22 de noviembre
Door Zijn wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en de wolken druppen dauw.
Spreuken 3:20
Toen de Heere zeide: „Er zij licht,” was er op hetzelfde ogenblik licht. Zo ook, als de Heere zegt: „Laat de aarde zich openen,” dan opent het hart zich onmiddellijk; het geweten wordt vertederd en de ziel hoort en ontvangt wat God zegt. En wat volgt er na dit openen? Het hart ontvangt de dauw, en stromen van Gods genade vallen erin; en die dauw en die stromen van Gods genade geven het zachtheid en vruchtbaarheid.
O, hoe moeten wij dat door smartelijke ervaring leren! Is ons hart niet vaak zo hard als het onderste van de molensteen, en naar ons gevoel geheel beroofd van licht, leven en kracht, zonder een korrel bekommering, verslagenheid, droefheid naar God, geestelijk verlangen of vurig smachten naar de Heere? Deze smartelijke ervaring moet ’s Heeren volk voortdurend hebben, opdat het wete dat „in hen”, dat is in hun vlees, „geen goed woont” en dat „de kracht alleen des Heeren is”.
Zo ik mijn eigen hart volgzaam kon maken, zou ik dan de Heere nodig hebben om het voor mij te doen? Zo ik aan mijn eigen ziel vruchtbaarheid kon geven, zou ik dan ooit smachten naar de dauw en de stromen des Heiligen Geestes? Zo ik vergeving en vrede aan mijn eigen geweten geven kon, zou ik dan de Heere behoeven om met kracht te spreken? Zo ik kon geloven, hopen, mij verblijden en over elk genadig en gezegend gevoel beschikken dat ik verlang te ondervinden, dan zou ik niet behoeven te worstelen in het aanhoudend gebed, het Koninkrijk Gods niet met geweld te nemen, niet te verlangen en te smachten of de Heere in onze ziel mocht nederdalen. Daarom acht de Heere het nodig dat wij in deze wegen wandelen, opdat wij weten mogen dat „het niet is desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods”.
Maar d’ altoos wijze raad des Heeren
houdt eeuwig stand, heeft altoos kracht.
Niets kan zijn hoog besluit ooit keren,
’t blijft van geslachte tot geslacht.
Zalig moet men noemen
die hun Maker roemen
als hun Heer en God,
’t volk door Hem tevoren
gunstig uitverkoren
tot zijn erv’ en lot.
Ps. 33:6
Aan de lezer…
Hoe zwaar is het wanneer uw hart vandaag zo hard is als het onderste van de molensteen! Vindt u er geen korrel bekommering, geen verslagenheid, geen vurig smachten naar de Heere, en bent u daarover bedroefd en verlegen? Weet dan dat deze smartelijke ervaring niet vreemd is aan ’s Heeren volk. Zij moet u leren dat in uw vlees geen goed woont, en dat de kracht alleen des Heeren is.
Want kon u uw eigen hart volgzaam maken, u zou Hem niet nodig hebben. Maar Hij, Die eens sprak: „Er zij licht,” en het was er, kan ook nu spreken, en dan opent het hart zich en het geweten wordt vertederd. Zijn dauw valt op de dorre grond, en zachtheid en vruchtbaarheid komen terug. Zo leert u dat het niet is desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. Wacht dan op Hem, en houd aan in het gebed.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Door Zijn wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en de wolken druppen dauw.
Spreuken 3:20
Toen de Heere zei: „Er zij licht,” was er op hetzelfde ogenblik licht. Zo is het ook wanneer de Heere zegt: „Laat de aarde zich openen.” Dan opent het hart zich onmiddellijk, het geweten wordt vertederd, en de ziel hoort en ontvangt wat God zegt. En wat volgt er op dit openen? Het hart ontvangt de dauw, en stromen van Gods genade vallen erin; en die dauw en die stromen van Gods genade maken het zacht en vruchtbaar.
O, hoe moeten wij dat leren door pijnlijke ervaring! Is ons hart niet vaak zo hard als de onderste molensteen, en naar ons gevoel helemaal beroofd van licht, leven en kracht, zonder een korrel bekommering, verslagenheid, droefheid naar God, geestelijk verlangen of vurig smachten naar de Heere? Deze pijnlijke ervaring moet het volk van de Heere voortdurend hebben, zodat het weet dat „in hen”, dat wil zeggen in hun vlees, „geen goed woont” en dat „de kracht alleen des Heeren is”.
Als ik mijn eigen hart gewillig kon maken, zou ik dan de Heere nodig hebben om dat voor mij te doen? Als ik mijn eigen ziel vruchtbaar kon maken, zou ik dan ooit smachten naar de dauw en de stromen van de Heilige Geest? Als ik vergeving en vrede aan mijn eigen geweten kon geven, zou ik dan de Heere nodig hebben om met kracht te spreken? Als ik kon geloven, hopen, mij verblijden en kon beschikken over elk genadig en gezegend gevoel dat ik verlang te ervaren, dan zou ik niet hoeven te worstelen in het aanhoudend gebed. Dan zou ik het Koninkrijk van God niet met geweld hoeven te nemen, en niet hoeven te verlangen en te smachten dat de Heere in onze ziel zou neerdalen. Daarom acht de Heere het nodig dat wij deze wegen gaan, zodat wij mogen weten dat „het niet is desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods”.
Maar d’ altoos wijze raad des Heeren
houdt eeuwig stand, heeft altoos kracht.
Niets kan zijn hoog besluit ooit keren,
’t blijft van geslachte tot geslacht.
Zalig moet men noemen
die hun Maker roemen
als hun Heer en God,
’t volk door Hem tevoren
gunstig uitverkoren
tot zijn erv’ en lot.
Ps. 33:6
Aan de lezer…
Hoe zwaar is het wanneer uw hart vandaag zo hard is als de onderste molensteen! Vindt u er geen korrel bekommering, geen verslagenheid, geen vurig smachten naar de Heere, en bent u daarover bedroefd en verlegen? Weet dan dat deze pijnlijke ervaring niet vreemd is voor het volk van de Heere. Zij moet u leren dat in uw vlees geen goed woont, en dat de kracht alleen van de Heere is.
Want als u uw eigen hart gewillig kon maken, zou u Hem niet nodig hebben. Maar Hij Die eens sprak: „Er zij licht,” en het was er, kan ook nu spreken; en dan opent het hart zich en wordt het geweten vertederd. Zijn dauw valt op de dorre grond, en zachtheid en vruchtbaarheid komen terug. Zo leert u dat het niet is desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. Wacht dan op Hem, en houd aan in het gebed.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
By His knowledge the depths are broken up, and the clouds drop down the dew.
Proverbs 3:20
When the Lord said, “Let there be light,” instantly there was light. So when the Lord says, “Let the heart open,” the heart immediately opens, the conscience is made tender, and the soul hears and receives what God speaks. And what follows this opening? The heart receives the dews and showers of God’s grace that fall into it; and these dews and showers of God’s grace communicate to it softness, fertility, and productiveness.
O how we have to learn this by painful experience! Is not our heart as hard sometimes as the nether millstone; and also our feelings, utterly destitute of light, life and power, without one grain of brokenness, contrition, godly sorrow, spiritual desire, or fervent breathing after the Lord? This painful experience the Lord’s people have to pass through perpetually, that they may know that “in them, that is, in their flesh dwells no good thing,” and that “power belongs unto God.”
Could I make my own heart soft, would I need the Lord to do it for me? Could I communicate fertility to my own soul, would I ever pant after the dews and showers of the Holy Spirit? Could I bring pardon and peace into my own conscience, would I need the Lord Himself to speak with power? Could I believe, hope, rejoice, and have at my own command every gracious and blessed feeling that I desire to experience, there would be no pleading the Lord’s own promises, no wrestling in importunate prayer, no taking the kingdom of God by violence, no longing and panting for the Lord to appear in our souls.
The Lord therefore sees fit that we should walk in these paths, that we may know, “it is not of him that wills, nor of him that runs, but of God that shows mercy.”
To the reader…
How heavy it is when your heart today is as hard as the nether millstone! Do you find in it not one grain of concern, no brokenness, no fervent longing after the Lord, and are you grieved and troubled by it? Know then that this painful experience is not strange to the people of the Lord. It must teach you that in your flesh dwells no good thing, and that power belongs to the Lord alone.
For if you could make your own heart willing, you would not need Him. But He Who once said, “Let there be light,” and there was light, can speak now as well; and then the heart opens and the conscience is made tender. His dew falls on the dry ground, and softness and fruitfulness return. So you learn that it is not of him that wills, nor of him that runs, but of God that shows mercy. Wait, then, upon Him, and continue in prayer.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Con Su ciencia se partieron los abismos, y destilan el rocío los cielos.
Proverbios 3:20
Cuando el Señor dijo: “Sea la luz”, al instante fue la luz. Así, cuando el Señor dice: “Que se abra el corazón”, el corazón se abre inmediatamente, la conciencia se vuelve tierna, y el alma oye y recibe lo que Dios habla. ¿Y qué sigue a esta apertura? El corazón recibe los rocíos y las lluvias de la gracia de Dios que caen en él; y estos rocíos y lluvias de la gracia de Dios le comunican blandura, fertilidad y fruto.
¡Oh, cómo tenemos que aprender esto por dolorosa experiencia! ¿No es nuestro corazón a veces tan duro como la muela de abajo, y también nuestros sentimientos, del todo desprovistos de luz, vida y poder, sin un solo grano de quebrantamiento, contrición, tristeza piadosa, deseo espiritual o ferviente anhelo del Señor? Por esta dolorosa experiencia tiene que pasar continuamente el pueblo del Señor, para que sepan que “en ellos, es a saber, en su carne, no mora el bien”, y que “de Dios es la fortaleza”.
Si yo pudiera ablandar mi propio corazón, ¿necesitaría que el Señor lo hiciera por mí? Si pudiera comunicar fertilidad a mi propia alma, ¿anhelaría jamás los rocíos y las lluvias del Espíritu Santo? Si pudiera traer perdón y paz a mi propia conciencia, ¿necesitaría que el Señor mismo hablara con poder? Si pudiera creer, esperar, regocijarme y tener a mi disposición todo sentimiento lleno de gracia y bendito que deseo experimentar, no habría alegar las propias promesas del Señor, ni luchar en oración importuna, ni arrebatar el reino de Dios por la fuerza, ni anhelar y suspirar que el Señor aparezca en nuestras almas.
Por eso el Señor tiene a bien que andemos por estas sendas, para que sepamos que “no es del que quiere, ni del que corre, sino de Dios que tiene misericordia”.
Al lector…
¡Qué pesado es cuando su corazón está hoy tan duro como la muela de abajo! ¿No halla en él ni un grano de preocupación, ningún quebrantamiento, ningún ferviente anhelo del Señor, y está usted afligido y turbado por ello? Sepa entonces que esta dolorosa experiencia no es extraña al pueblo del Señor. Ha de enseñarle que en su carne no mora el bien, y que la fortaleza es solo del Señor.
Porque si usted pudiera hacer dispuesto su propio corazón, no Le necesitaría. Pero Aquel que una vez dijo: “Sea la luz”, y fue la luz, puede hablar también ahora; y entonces el corazón se abre y la conciencia se vuelve tierna. Su rocío cae sobre la tierra seca, y vuelven la blandura y el fruto. Así aprende usted que no es del que quiere, ni del que corre, sino de Dios que tiene misericordia. Espere, pues, en Él, y persevere en la oración.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl