6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En gij zult Mij zoeken, en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart.
Jeremia 29:13
Nadat de Heere onze zielen heeft levend gemaakt, gaan wij, om zo te spreken, onbezonnen voort, niet wetende dat er een Jezus is. Wij menen dat de weg ten leven is Gods geboden te houden, aan de Wet te gehoorzamen, ons van zonde te reinigen, ons leven te veranderen en algemene heiligheid in gedachten, woorden en daden aan te kweken; en zo gaan wij onbezonnen in de duisternis struikelende voort, en gedurende al die tijd gaan wij geen stap voorwaarts.
Maar wanneer de Heere ons heeft laten voortgaan, ons vermoeiende om de deur te vinden, en ons al dieper en dieper heeft laten zinken in de kuil van schuld en verderf, omdat wij gevoelen dat al onze pogingen om er ons uit te helpen ons slechts dieper en dieper deden vallen, en de Geest van God opent ons verstand en schenkt aan de ziel enige geestelijke ontdekking van de Heere Jezus, en maakt ons bekend dat er een Zaligmaker, een Middelaar, een weg ter ontkoming is – dan is het grote keerpunt in ons leven gekomen: de eerste opening van de deur der hoop in de vallei van Achor. En wanneer de ziel eenmaal gezien heeft dat er een Jezus is, en eenmaal in zekere mate de kracht Zijner opstanding gevoeld heeft, gaat zij nergens anders meer heen om vergeving, rechtvaardigmaking en verlossing.
Wanneer de Geest Gods met kracht in zijn geweten begint te verklaren dat er een Jezus is, dat Hij de enige Middelaar is, dat de Zone Gods is nedergedaald en een heilige menselijke natuur heeft aangenomen in vereniging met Zijn Goddelijke natuur, en dat Hij nu zit ter rechterhand des Vaders, dan is dit het eerste morgenrood, de dageraad der hoop; en op die heldere plaats vestigt de ziel haar verlangende ogen, totdat de Zon der Gerechtigheid daar opgaat, genezing onder haar vleugelen met zich voerende. Het is een grote genade zich van alle vormen en ceremoniën af te keren, gelijk de schipbreukeling zich van zijn zinkend schip afkeert en uitziet naar de opkomende zon, om hem een weg tot ontkoming te wijzen en hem aldus een straal van hoop te schenken.
Mijn hart zegt mij, o Heer, van Uwentwegen:
„Zoek door gebeên met ernst Mijn aangezicht!”
Dat wil, dat zal ik doen: ik zoek de zegen
alleen bij U, o Bron van troost en licht!
Ps. 27:5
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u nog bezig bent de deur te zoeken langs de weg van de Wet. Tracht u uzelf te reinigen en uw leven te verbeteren, en merkt u dat elke poging u slechts dieper in de kuil van schuld doet zinken? Wees dan niet al te bedroefd over die vermoeidheid. Zo leidt de Heere de Zijnen, totdat zij aan zichzelf ten einde zijn en er geen stap voorwaarts meer is.
Want juist daar, in de vallei van Achor, opent Hij de deur der hoop. Daar doet de Geest zien dat er een Jezus is, een Zaligmaker, een Middelaar, Die nu zit ter rechterhand des Vaders. Keer u dan, als een schipbreukeling van zijn zinkend schip, van alle eigen vormen af, en zie uit naar de Zon der Gerechtigheid. De belofte staat er: „Gij zult Mij zoeken, en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En gij zult Mij zoeken, en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart.
Jeremia 29:13
Nadat de Heere onze ziel levend heeft gemaakt, gaan wij, om zo te zeggen, blindelings verder, zonder te weten dat er een Jezus is. Wij menen dat de weg ten leven is: Gods geboden houden, de Wet gehoorzamen, onszelf van zonde reinigen, ons leven veranderen en een algehele heiligheid in gedachten, woorden en daden aankweken. Zo gaan wij blindelings struikelend verder in de duisternis, en al die tijd komen wij geen stap vooruit.
Maar dan heeft de Heere ons laten doorgaan totdat wij uitgeput raakten in het zoeken naar de deur, en heeft Hij ons steeds dieper laten zinken in de kuil van schuld en verderf, omdat wij voelen dat al onze pogingen om ons eruit te helpen ons alleen maar dieper deden vallen. En dan opent de Geest van God ons verstand, schenkt Hij de ziel enige geestelijke ontdekking van de Heere Jezus en maakt Hij ons bekend dat er een Zaligmaker is, een Middelaar, een weg om te ontkomen. Dan is het grote keerpunt in ons leven gekomen: de eerste opening van de deur der hoop in de vallei van Achor. En wanneer de ziel eenmaal gezien heeft dat er een Jezus is, en eenmaal in zekere mate de kracht van Zijn opstanding gevoeld heeft, gaat zij nergens anders meer heen voor vergeving, rechtvaardigmaking en verlossing.
Wanneer de Geest van God met kracht in iemands geweten begint te verklaren dat er een Jezus is, dat Hij de enige Middelaar is, dat de Zoon van God is neergedaald en een heilige menselijke natuur heeft aangenomen in vereniging met Zijn Goddelijke natuur, en dat Hij nu zit aan de rechterhand van de Vader, dan is dat het eerste morgenrood, de dageraad van de hoop. Op die heldere plek richt de ziel haar verlangende ogen, totdat de Zon der Gerechtigheid daar opgaat, met genezing onder Haar vleugels. Het is een grote genade om zich van alle vormen en ceremonies af te keren, zoals een schipbreukeling zich afkeert van zijn zinkend schip en uitziet naar de opkomende zon, die hem een weg om te ontkomen wijst en hem zo een straal van hoop schenkt.
Mijn hart zegt mij, o Heer, van Uwentwegen:
„Zoek door gebeên met ernst Mijn aangezicht!”
Dat wil, dat zal ik doen: ik zoek de zegen
alleen bij U, o Bron van troost en licht!
Ps. 27:5
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u nog bezig bent de deur te zoeken langs de weg van de Wet. Probeert u uzelf te reinigen en uw leven te verbeteren, en merkt u dat elke poging u alleen maar dieper in de kuil van schuld doet zinken? Wees dan niet al te bedroefd over die vermoeidheid. Zo leidt de Heere de Zijnen, totdat zij aan het einde van zichzelf gekomen zijn en er geen stap vooruit meer is.
Want juist daar, in de vallei van Achor, opent Hij de deur der hoop. Daar laat de Geest zien dat er een Jezus is, een Zaligmaker, een Middelaar, Die nu zit aan de rechterhand van de Vader. Keer u dan, zoals een schipbreukeling van zijn zinkend schip, af van alle eigen vormen, en zie uit naar de Zon der Gerechtigheid. De belofte staat er: „Gij zult Mij zoeken, en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And ye shall seek Me, and find Me, when ye shall search for Me with all your heart.
Jeremiah 29:13
After the Lord has quickened our souls, for a time we often go, shall I say, blundering on, not knowing there is a Jesus. We think that the way of life is to keep God’s commandments, obey the law, cleanse ourselves from sin, reform our lives, and cultivate universal holiness in thought, word, and action; and so we go, blundering and stumbling on in darkness; and all the while never get a single step forward.
But when the Lord has allowed us to weary ourselves to find the door, and let us sink lower and lower into the pit of guilt and ruin, from feeling that all our attempts to extricate ourselves have only plunged us deeper and deeper, and the Spirit of God opens up to the understanding and brings into the soul some spiritual discovery of Jesus, and thus makes known that there is a Savior, a Mediator, and a way of escape—this is the grand turning-point in our lives, the first opening in the valley of Achor of the door of hope.
And when the soul has once seen that there is a Jesus, and once felt a measure of the power of His resurrection, it never goes to any other quarter for pardon, justification, and salvation. When the Spirit of God begins to open up with power in his conscience that there is a Jesus, that He is the only Mediator, that the Son of God has come down and taken a holy human nature into union with Himself, and is now at the right hand of the Father, it is the first break of day, the first dawn of hope; and upon that bright spot does the shipwrecked soul fix his longing eyes until the Sun of righteousness arises upon it with healing in His wings.
It is a great step in a man’s experience to turn wholly and solely to the Lord, and renounce all creature righteousness, all forms and ceremonies as a way of salvation. It is a great mercy to turn away from them, as the shipwrecked mariner turns away from his sinking ship, and looks to the rising sun to show him some way of escape, and thus afford him some gleam of hope.
To the reader…
It may be that you are still busy looking for the door along the way of the law. Are you trying to cleanse yourself and reform your life, and do you find that every attempt only makes you sink deeper into the pit of guilt? Then do not be too grieved over that weariness. This is how the Lord leads His own, until they have come to the end of themselves and there is not a step further to take.
For it is just there, in the valley of Achor, that He opens the door of hope. There the Spirit shows that there is a Jesus, a Savior, a Mediator, Who now sits at the right hand of the Father. Turn away, then, like a shipwrecked mariner from his sinking ship, from all your own forms, and look for the Sun of righteousness. The promise stands: “Ye shall seek Me, and find Me, when ye shall search for Me with all your heart.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y Me buscaréis y hallaréis, porque Me buscaréis de todo vuestro corazón.
Jeremías 29:13
Después de que el Señor ha vivificado nuestra alma, durante un tiempo a menudo vamos, por así decirlo, dando tumbos, sin saber que hay un Jesús. Pensamos que el camino de la vida es guardar los mandamientos de Dios, obedecer la ley, limpiarnos del pecado, reformar nuestra vida y cultivar una santidad universal en pensamiento, palabra y obra; y así vamos, dando tumbos y tropezando en tinieblas, y en todo ese tiempo nunca avanzamos un solo paso.
Pero cuando el Señor nos ha dejado fatigarnos buscando la puerta, y nos ha dejado hundirnos más y más en el pozo de la culpa y la ruina, al sentir que todos nuestros intentos de librarnos solo nos han sumergido más y más hondo, y el Espíritu de Dios abre al entendimiento y trae al alma algún descubrimiento espiritual de Jesús, y así da a conocer que hay un Salvador, un Mediador y un camino de escape, este es el gran punto decisivo de nuestra vida, la primera apertura, en el valle de Acor, de la puerta de esperanza.
Y cuando el alma ha visto una vez que hay un Jesús, y ha sentido una vez una medida del poder de Su resurrección, ya nunca acude a ningún otro lugar en busca de perdón, justificación y salvación. Cuando el Espíritu de Dios comienza a abrir con poder en su conciencia que hay un Jesús, que Él es el único Mediador, que el Hijo de Dios ha descendido y ha tomado una naturaleza humana santa en unión consigo mismo, y está ahora a la diestra del Padre, es el primer despuntar del día, la primera alba de la esperanza; y en ese punto luminoso fija el alma náufraga sus ojos anhelantes hasta que el Sol de justicia nace sobre ella, y en Sus alas trae salud.
Es un gran paso en la experiencia de un hombre volverse total y únicamente al Señor, y renunciar a toda justicia de criatura, a todas las formas y ceremonias como camino de salvación. Es una gran misericordia apartarse de ellas, como el marinero náufrago se aparta de su barco que se hunde y mira al sol naciente para que le muestre algún camino de escape, y le dé así algún destello de esperanza.
Al lector…
Puede ser que usted todavía esté ocupado buscando la puerta por el camino de la ley. ¿Intenta limpiarse y reformar su vida, y halla que cada intento solo le hace hundirse más en el pozo de la culpa? Entonces no se aflija demasiado por ese cansancio. Así guía el Señor a los Suyos, hasta que llegan al fin de sí mismos y no queda ni un paso más que dar.
Porque es precisamente allí, en el valle de Acor, donde Él abre la puerta de esperanza. Allí el Espíritu muestra que hay un Jesús, un Salvador, un Mediador, que ahora está sentado a la diestra del Padre. Apártese, pues, como un marinero náufrago de su barco que se hunde, de todas sus propias formas, y busque con la mirada el Sol de justicia. La promesa permanece: “Y Me buscaréis y hallaréis, porque Me buscaréis de todo vuestro corazón”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Mijn hoop is op U
En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U.
Psalm 39:8
David keert tot zichzelf in. Hij had ernstig om zich heen gekeken, de mens in zijn beste staat gezien, hem gezien in zijn prachtigste vorm. Dan richt hij zijn gedachten op zijn eigen ziel en vraagt God en zijn eigen geweten om de waarheid van wat hij zegt: „En nu, wat verwacht ik, o Heere?” Welnu, wat verwachtte hij niet? Eén ding dat hij niet verwachtte, was hoog aangeslagen te worden door de mensen.
O diepe verdorvenheid! O ellendig bedrog! O broedsel van een bedrieglijk hart! – dat iemand uit is op de hoge dunk die zijn medemensen van hem hebben, en het fundament van zijn hoop laat rusten op de grillige, weifelende mening van een aardse worm! „Nee,” zegt David, „dat verwacht ik niet.” Door tot de Heere te zeggen: „Wat verwacht ik?”, verwachtte hij niet werelds voordeel door zijn godsdienst te verkrijgen. Als uw godsdienst op werelds belang berust, als de wortel en kern van uw belijdenis is uzelf te verbeteren wat betreft gewin, eer en macht in de wereld, is zij door en door rot. Hij verwachtte niet dat zijn oude natuur een ingrijpende verandering zou ondergaan; hij verwachtte niet heiliger, rechtvaardiger en godzaliger te worden; hij verwachtte niet volmaakt te worden geheiligd, zodat hij vrij zou zijn van het wezen van de zonde.
Nu zullen we de andere kant van de zaak eens bekijken, om te zien wat hij wel verwachtte. Hij verwachtte het getuigenis en de goedkeuring van God in zijn eigen geweten. Is het zo dat u opkijkt naar, wacht op of snakt naar het innerlijke getuigenis van God in uw ziel? Dat u uw ogen van het schepsel afwendt en uitsluitend en alleen op God Zelf ziet? Is het zo dat u dorst naar het getuigenis van God, naar Zijn onthulde goedgunstigheid, het getuigenis van Zijn Geest, de glimlachen van Zijn liefde, de uitstortingen van de zegen die rijk maakt? Als dit zo is, kunt u zeggen: „Wat verwacht ik, o Heere? Is het Uw glimlach, Uw goedkeuring, het neerdalen van Uw genade, barmhartigheid en waarheid in mijn geweten?”
Lezen: Psalm 39
Aan de lezer…
Wat verwacht u, lezer? Stel uzelf die vraag eens eerlijk voor het aangezicht des Heeren. Zoekt u, al is het verborgen, de hoge dunk van mensen, of een voordeel in de wereld door uw godsdienst? Dan bouwt u op de grillige mening van een aardse worm, en zulk een fundament zal bezwijken. En verwacht u dat uw oude natuur heilig wordt en de zonde u niet meer zal aankleven, dan zult u teleurgesteld uitkomen.
Maar is het uw verlangen het getuigenis van God in uw eigen geweten te ontvangen, Zijn goedgunstigheid, een glimlach van Zijn liefde, het neerdalen van Zijn genade in uw ziel? Wendt u uw ogen van het schepsel af en ziet u alleen op Hem? Dan mag u met David zeggen: „Mijn hoop, die is op U.” Wie zo op Hem wacht, wacht niet tevergeefs; zulk een dorst heeft Hij Zelf gewerkt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U.
Psalm 39:8
David keert in tot zichzelf. Hij had ernstig om zich heen gekeken en de mens in zijn beste staat gezien, in zijn prachtigste gestalte. Dan richt hij zijn gedachten op zijn eigen ziel en roept hij God en zijn eigen geweten aan als getuigen van de waarheid van wat hij zegt: „En nu, wat verwacht ik, o Heere?” Welnu, wat verwachtte hij niet? Eén ding dat hij niet verwachtte, was hoog aangeslagen te worden door de mensen.
O diepe verdorvenheid! O ellendig bedrog! O broedsel van een bedrieglijk hart! – dat iemand uit is op de hoge dunk die zijn medemensen van hem hebben, en het fundament van zijn hoop laat rusten op de grillige, weifelende mening van een aardse worm! „Nee,” zegt David, „dat verwacht ik niet.” Toen hij tot de Heere zei: „Wat verwacht ik?”, verwachtte hij niet door zijn godsdienst werelds voordeel te verkrijgen. Als uw godsdienst op wereldse belangen berust, als de wortel en kern van uw belijdenis is uzelf te verbeteren in gewin, eer en macht in de wereld, dan is zij door en door rot. Hij verwachtte niet dat zijn oude natuur een ingrijpende verandering zou ondergaan. Hij verwachtte niet heiliger, rechtvaardiger en godzaliger te worden; hij verwachtte niet volmaakt geheiligd te worden, zodat hij vrij zou zijn van het wezen van de zonde.
Laten we nu de andere kant van de zaak bekijken, om te zien wat hij wel verwachtte. Hij verwachtte het getuigenis en de goedkeuring van God in zijn eigen geweten. Is het zo dat u uitziet naar, wacht op of snakt naar het innerlijke getuigenis van God in uw ziel? Dat u uw ogen van het schepsel afwendt en alleen en uitsluitend op God Zelf ziet? Is het zo dat u dorst naar het getuigenis van God, naar Zijn geopenbaarde goedgunstigheid, het getuigenis van Zijn Geest, de glimlach van Zijn liefde, de uitstortingen van de zegen die rijk maakt? Als dat zo is, kunt u zeggen: „Wat verwacht ik, o Heere? Is het Uw glimlach, Uw goedkeuring, het neerdalen van Uw genade, barmhartigheid en waarheid in mijn geweten?”
Lezen: Psalm 39
Aan de lezer…
Wat verwacht u, lezer? Stel uzelf die vraag eens eerlijk voor het aangezicht van de Heere. Zoekt u, al is het in het verborgen, de hoge dunk van mensen, of voordeel in de wereld door uw godsdienst? Dan bouwt u op de grillige mening van een aardse worm, en zo’n fundament zal bezwijken. En verwacht u dat uw oude natuur heilig wordt en dat de zonde u niet meer zal aankleven, dan zult u teleurgesteld uitkomen.
Maar is het uw verlangen het getuigenis van God in uw eigen geweten te ontvangen, Zijn goedgunstigheid, een glimlach van Zijn liefde, het neerdalen van Zijn genade in uw ziel? Wendt u uw ogen van het schepsel af en ziet u alleen op Hem? Dan mag u met David zeggen: „Mijn hoop, die is op U.” Wie zo op Hem wacht, wacht niet tevergeefs; zo’n dorst heeft Hij Zelf gewerkt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And now, Lord, what wait I for? my hope is in Thee.
Psalm 39:7
David turns in upon himself. He had looked earnestly around him and seen man at his best state, in his finest form. Then he turns his thoughts to his own soul and calls upon God and his own conscience as witnesses to the truth of what he says: “And now, Lord, what wait I for?” Well, what did he not wait for? One thing he did not wait for was to be highly esteemed by men.
O deep depravity! O wretched delusion! O brood of a deceitful heart, that a man should be bent upon the high opinion of his fellow men, and rest the foundation of his hope on the fickle, wavering opinion of an earthly worm! “No,” says David, “that is not what I wait for.” When he said to the Lord, “What wait I for?”, he did not wait to obtain worldly advantage by his religion. If your religion rests on worldly interests, if the root and core of your profession is to better yourself in gain, honour and power in the world, it is rotten through and through.
He did not wait for his old nature to undergo a thorough change. He did not expect to become holier, more righteous and more godly in himself; he did not expect to be perfectly sanctified, so that he would be free from the being of sin.
Let us now look at the other side of the matter, to see what he did wait for. He waited for the testimony and approbation of God in his own conscience. Is it so that you look for, wait for or pant after the inward testimony of God in your soul? That you turn your eyes from the creature and look solely and wholly to God Himself? Is it so that you thirst for the testimony of God, for His manifested favour, the witness of His Spirit, the smile of His love, the outpourings of the blessing that maketh rich? If so, you can say, “What wait I for, O Lord? Is it Thy smile, Thy approbation, the coming down of Thy grace, mercy and truth into my conscience?”
Reading: Psalm 39
To the reader…
What are you waiting for, reader? Put that question to yourself honestly before the face of the Lord. Are you seeking, even if only in secret, the high opinion of men, or advantage in the world through your religion? Then you are building on the fickle opinion of an earthly worm, and such a foundation will give way. And if you expect your old nature to become holy and sin to cling to you no more, you will come away disappointed.
But is it your desire to receive the testimony of God in your own conscience, His favour, a smile of His love, the coming down of His grace into your soul? Do you turn your eyes from the creature and look to Him alone? Then you may say with David, “My hope is in Thee.” Whoever waits for Him in this way does not wait in vain; such a thirst He Himself has wrought.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ahora, Señor, ¿qué esperaré? Mi esperanza en Ti está.
Salmo 39:7
David se vuelve hacia sí mismo. Había mirado atentamente a su alrededor y había visto al hombre en su mejor estado, en su forma más hermosa. Entonces dirige sus pensamientos a su propia alma y pone a Dios y a su propia conciencia por testigos de la verdad de lo que dice: “Y ahora, Señor, ¿qué esperaré?” Pues bien, ¿qué no esperaba? Una cosa que no esperaba era ser tenido en alta estima por los hombres.
¡Oh profunda depravación! ¡Oh miserable engaño! ¡Oh engendro de un corazón engañoso, que un hombre esté empeñado en la buena opinión de sus semejantes y apoye el fundamento de su esperanza en la opinión voluble y vacilante de un gusano terrenal! “No”, dice David, “no es eso lo que espero.” Cuando dijo al Señor: “¿Qué esperaré?”, no esperaba obtener ventaja mundana por su religión. Si su religión descansa en intereses mundanos, si la raíz y el centro de su profesión es mejorar su posición en ganancia, honra y poder en el mundo, está podrida de arriba abajo.
No esperaba que su vieja naturaleza experimentara un cambio completo. No esperaba llegar a ser más santo, más justo y más piadoso en sí mismo; no esperaba ser perfectamente santificado, de modo que quedara libre de la existencia del pecado.
Miremos ahora el otro lado del asunto, para ver qué esperaba. Esperaba el testimonio y la aprobación de Dios en su propia conciencia. ¿Es así que usted busca, espera o anhela el testimonio interior de Dios en su alma? ¿Que aparta sus ojos de la criatura y mira única y enteramente a Dios mismo? ¿Es así que tiene sed del testimonio de Dios, de Su favor manifestado, del testimonio de Su Espíritu, de la sonrisa de Su amor, de los derramamientos de la bendición que enriquece? Si es así, puede decir: “¿Qué espero, oh Señor? ¿No es Tu sonrisa, Tu aprobación, el descender de Tu gracia, misericordia y verdad a mi conciencia?”
Lectura: Salmo 39
Al lector…
¿Qué espera usted, lector? Hágase esa pregunta con sinceridad delante del rostro del Señor. ¿Busca, aunque sea solo en secreto, la buena opinión de los hombres, o una ventaja en el mundo por medio de su religión? Entonces está edificando sobre la opinión voluble de un gusano terrenal, y tal fundamento cederá. Y si espera que su vieja naturaleza llegue a ser santa y que el pecado ya no se le pegue, saldrá decepcionado.
Pero ¿es su deseo recibir el testimonio de Dios en su propia conciencia, Su favor, una sonrisa de Su amor, el descender de Su gracia a su alma? ¿Aparta sus ojos de la criatura y mira solo a Él? Entonces puede decir con David: “Mi esperanza en Ti está.” Quien le espera de esta manera no espera en vano; tal sed la ha obrado Él mismo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd; een heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader, vol van genade en waarheid.
Johannes 1:14
De heerlijkheid van Christus in Zijn lijdende mensheid was bedekt voor aller oog, behalve voor degenen die door de gezegende Geest waren onderwezen en wier ogen verlicht werden om te kunnen zien. En welk een heerlijkheid is er te zien, door de ogen des geloofs, in de vleesgeworden Zoon van God! De grootheid der Godheid bedekt door de zwakheid der mensheid, en die er toch doorheen scheen als de middagzon door de wolken; die zover Zijn stralen bedekte, dat zij, ofschoon zij toeliet Hem te zien, het oog niet verblindde.
De Zoon van God, vertegenwoordigd in het Kind van Bethlehem; de eniggeboren Zoon des Vaders, in de hof grote druppelen bloeds zwetende en hangende aan het kruis op Golgotha, en in Zijn laagste staat voor ’s mensen oog bedekt met schande en smaad; toch stroomde de heerlijkheid uit elke porie van Zijn heilig lichaam, en majesteit en schoonheid uit elke trek van Zijn geschonden aangezicht, en liefde en genade bleken uit elk woord dat van Zijn kwijnende lippen afdroop! Niet één zal ooit de heerlijkheid van een verrezen, opgevaren en verheerlijkte Christus in de gelukzaligheid des hemels zien, die Hem niet eerst gezien heeft in Zijn vernedering als een lijdende Christus; en inderdaad, het is Zijn lijdensheerlijkheid die nu zo dierbaar en gepast is voor een schuldig zondaar. Om deze lijdensheerlijkheid van de Zoon van God te zien, door een Goddelijke kracht aan zijn ziel geopenbaard, aan hem overgedragen als zijn zaligheid, in zich bevattende het wezen van al zijn tegenwoordige en toekomende blijdschap, dit is de heerlijkheid die een wedergeboren en verlost mens begeert te zien en te ondervinden.
Welk een heerlijkheid kan de wereld geven, vergeleken met de heerlijkheid van het verwonde aangezicht van de lijdende Zoon van God? Aan de zijde van het kruis verbleekt, verwelkt en sterft alle aardse heerlijkheid, want de dood maakt een einde aan alle natuurlijke schittering en heerlijkheid. Wel heeft de Heere van het einde aller menselijke heerlijkheid gesproken: „Daarom zal het graf zichzelf wijd opensperren en zijn mond opendoen zonder mate, opdat nederdale haar heerlijkheid en haar menigte, met haar gedruis en die in haar van vreugde opspringt” (Jesaja 5:14). Maar de heerlijkheid die met het kruis begint, eindigt met de kroon, want: „Indien wij met Hem lijden, wij zullen ook met Hem verheerlijkt worden.”
Deze heerlijkheid van een lijdende Christus met het oog des geloofs te zien, het hart diep daarvan doordrongen te gevoelen, en dit als ons dagelijks eten en drinken te genieten, en door de Geest geleid te worden tot deze altijd gedekte tafel van het bloed van Christus, tot de overvloeiende fontein van Zijn verzoenend bloed, en daarbij de Heere Zelf te horen zeggen: „Eet, vrienden, drinkt, ja overvloediglijk!” – o liefste, welke kostelijke zaken zijn dit! Hier is voedsel om uw onsterfelijke ziel te voeden; hier zijn stromen van vergeving en vrede; hier zijn de rivieren van het eeuwige leven. Die dorst heeft, kome, en die wil, neme van het water des levens om niet. Dit voor onze dorstige en vermoeide ziel te zien, te genieten, te smaken en te ondervinden, dit is de heerlijkheid Gods te aanschouwen als geopenbaard in de Persoon, het werk, het bloed, de gehoorzaamheid en de liefde van Zijn beminde Zoon.
Aan de lezer…
Vermoeide pelgrim, waar zoekt u heerlijkheid? De wereld biedt haar schittering aan, maar het graf spert zijn mond wijd open, en alle aardse glans verwelkt aan de zijde van het kruis. Er is maar één heerlijkheid die blijft: de heerlijkheid van de Zoon van God, Die vlees geworden is. Zij was bedekt voor het oog van de mensen, maar zij straalt door het geloof in Bethlehem, in de hof, op Golgotha, uit elke trek van Zijn geschonden aangezicht.
Bent u een schuldig zondaar? Dan is juist deze lijdende Christus voor u zo dierbaar en zo gepast. Bent u dorstig en vermoeid? Hij Zelf nodigt u aan de altijd gedekte tafel: „Eet, vrienden, drinkt, ja overvloediglijk!” Die dorst heeft, kome, en neme van het water des levens om niet. En wie Hem hier in Zijn vernedering mag zien, zal Hem eens zien in Zijn heerlijkheid, want de heerlijkheid die met het kruis begint, eindigt met de kroon.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd; een heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader, vol van genade en waarheid.
Johannes 1:14
De heerlijkheid van Christus in Zijn lijdende mensheid was voor ieders oog bedekt, behalve voor hen die door de gezegende Geest waren onderwezen en van wie de ogen verlicht werden om te kunnen zien. En wat een heerlijkheid is er met de ogen van het geloof te zien in de vleesgeworden Zoon van God! De grootheid van de Godheid, bedekt door de zwakheid van de mensheid, en die er toch doorheen scheen als de middagzon door de wolken, die Zijn stralen zo ver bedekten dat zij Hem wel lieten zien, maar het oog niet verblindden.
De Zoon van God, voorgesteld in het Kind van Bethlehem; de eniggeboren Zoon van de Vader, die in de hof grote druppels bloed zweette en aan het kruis op Golgotha hing, en in Zijn laagste staat voor het oog van de mensen bedekt was met schande en smaad. Toch stroomde de heerlijkheid uit elke porie van Zijn heilig lichaam, majesteit en schoonheid uit elke trek van Zijn geschonden aangezicht, en liefde en genade bleken uit elk woord dat van Zijn kwijnende lippen druppelde! Niemand zal ooit de heerlijkheid van een opgestane, opgevaren en verheerlijkte Christus in de gelukzaligheid van de hemel zien, die Hem niet eerst in Zijn vernedering gezien heeft als een lijdende Christus. En inderdaad, het is Zijn heerlijkheid in het lijden die nu zo dierbaar en passend is voor een schuldige zondaar. Deze heerlijkheid van de lijdende Zoon van God te zien, door een Goddelijke kracht aan zijn ziel geopenbaard, aan hem geschonken als zijn zaligheid, die het wezen van al zijn tegenwoordige en toekomstige blijdschap in zich bevat: dat is de heerlijkheid die een wedergeboren en verlost mens begeert te zien en te ervaren.
Welke heerlijkheid kan de wereld geven, vergeleken met de heerlijkheid van het verwonde aangezicht van de lijdende Zoon van God? Naast het kruis verbleekt, verwelkt en sterft alle aardse heerlijkheid, want de dood maakt een einde aan alle natuurlijke schittering en heerlijkheid. De Heere heeft wel over het einde van alle menselijke heerlijkheid gesproken: „Daarom zal het graf zichzelf wijd opensperren en zijn mond opendoen zonder mate, opdat nederdale haar heerlijkheid en haar menigte, met haar gedruis en die in haar van vreugde opspringt” (Jesaja 5:14). Maar de heerlijkheid die met het kruis begint, eindigt met de kroon, want: „Indien wij met Hem lijden, wij zullen ook met Hem verheerlijkt worden.”
Deze heerlijkheid van een lijdende Christus met het oog van het geloof te zien, het hart er diep van doordrongen te voelen en dit als ons dagelijks eten en drinken te genieten; door de Geest geleid te worden naar deze altijd gedekte tafel van het bloed van Christus, naar de overvloeiende fontein van Zijn verzoenend bloed, en daarbij de Heere Zelf te horen zeggen: „Eet, vrienden, drinkt, ja overvloediglijk!” – o geliefden, wat zijn dat kostbare zaken! Hier is voedsel voor uw onsterfelijke ziel; hier zijn stromen van vergeving en vrede; hier zijn de rivieren van het eeuwige leven. Die dorst heeft, kome, en die wil, neme van het water des levens om niet. Dit voor onze dorstige en vermoeide ziel te zien, te genieten, te smaken en te ervaren, dat is de heerlijkheid van God aanschouwen zoals die geopenbaard is in de Persoon, het werk, het bloed, de gehoorzaamheid en de liefde van Zijn geliefde Zoon.
Aan de lezer…
Vermoeide pelgrim, waar zoekt u heerlijkheid? De wereld biedt haar schittering aan, maar het graf spert zijn mond wijd open, en alle aardse glans verwelkt naast het kruis. Er is maar één heerlijkheid die blijft: de heerlijkheid van de Zoon van God, Die vlees geworden is. Zij was bedekt voor het oog van de mensen, maar voor het geloof straalt zij in Bethlehem, in de hof, op Golgotha, uit elke trek van Zijn geschonden aangezicht.
Bent u een schuldige zondaar? Dan is juist deze lijdende Christus voor u zo dierbaar en zo passend. Bent u dorstig en vermoeid? Hij Zelf nodigt u aan de altijd gedekte tafel: „Eet, vrienden, drinkt, ja overvloediglijk!” Die dorst heeft, kome, en neme van het water des levens om niet. En wie Hem hier in Zijn vernedering mag zien, zal Hem eens zien in Zijn heerlijkheid, want de heerlijkheid die met het kruis begint, eindigt met de kroon.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And the Word was made flesh, and dwelt among us, (and we beheld His glory, the glory as of the only begotten of the Father,) full of grace and truth.
John 1:14
The glory of Christ, in His suffering manhood, was veiled from the eyes of all but those who were taught by the blessed Spirit and enlightened to see it. And what glory is still to be seen by believing eyes in an incarnate God! The grandeur of Deity, tempered by the weakness of humanity, and yet shining through it, as the noonday sun shines through the clouds, which so far veil his rays that though they permit him to be seen they do not dazzle nor blind the eye!
The Son of God in the babe of Bethlehem; the “only begotten of the Father,” sweating great drops of blood in the Garden, and hanging upon the cross at Calvary; yet in His lowest state, when covered to man’s eye with ignominy and shame, glory streaming from every pore of His sacred body, majesty and beauty shining forth from every lineament of His marred countenance, and love and mercy characterizing every word issuing from His languid lips!
None will ever see the glory of a risen, ascended, and glorified Christ in the open bliss of heaven who do not first see Him on earth in His humiliation as a suffering Christ; and indeed it is His suffering glory which is now so blessed and so suitable to a guilty sinner. To see this suffering glory of the Son of God revealed to his soul by a divine power, made over to him as his salvation, and containing in it the essence of all his present and future happiness; this is the glory that a redeemed and regenerated saint longs to see and feel.
What glory can the world give compared with the glory of the marred countenance of the suffering Son of God? By the side of His cross all earthly glory pales, withers, and dies; for death puts an end to everything naturally bright and glorious. Well has God spoken of the end of all human glory—“Therefore hell has enlarged herself, and opened her mouth without measure; and their glory, and their multitude, and their pomp, and he that rejoices shall descend into it” (Isaiah 5:14).
But that glory which begins with the cross ends with the crown; for “if we suffer with Him, we shall also be glorified together.” To see this glory of a suffering Christ by the eye of faith; to feel the heart deeply penetrated and inwardly possessed by it; to have it for our daily bread and our daily drink; to come as led by the Spirit to this ever-spread table of the flesh of Christ, this ever-flowing fountain of His atoning blood, and hear the Lord Himself saying, ‘Eat, O friends; drink, yes, drink abundantly, O beloved.’ Here is food to feed your immortal soul; here are streams of pardon and peace; here the rivers of eternal life—‘Let him that is athirst come; and whoever will, let him take the water of life freely;’ to see, to enjoy, to feel, and experience this in his own dry, thirsty and weary bosom, this is to see the glory of God, as revealed in the Person, work, blood, obedience, and love of His dear Son.
To the reader…
Weary pilgrim, where do you look for glory? The world offers its splendor, but the grave opens its mouth wide, and all earthly brightness withers beside the cross. There is only one glory that remains: the glory of the Son of God, Who was made flesh. It was veiled from the eyes of men, but to faith it shines in Bethlehem, in the garden, on Golgotha, from every line of His marred countenance.
Are you a guilty sinner? Then this suffering Christ is so precious and so suitable for you. Are you thirsty and weary? He Himself invites you to the ever-spread table: “Eat, O friends; drink, yea, drink abundantly!” Let him that is athirst come, and take the water of life freely. And whoever may see Him here in His humiliation will one day see Him in His glory, for the glory that begins with the cross ends with the crown.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y aquel Verbo fue hecho carne, y habitó entre nosotros (y vimos Su gloria, gloria como del Unigénito del Padre), lleno de gracia y de verdad.
Juan 1:14
La gloria de Cristo, en Su humanidad sufriente, estaba velada a los ojos de todos, salvo de los que eran enseñados por el bendito Espíritu e iluminados para verla. ¡Y qué gloria se ve todavía, con ojos creyentes, en un Dios encarnado! La grandeza de la Deidad, templada por la debilidad de la humanidad, y sin embargo brillando a través de ella, como el sol del mediodía brilla a través de las nubes, que velan sus rayos lo suficiente para que, aunque permiten verlo, no deslumbren ni cieguen el ojo.
¡El Hijo de Dios en el niño de Belén; el “Unigénito del Padre,” sudando grandes gotas de sangre en el huerto y colgado en la cruz del Calvario; y sin embargo, en Su estado más bajo, cuando a los ojos del hombre estaba cubierto de ignominia y vergüenza, la gloria brotaba de cada poro de Su sagrado cuerpo, la majestad y la hermosura resplandecían en cada rasgo de Su rostro desfigurado, y el amor y la misericordia caracterizaban cada palabra que salía de Sus labios desfallecidos!
Nadie verá jamás la gloria de un Cristo resucitado, ascendido y glorificado en la bienaventuranza manifiesta del cielo, si no le ve primero en la tierra en Su humillación como un Cristo sufriente; y en verdad es Su gloria sufriente la que ahora es tan bendita y tan adecuada para un pecador culpable. Ver esta gloria sufriente del Hijo de Dios revelada a su alma por un poder divino, traspasada a él como su salvación y conteniendo en sí la esencia de toda su felicidad presente y futura: esta es la gloria que un santo redimido y regenerado anhela ver y sentir.
¿Qué gloria puede dar el mundo comparada con la gloria del rostro desfigurado del Hijo de Dios sufriente? Junto a Su cruz toda gloria terrenal palidece, se marchita y muere; porque la muerte pone fin a todo lo que es brillante y glorioso según la naturaleza. Bien ha hablado Dios del fin de toda gloria humana: “Por tanto ensanchó su interior el sepulcro, y sin medida extendió su boca; y allá descenderá la gloria de ellos, y su multitud, y su fausto, y el que en él se regocijaba” (Isaías 5:14).
Pero aquella gloria que comienza con la cruz termina con la corona; porque “si padecemos juntamente con Él, juntamente con Él seremos glorificados.” Ver por el ojo de la fe esta gloria de un Cristo sufriente; sentir el corazón profundamente penetrado e interiormente poseído por ella; tenerla por nuestro pan de cada día y nuestra bebida de cada día; venir, guiados por el Espíritu, a esta mesa siempre puesta de la carne de Cristo, a esta fuente siempre manante de Su sangre expiatoria, y oír al Señor mismo decir: ‘Comed, amigos; bebed, y embriagaos, oh amados.’ Aquí hay alimento para su alma inmortal; aquí hay corrientes de perdón y paz; aquí los ríos de vida eterna: ‘El que tiene sed, venga: y el que quiere, tome del agua de la vida de balde.’ Ver, gozar, sentir y experimentar esto en su propio pecho seco, sediento y cansado: esto es ver la gloria de Dios tal como se revela en la Persona, la obra, la sangre, la obediencia y el amor de Su amado Hijo.
Al lector…
Peregrino cansado, ¿dónde busca usted la gloria? El mundo ofrece su esplendor, pero el sepulcro abre de par en par su boca, y todo brillo terrenal se marchita junto a la cruz. Solo hay una gloria que permanece: la gloria del Hijo de Dios, que fue hecho carne. Estaba velada a los ojos de los hombres, pero para la fe resplandece en Belén, en el huerto, en el Gólgota, en cada rasgo de Su rostro desfigurado.
¿Es usted un pecador culpable? Entonces este Cristo sufriente es tan precioso y tan adecuado para usted. ¿Tiene sed y está cansado? Él mismo le invita a la mesa siempre puesta: “¡Comed, amigos; bebed, y embriagaos!” El que tiene sed, venga, y tome del agua de la vida de balde. Y quien pueda verle aquí en Su humillación, le verá un día en Su gloria, porque la gloria que comienza con la cruz termina con la corona.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl