gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Zijt te allen dage in de vreze des Heeren. Want zekerlijk, daar is een beloning.
Spreuken 23:17-18
De Heere spreekt hier tot een ziel die gebogen gaat onder verzoeking en bijzonder aangevochten wordt; en dit is de vermaning die Hij geeft: „Zijt te allen dage in de vreze des Heeren”; Zijn hand gadeslaande, zich onderwerpende aan Zijn wil; alles aan Zijn zorg en leiding overgevende; uw hart niet tegen Hem verhardende, maar tot Hem opziende en Hem met godsdienstige vreze aanbiddende; „want zekerlijk, daar is een beloning.” Gij moogt verzocht, geoefend en door moeilijkheden omringd zijn en geen uitkomst zien; maar voorzeker, er is een einde; en als het einde daar is, dan wordt alles duidelijk en helder.
Tot die stille onderwerping, tot dat toeziend wachten, kan niemand ooit gebracht worden voordat er een einde is aan zijn eigen kracht, wijsheid en gerechtigheid. Stil te zitten is het moeilijkste dat een mens doen kan. Lijdelijk aan de voetbank Gods neder te liggen, wanneer alles tegen ons schijnt te zijn; een hobbelige weg te moeten betreden, omringd van allerlei moeilijkheden, en toch te allen dage in de vreze des Heeren te zijn, op Zijn hand te letten, zich aan Zijn wil te willen onderwerpen; alleen die wijsheid te zoeken die van boven komt, en te vertrouwen dat Hij de weg zal banen; onze hand niet aan het werk te slaan, maar alles aan de Heere over te laten: welk een vreemde, geheimzinnige weg! En toch is het de enige die de christen ware vrede geeft; „want zekerlijk, er is een einde.”
Welke zorgen en kommer een mens ook moet doorworstelen, voorzeker, er zal een einde komen. Wanneer wij trachten onszelf uit onze verlegenheden te redden, zijn wij gelijk iemand die een verwarde streng zijde tracht te ontwarren door er met geweld aan te trekken; hoe meer eraan getrokken wordt, des te meer raakt zij verward, en des te vaster worden de knopen. Zo ook, wanneer wij in enige beproeving gedompeld worden, hetzij in de voorzienigheid of in het geestelijke, en wij trachten ons daaruit met alle macht te ontworstelen, door de verzenen tegen de prikkels te slaan en ons te verzetten, dan raken wij slechts te meer verward. Daarom zegt de Heere, om ons aan te moedigen Hem geduldig te verwachten totdat Hij zal verschijnen: „Zeker, er is een einde.” Dit is het algemene getuigenis der Schrift, dat de Heere verschijnt en bevrijdt wanneer er geen uitkomst meer is; en de ervaring der gelovigen stemt met het getuigenis van het geschreven Woord overeen: „Want Ik ken de gedachten, die Ik over u heb, zegt de Heere; gedachten des vredes en niet des kwaads, om u een verwacht einde te geven.”
’k Zal dit melden, ’k zal altijd
zingen Jakobs God ter eer,
slaan der bozen hoornen neer,
vellen wat zijn naam bestrijdt;
maar der vromen hoorn en macht
zal verhoogd zijn door Gods kracht.
Ps. 75:6
Aan de lezer…
U die gebogen gaat onder verzoeking en geen uitkomst ziet, wiens krachten op zijn en die niet meer weet hoe verder te gaan: tot u is dit woord gesproken: bent te allen dage in de vreze des Heeren. Verhard uw hart niet tegen Hem, maar zie tot Hem op, let op Zijn hand en geef alles over aan Zijn zorg. Stil te zitten is het moeilijkste wat een mens doen kan; maar het is ook de enige weg die ware vrede geeft.
Want zekerlijk, er is een einde. U ziet het nu nog niet, en alles schijnt tegen u te zijn; maar wanneer het einde daar is, wordt alles duidelijk en helder. De Heere verschijnt juist wanneer er geen uitkomst meer is. Zijn gedachten over Zijn volk zijn gedachten des vredes en niet des kwaads. Wacht dan geduldig op Hem, totdat Hij verschijnt; Hij zal de weg banen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zijt te allen dage in de vreze des Heeren. Want zekerlijk, daar is een beloning.
Spreuken 23:17-18
De Heere spreekt hier tot een ziel die gebogen gaat onder verzoeking en zwaar aangevochten wordt. Dit is de vermaning die Hij geeft: „Zijt te allen dage in de vreze des Heeren.” Let op Zijn hand en onderwerp u aan Zijn wil. Geef alles over aan Zijn zorg en leiding. Verhard uw hart niet tegen Hem, maar zie naar Hem op en aanbid Hem met eerbiedige vreze, „want zekerlijk, daar is een beloning.” U kunt verzocht, beproefd en door moeilijkheden omringd zijn en geen uitweg zien; maar zeker, er is een einde. En wanneer het einde daar is, wordt alles duidelijk en helder.
Tot die stille onderwerping, tot dat afwachtend uitzien, kan niemand ooit gebracht worden voordat er een einde is gekomen aan zijn eigen kracht, wijsheid en gerechtigheid. Stilzitten is het moeilijkste wat een mens kan doen. Lijdzaam neerliggen aan de voetbank van God, wanneer alles tegen ons lijkt te zijn; een hobbelige weg moeten gaan, omringd door allerlei moeilijkheden, en toch te allen dage in de vreze des Heeren zijn; op Zijn hand letten en ons aan Zijn wil willen onderwerpen; alleen die wijsheid zoeken die van boven komt, en vertrouwen dat Hij de weg zal banen; zelf de hand niet aan het werk slaan, maar alles aan de Heere overlaten: wat een vreemde, geheimzinnige weg! En toch is het de enige weg die de christen ware vrede geeft, „want zekerlijk, er is een einde.”
Welke zorgen en kommer een mens ook moet doorworstelen, zeker zal er een einde komen. Als wij proberen onszelf uit onze moeilijkheden te bevrijden, lijken wij op iemand die een verwarde streng zijde probeert te ontwarren door er hard aan te trekken: hoe meer eraan getrokken wordt, hoe meer zij in de war raakt en hoe vaster de knopen worden. Zo gaat het ook als wij in een beproeving terechtkomen, in de weg van Gods voorzienigheid of in ons geestelijk leven, en wij proberen ons daaruit met alle macht los te rukken door de verzenen tegen de prikkels te slaan en ons te verzetten: wij raken alleen maar meer verstrikt. Daarom zegt de Heere, om ons aan te moedigen geduldig op Hem te wachten totdat Hij verschijnt: „Zeker, er is een einde.” Dit is het algemene getuigenis van de Schrift: de Heere verschijnt en bevrijdt wanneer er geen uitweg meer is. En de ervaring van de gelovigen stemt overeen met het getuigenis van het geschreven Woord: „Want Ik ken de gedachten, die Ik over u heb, zegt de Heere; gedachten des vredes en niet des kwaads, om u een verwacht einde te geven.”
’k Zal dit melden, ’k zal altijd
zingen Jakobs God ter eer,
slaan der bozen hoornen neer,
vellen wat zijn naam bestrijdt;
maar der vromen hoorn en macht
zal verhoogd zijn door Gods kracht.
Ps. 75:6
Aan de lezer…
U die gebogen gaat onder verzoeking en geen uitweg ziet, van wie de krachten op zijn en die niet meer weet hoe verder te gaan: tot u is dit woord gesproken: „Zijt te allen dage in de vreze des Heeren.” Verhard uw hart niet tegen Hem, maar zie naar Hem op, let op Zijn hand en geef alles over aan Zijn zorg. Stilzitten is het moeilijkste wat een mens kan doen; maar het is ook de enige weg die ware vrede geeft.
Want zekerlijk, er is een einde. U ziet het nu nog niet, en alles lijkt tegen u te zijn; maar wanneer het einde daar is, wordt alles duidelijk en helder. De Heere verschijnt juist wanneer er geen uitweg meer is. Zijn gedachten over Zijn volk zijn gedachten des vredes en niet des kwaads. Wacht dan geduldig op Hem, totdat Hij verschijnt; Hij zal de weg banen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Be thou in the fear of the LORD all the day long. For surely there is an end; and thine expectation shall not be cut off.
Proverbs 23:17-18
The Lord is here addressing Himself to a soul laboring under temptation, and passing through peculiar exercises; and this is the exhortation that He gives it—“Be in the fear of the Lord all the day long;” watching His hand, submitting to His will, committing everything into His care and keeping; not hardening your heart against Him, but looking up to Him, and worshiping Him with godly fear; “there is surely a future hope for you.”
You may be tempted, exercised, and surrounded with difficulties, and see no outlet; but “there is surely a future hope for you;” and, when the end comes, it will make all plain and clear. This quiet submission, this watching and waiting, a man can never be brought to unless he has seen an end to all creature perfection; an end of his own strength, wisdom, and righteousness. To sit still is the hardest thing a man can do. To lie passive at God’s footstool when all things seem to be against us; to have a rough path to walk in, to be surrounded with difficulties, and yet to be in the fear of the Lord all the day long, watching His hand, desiring to submit to His will, seeking only that wisdom which comes from above, and trusting that He will make the way straight; not putting our hand to the work, but leaving it all to the Lord—how strange, how mysterious a path!
And yet it is the only one that brings solid peace to a Christian; “there is surely a future hope for you.” Whatever sorrows and troubles a man may have to wade through, there will surely be an end of them. If we try to get ourselves out of perplexities, we are like a person trying to unravel a tangled skein of silk by pulling it forcibly; the more it is pulled, the more entangled it gets, and the faster the knots become. So if we are plunged into any trial, providential or spiritual, and we attempt to extricate ourselves by main force, by kicking and rebelling, we only get more entangled.
The Lord, then, to encourage us to wait patiently upon Him until He shall appear, says, “there is surely a future hope for you.” This is the universal testimony of the Scripture, that the Lord appears and delivers, when there is no other to help; and the experience of the saints agrees with the testimony of the written word—“For I know the thoughts that I think toward you, says the Lord, thoughts of peace, and not of evil, to give you an expected end.”
To the reader…
You who are bowed down under temptation and see no way out, whose strength is spent and who no longer know how to go on: to you this word is spoken: “Be thou in the fear of the Lord all the day long.” Do not harden your heart against Him, but look up to Him, watch His hand, and commit everything to His care. To sit still is the hardest thing a man can do; but it is also the only way that brings true peace.
For surely there is an end. You do not see it yet, and everything seems to be against you; but when the end comes, all will be made plain and clear. The Lord appears just when there is no way out left. His thoughts towards His people are thoughts of peace, and not of evil. Wait patiently for Him, then, until He appears; He will make the way.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Antes persevera en el temor de Jehová todo tiempo: Porque ciertamente hay fin, y tu esperanza no será cortada.
Proverbios 23:17-18
El Señor se dirige aquí a un alma que trabaja bajo la tentación y pasa por ejercicios peculiares; y esta es la exhortación que le da: “Persevera en el temor de Jehová todo tiempo”; observando Su mano, sometiéndose a Su voluntad, encomendándolo todo a Su cuidado y custodia; no endureciendo el corazón contra Él, sino mirando a Él y adorándole con temor piadoso; “porque ciertamente hay fin.”
Puede usted estar tentado, ejercitado y rodeado de dificultades, y no ver salida; pero “ciertamente hay fin”; y cuando llegue el fin, lo dejará todo llano y claro. A esta sumisión callada, a este velar y esperar, nunca puede ser llevado un hombre a menos que haya visto el fin de toda perfección de la criatura; el fin de su propia fuerza, sabiduría y justicia. Estarse quieto es lo más difícil que un hombre puede hacer. Yacer pasivo al estrado de los pies de Dios cuando todas las cosas parecen estar contra nosotros; tener que andar por un camino áspero, estar rodeado de dificultades, y aun así perseverar en el temor del Señor todo el día, observando Su mano, deseando someterse a Su voluntad, buscando solo aquella sabiduría que viene de lo alto, y confiando en que Él enderezará el camino; no poniendo nuestra mano en la obra, sino dejándolo todo al Señor: ¡qué senda tan extraña, tan misteriosa!
Y sin embargo, es la única que trae paz sólida a un cristiano; “ciertamente hay fin.” Cualesquiera que sean las tristezas y angustias que un hombre tenga que vadear, ciertamente tendrán un fin. Si intentamos salir por nosotros mismos de las perplejidades, somos como una persona que intenta desenredar una madeja enmarañada de seda tirando de ella con fuerza; cuanto más se tira, más se enreda, y más apretados se hacen los nudos. Así, si somos sumergidos en alguna prueba, providencial o espiritual, e intentamos librarnos a viva fuerza, dando coces y rebelándonos, solo nos enredamos más.
El Señor, pues, para animarnos a esperarle con paciencia hasta que Él aparezca, dice: “ciertamente hay fin, y tu esperanza no será cortada.” Este es el testimonio universal de la Escritura: que el Señor aparece y libra cuando no hay otro que ayude; y la experiencia de los santos concuerda con el testimonio de la palabra escrita: “Porque yo sé los pensamientos que tengo acerca de vosotros, dice Jehová, pensamientos de paz, y no de mal, para daros el fin que esperáis.”
Al lector…
A usted, que está abatido bajo la tentación y no ve salida, cuyas fuerzas se han agotado y que ya no sabe cómo seguir, se le dirige esta palabra: “Persevera en el temor de Jehová todo tiempo.” No endurezca su corazón contra Él, sino mire a Él, observe Su mano y encomiéndelo todo a Su cuidado. Estarse quieto es lo más difícil que un hombre puede hacer; pero es también el único camino que trae verdadera paz.
Porque ciertamente hay fin. Usted todavía no lo ve, y todo parece estar en su contra; pero cuando llegue el fin, todo quedará llano y claro. El Señor aparece precisamente cuando ya no queda salida. Sus pensamientos acerca de Su pueblo son pensamientos de paz, y no de mal. Espérele, pues, con paciencia hasta que aparezca; Él abrirá el camino.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Paulus’ afscheidswens
En nu, broeders, ik beveel u Gode, en het Woord Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.
Handelingen 20:32
Hebt u niet soms gevoeld dat het Woord der waarheid heilige, hemelse gevoelens en aandoeningen in uw hart teweegbracht? Maar u zegt: „Ik kan niet ontkennen dat ik dit heb ondervonden, maar als dit zo is, waarom ben ik dan zo? Waarom weken- en maandenlang zo donker? Waarom zulke kille gedachten? Waarom zo’n doods bestaan? Waarom zo opgesloten in dienstbaarheid? Waarom zo gekweld door de satan? Waarom zo geplaagd door een leger angsten en twijfels? Waarom is de Heere zo afwezig? Waarom de zonde zo aanwezig? Waarom sluit Hij mijn gebed buiten? Waarom laat Hij mij strompelen in het donker als degenen die verlangen naar de ochtend?”
Kunnen we op deze klachten niet dikwijls antwoorden: „Doet gij dit niet zelven?” (Jer. 2:17). „De hand des Heeren is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen; en Zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen horen. Maar onze ongerechtigheden maken een scheiding tussen ons en God, en onze zonden verbergen Zijn aangezicht voor ons” (Jes. 59:1-2). Zijn er geen Achans in het kamp? Geen gouden tong, geen Babylonisch overkleed in de tent? Geen verborgen zonde begaan, geen afgod in het hart gezet?
Maar als dit het geval is, kan dit zijn om u uw zwakheid te tonen; om uw „hout, hooi en stoppelen” te verbranden; om u behoeftiger en naakter aan Zijn voeten te brengen; om uw eigendunk en vleselijkheid te vernietigen; en om de rechterarm van menselijke kracht te breken. Juist die beproevingen, angsten, twijfels, verzoekingen, moeilijkheden en lasten waardoor uw ziel zo wordt gekweld, zijn er om u te ontledigen, opdat God u kan vullen; om u te ontmantelen, opdat Hij u kan kleden; om u neer te halen, opdat Hij u kan verheffen; om u tot niets te brengen, opdat Christus alles in allen is.
Hebt u ooit iets als dit in uw ziel ervaren: dat hoe dieper u in uzelf wegzonk, hoe geschikter en dierbaarder de Verlosser leek? Zijn er geen ogenblikken geweest dat er tijdens uw beproevingen licht en leven, vrijheid en liefde binnenstroomden, dat u Jezus kon vastgrijpen in de armen van het levende geloof, en dat u besefte dat u vredig onder zulke gevoelens zou kunnen sterven? U hebt de erfenis ontvangen. Wat is dit anders dan de erfenis: het koninkrijk Gods in de ziel, dat „niet is spijs en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest” (Rom. 14:17)?
En waardoor hebt u het gekregen? Door uw beloften, geloften, besluiten, inspanningen, handelingen, plichten? Nee; het was „het woord van Gods genade”: een zoete belofte, precies geschikt voor u; een gedeelte uit de Schrift onthuld aan uw hart; iets dat u bijna terzijde schoof, omdat u vond dat het onverdiend was dat God zelfs maar naar zo’n stakker als u keek. Toch was het dit „woord van Gods genade” dat deze voorproef heeft gebracht, deze belofte van de erfenis hierboven, in uw ziel hier beneden.
Lezen: Jesaja 59
Aan de lezer…
Soms vraagt u ook: „Waarom ben ik dan zo? Waarom zo donker, zo koud, zo geplaagd door twijfel? Waarom is de Heere zo afwezig en de zonde zo aanwezig?” Onderzoek dan eerlijk uw hart, of er geen Achan in het kamp is, geen verborgen afgod die tussen u en God staat. De hand des Heeren is niet verkort; het zijn onze ongerechtigheden die scheiding maken.
Maar wees daarom niet wanhopig. Ook deze donkere wegen zijn er om u te ontledigen, opdat Hij u vullen kan; om u neer te halen, opdat Hij u verheffen kan; om u tot niets te brengen, opdat Christus alles zij. Denk terug aan dat ogenblik waarop een woord van Zijn genade uw hart bereikte, toen u het nauwelijks durfde aan te nemen omdat u zo onwaardig was. Dat was geen inbeelding, maar een voorproef van de erfenis. Die u dat gaf, zal Zijn eigen werk niet laten varen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En nu, broeders, ik beveel u Gode, en het Woord Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.
Handelingen 20:32
Hebt u niet soms gevoeld dat het Woord der waarheid heilige, hemelse gevoelens en aandoeningen in uw hart werkte? Maar u zegt: „Ik kan niet ontkennen dat ik dit heb ondervonden, maar als dit zo is, waarom ben ik dan zo? Waarom weken- en maandenlang zo donker? Waarom zulke kille gedachten? Waarom zo’n doods bestaan? Waarom zo opgesloten in dienstbaarheid? Waarom zo gekweld door de satan? Waarom zo geplaagd door een leger angsten en twijfels? Waarom is de Heere zo afwezig? Waarom de zonde zo aanwezig? Waarom sluit Hij mijn gebed buiten? Waarom laat Hij mij strompelen in het donker als degenen die verlangen naar de ochtend?”
Kunnen we op deze klachten niet vaak antwoorden: „Doet gij dit niet zelven?” (Jer. 2:17). „De hand des Heeren is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen; en Zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen horen. Maar onze ongerechtigheden maken een scheiding tussen ons en God, en onze zonden verbergen Zijn aangezicht voor ons” (Jes. 59:1-2). Is er geen Achan in het kamp? Geen gouden tong, geen Babylonisch overkleed in de tent? Is er geen verborgen zonde begaan, geen afgod in het hart opgericht?
Maar ook als dat zo is, kan het zijn om u uw zwakheid te laten zien, om uw „hout, hooi en stoppelen” te verbranden, om u behoeftiger en naakter aan Zijn voeten te brengen, om uw eigendunk en vleselijkheid te vernietigen en om de rechterarm van menselijke kracht te breken. Juist die beproevingen, angsten, twijfels, verzoekingen, moeiten en lasten waardoor uw ziel zo gekweld wordt, zijn er om u leeg te maken, zodat God u kan vullen; om u te ontkleden, zodat Hij u kan kleden; om u neer te halen, zodat Hij u kan verhogen; om u tot niets te brengen, zodat Christus alles in allen is.
Hebt u ooit zoiets in uw ziel ervaren: hoe dieper u in uzelf wegzonk, hoe geschikter en dierbaarder de Verlosser leek? Zijn er geen ogenblikken geweest dat er midden in uw beproevingen licht en leven, vrijheid en liefde binnenstroomden, dat u Jezus kon omhelzen in de armen van het levende geloof, en dat u besefte dat u met zulke gevoelens in vrede zou kunnen sterven? Dan hebt u de erfenis ontvangen. Wat is dit anders dan de erfenis: het Koninkrijk van God in de ziel, dat „niet is spijs en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest” (Rom. 14:17)?
En waardoor hebt u het gekregen? Door uw beloften, geloften, voornemens, inspanningen, daden en plichten? Nee, het was „het woord van Gods genade”: een zoete belofte, precies geschikt voor u, een gedeelte uit de Schrift dat voor uw hart werd geopend. Bijna had u het opzijgeschoven, omdat u vond dat u het niet verdiende dat God zelfs maar naar zo’n stakker als u keek. Toch was het dit „woord van Gods genade” dat deze voorsmaak, dit onderpand van de erfenis daarboven, hier beneden in uw ziel heeft gebracht.
Lezen: Jesaja 59
Aan de lezer…
Soms vraagt u ook: „Waarom ben ik dan zo? Waarom zo donker, zo koud, zo geplaagd door twijfel? Waarom is de Heere zo afwezig en de zonde zo aanwezig?” Onderzoek dan eerlijk uw hart, of er geen Achan in het kamp is, geen verborgen afgod die tussen u en God staat. De hand des Heeren is niet verkort; het zijn onze ongerechtigheden die scheiding maken.
Maar wanhoop daarom niet. Ook deze donkere wegen zijn er om u leeg te maken, zodat Hij u kan vullen; om u neer te halen, zodat Hij u kan verhogen; om u tot niets te brengen, zodat Christus alles is. Denk terug aan dat ogenblik waarop een woord van Zijn genade uw hart bereikte, toen u het nauwelijks durfde aan te nemen omdat u zo onwaardig was. Dat was geen inbeelding, maar een voorsmaak van de erfenis. Hij Die u dat gaf, zal Zijn eigen werk niet laten varen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And now, brethren, I commend you to God, and to the word of His grace, which is able to build you up, and to give you an inheritance among all them which are sanctified.
Acts 20:32
Have you not sometimes felt the word of truth working holy, heavenly feelings and affections in your heart? But you say, “I cannot deny that I have experienced this, but if it is so, why am I as I am? Why so dark for weeks and months together? Why such cold thoughts? Why such a dead frame? Why so shut up in bondage? Why so harassed by Satan? Why so plagued by a host of fears and doubts? Why is the Lord so absent? Why is sin so present? Why does He shut out my prayer? Why does He let me stumble in the dark like those who long for the morning?”
May we not often answer these complaints: “Hast thou not procured this unto thyself?” (Jer. 2:17). “Behold, the LORD’S hand is not shortened, that it cannot save; neither His ear heavy, that it cannot hear: but your iniquities have separated between you and your God, and your sins have hid His face from you” (Isa. 59:1-2). Is there no Achan in the camp? No wedge of gold, no Babylonish garment in the tent? Has no secret sin been committed, no idol set up in the heart?
But even if that is so, it may be to show you your weakness, to burn up your “wood, hay, stubble,” to bring you more needy and naked to His feet, to destroy your self-righteousness and carnality, and to break the right arm of human strength. Those very trials, fears, doubts, temptations, troubles and burdens by which your soul is so harassed are there to empty you, that God may fill you; to strip you, that He may clothe you; to bring you down, that He may lift you up; to bring you to nothing, that Christ may be all in all.
Have you ever experienced something like this in your soul: the deeper you sank in self, the more suitable and precious the Redeemer seemed? Have there not been moments when, in the midst of your trials, light and life, liberty and love flowed in, when you could embrace Jesus in the arms of living faith, and when you felt that with such feelings you could die in peace? Then you have received the inheritance. What is this but the inheritance: the kingdom of God in the soul, which “is not meat and drink; but righteousness, and peace, and joy in the Holy Ghost” (Rom. 14:17)?
And by what did you get it? By your promises, vows, resolutions, exertions, doings and duties? No, it was “the word of God’s grace”: a sweet promise, exactly suited to you, a portion of Scripture opened to your heart. You almost put it aside, because you felt you did not deserve that God should even look upon such a wretch as you. Yet it was this “word of God’s grace” that brought this foretaste, this earnest of the inheritance above, into your soul here below.
Reading: Isaiah 59
To the reader…
Sometimes you too ask, “Why am I as I am? Why so dark, so cold, so plagued by doubt? Why is the Lord so absent and sin so present?” Then search your heart honestly, whether there is no Achan in the camp, no hidden idol standing between you and God. The Lord’s hand is not shortened; it is our iniquities that separate.
But do not despair because of it. These dark ways too are there to empty you, that He may fill you; to bring you down, that He may lift you up; to bring you to nothing, that Christ may be all. Think back to that moment when a word of His grace reached your heart, when you scarcely dared to receive it because you were so unworthy. That was no fancy, but a foretaste of the inheritance. He Who gave you that will not forsake His own work.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ahora, hermanos, os encomiendo a Dios, y a la palabra de Su gracia: el cual es poderoso para sobreedificar, y daros heredad con todos los santificados.
Hechos 20:32
¿No ha sentido a veces que la palabra de verdad obraba en su corazón sentimientos y afectos santos y celestiales? Pero usted dice: “No puedo negar que he experimentado esto, pero si es así, ¿por qué estoy como estoy? ¿Por qué tan a oscuras durante semanas y meses enteros? ¿Por qué pensamientos tan fríos? ¿Por qué un estado tan muerto? ¿Por qué tan encerrado en servidumbre? ¿Por qué tan acosado por Satanás? ¿Por qué tan atormentado por una multitud de temores y dudas? ¿Por qué está el Señor tan ausente? ¿Por qué está el pecado tan presente? ¿Por qué cierra Él la puerta a mi oración? ¿Por qué me deja tropezar en la oscuridad como los que anhelan la mañana?”
¿No podemos responder a menudo a estas quejas: “¿No te acarreó esto tú mismo?” (Jeremías 2:17). “He aquí que no se ha acortado la mano de Jehová para salvar, ni hase agravado Su oído para oír: mas vuestras iniquidades han hecho división entre vosotros y vuestro Dios, y vuestros pecados han hecho ocultar Su rostro de vosotros” (Isaías 59:1-2). ¿No hay ningún Acán en el campamento? ¿Ningún lingote de oro, ningún manto babilónico en la tienda? ¿No se ha cometido ningún pecado secreto, no se ha erigido ningún ídolo en el corazón?
Pero aun si es así, puede ser para mostrarle su debilidad, para quemar su “madera, heno, hojarasca”, para traerle más necesitado y desnudo a Sus pies, para destruir su justicia propia y su carnalidad, y para quebrar el brazo derecho de la fuerza humana. Esas mismas pruebas, temores, dudas, tentaciones, aflicciones y cargas que tanto acosan a su alma están ahí para vaciarle, a fin de que Dios le llene; para desnudarle, a fin de que Él le vista; para abatirle, a fin de que Él le levante; para reducirle a nada, a fin de que Cristo sea el todo en todos.
¿Ha experimentado alguna vez algo así en su alma: cuanto más hondo se hundía en sí mismo, tanto más adecuado y precioso le parecía el Redentor? ¿No ha habido momentos en que, en medio de sus pruebas, fluyeron luz y vida, libertad y amor, en que pudo abrazar a Jesús con los brazos de una fe viva, y en que sintió que con tales sentimientos podría morir en paz? Entonces ha recibido la herencia. ¿Qué es esto sino la herencia: el reino de Dios en el alma, que “no es comida ni bebida, sino justicia y paz y gozo por el Espíritu Santo” (Romanos 14:17)?
¿Y por medio de qué la obtuvo? ¿Por sus promesas, votos, resoluciones, esfuerzos, obras y deberes? No, fue “la palabra de la gracia de Dios”: una dulce promesa, exactamente adecuada para usted, una porción de la Escritura abierta a su corazón. Casi la apartó, porque sentía que no merecía que Dios siquiera mirara a un miserable como usted. Sin embargo, fue esta “palabra de la gracia de Dios” la que trajo a su alma aquí abajo este anticipo, estas arras de la herencia de arriba.
Lectura: Isaías 59
Al lector…
A veces también usted pregunta: “¿Por qué estoy como estoy? ¿Por qué tan a oscuras, tan frío, tan atormentado por la duda? ¿Por qué está el Señor tan ausente y el pecado tan presente?” Entonces escudriñe su corazón con sinceridad, por si no hay algún Acán en el campamento, algún ídolo escondido que se interponga entre usted y Dios. La mano del Señor no se ha acortado; son nuestras iniquidades las que hacen división.
Pero no se desespere por ello. También estos caminos oscuros están ahí para vaciarle, a fin de que Él le llene; para abatirle, a fin de que Él le levante; para reducirle a nada, a fin de que Cristo sea el todo. Recuerde aquel momento en que una palabra de Su gracia alcanzó su corazón, cuando apenas se atrevía a recibirla por ser tan indigno. Aquello no fue una fantasía, sino un anticipo de la herencia. Aquel que le dio eso no abandonará Su propia obra.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Opdat gij moogt beproeven welke de goede en welbehagelijke en volmaakte wil Gods zij.
Romeinen 12:2
De wil van God is goed, volmaakt en welbehagelijk. Hoe moeten wij persoonlijk en bevindelijk beproeven dat hij dit alles is? Wat goed en volmaakt is, strijdt herhaaldelijk tegen mijn natuurlijke neigingen en stelt zich krachtig tegenover mijn vleselijke begeerten. Gods wil roept tot zelfverloochening, maar ik begeer zelfbevrediging; hij eist gehoorzaamheid, maar mijn vleselijk gemoed is het wezenlijk bestaan van ongehoorzaamheid. Hij vraagt vele offers, maar mijn laffe vlees staat daartegen op. Hij wil mij doen wandelen op het pad van lijden, smarten en verdrukking, maar mijn vleselijk gemoed deinst daarvoor terug en zegt: „Neen, ik kan in dat pad niet wandelen!”
Zolang ik dan de wereld gelijkvormig ben, kan ik dit pad niet recht bezien, want deze wereldgelijkvormigheid heeft een deksel voor mijn ogen uitgespreid; of zo ik er al enigszins duister en zwakjes iets van zie, dan ben ik niet gewillig of in staat daarop te wandelen, omdat mijn vleselijk gemoed murmureert tegen alle moeite of zelfverloochening en tegen datgene wat verbonden is met het kruis van Christus. Doch aan de andere kant, indien ik door de genadige werkzaamheden van de Geest in mijn hart uit deze wereldse gelijkvormigheid getrokken en vernieuwd word in de geest van mijn gemoed, en het beeld van de Zoon gelijkvormig word gemaakt, dan wordt die goede en welbehagelijke en volmaakte wil voor mijn consciëntie aangenaam.
Deze goede en welbehagelijke en volmaakte wil is ver, ver buiten het gezicht van het vleselijk oog, buiten het gehoor van het werelds oor, en te ver verwijderd om door de wereldse hand aangeraakt te kunnen worden; maar hij is openbaar voor het geestelijk oog, wordt beluisterd door het geestelijk oor, en de geestelijke hand grijpt hem aan. Om dit voor onszelf te kennen, zal het ons somwijlen goed doen terug te blikken en te zien hoe deze goddelijke wil zich in voorgaande omstandigheden aangenaam heeft bewezen voor ons vernieuwd gemoed. Wij kunnen ook zien hoe verheven en voortreffelijk deze wil heeft geregeerd, en ook hoe voortreffelijk in elk opzicht te onzen beste. Hij heeft alle omstandigheden en gebeurtenissen geregeld en bestuurd onder een samenloop van alle moeilijkheden in voorzienigheid en genade. Geen ding is er uitgelopen tot onze schade, maar alles heeft, overeenkomstig de belofte, medegewerkt ten goede.
Maar één zaak moeten wij wel in gedachten houden: dat wij onszelf niet kunnen ontdoen van de wereldse gelijkvormigheid, evenmin als wij onszelf kunnen vernieuwen in de geest van ons gemoed. De gezegende Geest moet dit beide voor ons doen, en in ons werken het willen en het werken naar Zijn welbehagen. Doch wanneer wij geleid worden om de ellende van onze staat recht te verstaan, en daartegenover de gelukzaligheid van de andere, dan zullen wij uitzien naar deze gezegende werkingen en goddelijke invloeden. En wanneer de gezegende Geest van tijd tot tijd de ziel uit deze wereldgelijkvormigheid doet uitgaan en haar verandert naar het lijdend beeld van Christus, ziet zij meer en meer de schoonheid en dierbaarheid van het wandelen in dit pad. Dat doet haar Christus en Zijn kruis aanhangen met de tederste genegenheden, hetwelk haar tevens een bewijs is van de goedheid, aangenaamheid en volmaaktheid van de wil van God.
Aan de lezer…
Deinst u, waarde lezer, terug voor het pad dat de Heere u wijst? Roept Zijn wil tot zelfverloochening, terwijl uw vlees zegt: „Neen, ik kan in dat pad niet wandelen”? Schaam u niet te erkennen dat het zo is; zo is het vleselijk gemoed van ons allen. Wij kunnen onszelf niet van de wereld losmaken, en evenmin onszelf vernieuwen. De gezegende Geest moet het willen en het werken in ons werken naar Zijn welbehagen.
Blik dan eens terug op de weg die achter u ligt. Zijn er geen omstandigheden geweest waarin u Gods wil eerst niet begreep, en later zag dat het juist ten goede was? Geen ding is uitgelopen tot uw schade, maar alles heeft medegewerkt. Laat dat u bemoedigen voor de weg die nog voor u ligt. Waar de Geest de ziel tot Christus en Zijn kruis trekt, daar wordt die wil, eens zo hard en vreemd, goed, welbehagelijk en volmaakt bevonden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat gij moogt beproeven welke de goede en welbehagelijke en volmaakte wil Gods zij.
Romeinen 12:2
De wil van God is goed, volmaakt en welbehagelijk. Hoe moeten wij persoonlijk en bevindelijk ervaren dat hij dat allemaal is? Wat goed en volmaakt is, strijdt telkens tegen mijn natuurlijke neigingen en staat lijnrecht tegenover mijn vleselijke begeerten. Gods wil roept tot zelfverloochening, maar ik verlang naar zelfbevrediging. Hij eist gehoorzaamheid, maar mijn vleselijk gemoed is in wezen ongehoorzaamheid zelf. Hij vraagt vele offers, maar mijn laf vlees komt daartegen in opstand. Hij wil mij laten wandelen op het pad van lijden, smarten en verdrukking, maar mijn vleselijk gemoed deinst daarvoor terug en zegt: „Neen, ik kan in dat pad niet wandelen!”
Zolang ik aan de wereld gelijkvormig ben, kan ik dit pad dus niet goed zien, want die gelijkvormigheid aan de wereld heeft een deksel over mijn ogen gelegd. En als ik er al iets van zie, vaag en zwak, dan ben ik niet bereid of in staat erop te wandelen. Mijn vleselijk gemoed mort namelijk tegen alle moeite en zelfverloochening en tegen alles wat met het kruis van Christus verbonden is. Maar aan de andere kant: als ik door de genadige werkingen van de Geest in mijn hart uit deze wereldse gelijkvormigheid getrokken word, vernieuwd word in de geest van mijn gemoed en gelijkvormig gemaakt word aan het beeld van de Zoon, dan wordt die goede en welbehagelijke en volmaakte wil aangenaam voor mijn geweten.
Deze goede en welbehagelijke en volmaakte wil ligt ver, ver buiten het gezicht van het vleselijk oog, buiten het gehoor van het wereldse oor, en is te ver weg om door de wereldse hand te worden aangeraakt. Maar hij is openbaar voor het geestelijk oog, wordt gehoord door het geestelijk oor, en de geestelijke hand grijpt hem aan. Om dit voor onszelf te kennen, zal het ons soms goed doen terug te kijken en te zien hoe deze goddelijke wil zich in vroegere omstandigheden aangenaam heeft betoond voor ons vernieuwd gemoed. Wij kunnen ook zien hoe verheven en voortreffelijk deze wil heeft geregeerd, en hoe voortreffelijk in elk opzicht tot ons beste. Hij heeft alle omstandigheden en gebeurtenissen geregeld en bestuurd te midden van een samenloop van allerlei moeilijkheden in voorzienigheid en genade. Niets is uitgelopen op onze schade, maar alles heeft, overeenkomstig de belofte, meegewerkt ten goede.
Maar één ding moeten wij goed onthouden: wij kunnen ons niet zelf ontdoen van de wereldse gelijkvormigheid, en evenmin kunnen wij onszelf vernieuwen in de geest van ons gemoed. De gezegende Geest moet beide voor ons doen, en in ons werken het willen en het werken naar Zijn welbehagen. Maar wanneer wij geleid worden om de ellende van de ene staat goed te verstaan, en daartegenover de gelukzaligheid van de andere, dan zullen wij uitzien naar deze gezegende werkingen en goddelijke invloeden. En wanneer de gezegende Geest de ziel van tijd tot tijd uit deze gelijkvormigheid aan de wereld laat uitgaan en haar verandert naar het lijdend beeld van Christus, ziet zij steeds meer de schoonheid en dierbaarheid van het wandelen op dit pad. Dat doet haar Christus en Zijn kruis aanhangen met de tederste genegenheden, en dat is voor haar tegelijk een bewijs van de goedheid, aangenaamheid en volmaaktheid van de wil van God.
Aan de lezer…
Deinst u, waarde lezer, terug voor het pad dat de Heere u wijst? Roept Zijn wil tot zelfverloochening, terwijl uw vlees zegt: „Nee, ik kan dat pad niet gaan”? Schaam u niet te erkennen dat het zo is; zo is het vleselijk gemoed van ons allemaal. Wij kunnen onszelf niet van de wereld losmaken, en evenmin onszelf vernieuwen. De gezegende Geest moet het willen en het werken in ons werken naar Zijn welbehagen.
Kijk dan eens terug op de weg die achter u ligt. Zijn er geen omstandigheden geweest waarin u Gods wil eerst niet begreep, en later zag dat het juist ten goede was? Niets is uitgelopen op uw schade, maar alles heeft meegewerkt. Laat dat u bemoedigen voor de weg die nog voor u ligt. Waar de Geest de ziel naar Christus en Zijn kruis trekt, daar wordt die wil, eens zo hard en vreemd, goed, welbehagelijk en volmaakt bevonden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That ye may prove what is that good, and acceptable, and perfect, will of God.
Romans 12:2
The will of God is “good, perfect, and acceptable.” How are we to prove personally and experimentally that it is all this? That good and perfect will runs counter, over and over again, to my natural inclinations, sets itself firmly against my fleshly desires. God’s will calls for self-denial, but I want self gratification; it requires obedience, but my carnal mind is the essence of disobedience; it demands many sacrifices, but my coward flesh revolts from them; it bids me walk in the path of suffering, sorrow, and tribulation, but my fleshly mind shrinks back, and says, “No, I cannot tread in that path!”
As long, then, as I am conformed to the world, I cannot see the path, for this worldly conformity has thrown a veil over my eyes; or if I do dimly and faintly see it, I am not willing or able to walk in it, because my carnal mind rebels against all trouble or self-denial, or anything connected with the cross of Christ. But, on the other hand, if by any gracious operations of the Spirit on my heart, I am drawn out of this worldly conformity, am renewed in the spirit of my mind, and transformed into the likeness of the suffering Son of God, then “that good, and perfect, and acceptable will of God” becomes commended to my conscience.
This good, and acceptable, and perfect will is far, far out of the sight of the carnal eye, out of the sound of the worldly ear, out of the touch of the worldly hand; but is made manifest to the spiritual eye, listened to by the spiritual ear, and laid hold of by the spiritual hand. To realize this for ourselves, we shall find it good sometimes to look back and see how that divine will has, in previous instances, proved itself acceptable to our renewed mind. We can see, also, how supremely that will has reigned, and yet how supreme in all points for our good. It has ordered or overruled all circumstances and all events, amid a complication of difficulties in providence and grace. Nothing has happened to our injury, but all things, according to the promise, have worked together for our good.
But one thing we must deeply bear in mind, that as we cannot deliver ourselves from worldly conformity, so we cannot renew ourselves in the spirit of our mind. The blessed Spirit must do both for us, and work in us to will and to do of His good pleasure. But as we are led to feel the misery of the one state, and the blessedness of the other, we shall seek after these gracious operations and divine influences; and as the blessed Spirit from time to time brings the soul out of this worldly conformity and transforms it into the suffering image of Christ, it sees more and more the beauty and blessedness of walking in this path; and cleaving to Christ and His cross with its tenderest affections proves for itself the goodness, acceptability, and perfection of the will of God.
To the reader…
Dear reader, do you shrink back from the path the Lord shows you? Does His will call for self-denial, while your flesh says, “No, I cannot tread that path”? Do not be ashamed to admit that it is so; that is the carnal mind in all of us. We cannot loosen ourselves from the world, nor can we renew ourselves. The blessed Spirit must work in us both to will and to do of His good pleasure.
Look back, then, on the way that lies behind you. Have there not been circumstances in which at first you did not understand God’s will, and later saw that it was for your good after all? Nothing has turned out to your harm, but all things have worked together. Let that encourage you for the road that still lies before you. Where the Spirit draws the soul to Christ and His cross, that will, once so hard and strange, is found to be good, acceptable and perfect.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Para que experimentéis cuál sea la buena voluntad de Dios, agradable y perfecta.
Romanos 12:2
La voluntad de Dios es “buena, agradable y perfecta”. ¿Cómo hemos de experimentar personal y experimentalmente que es todo esto? Esa voluntad buena y perfecta va una y otra vez en contra de mis inclinaciones naturales, se opone firmemente a mis deseos carnales. La voluntad de Dios pide negación de uno mismo, pero yo quiero complacerme a mí mismo; requiere obediencia, pero mi mente carnal es la esencia misma de la desobediencia; exige muchos sacrificios, pero mi carne cobarde se rebela contra ellos; me manda andar por la senda del sufrimiento, el dolor y la tribulación, pero mi mente carnal retrocede y dice: “¡No, no puedo andar por esa senda!”
Mientras, pues, esté yo conformado al mundo, no puedo ver la senda, porque esta conformidad mundana ha echado un velo sobre mis ojos; o si la veo de manera borrosa y débil, no estoy dispuesto ni soy capaz de andar por ella, porque mi mente carnal se rebela contra toda aflicción o negación de mí mismo, o contra cualquier cosa relacionada con la cruz de Cristo. Pero, por otra parte, si por alguna operación de gracia del Espíritu en mi corazón soy sacado de esta conformidad mundana, soy renovado en el espíritu de mi mente y transformado a la semejanza del Hijo de Dios sufriente, entonces “la buena voluntad de Dios, agradable y perfecta” se recomienda a mi conciencia.
Esta voluntad buena, agradable y perfecta está muy, muy lejos de la vista del ojo carnal, fuera del alcance del oído mundano, fuera del toque de la mano mundana; pero es manifestada al ojo espiritual, escuchada por el oído espiritual y asida por la mano espiritual. Para comprobar esto por nosotros mismos, nos será bueno mirar a veces hacia atrás y ver cómo aquella voluntad divina, en casos anteriores, se ha mostrado agradable a nuestra mente renovada. Podemos ver también cuán soberanamente ha reinado esa voluntad, y sin embargo cuán soberana en todo para nuestro bien. Ha ordenado o dirigido todas las circunstancias y todos los acontecimientos, en medio de una maraña de dificultades en la providencia y en la gracia. Nada ha sucedido para nuestro daño, sino que todas las cosas, conforme a la promesa, nos han ayudado a bien.
Pero una cosa debemos tener muy presente: que así como no podemos librarnos a nosotros mismos de la conformidad mundana, tampoco podemos renovarnos a nosotros mismos en el espíritu de nuestra mente. El bendito Espíritu tiene que hacer ambas cosas por nosotros, y obrar en nosotros así el querer como el hacer, por Su buena voluntad. Pero a medida que somos llevados a sentir la miseria del un estado y la bienaventuranza del otro, buscaremos estas operaciones de gracia e influencias divinas; y a medida que el bendito Espíritu, de tiempo en tiempo, saca al alma de esta conformidad mundana y la transforma a la imagen sufriente de Cristo, ella ve más y más la belleza y la bienaventuranza de andar por esta senda; y, aferrándose a Cristo y a Su cruz con sus afectos más tiernos, experimenta por sí misma la bondad, lo agradable y la perfección de la voluntad de Dios.
Al lector…
Querido lector, ¿retrocede usted ante la senda que el Señor le muestra? ¿Pide Su voluntad negación de sí mismo, mientras su carne dice: “No, no puedo andar por esa senda”? No se avergüence de admitir que es así; esa es la mente carnal que hay en todos nosotros. No podemos soltarnos del mundo, ni podemos renovarnos a nosotros mismos. El bendito Espíritu tiene que obrar en nosotros así el querer como el hacer, por Su buena voluntad.
Mire, pues, hacia atrás, al camino que queda a sus espaldas. ¿No ha habido circunstancias en que al principio no entendía la voluntad de Dios, y más tarde vio que, después de todo, era para su bien? Nada ha resultado para su daño, sino que todas las cosas le han ayudado a bien. Deje que eso le anime para el camino que aún tiene por delante. Donde el Espíritu atrae el alma a Cristo y a Su cruz, aquella voluntad, antes tan dura y extraña, se halla buena, agradable y perfecta.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl