6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen: welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult.
Efeze 1:22, 23
In Gods oog, en als in Christus verkoren, is de Gemeente een volmaakt lichaam. Daarom is zij de vervulling van Christus. Evenals ons hoofd en onze leden in vereniging met elkander een echt harmonisch lichaam vormen, zo is het ook met Christus en de Gemeente. Daar het natuurlijk hoofd onvolkomen zijn zoude zonder het lichaam, en daar het lichaam onvolkomen zijn zou zonder het hoofd, zo is het met het verborgen lichaam van Christus en Zijn lichaam der Gemeente. Het een verbreekt het ander, en de vereniging van beide maakt het geheel volkomen.
De Zoon van God, vlees wordende, behoefde een lichaam waarvan Hij het Hoofd zou zijn. Zonder dat zou Hij zijn als een bruidegom zonder bruid, een herder zonder kudde, een fundament zonder het gebouw, een wijnstok zonder ranken. Hij had de Gemeente niet nodig als Zone Gods, maar wel als Zoon des mensen. In haar is al Zijn liefde volmaakt, Zijn werk volmaakt, Zijn genade volmaakt, Zijn heerlijkheid volmaakt; en als zij te huis gebracht zijn om altijd met Hem in heerlijkheid te zijn, zullen al Gods plannen, Zijn ganse eeuwige raad van wijsheid en genade, volkomen zijn.
In deze zin kunnen wij de uitdrukking verstaan: „de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult”. Wonderbare gedachte, dat Hij, Die als de Zoon van God alles in allen vervult – alle plaatsen vervult met Zijn alomtegenwoordigheid –, Zich verwaardigen zou een betrekkelijke volheid te hebben in Zijn eigen lichaam, de Gemeente!
Wij, o verheven majesteit,
gedenken Uw weldadigheid
in ’t midden van Uw heil’ge woning!
Gelijk Uw naam is, grote Koning,
bij ons terecht geprezen,
zo is Uw roem gerezen
en bij de volken zeer vermaard
tot aan het uiterst’ eind der aard.
Ps. 48:4
Aan de lezer…
Voelt u zich, lezer, een al te gering lid om van belang te zijn? Ziet u uw zwakheid en denkt u dat het geen verschil maakt of u er bent of niet? Hoor dan wat hier staat: de Gemeente is Zijn lichaam en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult. Hij, Die alle plaatsen vervult, heeft Zich verwaardigd Zijn lichaam niet te willen missen.
Hij is geen bruidegom zonder bruid, geen herder zonder kudde, geen wijnstok zonder ranken. Wie door het geloof met Hem verenigd is, hoe zwak ook, is een deel van wat Zijn liefde en Zijn werk volmaakt. Dat is wonderlijk voor een arme zondaar die in zichzelf niets ziet. Zoek dan uw waarde niet in uzelf, maar in Hem, het Hoofd, aan Wie alle dingen onderworpen zijn. En wacht op die dag waarop Hij al de Zijnen thuis zal brengen, om altijd bij Hem te zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen: welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult.
Efeze 1:22, 23
In Gods oog, en als verkoren in Christus, is de Gemeente een volmaakt lichaam. Daarom is zij de vervulling van Christus. Zoals ons hoofd en onze leden samen één werkelijk harmonisch lichaam vormen, zo is het ook met Christus en de Gemeente. Het natuurlijke hoofd zou onvolkomen zijn zonder het lichaam, en het lichaam zou onvolkomen zijn zonder het hoofd. Zo is het ook met het verborgen lichaam van Christus: met Christus en Zijn lichaam, de Gemeente. Het ene verbreekt het andere, en de vereniging van beide maakt het geheel volkomen.
Toen de Zoon van God vlees werd, had Hij een lichaam nodig waarvan Hij het Hoofd zou zijn. Zonder dat lichaam zou Hij zijn als een bruidegom zonder bruid, een herder zonder kudde, een fundament zonder gebouw, een wijnstok zonder ranken. Als Zoon van God had Hij de Gemeente niet nodig, maar wel als Zoon des mensen. In haar is al Zijn liefde volmaakt, Zijn werk volmaakt, Zijn genade volmaakt, Zijn heerlijkheid volmaakt. En wanneer de Zijnen thuisgebracht zijn om altijd met Hem in heerlijkheid te zijn, zullen al Gods plannen, heel Zijn eeuwige raad van wijsheid en genade, volkomen zijn.
In deze zin kunnen wij de uitdrukking verstaan: „de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult”. Wat een wonderbare gedachte, dat Hij Die als de Zoon van God alles in allen vervult, Die alle plaatsen vervult met Zijn alomtegenwoordigheid, Zich zou verwaardigen een betrekkelijke volheid te hebben in Zijn eigen lichaam, de Gemeente!
Wij, o verheven majesteit,
gedenken Uw weldadigheid
in ’t midden van Uw heil’ge woning!
Gelijk Uw naam is, grote Koning,
bij ons terecht geprezen,
zo is Uw roem gerezen
en bij de volken zeer vermaard
tot aan het uiterst’ eind der aard.
Ps. 48:4
Aan de lezer…
Voelt u zich, lezer, een te gering lid om van belang te zijn? Ziet u uw zwakheid en denkt u dat het geen verschil maakt of u er bent of niet? Hoor dan wat hier staat: de Gemeente is Zijn lichaam en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult. Hij Die alle plaatsen vervult, heeft Zich verwaardigd Zijn lichaam niet te willen missen.
Hij is geen bruidegom zonder bruid, geen herder zonder kudde, geen wijnstok zonder ranken. Wie door het geloof met Hem verenigd is, hoe zwak ook, is een deel van wat Zijn liefde en Zijn werk volmaakt. Dat is wonderlijk voor een arme zondaar die in zichzelf niets ziet. Zoek uw waarde dan niet in uzelf, maar in Hem, het Hoofd, aan Wie alle dingen onderworpen zijn. En wacht op die dag waarop Hij al de Zijnen thuis zal brengen, om altijd bij Hem te zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And hath put all things under His feet, and gave Him to be the head over all things to the church, which is His body, the fulness of Him that filleth all in all.
Ephesians 1:22-23
In the mind of God, and as chosen in Christ, the Church is a perfect body. It is, therefore, the fullness of Christ. Just as our head and members, in their union with each other, form one perfect harmonious body, so it is with Christ and the Church. As the natural head would be incomplete without the body, as the body would be incomplete without the head, so it is with Christ mystical, and His body the Church. Each needs the other, and the union of both makes the whole complete.
The Son of God, by becoming incarnate, needed a body of which He should be the Head. Without it, He would be as a bridegroom without the bride, a shepherd without the sheep, a foundation without the building, a vine without the branches. He did not need the Church as the Son of God, but He needed her as the Son of man.
In her all His love is complete, His work complete, His grace complete, His glory complete; and when she is brought home to be forever with Him in glory, then all the purposes of God, all His eternal counsels of wisdom and grace, will be complete. In this sense we may understand the expression, “the fullness of Him that fills all in all.” What a wonderful thought it is that He who, as the Son of God, fills all in all—fills all places with His omnipresence—should yet stoop to have a relative fullness in His body the Church!
To the reader…
Do you feel, dear reader, that you are too insignificant a member to matter? Do you see your weakness and think that it makes no difference whether you are there or not? Then hear what is written here: the Church is His body, the fulness of Him that filleth all in all. He Who fills all places has condescended not to want to be without His body.
He is no bridegroom without a bride, no shepherd without a flock, no vine without branches. Whoever is united to Him by faith, however weak, is part of what completes His love and His work. That is wonderful for a poor sinner who sees nothing in himself. So do not seek your worth in yourself, but in Him, the Head, to Whom all things are subject. And wait for that day when He will bring all His own home, to be for ever with Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y sometió todas las cosas debajo de Sus pies, y diolo por cabeza sobre todas las cosas a la iglesia, la cual es Su cuerpo, el complemento de Aquel que hinche todas las cosas en todos.
Efesios 1:22-23
En la mente de Dios, y como escogida en Cristo, la Iglesia es un cuerpo perfecto. Es, por tanto, la plenitud de Cristo. Así como nuestra cabeza y nuestros miembros, en su unión entre sí, forman un solo cuerpo perfecto y armonioso, así sucede con Cristo y la Iglesia. Como la cabeza natural estaría incompleta sin el cuerpo, y el cuerpo estaría incompleto sin la cabeza, así sucede con el Cristo místico y Su cuerpo, la Iglesia. Cada uno necesita al otro, y la unión de ambos completa el todo.
El Hijo de Dios, al encarnarse, necesitó un cuerpo del cual fuera la Cabeza. Sin él, sería como un esposo sin esposa, un pastor sin ovejas, un fundamento sin edificio, una vid sin pámpanos. No necesitaba a la Iglesia como Hijo de Dios, pero la necesitaba como Hijo del hombre.
En ella todo Su amor es completo, Su obra completa, Su gracia completa, Su gloria completa; y cuando ella sea llevada a casa para estar para siempre con Él en gloria, entonces todos los propósitos de Dios, todos Sus eternos consejos de sabiduría y de gracia, serán completos. En este sentido podemos entender la expresión: “el complemento de Aquel que hinche todas las cosas en todos”. ¡Qué pensamiento tan maravilloso es que Aquel que, como Hijo de Dios, hinche todas las cosas en todos, que llena todos los lugares con Su omnipresencia, se digne, sin embargo, tener una plenitud relativa en Su cuerpo, la Iglesia!
Al lector…
¿Siente usted, querido lector, que es un miembro demasiado insignificante para importar? ¿Ve su debilidad y piensa que no hay diferencia alguna en que usted esté o no esté? Entonces oiga lo que aquí está escrito: la Iglesia es Su cuerpo, el complemento de Aquel que hinche todas las cosas en todos. Aquel que llena todos los lugares se ha dignado no querer estar sin Su cuerpo.
Él no es esposo sin esposa, ni pastor sin rebaño, ni vid sin pámpanos. Quien está unido a Él por la fe, por débil que sea, forma parte de lo que completa Su amor y Su obra. Eso es maravilloso para un pobre pecador que no ve nada en sí mismo. No busque, pues, su valor en usted mismo, sino en Él, la Cabeza, a Quien todas las cosas están sujetas. Y espere aquel día en que Él llevará a casa a todos los Suyos, para estar para siempre con Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Vervolgen de Heere te kennen
Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen om de HEERE te kennen. Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen, en als de vroege regen des lands.
Hosea 6:3
„De HEERE te kennen” is bevindelijk en geestelijk kennis te hebben van de kracht van Jezus’ bloed en gerechtigheid; onze eeuwige vereniging met Hem te kennen. Het is Hem zo te kennen dat de verborgenheden van Zijn hart voor ons ontsloten zijn, en wij door het geloof ingaan in de lengte en breedte en diepte en hoogte van de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat. Het is Hem zo te kennen dat Zijn Geest ons bezielt en Zijn beeld door de Heilige Geest op onze zielen gestempeld wordt. Het is Hem te kennen als neerdalend in onze harten uit Zijn heerlijk heiligdom, onze zielen vervullend met Zijn tegenwoordigheid en liefde. Het is Hem te kennen zoals Hij in ons de hoop der heerlijkheid is en onze lichamen maakt tot Zijn tempel, zoals Hij in ons woont, ons bezielt, in ons spreekt en leeft en als het ware elke uitgang van ons hart en alle krachten van onze ziel beweegt.
De Heere kennen is het belangrijkste deel en het wezen van de levende godzaligheid. En aangezien „de HEERE te kennen” wijst op de kennis van de Heere in Zijn Drieheid van Personen als in Zijn eenheid van Wezen, kunnen wij zeggen dat het kennen van de Heere de Vader in Zijn eeuwige liefde, het kennen van de Heere de Zoon in Zijn verlossend bloed, en het kennen van de Heere de Geest in Zijn goddelijke werkingen en gezegende onderwijzingen, de voorsmaak is van de gelukzaligheid hier beneden; en God te kennen en te zien gelijk Hij is, is de volmaking van de eeuwige zaligheid daarboven.
Lezen: Johannes 17:1-17
Aan de lezer…
Wat betekent het voor u, lezer, de HEERE te kennen? Het is meer dan juiste gedachten over Hem. Het is de kracht van Jezus’ bloed en gerechtigheid in het eigen geweten te ervaren; Zijn liefde te smaken, die de kennis te boven gaat; Hem te kennen als Die in het hart neerdaalt en de ziel met Zijn tegenwoordigheid vervult. Het is de Vader te kennen in Zijn eeuwige liefde, de Zoon in Zijn verlossend bloed, en de Geest in Zijn gezegende onderwijzingen.
Misschien zucht u dat u daar nog zo weinig van weet. Laat die zucht u niet terneerdrukken, maar voortdrijven. Wat hier beneden gesmaakt wordt, is slechts een voorsmaak, en toch is het het wezen van de levende godzaligheid. Vraag Hem dan dat Hij Zichzelf aan u bekendmaakt. Die die kennis in een arme ziel begint, zal haar eens volmaken, wanneer u Hem zult zien zoals Hij is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen om de HEERE te kennen. Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen, en als de vroege regen des lands.
Hosea 6:3
„De HEERE te kennen” is bevindelijk en geestelijk de kracht kennen van Jezus’ bloed en gerechtigheid, en onze eeuwige vereniging met Hem kennen. Het is Hem zo kennen dat de verborgenheden van Zijn hart voor ons geopend zijn, en dat wij door het geloof ingaan in de lengte en breedte en diepte en hoogte van de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat. Het is Hem zo kennen dat Zijn Geest ons bezielt en Zijn beeld door de Heilige Geest in onze ziel wordt gedrukt. Het is Hem kennen als Hij uit Zijn heerlijk heiligdom in ons hart neerdaalt en onze ziel vervult met Zijn tegenwoordigheid en liefde. Het is Hem kennen als Degene Die in ons de hoop der heerlijkheid is en ons lichaam tot Zijn tempel maakt, Die in ons woont, ons bezielt, in ons spreekt en leeft, en als het ware elke uitgang van ons hart en alle krachten van onze ziel beweegt.
De Heere kennen is het voornaamste deel en het wezen van de levende godzaligheid. „De HEERE te kennen” wijst op de kennis van de Heere zowel in de drieheid van Zijn Personen als in de eenheid van Zijn Wezen. Daarom kunnen we zeggen: de Heere de Vader kennen in Zijn eeuwige liefde, de Heere de Zoon in Zijn verlossend bloed, en de Heere de Geest in Zijn goddelijke werkingen en gezegende onderwijzingen, is hier beneden de voorsmaak van de gelukzaligheid. En God kennen en zien zoals Hij is, is daarboven de volmaaktheid van de eeuwige zaligheid.
Lezen: Johannes 17:1-17
Aan de lezer…
Wat betekent het voor u, lezer, de HEERE te kennen? Het is meer dan juiste gedachten over Hem hebben. Het is de kracht van Jezus’ bloed en gerechtigheid in het eigen geweten ervaren; Zijn liefde smaken, die de kennis te boven gaat; Hem kennen als Degene Die in het hart neerdaalt en de ziel met Zijn tegenwoordigheid vervult. Het is de Vader kennen in Zijn eeuwige liefde, de Zoon in Zijn verlossend bloed, en de Geest in Zijn gezegende onderwijzingen.
Misschien zucht u dat u daar nog zo weinig van weet. Laat die zucht u niet terneerdrukken, maar voortdrijven. Wat hier beneden gesmaakt wordt, is slechts een voorsmaak, en toch is het het wezen van de levende godzaligheid. Vraag Hem dan dat Hij Zichzelf aan u bekendmaakt. Hij Die die kennis in een arme ziel begint, zal haar eens volmaken, wanneer u Hem zult zien zoals Hij is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Then shall we know, if we follow on to know the LORD: His going forth is prepared as the morning; and He shall come unto us as the rain, as the latter and former rain unto the earth.
Hosea 6:3
“To know the LORD” is to know experimentally and spiritually the power of Jesus’ blood and righteousness, and to know our eternal union with Him. It is so to know Him that the secrets of His heart are opened to us, and that by faith we enter into the length and breadth and depth and height of the love of Christ, which passeth knowledge. It is so to know Him that His Spirit animates us and His image is stamped upon our soul by the Holy Ghost. It is to know Him when He comes down from His glorious sanctuary into our heart and fills our soul with His presence and love. It is to know Him as the One Who is in us the hope of glory and makes our body His temple, Who dwells in us, animates us, speaks and lives in us, and moves, as it were, every going forth of our heart and all the faculties of our soul.
To know the Lord is the chief part and the very essence of vital godliness. “To know the LORD” points to the knowledge of the Lord both in the Trinity of His Persons and in the Unity of His Essence. Therefore we may say that to know the Lord the Father in His everlasting love, the Lord the Son in His redeeming blood, and the Lord the Spirit in His divine operations and blessed teachings, is here below the foretaste of bliss. And to know God and see Him as He is, is above the perfection of eternal blessedness.
Reading: John 17:1-17
To the reader…
What does it mean for you, dear reader, to know the LORD? It is more than having right thoughts about Him. It is to feel the power of Jesus’ blood and righteousness in your own conscience; to taste His love, which passeth knowledge; to know Him as the One Who comes down into the heart and fills the soul with His presence. It is to know the Father in His everlasting love, the Son in His redeeming blood, and the Spirit in His blessed teachings.
Perhaps you sigh that you know so little of it as yet. Do not let that sigh weigh you down, but let it drive you onward. What is tasted here below is only a foretaste, and yet it is the very essence of vital godliness. Ask Him, then, to make Himself known to you. He Who begins that knowledge in a poor soul will one day make it perfect, when you shall see Him as He is.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y conoceremos, y proseguiremos en conocer a Jehová: como el alba está aparejada Su salida, y vendrá a nosotros como la lluvia, como la lluvia tardía y temprana a la tierra.
Oseas 6:3
“Conocer a Jehová” es conocer experimental y espiritualmente el poder de la sangre y la justicia de Jesús, y conocer nuestra unión eterna con Él. Es conocerle de tal manera que los secretos de Su corazón se nos abren, y que por la fe entramos en la anchura y la longura y la profundidad y la altura del amor de Cristo, que excede a todo conocimiento. Es conocerle de tal manera que Su Espíritu nos anima y Su imagen es estampada en nuestra alma por el Espíritu Santo. Es conocerle cuando Él desciende de Su glorioso santuario a nuestro corazón y llena nuestra alma con Su presencia y Su amor. Es conocerle como Aquel que es en nosotros la esperanza de gloria y hace de nuestro cuerpo Su templo, que mora en nosotros, nos anima, habla y vive en nosotros, y mueve, por así decirlo, cada impulso de nuestro corazón y todas las facultades de nuestra alma.
Conocer al Señor es la parte principal y la esencia misma de la piedad vital. “Conocer a Jehová” apunta al conocimiento del Señor tanto en la Trinidad de Sus Personas como en la Unidad de Su Esencia. Por eso podemos decir que conocer al Señor el Padre en Su amor eterno, al Señor el Hijo en Su sangre redentora, y al Señor el Espíritu en Sus operaciones divinas y benditas enseñanzas, es aquí abajo el anticipo de la bienaventuranza. Y conocer a Dios y verle tal como Él es, es allá arriba la perfección de la bienaventuranza eterna.
Lectura: Juan 17:1-17
Al lector…
¿Qué significa para usted, querido lector, conocer a Jehová? Es más que tener pensamientos correctos acerca de Él. Es sentir el poder de la sangre y la justicia de Jesús en su propia conciencia; gustar Su amor, que excede a todo conocimiento; conocerle como Aquel que desciende al corazón y llena el alma con Su presencia. Es conocer al Padre en Su amor eterno, al Hijo en Su sangre redentora y al Espíritu en Sus benditas enseñanzas.
Quizá suspire porque todavía conoce tan poco de ello. No deje que ese suspiro le abrume, sino que le impulse hacia adelante. Lo que se gusta aquí abajo es solo un anticipo, y sin embargo es la esencia misma de la piedad vital. Pídale, pues, que se dé a conocer a usted. Aquel que comienza ese conocimiento en un alma pobre lo hará perfecto un día, cuando le vea tal como Él es.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
O onze God! zult Gij geen recht tegen hen oefenen? Want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons opkomt, en wij weten niet wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U.
2 Kronieken 20:12
Josafat wist niet wat hij doen moest. Hij was ten einde raad, en toch nam hij de zekerste weg die iemand nemen kan. Dit is het geheim der zaak, dat wanneer wij dwazen zijn in eigen schatting, wij dan wijs zijn; en als wij zwak zijn, dan zijn wij sterk. Wanneer wij niet weten wat we doen moeten, dan volgen wij de juiste weg. O, had Josafat een andere weg gevolgd, had hij een leger bijeengeroepen, door Juda getogen om manschappen, en gesmede zwaarden en spiesen bijeenverzameld, hij had zich gewis bedrogen!
Maar niet wetende wat te doen, deed hij hetgeen hij juist doen moest: „Onze ogen zijn op U.” Gij moet onze strijd strijden; Gij moet de zaak in Uw eigen handen nemen. Onze ogen zijn op U, wachten op U, zien op U en hopen op U. Wij geloven in Uw heilige Naam en verwachten hulp van U, van Wie alleen onze hulp komen kan. Maar op deze plaats te komen is een pijnlijk werk.
„Onze ogen zijn op U.” Het betekent dat er geen nut in steekt ergens anders heen te zien. Het wil zeggen dat de ziel tevergeefs her- en derwaarts om hulp heeft uitgezien en ten slotte of ten einde raad het oog tot God heeft gewend, wetende dat alleen van Hem alle hulp komen moet. Ik geloof dat dit een onderscheidend merkteken van een christen is, dat hij zijn ogen op God slaat. Op zijn bed des nachts, in zijn kamer bij dag, in zijn zaken of op de markt; als zijn ziel in moeite is, ternedergeworpen, als hij in verlegenheid verkeert, dan slaat hij het oog op God.
Van Hem alleen moet alle hulp komen. Niets of niemand kan zijn zaak redden. Alle andere hulp, behalve die van God, is nutteloos; zij laat hem daar zij hem vond; hij heeft er geen baat bij. Wij zijn nooit veilig dan alleen wanneer onze ogen op God zien. Laat onze ogen op Hem gevestigd zijn, en wij kunnen veilig wandelen; laat onze ogen op het schepsel zien, en wij zijn ervan verzekerd dat onze treden zullen uitschieten en onze voeten zullen wankelen.
Aan de lezer…
Weet u het niet meer, lezer? Hebt u her en der om hulp uitgezien, bij mensen, bij uw eigen verstand, bij plannen die het één na het ander faalden, en staat u nu ten einde raad? Dan staat u misschien dichter bij de rechte weg dan u denkt. Want wanneer wij niet weten wat wij doen moeten en het oog ten slotte op God wenden, volgen wij juist de zekerste weg die iemand nemen kan.
Het is een pijnlijk werk om op die plaats te komen, en de Heere weet dat. Maar alle andere hulp laat u daar waar zij u vond. Sla dan uw ogen op Hem, op uw bed des nachts, in uw kamer bij dag, in uw zorgen en uw verlegenheid. Zeg het Hem eerlijk: „In ons is geen kracht, en wij weten niet wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U.” Wie zo op Hem ziet, mag veilig wandelen, want Hij neemt de strijd in Zijn eigen handen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O onze God! zult Gij geen recht tegen hen oefenen? Want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons opkomt, en wij weten niet wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U.
2 Kronieken 20:12
Josafat wist niet wat hij moest doen. Hij was ten einde raad, en toch nam hij de zekerste weg die iemand kan nemen. Dit is het geheim ervan: wanneer wij in eigen ogen dwazen zijn, dan zijn wij wijs, en wanneer wij zwak zijn, dan zijn wij sterk. Wanneer wij niet weten wat we moeten doen, dan volgen wij de juiste weg. O, als Josafat een andere weg was gegaan, als hij een leger bijeen had geroepen, door Juda was getrokken om manschappen te werven en gesmede zwaarden en speren had verzameld, dan zou hij zich zeker bedrogen hebben!
Maar omdat hij niet wist wat hij moest doen, deed hij precies wat hij moest doen: „Onze ogen zijn op U.” U moet onze strijd strijden; U moet de zaak in Uw eigen handen nemen. Onze ogen zijn op U: zij wachten op U, zien naar U uit en hopen op U. Wij geloven in Uw heilige Naam en verwachten hulp van U, van Wie alleen onze hulp kan komen. Maar op deze plaats te komen is een pijnlijk werk.
„Onze ogen zijn op U.” Dat betekent dat het geen zin heeft ergens anders heen te kijken. Het wil zeggen dat de ziel tevergeefs overal om hulp heeft uitgezien en ten slotte, ten einde raad, het oog op God heeft gericht, in het besef dat alle hulp alleen van Hem moet komen. Ik geloof dat dit een kenmerk van een christen is: hij slaat zijn ogen op naar God. Op zijn bed in de nacht, in zijn kamer overdag, in zijn zaken of op de markt; wanneer zijn ziel in moeite is, terneergeslagen, wanneer hij in verlegenheid verkeert, dan slaat hij het oog op naar God.
Van Hem alleen moet alle hulp komen. Niets en niemand kan zijn zaak redden. Alle andere hulp dan die van God is nutteloos; zij laat hem waar zij hem vond, en hij heeft er geen baat bij. Wij zijn nooit veilig, behalve wanneer onze ogen op God gericht zijn. Laten onze ogen op Hem gevestigd zijn, en wij kunnen veilig wandelen; laten onze ogen op het schepsel gericht zijn, en wij kunnen er zeker van zijn dat onze treden zullen uitglijden en onze voeten zullen wankelen.
Aan de lezer…
Weet u het niet meer? Hebt u overal om hulp uitgezien, bij mensen, bij uw eigen verstand, bij plannen die het een na het ander mislukten, en staat u nu ten einde raad? Dan staat u misschien dichter bij de juiste weg dan u denkt. Want wanneer wij niet weten wat wij moeten doen en ten slotte het oog op God richten, volgen wij juist de zekerste weg die iemand kan nemen.
Het is een pijnlijk werk om op die plaats te komen, en de Heere weet dat. Maar alle andere hulp laat u waar zij u vond. Sla dan uw ogen op naar Hem, op uw bed in de nacht, in uw kamer overdag, in uw zorgen en uw verlegenheid. Zeg het Hem eerlijk: „In ons is geen kracht, en wij weten niet wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U.” Wie zo naar Hem opziet, mag veilig wandelen, want Hij neemt de strijd in Zijn eigen handen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“O our God, wilt Thou not judge them? for we have no might against this great company that cometh against us; neither know we what to do: but our eyes are upon Thee.”
2 Chronicles 20:12
Jehoshaphat did not know what to do; he was altogether at his wit’s end; and yet he took the wisest course a man could take. This is the beauty of it; that when we are fools, then we are wise; when we are weak, then we are strong; when we know not what to do, then we do the only right thing. O had Jehoshaphat taken any other course; had he collected an army, sent through Judah, raised troops and forged swords and spears he would certainly have been defeated! But not knowing what to do, he did the very thing he should do. “Our eyes are upon Thee.” “You must fight our battles; You must take the matter into Your own hands. Our eyes are upon You, waiting upon You, looking up, and hoping in You; believing in Your holy Name, expecting help from You, from Whom alone help can come.”
But this is painful work to be brought to this point, “Our eyes are upon Thee,” implying there is no use looking to any other quarter. It assumes that the soul has looked, and looked, and looked elsewhere in vain, and then fixed its eyes upon God as knowing that from Him alone all help must come.
This I believe to be the distinctive mark of a Christian, that his eyes are upon God. On his bed by night; in his room by day; in business or at market, when his soul is in trouble, cast down, and perplexed, his eyes are upon God. From Him alone all help must come; none else can reach his case. All other but the help of God is ineffectual; it leaves him where it found him; it does him no good. We are never safe except our eyes are upon God. Let our eyes be upon Him, we can walk safely; let our eyes be upon the creature, we are pretty sure to slip and stumble.
To the reader…
Are you at your wit’s end? Have you looked everywhere for help, to people, to your own understanding, to plans that failed one after another, and are you now at a loss? Then perhaps you are closer to the right way than you think. For when we do not know what to do and at last fix our eyes on God, we are taking the surest course anyone can take.
It is painful work to be brought to that place, and the Lord knows it. But all other help leaves you where it found you. Lift up your eyes to Him, then, on your bed at night, in your room by day, in your cares and your perplexity. Tell Him honestly, “We have no might, neither know we what to do: but our eyes are upon Thee.” Whoever looks up to Him like this may walk safely, for He takes the battle into His own hands.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¡Oh Dios nuestro! ¿no los juzgarás Tú? porque en nosotros no hay fuerza contra tan grande multitud que viene contra nosotros: no sabemos lo que hemos de hacer, mas a Ti volvemos nuestros ojos.
2 Crónicas 20:12
Josafat no sabía qué hacer; estaba completamente sin saber qué partido tomar; y, sin embargo, tomó el camino más sabio que un hombre podía tomar. Esta es la hermosura de ello: que cuando somos necios, entonces somos sabios; cuando somos débiles, entonces somos fuertes; cuando no sabemos qué hacer, entonces hacemos lo único correcto. ¡Oh, si Josafat hubiera tomado otro camino; si hubiera reunido un ejército, enviado mensajeros por todo Judá, levantado tropas y forjado espadas y lanzas, ciertamente habría sido derrotado! Pero, no sabiendo qué hacer, hizo precisamente lo que debía hacer. “A Ti volvemos nuestros ojos.” “Tú tienes que pelear nuestras batallas; Tú tienes que tomar el asunto en Tus propias manos. Nuestros ojos están puestos en Ti, esperándote, mirando hacia arriba y esperando en Ti; creyendo en Tu santo Nombre, aguardando ayuda de Ti, de Quien solo puede venir la ayuda.”
Pero es una obra dolorosa ser llevado a este punto: “A Ti volvemos nuestros ojos”, lo cual implica que de nada sirve mirar a ninguna otra parte. Supone que el alma ha mirado, y mirado, y mirado a otras partes en vano, y luego ha fijado sus ojos en Dios, sabiendo que solo de Él ha de venir toda ayuda.
Creo que esta es la señal distintiva de un cristiano: que sus ojos están puestos en Dios. En su cama de noche; en su cuarto de día; en sus negocios o en el mercado, cuando su alma está en angustia, abatida y perpleja, sus ojos están puestos en Dios. Solo de Él ha de venir toda ayuda; ningún otro puede alcanzar su caso. Toda otra ayuda que no sea la de Dios es ineficaz; lo deja donde lo encontró; no le hace ningún bien. Nunca estamos seguros sino cuando nuestros ojos están puestos en Dios. Estén nuestros ojos puestos en Él, y podremos andar seguros; estén nuestros ojos puestos en la criatura, y es casi seguro que resbalaremos y tropezaremos.
Al lector…
¿Está usted sin saber qué partido tomar? ¿Ha buscado ayuda por todas partes, en las personas, en su propio entendimiento, en planes que fracasaron uno tras otro, y ahora no sabe qué hacer? Entonces quizá esté más cerca del camino correcto de lo que piensa. Porque cuando no sabemos qué hacer y por fin fijamos nuestros ojos en Dios, tomamos el camino más seguro que alguien puede tomar.
Es una obra dolorosa ser llevado a ese lugar, y el Señor lo sabe. Pero toda otra ayuda le deja donde le encontró. Alce, pues, sus ojos a Él, en su cama de noche, en su cuarto de día, en sus cuidados y en su perplejidad. Dígale con sinceridad: “En nosotros no hay fuerza: no sabemos lo que hemos de hacer, mas a Ti volvemos nuestros ojos.” Quien mira así hacia Él puede andar seguro, porque Él toma la batalla en Sus propias manos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl