al lector…
¡Qué pesado es cuando su corazón está hoy tan duro como la muela de abajo! ¿No halla en él ni un grano de preocupación, ningún quebrantamiento, ningún ferviente anhelo del Señor, y está usted afligido y turbado por ello? Sepa entonces que esta dolorosa experiencia no es extraña al pueblo del Señor. Ha de enseñarle que en su carne no mora el bien, y que la fortaleza es solo del Señor.
Porque si usted pudiera hacer dispuesto su propio corazón, no Le necesitaría. Pero Aquel que una vez dijo: “Sea la luz”, y fue la luz, puede hablar también ahora; y entonces el corazón se abre y la conciencia se vuelve tierna. Su rocío cae sobre la tierra seca, y vuelven la blandura y el fruto. Así aprende usted que no es del que quiere, ni del que corre, sino de Dios que tiene misericordia. Espere, pues, en Él, y persevere en la oración.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Die Koning verhore ons
O Heere! behoud; die Koning verhore ons, ten dage van ons roepen.
Psalm 20:10
Hoort Jezus ons niet altijd? Luistert Hij niet altijd naar de uitroepen van Zijn kinderen? Dat doet Hij, maar we hebben vaak het gevoel dat Hij niet meteen onze verzoeken beantwoordt, dat Hij ons niet hoort. „Hoe lang schreeuw ik, en Gij hoort niet, hoe lang roep ik geweld, tot U, en Gij verlost niet!” (Hab. 1:2). Op dat moment verkeerde de profeet in een duistere gemoedstoestand en kon hij niet geloven dat de Heere zijn gebed hoorde. Zo klaagt de Kerk in de Klaagliederen: „Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam” (Kl. 3:44). De wolk was zo dicht en donker dat haar gebed er niet doorheen kwam.
Soms ontstaat dus angst vanwege het uitstel van het antwoord op de smeekbede. Zij is aan de voeten, voor het aangezicht van de Koning neergelegd, maar het duurt lang voor het antwoord komt. Wat worden veel van Gods kinderen op dit punt op de proef gesteld! Ze hebben jarenlang gebeden dat Christus aan hun ziel wordt geopenbaard, dat hun zonden worden vergeven en Zijn liefde wordt uitgestort, maar zij is nog niet ingedaald met die heerlijke kracht die ze willen ondervinden. Hierdoor worden ze bang dat het nooit meer zal komen.
Een schuldgevoel doet ons vrezen dat we zo erg tegen de Heere hebben gezondigd dat Hij ons niet wil horen. De Heere zegt: „Uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen ulieden en tussen uw God, en uw zonden verbergen het aangezicht van ulieden” (Jes. 59:2). Soms gaan gevoelens als deze door ons heen: „Ik ben zo’n zondaar, zo’n verachtelijke stakker; ik ben in alles wat ik zeg, denk en doe zo anders dan wat een christen zou moeten zijn, dat de Heere me niet zal horen.” Soms, als ontrouw sterk overheersend is, denken we dat er geen God is Die ons kan horen.
Soms is het ongeloof zo sterk in ons dat we het gevoel hebben dat het geen zin heeft nog langer te bidden: „Ik heb zo lang gebeden, en de Heere slaat er geen acht op; waarom zou ik Hem ermee vermoeien?” Soms zijn we bang dat onze gebeden Hem tegenstaan, dat we als degenen zijn die „zwijnenvlees eten, en er is sap van gruwelijke dingen in hun vaten” (Jes. 65:4). Vanuit deze gevoelens zegt de Kerk dan: „Die Koning verhore ons!”
Lezen: Job 7
Aan de lezer…
Hebt u, waarde lezer, ook jarenlang gebeden en is het antwoord nog niet gekomen? U hebt gevraagd of Christus aan uw ziel geopenbaard mocht worden, of uw zonden vergeven mochten worden en Zijn liefde in uw hart uitgestort, en het is alsof de Heere Zich met een wolk heeft bedekt. Dan komt de vrees: ik ben te zondig, Hij zal mij niet horen; waarom zou ik Hem nog langer vermoeien?
Weet dan dat u niet de eerste bent die zo klaagt. De profeet riep: „Hoe lang schreeuw ik, en Gij hoort niet?” en de Kerk klaagde over een wolk waar geen gebed doorkwam. Toch hoort Jezus altijd naar de uitroepen van Zijn kinderen, ook als het antwoord lang uitblijft. Uw smeekbede ligt aan Zijn voeten, voor het aangezicht van de Koning. Houd dan niet op, maar zeg met de Kerk, juist vanuit al die vrees en dat ongeloof: „Die Koning verhore ons!”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O Heere! behoud; die Koning verhore ons, ten dage van ons roepen.
Psalm 20:10
Hoort Jezus ons niet altijd? Luistert Hij niet altijd naar het roepen van Zijn kinderen? Dat doet Hij, maar vaak hebben we het gevoel dat Hij onze verzoeken niet meteen beantwoordt, dat Hij ons niet hoort. „Hoe lang schreeuw ik, en Gij hoort niet, hoe lang roep ik geweld, tot U, en Gij verlost niet!” (Hab. 1:2). Op dat moment was de profeet in een duistere gemoedstoestand en kon hij niet geloven dat de Heere zijn gebed hoorde. Zo klaagt ook de Kerk in de Klaagliederen: „Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam” (Kl. 3:44). De wolk was zo dicht en donker dat haar gebed er niet doorheen kwam.
Soms ontstaat er dus angst doordat het antwoord op de smeekbede uitblijft. Die is aan de voeten, voor het aangezicht van de Koning neergelegd, maar het duurt lang voordat het antwoord komt. Wat worden veel van Gods kinderen op dit punt beproefd! Zij hebben jarenlang gebeden dat Christus aan hun ziel geopenbaard zou worden, dat hun zonden vergeven zouden worden en Zijn liefde uitgestort, maar die is nog niet neergedaald met de heerlijke kracht die zij willen ervaren. Daardoor worden zij bang dat het nooit zal komen.
Een schuldgevoel doet ons vrezen dat we zo erg tegen de Heere hebben gezondigd dat Hij ons niet wil horen. De Heere zegt: „Uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen ulieden en tussen uw God, en uw zonden verbergen het aangezicht van ulieden” (Jes. 59:2). Soms gaan zulke gevoelens door ons heen: „Ik ben zo’n zondaar, zo’n verachtelijke stakker; ik ben in alles wat ik zeg, denk en doe zo anders dan wat een christen zou moeten zijn, dat de Heere me niet zal horen.” Soms, als de ontrouw sterk de overhand heeft, denken we dat er geen God is Die ons kan horen.
Soms is het ongeloof zo sterk in ons dat we het gevoel hebben dat het geen zin heeft nog langer te bidden: „Ik heb zo lang gebeden, en de Heere slaat er geen acht op; waarom zou ik Hem ermee vermoeien?” Soms zijn we bang dat onze gebeden Hem tegenstaan, dat we zijn als zij die „zwijnenvlees eten, en er is sap van gruwelijke dingen in hun vaten” (Jes. 65:4). Vanuit zulke gevoelens zegt de Kerk dan: „Die Koning verhore ons!”
Lezen: Job 7
Aan de lezer…
Hebt u ook jarenlang gebeden en is het antwoord nog niet gekomen? U hebt gevraagd of Christus aan uw ziel geopenbaard mocht worden, of uw zonden vergeven mochten worden en Zijn liefde in uw hart uitgestort, en het is alsof de Heere Zich met een wolk heeft bedekt. Dan komt de vrees: ik ben te zondig, Hij zal mij niet horen; waarom zou ik Hem nog langer vermoeien?
Weet dan dat u niet de eerste bent die zo klaagt. De profeet riep: „Hoe lang schreeuw ik, en Gij hoort niet?” en de Kerk klaagde over een wolk waar geen gebed doorheen kwam. Toch luistert Jezus altijd naar het roepen van Zijn kinderen, ook als het antwoord lang uitblijft. Uw smeekbede ligt aan Zijn voeten, voor het aangezicht van de Koning. Houd dan niet op, maar zeg met de Kerk, juist vanuit al die vrees en dat ongeloof: „Die Koning verhore ons!”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Save, LORD: let the king hear us when we call.
Psalm 20:9
Does not Jesus always hear us? Does He not always listen to the cry of His children? He does, but we often feel that He does not answer our requests at once, that He does not hear us. “O LORD, how long shall I cry, and Thou wilt not hear! even cry out unto Thee of violence, and Thou wilt not save!” (Habakkuk 1:2). At that moment the prophet was in a dark state of mind and could not believe that the Lord heard his prayer. So also the Church complains in the Lamentations: “Thou hast covered Thyself with a cloud, that our prayer should not pass through” (Lamentations 3:44). The cloud was so thick and dark that her prayer could not pass through it.
Sometimes, then, fear arises because the answer to the petition is delayed. It has been laid at the feet, before the face of the King, but it is long before the answer comes. How many of God’s children are tried on this point! They have prayed for years that Christ might be revealed to their souls, that their sins might be pardoned and His love shed abroad, but it has not yet come down with the blessed power they want to feel. Because of this they become afraid that it will never come.
A sense of guilt makes us fear that we have sinned so grievously against the Lord that He will not hear us. The Lord says, “Your iniquities have separated between you and your God, and your sins have hid His face from you” (Isaiah 59:2). Sometimes such feelings pass through us: “I am such a sinner, such a vile wretch; in all I say, think and do I am so different from what a Christian ought to be, that the Lord will not hear me.” Sometimes, when infidelity gets the upper hand, we think there is no God Who can hear us.
Sometimes unbelief is so strong in us that we feel there is no use in praying any longer: “I have prayed so long, and the Lord takes no notice of it; why should I weary Him with it?” Sometimes we fear that our prayers are offensive to Him, that we are like those “which eat swine’s flesh, and broth of abominable things is in their vessels” (Isaiah 65:4). Out of such feelings the Church then says, “Let the King hear us!”
Reading: Job 7
To the reader…
Have you, too, prayed for years and the answer has not yet come? You have asked that Christ might be revealed to your soul, that your sins might be pardoned and His love shed abroad in your heart, and it is as if the Lord has covered Himself with a cloud. Then the fear comes: I am too sinful, He will not hear me; why should I weary Him any longer?
Know, then, that you are not the first to complain so. The prophet cried, “How long shall I cry, and Thou wilt not hear!” and the Church complained of a cloud through which no prayer could pass. Yet Jesus always listens to the cry of His children, even when the answer is long delayed. Your petition lies at His feet, before the face of the King. Do not stop, then, but say with the Church, out of all that fear and unbelief, “Let the King hear us!”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Salva, Jehová: que el Rey nos oiga el día que lo invocáremos.
Salmo 20:9
¿No nos oye Jesús siempre? ¿No escucha siempre el clamor de Sus hijos? Sí, lo hace; pero a menudo sentimos que no responde enseguida a nuestras peticiones, que no nos oye. “¿Hasta cuándo, oh Jehová, clamaré, y no oirás; y daré voces a Ti a causa de la violencia, y no salvarás?” (Habacuc 1:2). En aquel momento el profeta estaba en un estado de ánimo oscuro y no podía creer que el Señor oyera su oración. Así también se queja la Iglesia en las Lamentaciones: “Te cubriste de nube, porque no pasase la oración nuestra” (Lamentaciones 3:44). La nube era tan espesa y oscura que su oración no podía atravesarla.
A veces, pues, surge el temor porque la respuesta a la petición se demora. Ha sido puesta a los pies, delante del rostro del Rey, pero tarda mucho en venir la respuesta. ¡Cuántos de los hijos de Dios son probados en este punto! Han orado durante años para que Cristo fuese revelado a sus almas, para que sus pecados fuesen perdonados y Su amor derramado, pero todavía no ha descendido con el bendito poder que desean sentir. Por eso llegan a temer que nunca vendrá.
Un sentimiento de culpa nos hace temer que hemos pecado tan gravemente contra el Señor que Él no nos oirá. El Señor dice: “Vuestras iniquidades han hecho división entre vosotros y vuestro Dios, y vuestros pecados han hecho ocultar Su rostro de vosotros” (Isaías 59:2). A veces nos atraviesan sentimientos como estos: “Soy tan pecador, tan vil miserable; en todo lo que digo, pienso y hago soy tan diferente de lo que un cristiano debería ser, que el Señor no me oirá”. A veces, cuando la incredulidad impía se impone, pensamos que no hay Dios que pueda oírnos.
A veces la incredulidad es tan fuerte en nosotros que sentimos que ya no sirve de nada seguir orando: “He orado tanto tiempo, y el Señor no hace caso de ello; ¿por qué he de cansarle con eso?”. A veces tememos que nuestras oraciones le sean ofensivas, que seamos como aquellos “que comen carne de puerco, y en sus ollas hay caldo de cosas inmundas” (Isaías 65:4). Desde tales sentimientos dice entonces la Iglesia: “¡Que el Rey nos oiga!”.
Lectura: Job 7
Al lector…
¿Ha orado usted también durante años y la respuesta todavía no ha llegado? Ha pedido que Cristo fuese revelado a su alma, que sus pecados fuesen perdonados y Su amor derramado en su corazón, y es como si el Señor se hubiera cubierto de nube. Entonces viene el temor: soy demasiado pecador, Él no me oirá; ¿por qué cansarle más?
Sepa, pues, que usted no es el primero que se queja así. El profeta clamó: “¿Hasta cuándo clamaré, y no oirás?”, y la Iglesia se quejó de una nube que ninguna oración podía atravesar. Sin embargo, Jesús escucha siempre el clamor de Sus hijos, aun cuando la respuesta se demora mucho. Su petición yace a Sus pies, delante del rostro del Rey. No deje, pues, de orar, sino diga con la Iglesia, desde todo ese temor e incredulidad: “¡Que el Rey nos oiga!”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou.
Lukas 24:21
Wat een beproeving voor hun geloof moet de dood van Jezus voor de discipelen en gelovige volgelingen geweest zijn! Toen hun Heere en Meester stierf, scheen voor die tijd althans hun hoop met Hem vergaan te zijn. En inderdaad moet dit zo geweest zijn voor het oog van hun gevoel, en vielen de waarheid, de heiligheid en de onschuld, door de arm des gewelds gekwetst, toen Jezus hing aan het kruis. Voor de toeschouwer werden al Zijn wonderen van liefde en barmhartigheid, Zijn woorden van genade en waarheid, Zijn heilig en vlekkeloos leven, Zijn aanspraak, die Hij maakte, van te zijn de Zoon van God, de beloofde Messias, de Verlosser van Israël, met alle beloften en elke profetie betreffende Hem, uitgeblust, toen Hij te midden van de zegepraal Zijner vijanden, in pijn, schande en ontering de geest gaf.
Nu zien wij dat de Heere door Zijn bloedstorting en dood verlossing heeft teweeggebracht en het werk voleindigd heeft hetwelk de Vader Hem te doen gegeven had; dat Hij door Zijns Zelfs offerande de zonde heeft weggenomen, de kerk met God verzoend en over dood en hel getriomfeerd heeft; de satan heeft overwonnen, de wet verhoogd en verheerlijkt, de gerechtigheid verhoogd en barmhartigheid heeft voortgebracht. Hij heeft iedere schijnbaar tegenstrijdige eigenschap doen overeenstemmen, Zijn hemelse Vader verheerlijkt en miljoenen verlost met een eeuwigdurende verlossing.
Doch hadden wij het gezien gelijk wij het nu zien, hadden wij met een wenende Maria en met een van hart verbroken Johannes de beschimpingen der schriftgeleerden en Farizeeën gehoord, de spottende lach der Romeinse soldaten en de honende uitroepen van het Joodse gepeupel, terwijl tevens of tegelijkertijd het licht zich had ingetrokken en de vaste aarde onder onze voeten schudde, waar zou ons geloof gebleven zijn? Wat anders dan een wonder van almachtige genade kon het ondersteund hebben te midden van zulke donkere wolken, zulk een kracht van gewaarwordingen, zulk een menigte van beroeringen in het gemoed, zulk een tegenstand van het ongeloof?
Gelijk het geweest is en in deze tijd zal zijn, zullen de waarheid, de oprechtheid en de godzaligheid, en de zaak van God in het algemeen, als onderscheiden van en tegenovergesteld aan dwaling, zullen gekruisigd worden, niet in de Persoon, maar naar het voorbeeld van een gekruisigde Jezus. Het is een goddeloze wereld; de satan, niet Jezus, is haar god en vorst, en derhalve vieren geen waarheid, maar valsheid, geen goed, maar kwaad, geen liefde, maar vijandschap, geen oprechtheid, maar list en bedrieglijkheid, geen gerechtigheid en heiligheid, maar zonde en goddeloosheid hoogtij, evenals bij het kruis.
Deze beproeven het geloof; maar zijn ondersteuning en geneesmiddel is om te midden van deze donkere wolken te zien naar het kruis en te blikken op de lijdende Zoon van God. Dan zien wij dat het gejuich der goddelozen slechts is voor een ogenblik, en dat, ofschoon de waarheid nu lijdt, zij met Christus lijdt; en gelijk Hij stierf en weder opstond, zo zal ook zij heerlijk opstaan en eeuwig triomferen.
Aan de lezer…
„En wij hoopten…” Kent u, waarde lezer, die verslagen woorden? Er zijn uren waarin alles wat u geloofde schijnt te sterven; waarin de waarheid gekruisigd wordt en de goddelozen juichen; waarin het licht zich intrekt en de aarde onder uw voeten schudt. Dan vraagt u met de discipelen of uw hoop niet ijdel geweest is. Wat anders dan een wonder van almachtige genade kan het geloof dan ondersteunen?
Ziet dan, te midden van die donkere wolken, naar het kruis. Wat voor het oog der discipelen een nederlaag scheen, was het voleindigde werk dat de Vader Hem te doen gegeven had. Daar heeft Hij de zonde weggenomen en over dood en hel getriomfeerd. Het gejuich der goddelozen is slechts voor een ogenblik. Lijdt de waarheid, lijdt u om de waarheid, u lijdt met Christus; en gelijk Hij stierf en weder opstond, zo zal ook Zijn zaak heerlijk opstaan en eeuwig triomferen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou.
Lukas 24:21
Wat een beproeving voor hun geloof moet de dood van Jezus voor de discipelen en gelovige volgelingen geweest zijn! Toen hun Heere en Meester stierf, leek hun hoop, althans voor die tijd, met Hem vergaan te zijn. En voor het oog van hun gevoel moet dit inderdaad zo geweest zijn: de waarheid, de heiligheid en de onschuld vielen, gewond door de arm van het geweld, toen Jezus aan het kruis hing. Voor de toeschouwer werden al Zijn wonderen van liefde en barmhartigheid, Zijn woorden van genade en waarheid, Zijn heilig en vlekkeloos leven, Zijn aanspraak dat Hij de Zoon van God was, de beloofde Messias, de Verlosser van Israël, met alle beloften en iedere profetie over Hem, uitgeblust toen Hij te midden van de zegepraal van Zijn vijanden, in pijn, schande en smaad de geest gaf.
Nu zien wij dat de Heere door Zijn bloedstorting en dood verlossing heeft teweeggebracht en het werk voleindigd heeft dat de Vader Hem te doen gegeven had. Wij zien dat Hij door het offer van Zichzelf de zonde heeft weggenomen, de kerk met God verzoend heeft en over dood en hel getriomfeerd heeft; dat Hij satan heeft overwonnen, de wet groot en heerlijk gemaakt, de gerechtigheid verhoogd en barmhartigheid voortgebracht heeft. Hij heeft elke schijnbaar tegenstrijdige eigenschap met elkaar in overeenstemming gebracht, Zijn hemelse Vader verheerlijkt en miljoenen verlost met een eeuwige verlossing.
Maar hadden wij het gezien zoals wij het nu zien? Hadden wij met een wenende Maria en een in het hart verbroken Johannes de beschimpingen van de schriftgeleerden en Farizeeën gehoord, de spottende lach van de Romeinse soldaten en de honende uitroepen van het Joodse volk, terwijl tegelijkertijd het licht zich terugtrok en de vaste aarde onder onze voeten schudde, waar zou ons geloof dan gebleven zijn? Wat anders dan een wonder van almachtige genade had het kunnen ondersteunen te midden van zulke donkere wolken, zo’n kracht van gevoelens, zo’n menigte van beroeringen in het gemoed, zo’n tegenstand van het ongeloof?
Zoals het geweest is, zo zal het ook in deze tijd zijn: de waarheid, de oprechtheid en de godzaligheid, en de zaak van God in het algemeen, onderscheiden van en tegenovergesteld aan de dwaling, zullen gekruisigd worden; niet in de Persoon, maar naar het voorbeeld van een gekruisigde Jezus. Het is een goddeloze wereld; satan, niet Jezus, is haar god en vorst. Daarom vieren niet de waarheid maar de valsheid, niet het goede maar het kwade, niet de liefde maar de vijandschap, niet de oprechtheid maar list en bedrog, niet gerechtigheid en heiligheid maar zonde en goddeloosheid hoogtij, net als bij het kruis.
Deze dingen beproeven het geloof. Maar zijn steun en geneesmiddel is om te midden van deze donkere wolken naar het kruis te zien en op de lijdende Zoon van God te zien. Dan zien wij dat het gejuich van de goddelozen maar voor een ogenblik is. En hoewel de waarheid nu lijdt, lijdt zij met Christus; en zoals Hij stierf en weer opstond, zo zal ook zij heerlijk opstaan en eeuwig triomferen.
Aan de lezer…
„En wij hoopten…” Kent u, waarde lezer, die verslagen woorden? Er zijn uren waarin alles wat u geloofde lijkt te sterven; waarin de waarheid gekruisigd wordt en de goddelozen juichen; waarin het licht zich terugtrekt en de aarde onder uw voeten schudt. Dan vraagt u zich met de discipelen af of uw hoop niet ijdel geweest is. Wat anders dan een wonder van almachtige genade kan het geloof dan ondersteunen?
Zie dan, te midden van die donkere wolken, naar het kruis. Wat voor het oog van de discipelen een nederlaag leek, was het voleindigde werk dat de Vader Hem te doen gegeven had. Daar heeft Hij de zonde weggenomen en over dood en hel getriomfeerd. Het gejuich van de goddelozen duurt maar een ogenblik. Lijdt de waarheid, lijdt u om de waarheid, dan lijdt u met Christus; en zoals Hij stierf en weer opstond, zo zal ook Zijn zaak heerlijk opstaan en eeuwig triomferen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“But we trusted that it had been he which should have redeemed Israel.”
Luke 24:21
What a trial to their faith must the death of Jesus have been to His disciples and believing followers! When their Lord and Master died, their hopes, for the time at least, seem almost to have died with Him. And indeed to the eye of sense—truth, holiness, innocence, all fell crushed by the arm of violence as Jesus hung on the cross. To the spectator there, all His miracles of love and mercy, His words of grace and truth, His holy, spotless life, His claims to be the Son of God, the promised Messiah, the Redeemer of Israel, with every promise and every prophecy concerning Him were all extinguished when, amid the triumph of His foes, in pain, shame, and ignominy, He yielded up His breath.
We now see that, by His blood-shedding and death, the blessed Lord wrought out redemption, finished the work which the Father gave Him to do, put away sin by the sacrifice of Himself, reconciled the Church unto God, triumphed over death and hell, vanquished Satan, magnified the law and made it honorable, exalted justice, brought in mercy, harmonized every apparently jarring attribute, glorified His heavenly Father, and saved millions with an everlasting salvation.
But would we have seen this as we see it now, had we stood at the cross with weeping Mary and broken-hearted John, heard the railing taunts of the scribes and Pharisees, the crude laughter of the Roman soldiery, and the mocking cries of the Jewish mob, viewed the darkened sky above, and felt the solid earth beneath rocking under our feet? Where would our faith have been then? What but a miracle of almighty grace and power could have sustained it amid such clouds of darkness, such strength of sense, such a crowd of conflicting passions, such opposition of unbelief?
So it ever has been, so it ever will be in this time state. Truth, uprightness, godliness, the cause of God as distinct from, as opposed to error and evil, have always suffered crucifixion, not only in the Person, but in the example of a crucified Jesus. It is an ungodly world; Satan, not Jesus, is its god and prince; and therefore, not truth but falsehood, not good but evil, not love but enmity, not sincerity and uprightness but craft and deceptiveness, not righteousness and holiness but sin and godlessness prevail and triumph as they did at the cross.
This tries faith; but its relief and remedy are to look up, amid these clouds, to the cross, and see on it the suffering Son of God. Then we see that the triumphing of the wicked is but for a moment; that though truth is now suffering, it is suffering with Christ; and that as He died and rose again, so it will have a glorious resurrection, and an eternal triumph.
To the reader…
“But we trusted…” Do you know those crushed words, dear reader? There are hours in which everything you believed seems to die; in which the truth is crucified and the wicked rejoice; in which the light withdraws and the earth shakes beneath your feet. Then, with the disciples, you ask yourself whether your hope has not been in vain. What but a miracle of almighty grace can uphold faith then?
Look, then, amid those dark clouds, to the cross. What seemed a defeat to the eyes of the disciples was the finished work which the Father had given Him to do. There He put away sin and triumphed over death and hell. The triumphing of the wicked lasts only a moment. If the truth suffers, if you suffer for the truth, then you suffer with Christ; and as He died and rose again, so His cause too will rise gloriously and triumph forever.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Mas nosotros esperábamos que Él era el que había de redimir a Israel.”
Lucas 24:21
¡Qué prueba para su fe debió de ser la muerte de Jesús para Sus discípulos y Sus seguidores creyentes! Cuando murió su Señor y Maestro, sus esperanzas, al menos por un tiempo, parecen casi haber muerto con Él. Y en verdad, a los ojos de los sentidos, la verdad, la santidad y la inocencia cayeron todas aplastadas por el brazo de la violencia cuando Jesús pendía de la cruz. Para el espectador que estaba allí, todos Sus milagros de amor y misericordia, Sus palabras de gracia y verdad, Su vida santa e inmaculada, Su pretensión de ser el Hijo de Dios, el Mesías prometido, el Redentor de Israel, con cada promesa y cada profecía acerca de Él, quedaron todos apagados cuando, en medio del triunfo de Sus enemigos, con dolor, vergüenza e ignominia, entregó Su aliento.
Ahora vemos que, por el derramamiento de Su sangre y por Su muerte, el bendito Señor obró la redención, acabó la obra que el Padre le dio que hiciese, quitó el pecado por el sacrificio de Sí mismo, reconcilió a la Iglesia con Dios, triunfó sobre la muerte y el infierno, venció a Satanás, engrandeció la ley y la hizo honorable, exaltó la justicia, introdujo la misericordia, armonizó todo atributo aparentemente discordante, glorificó a Su Padre celestial y salvó a millones con una salvación eterna.
¿Pero lo habríamos visto así, como lo vemos ahora, si hubiéramos estado junto a la cruz con María llorosa y Juan quebrantado de corazón, si hubiéramos oído las burlas injuriosas de los escribas y fariseos, la risa grosera de la soldadesca romana y los gritos de escarnio de la turba judía, si hubiéramos visto el cielo oscurecido arriba y sentido la tierra firme temblar bajo nuestros pies? ¿Dónde habría estado entonces nuestra fe? ¿Qué sino un milagro de gracia y poder omnipotentes podría haberla sostenido en medio de tales nubes de tinieblas, tal fuerza de los sentidos, tal multitud de pasiones encontradas, tal oposición de la incredulidad?
Así ha sido siempre, y así será siempre en este estado del tiempo. La verdad, la rectitud, la piedad, la causa de Dios, como distinta y opuesta al error y al mal, siempre han sufrido crucifixión, no solo en la Persona, sino en el ejemplo de un Jesús crucificado. Es un mundo impío; Satanás, y no Jesús, es su dios y príncipe; y por tanto, no la verdad sino la mentira, no el bien sino el mal, no el amor sino la enemistad, no la sinceridad y la rectitud sino la astucia y el engaño, no la justicia y la santidad sino el pecado y la impiedad, prevalecen y triunfan como lo hicieron en la cruz.
Esto prueba la fe; pero su alivio y remedio es mirar arriba, en medio de estas nubes, a la cruz, y ver en ella al Hijo de Dios que padece. Entonces vemos que el triunfo de los impíos es solo por un momento; que aunque la verdad padece ahora, padece con Cristo; y que, así como Él murió y resucitó, así ella tendrá una gloriosa resurrección y un triunfo eterno.
Al lector…
“Mas nosotros esperábamos…” ¿Conoce usted esas palabras abatidas, querido lector? Hay horas en que todo lo que usted creía parece morir; en que la verdad es crucificada y los impíos se alegran; en que la luz se retira y la tierra tiembla bajo sus pies. Entonces, con los discípulos, se pregunta si su esperanza no ha sido en vano. ¿Qué sino un milagro de gracia omnipotente puede sostener entonces la fe?
Mire, pues, en medio de esas nubes oscuras, a la cruz. Lo que a los ojos de los discípulos parecía una derrota era la obra consumada que el Padre le había dado que hiciese. Allí quitó el pecado y triunfó sobre la muerte y el infierno. El triunfo de los impíos dura solo un momento. Si la verdad padece, si usted padece por la verdad, entonces padece con Cristo; y así como Él murió y resucitó, así también Su causa se levantará gloriosamente y triunfará para siempre.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl