Nieuw verschenenHet gesprek van een gelovige met zijn zielPreken · gisteren
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren

 

 

Vandaag

Korenaren Uit De Volle Oogst

20 september Korenaren uit de volle oogst

Zijt te allen dage in de vreze des Heeren. Want zekerlijk, daar is een beloning.
Spreuken 23:17-18

De Heere spreekt hier tot een ziel die gebogen gaat onder verzoeking en zwaar aangevochten wordt. Dit is de vermaning die Hij geeft: „Zijt te allen dage in de vreze des Heeren.” Let op Zijn hand en onderwerp u aan Zijn wil. Geef alles over aan Zijn zorg en leiding. Verhard uw hart niet tegen Hem, maar zie naar Hem op en aanbid Hem met eerbiedige vreze, „want zekerlijk, daar is een beloning.” U kunt verzocht, beproefd en door moeilijkheden omringd zijn en geen uitweg zien; maar zeker, er is een einde. En wanneer het einde daar is, wordt alles duidelijk en helder.

Tot die stille onderwerping, tot dat afwachtend uitzien, kan niemand ooit gebracht worden voordat er een einde is gekomen aan zijn eigen kracht, wijsheid en gerechtigheid. Stilzitten is het moeilijkste wat een mens kan doen. Lijdzaam neerliggen aan de voetbank van God, wanneer alles tegen ons lijkt te zijn; een hobbelige weg moeten gaan, omringd door allerlei moeilijkheden, en toch te allen dage in de vreze des Heeren zijn; op Zijn hand letten en ons aan Zijn wil willen onderwerpen; alleen die wijsheid zoeken die van boven komt, en vertrouwen dat Hij de weg zal banen; zelf de hand niet aan het werk slaan, maar alles aan de Heere overlaten: wat een vreemde, geheimzinnige weg! En toch is het de enige weg die de christen ware vrede geeft, „want zekerlijk, er is een einde.”

Welke zorgen en kommer een mens ook moet doorworstelen, zeker zal er een einde komen. Als wij proberen onszelf uit onze moeilijkheden te bevrijden, lijken wij op iemand die een verwarde streng zijde probeert te ontwarren door er hard aan te trekken: hoe meer eraan getrokken wordt, hoe meer zij in de war raakt en hoe vaster de knopen worden. Zo gaat het ook als wij in een beproeving terechtkomen, in de weg van Gods voorzienigheid of in ons geestelijk leven, en wij proberen ons daaruit met alle macht los te rukken door de verzenen tegen de prikkels te slaan en ons te verzetten: wij raken alleen maar meer verstrikt. Daarom zegt de Heere, om ons aan te moedigen geduldig op Hem te wachten totdat Hij verschijnt: „Zeker, er is een einde.” Dit is het algemene getuigenis van de Schrift: de Heere verschijnt en bevrijdt wanneer er geen uitweg meer is. En de ervaring van de gelovigen stemt overeen met het getuigenis van het geschreven Woord: „Want Ik ken de gedachten, die Ik over u heb, zegt de Heere; gedachten des vredes en niet des kwaads, om u een verwacht einde te geven.”

’k Zal dit melden, ’k zal altijd
zingen Jakobs God ter eer,
slaan der bozen hoornen neer,
vellen wat zijn naam bestrijdt;
maar der vromen hoorn en macht
zal verhoogd zijn door Gods kracht.

Ps. 75:6

Aan de lezer…

U die gebogen gaat onder verzoeking en geen uitweg ziet, van wie de krachten op zijn en die niet meer weet hoe verder te gaan: tot u is dit woord gesproken: „Zijt te allen dage in de vreze des Heeren.” Verhard uw hart niet tegen Hem, maar zie naar Hem op, let op Zijn hand en geef alles over aan Zijn zorg. Stilzitten is het moeilijkste wat een mens kan doen; maar het is ook de enige weg die ware vrede geeft.

Want zekerlijk, er is een einde. U ziet het nu nog niet, en alles lijkt tegen u te zijn; maar wanneer het einde daar is, wordt alles duidelijk en helder. De Heere verschijnt juist wanneer er geen uitweg meer is. Zijn gedachten over Zijn volk zijn gedachten des vredes en niet des kwaads. Wacht dan geduldig op Hem, totdat Hij verschijnt; Hij zal de weg banen.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

365 Dagen Met Philpot

20 september 365 dagen met Philpot

Paulus’ afscheidswens

En nu, broeders, ik beveel u Gode, en het Woord Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.
Handelingen 20:32

Hebt u niet soms gevoeld dat het Woord der waarheid heilige, hemelse gevoelens en aandoeningen in uw hart werkte? Maar u zegt: „Ik kan niet ontkennen dat ik dit heb ondervonden, maar als dit zo is, waarom ben ik dan zo? Waarom weken- en maandenlang zo donker? Waarom zulke kille gedachten? Waarom zo’n doods bestaan? Waarom zo opgesloten in dienstbaarheid? Waarom zo gekweld door de satan? Waarom zo geplaagd door een leger angsten en twijfels? Waarom is de Heere zo afwezig? Waarom de zonde zo aanwezig? Waarom sluit Hij mijn gebed buiten? Waarom laat Hij mij strompelen in het donker als degenen die verlangen naar de ochtend?”

Kunnen we op deze klachten niet vaak antwoorden: „Doet gij dit niet zelven?” (Jer. 2:17). „De hand des Heeren is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen; en Zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen horen. Maar onze ongerechtigheden maken een scheiding tussen ons en God, en onze zonden verbergen Zijn aangezicht voor ons” (Jes. 59:1-2). Is er geen Achan in het kamp? Geen gouden tong, geen Babylonisch overkleed in de tent? Is er geen verborgen zonde begaan, geen afgod in het hart opgericht?

Maar ook als dat zo is, kan het zijn om u uw zwakheid te laten zien, om uw „hout, hooi en stoppelen” te verbranden, om u behoeftiger en naakter aan Zijn voeten te brengen, om uw eigendunk en vleselijkheid te vernietigen en om de rechterarm van menselijke kracht te breken. Juist die beproevingen, angsten, twijfels, verzoekingen, moeiten en lasten waardoor uw ziel zo gekweld wordt, zijn er om u leeg te maken, zodat God u kan vullen; om u te ontkleden, zodat Hij u kan kleden; om u neer te halen, zodat Hij u kan verhogen; om u tot niets te brengen, zodat Christus alles in allen is.

Hebt u ooit zoiets in uw ziel ervaren: hoe dieper u in uzelf wegzonk, hoe geschikter en dierbaarder de Verlosser leek? Zijn er geen ogenblikken geweest dat er midden in uw beproevingen licht en leven, vrijheid en liefde binnenstroomden, dat u Jezus kon omhelzen in de armen van het levende geloof, en dat u besefte dat u met zulke gevoelens in vrede zou kunnen sterven? Dan hebt u de erfenis ontvangen. Wat is dit anders dan de erfenis: het Koninkrijk van God in de ziel, dat „niet is spijs en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest” (Rom. 14:17)?

En waardoor hebt u het gekregen? Door uw beloften, geloften, voornemens, inspanningen, daden en plichten? Nee, het was „het woord van Gods genade”: een zoete belofte, precies geschikt voor u, een gedeelte uit de Schrift dat voor uw hart werd geopend. Bijna had u het opzijgeschoven, omdat u vond dat u het niet verdiende dat God zelfs maar naar zo’n stakker als u keek. Toch was het dit „woord van Gods genade” dat deze voorsmaak, dit onderpand van de erfenis daarboven, hier beneden in uw ziel heeft gebracht.

Lezen: Jesaja 59

Aan de lezer…

Soms vraagt u ook: „Waarom ben ik dan zo? Waarom zo donker, zo koud, zo geplaagd door twijfel? Waarom is de Heere zo afwezig en de zonde zo aanwezig?” Onderzoek dan eerlijk uw hart, of er geen Achan in het kamp is, geen verborgen afgod die tussen u en God staat. De hand des Heeren is niet verkort; het zijn onze ongerechtigheden die scheiding maken.

Maar wanhoop daarom niet. Ook deze donkere wegen zijn er om u leeg te maken, zodat Hij u kan vullen; om u neer te halen, zodat Hij u kan verhogen; om u tot niets te brengen, zodat Christus alles is. Denk terug aan dat ogenblik waarop een woord van Zijn genade uw hart bereikte, toen u het nauwelijks durfde aan te nemen omdat u zo onwaardig was. Dat was geen inbeelding, maar een voorsmaak van de erfenis. Hij Die u dat gaf, zal Zijn eigen werk niet laten varen.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Door Baca's Vallei

20 september Door Baca’s vallei

Opdat gij moogt beproeven welke de goede en welbehagelijke en volmaakte wil Gods zij.
Romeinen 12:2

De wil van God is goed, volmaakt en welbehagelijk. Hoe moeten wij persoonlijk en bevindelijk ervaren dat hij dat allemaal is? Wat goed en volmaakt is, strijdt telkens tegen mijn natuurlijke neigingen en staat lijnrecht tegenover mijn vleselijke begeerten. Gods wil roept tot zelfverloochening, maar ik verlang naar zelfbevrediging. Hij eist gehoorzaamheid, maar mijn vleselijk gemoed is in wezen ongehoorzaamheid zelf. Hij vraagt vele offers, maar mijn laf vlees komt daartegen in opstand. Hij wil mij laten wandelen op het pad van lijden, smarten en verdrukking, maar mijn vleselijk gemoed deinst daarvoor terug en zegt: „Neen, ik kan in dat pad niet wandelen!”

Zolang ik aan de wereld gelijkvormig ben, kan ik dit pad dus niet goed zien, want die gelijkvormigheid aan de wereld heeft een deksel over mijn ogen gelegd. En als ik er al iets van zie, vaag en zwak, dan ben ik niet bereid of in staat erop te wandelen. Mijn vleselijk gemoed mort namelijk tegen alle moeite en zelfverloochening en tegen alles wat met het kruis van Christus verbonden is. Maar aan de andere kant: als ik door de genadige werkingen van de Geest in mijn hart uit deze wereldse gelijkvormigheid getrokken word, vernieuwd word in de geest van mijn gemoed en gelijkvormig gemaakt word aan het beeld van de Zoon, dan wordt die goede en welbehagelijke en volmaakte wil aangenaam voor mijn geweten.

Deze goede en welbehagelijke en volmaakte wil ligt ver, ver buiten het gezicht van het vleselijk oog, buiten het gehoor van het wereldse oor, en is te ver weg om door de wereldse hand te worden aangeraakt. Maar hij is openbaar voor het geestelijk oog, wordt gehoord door het geestelijk oor, en de geestelijke hand grijpt hem aan. Om dit voor onszelf te kennen, zal het ons soms goed doen terug te kijken en te zien hoe deze goddelijke wil zich in vroegere omstandigheden aangenaam heeft betoond voor ons vernieuwd gemoed. Wij kunnen ook zien hoe verheven en voortreffelijk deze wil heeft geregeerd, en hoe voortreffelijk in elk opzicht tot ons beste. Hij heeft alle omstandigheden en gebeurtenissen geregeld en bestuurd te midden van een samenloop van allerlei moeilijkheden in voorzienigheid en genade. Niets is uitgelopen op onze schade, maar alles heeft, overeenkomstig de belofte, meegewerkt ten goede.

Maar één ding moeten wij goed onthouden: wij kunnen ons niet zelf ontdoen van de wereldse gelijkvormigheid, en evenmin kunnen wij onszelf vernieuwen in de geest van ons gemoed. De gezegende Geest moet beide voor ons doen, en in ons werken het willen en het werken naar Zijn welbehagen. Maar wanneer wij geleid worden om de ellende van de ene staat goed te verstaan, en daartegenover de gelukzaligheid van de andere, dan zullen wij uitzien naar deze gezegende werkingen en goddelijke invloeden. En wanneer de gezegende Geest de ziel van tijd tot tijd uit deze gelijkvormigheid aan de wereld laat uitgaan en haar verandert naar het lijdend beeld van Christus, ziet zij steeds meer de schoonheid en dierbaarheid van het wandelen op dit pad. Dat doet haar Christus en Zijn kruis aanhangen met de tederste genegenheden, en dat is voor haar tegelijk een bewijs van de goedheid, aangenaamheid en volmaaktheid van de wil van God.

Aan de lezer…

Deinst u, waarde lezer, terug voor het pad dat de Heere u wijst? Roept Zijn wil tot zelfverloochening, terwijl uw vlees zegt: „Nee, ik kan dat pad niet gaan”? Schaam u niet te erkennen dat het zo is; zo is het vleselijk gemoed van ons allemaal. Wij kunnen onszelf niet van de wereld losmaken, en evenmin onszelf vernieuwen. De gezegende Geest moet het willen en het werken in ons werken naar Zijn welbehagen.

Kijk dan eens terug op de weg die achter u ligt. Zijn er geen omstandigheden geweest waarin u Gods wil eerst niet begreep, en later zag dat het juist ten goede was? Niets is uitgelopen op uw schade, maar alles heeft meegewerkt. Laat dat u bemoedigen voor de weg die nog voor u ligt. Waar de Geest de ziel naar Christus en Zijn kruis trekt, daar wordt die wil, eens zo hard en vreemd, goed, welbehagelijk en volmaakt bevonden.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina