5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Gezegend zij de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen in de Hemel in Christus.
Efeze 1:3
O, mocht ons geloof maar een beetje omvatten, al was het maar een beetje. En mochten wij dagelijks slechts enkele druppels drinken uit de zuivere fontein van onvergankelijke vreugde, en de zoete zekerheid genieten dat wij gezegend zijn — reeds gezegend, volkomen gezegend, onveranderlijk en onherroepelijk gezegend — met alle geestelijke zegeningen in Christus. Wat een kracht en troost zou dat geven aan onze vaak zo onder druk staande zielen!
Lees de woorden; onderzoek ze herhaaldelijk; overdenk voor uzelf, één voor één, de geestelijke zegeningen waarnaar u het meest verlangt. Is het vergeving? Is het vrede? Is het de liefde van God die in uw hart wordt uitgestort? Is het de Geest van aanneming, Die u in staat stelt „Abba, Vader” te roepen? Is het gemeenschap met God? Is het het genot van Zijn aanwezigheid en Zijn glimlach? Is het de bevrijding van elke twijfel en van elke angst? Is het een grote mate van Zijn vreze in uw hart, een doden van al uw begeerten en verdorvenheden, een godvruchtig heilig leven en een gelukzalige dood? Zijn dit niet de geestelijke zegeningen die u hoger acht dan huis of goed, vrouw of man, kind of verwant, of boven aardse schatten? Als u tot Gods gunstelingen behoort en in Christus Jezus gelooft, dan bent u in deze en in alle andere opzichten gezegend. God heeft u niet eerst nog te zegenen, behalve dat Hij u hier een voorsmaak en hiernamaals het volle genot schenkt. Hij heeft u met dat alles reeds gezegend in Christus Jezus.
’k Heb in mijn hart Uw reden weggelegd,
opdat ik mij mocht wachten voor de zonden.
Gij zijt, o Heer, gezegend; leer Uw knecht
door ’t godd’lijk woord, een helder licht bevonden
en door Uw Geest al d’eisen van Uw recht,
zo wordt Uw eer nooit stout door mij geschonden.
Ps. 119:6
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u zich afvraagt waarnaar uw ziel het meest verlangt. Ik nodig u uit de woorden van deze tekst langzaam te overdenken. Is het vergeving? Is het vrede? Is het de liefde van God, uitgestort in uw hart, of de Geest van aanneming Die u „Abba, Vader” doet roepen? Is het Zijn vreze, een heilig leven en eens een gelukzalige dood? Als u deze dingen hoger acht dan alle aardse schatten, dan is dat verlangen zelf al een teken van leven.
Want wie tot Gods gunstelingen behoort en in Christus Jezus gelooft, is gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus. U voelt het misschien weinig, en uw ziel staat vaak onder druk. Maar het is niet uw gevoel dat de zegen maakt; hij ligt vast in Christus. Vraag daarom of uw geloof er al was het maar een beetje van mag omvatten, en of u dagelijks enkele druppels mag drinken uit die zuivere fontein.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gezegend zij de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen in de Hemel in Christus.
Efeze 1:3
O, mocht ons geloof dit maar een beetje omvatten, al was het maar een beetje. En mochten wij dagelijks maar enkele druppels drinken uit de zuivere fontein van onvergankelijke vreugde, en de zoete zekerheid genieten dat wij gezegend zijn — al gezegend, volkomen gezegend, onveranderlijk en onherroepelijk gezegend — met alle geestelijke zegeningen in Christus. Wat een kracht en troost zou dat geven aan onze zielen, die zo vaak onder druk staan!
Lees de woorden; onderzoek ze telkens opnieuw; overdenk voor uzelf, één voor één, de geestelijke zegeningen waarnaar u het meest verlangt. Is het vergeving? Is het vrede? Is het de liefde van God die in uw hart wordt uitgestort? Is het de Geest van de aanneming, Die u in staat stelt „Abba, Vader” te roepen? Is het gemeenschap met God? Is het het genot van Zijn aanwezigheid en Zijn glimlach? Is het de bevrijding van elke twijfel en van elke angst? Is het een grote mate van Zijn vreze in uw hart, het doden van al uw begeerten en verdorvenheden, een godvruchtig, heilig leven en een gelukzalige dood? Zijn dit niet de geestelijke zegeningen die u hoger acht dan huis of goed, vrouw of man, kind of verwant, of aardse schatten? Als u tot Gods gunstgenoten behoort en in Christus Jezus gelooft, dan bent u in deze en in alle andere opzichten gezegend. God hoeft u niet eerst nog te zegenen; wel geeft Hij u hier een voorsmaak en straks het volle genieten. Hij heeft u met dit alles al gezegend in Christus Jezus.
’k Heb in mijn hart Uw reden weggelegd,
opdat ik mij mocht wachten voor de zonden.
Gij zijt, o Heer, gezegend; leer Uw knecht
door ’t godd’lijk woord, een helder licht bevonden
en door Uw Geest al d’eisen van Uw recht,
zo wordt Uw eer nooit stout door mij geschonden.
Ps. 119:6
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u zich afvraagt waarnaar uw ziel het meest verlangt. Ik nodig u uit de woorden van deze tekst langzaam te overdenken. Is het vergeving? Is het vrede? Is het de liefde van God, uitgestort in uw hart, of de Geest van de aanneming Die u „Abba, Vader” doet roepen? Is het Zijn vreze, een heilig leven en eens een gelukzalige dood? Als u deze dingen hoger acht dan alle aardse schatten, dan is dat verlangen zelf al een teken van leven.
Want wie tot Gods gunstgenoten behoort en in Christus Jezus gelooft, is gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus. U voelt er misschien weinig van, en uw ziel staat vaak onder druk. Maar het is niet uw gevoel dat de zegen maakt; hij ligt vast in Christus. Vraag daarom of uw geloof er al was het maar een beetje van mag omvatten, en of u dagelijks enkele druppels mag drinken uit die zuivere fontein.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Blessed be the God and Father of our Lord Jesus Christ, Who hath blessed us with all spiritual blessings in heavenly places in Christ.
Ephesians 1:3
O, could our faith but embrace a little, were it only a little, and O, could we daily come and drink but a few drops of this pure fountain of immortal joy, in the sweet realization of being blessed, already blessed, fully blessed, unalterably, irreversibly blessed with all spiritual blessings in Christ, what strength and consolation would it impart to our often cast down soul!
Look at the words; examine them again and again; think over in your mind, one by one, the spiritual blessings that you most covet. Is it pardon? Is it peace? Is it the love of God shed abroad in your heart? Is it the spirit of adoption, enabling you to cry, “Abba, Father?” Is it communion with God? Is it the enjoyment of His presence and smiles? Is it deliverance from every doubt and fear? Is it a large measure of His fear in your heart, a subduing of all your lusts and corruptions, a godly, holy life, and a happy, blessed death?
Are not these the spiritual blessings which you prize above house or land, wife or husband, child or relative, or any earthly good? With these, then, and with every other are you blessed, already blessed, if you are one of God’s saints and a believer in Christ Jesus. God has not yet to bless you, beyond giving you a foretaste here and the full enjoyment hereafter. He has already blessed you with them all in Christ Jesus.
To the reader…
There are times when you ask yourself what your soul longs for most. I invite you to ponder the words of this text slowly. Is it pardon? Is it peace? Is it the love of God shed abroad in your heart, or the Spirit of adoption Who makes you cry, “Abba, Father”? Is it His fear, a holy life, and one day a blessed death? If you value these things above all earthly treasures, that very longing is already a sign of life.
For whoever belongs to God’s favoured people and believes in Christ Jesus is blessed with all spiritual blessings in heavenly places in Christ. Perhaps you feel little of it, and your soul is often under pressure. But it is not your feeling that makes the blessing; it is secure in Christ. So ask that your faith may embrace even a little of it, and that you may drink a few drops each day from that pure fountain.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Bendito el Dios y Padre del Señor nuestro Jesucristo, el cual nos bendijo con toda bendición espiritual en lugares celestiales en Cristo.
Efesios 1:3
¡Oh, si nuestra fe pudiera abrazar un poco, aunque fuera solo un poco; y oh, si pudiéramos venir cada día a beber aunque fuera unas pocas gotas de esta fuente pura de gozo inmortal, en la dulce comprensión de ser bendecidos, ya bendecidos, plenamente bendecidos, inalterable e irrevocablemente bendecidos con toda bendición espiritual en Cristo, qué fuerza y consolación daría a nuestra alma tantas veces abatida!
Mire las palabras; examínelas una y otra vez; repase en su mente, una por una, las bendiciones espirituales que más codicia. ¿Es el perdón? ¿Es la paz? ¿Es el amor de Dios derramado en su corazón? ¿Es el espíritu de adopción, que le capacita para clamar: “Abba, Padre”? ¿Es la comunión con Dios? ¿Es el goce de Su presencia y de Sus sonrisas? ¿Es la liberación de toda duda y temor? ¿Es una gran medida de Su temor en su corazón, el sometimiento de todas sus concupiscencias y corrupciones, una vida piadosa y santa, y una muerte dichosa y bienaventurada?
¿No son estas las bendiciones espirituales que usted aprecia más que casa o tierra, esposa o esposo, hijo o pariente, o cualquier bien terrenal? Con estas, pues, y con todas las demás es usted bendecido, ya bendecido, si es uno de los santos de Dios y creyente en Cristo Jesús. Dios no tiene aún que bendecirle, más allá de darle un anticipo aquí y el pleno goce en el más allá. Ya le ha bendecido con todas ellas en Cristo Jesús.
Al lector…
Hay momentos en que usted se pregunta qué es lo que su alma más anhela. Le invito a meditar despacio en las palabras de este texto. ¿Es el perdón? ¿Es la paz? ¿Es el amor de Dios derramado en su corazón, o el Espíritu de adopción, Quien le hace clamar: “Abba, Padre”? ¿Es Su temor, una vida santa y un día una muerte bienaventurada? Si usted aprecia estas cosas por encima de todos los tesoros terrenales, ese mismo anhelo es ya una señal de vida.
Porque quien pertenece al pueblo favorecido de Dios y cree en Cristo Jesús está bendecido con toda bendición espiritual en lugares celestiales en Cristo. Quizá sienta poco de ello, y su alma esté a menudo oprimida. Pero no es su sentimiento lo que hace la bendición; está segura en Cristo. Pida, pues, que su fe pueda abrazar aunque sea un poco de ello, y que pueda beber cada día unas gotas de esa fuente pura.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Zaligmaken dat verloren was
Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
Lukas 19:10
De mens is een vreemd wezen. Een zondaar, en wel de ergste zondaar, en toch een Farizeeër! Een stakker, en wel de ergste stakker, en toch trots op zijn goede werken! Als de ervaring ons niet van het tegendeel had overtuigd, zouden we nauwelijks geloven dat een monster als de mens, een schepsel dat door iemand terecht „half beest en half duivel” is genoemd, ervan zou kunnen dromen God door zijn gehoorzaamheid te behagen, of naar de hemel op te klimmen langs de ladder van zijn eigen rechtvaardigheid.
Het Farizeïsme is stevig verankerd in het menselijk hart. Diep is de wortel, breed de stengel, ruim de takken, maar giftig de vruchten van deze reusachtige boom, met hoogmoed en ongeloof in Adams bodem geplant. „Houwt deze boom af, en verderft hem; doch laat de stam met zijn wortelen in de aarde, en met een ijzeren en koperen band in het tedere gras des velds” (Dan. 4:23). Wat kan dit doen? De bijl van de Geest alleen. Eigendunk is niet voorbehouden aan deze of gene; hij is verweven met ons hele wezen. Eigendunk is de enige religie die de natuur begrijpt, koestert en bewondert. Ondanks heel mijn calvinistische belijdenis zou ik tot de dag van vandaag een Farizeeër zijn geweest, en wel de ergste Farizeeër, als ik niet enkele diepgaande en pijnlijke openbaringen had beleefd van wat ik ben in Adams val.
Deze openbaringen hebben we voortdurend nodig. Telkens weer moeten we in de zeef van de duivel worden gelegd. Telkens weer moet het hart worden omgeploegd en moeten zijn verdorvenheden worden blootgelegd, om de groei van dit Farizeïsme te beteugelen. Het is een schepsel met vele levens; niet met één klap, niet met tien, noch met honderd kan het worden gedood. Het kan een tijdje bewusteloos zijn, maar telkens weer komt het tot leven. Het kan onder elke belijdenis leven en gedijen. Het calvinisme of arminianisme, het maakt niets uit. Het is niet het gewaad dat hij draagt, noch het masker dat hij op heeft, dat de mens vormt. Een antinomiaan kan net zo’n grote Farizeeër zijn als een arminiaan; een gereformeerde evenzeer als een rooms-katholiek.
Lezen: Daniël 4:19-37
Aan de lezer…
Misschien, lezer, schrikt u ervan hoe diep de hoogmoed in uw hart zit. U weet dat u een zondaar bent, en toch betrapt u uzelf erop dat u in stilte op uw eigen goede werken rust. Dat is de Farizeeër in ons allen. Hij zit niet bij deze of gene, maar is verweven met ons hele wezen, onder welke belijdenis ook.
Wees daarom niet verbaasd als de Heere telkens opnieuw uw hart omploegt en u laat zien wat u bent. Die pijnlijke ontdekkingen zijn geen tekenen van Zijn toorn, maar de bijl van de Geest, die alleen deze boom kan omhakken. Een enkele klap is niet genoeg; wij hebben die openbaringen voortdurend nodig. Laat ze u brengen waar de eigengerechtigheid niet staande blijft: bij de genade die de ergste zondaar alleen in Christus zalig maakt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
Lukas 19:10
De mens is een vreemd wezen. Een zondaar, en wel de ergste zondaar, en toch een Farizeeër! Een stakker, en wel de ergste stakker, en toch trots op zijn goede werken! Als de ervaring ons niet anders had geleerd, zouden we nauwelijks geloven dat een monster als de mens, een schepsel dat iemand terecht „half beest en half duivel” heeft genoemd, ervan zou kunnen dromen God door zijn gehoorzaamheid te behagen, of naar de hemel op te klimmen langs de ladder van zijn eigen gerechtigheid.
Het farizeïsme zit diep verankerd in het menselijk hart. Diep is de wortel, breed de stam, wijd de takken, maar giftig de vruchten van deze reusachtige boom, die met hoogmoed en ongeloof in de bodem van Adam geplant is. „Houwt deze boom af, en verderft hem; doch laat de stam met zijn wortelen in de aarde, en met een ijzeren en koperen band in het tedere gras des velds” (Dan. 4:23). Wat kan dit doen? Alleen de bijl van de Geest. Eigengerechtigheid is niet voorbehouden aan deze of gene; zij is verweven met ons hele wezen. Eigengerechtigheid is de enige religie die de natuur begrijpt, koestert en bewondert. Ondanks heel mijn calvinistische belijdenis zou ik tot op vandaag een Farizeeër zijn geweest, en wel de ergste Farizeeër, als ik niet enkele diepe en pijnlijke ontdekkingen had gekregen van wat ik ben in de val van Adam.
Deze ontdekkingen hebben we voortdurend nodig. Telkens weer moeten we in de zeef van de duivel gelegd worden. Telkens weer moet het hart omgeploegd worden en moeten zijn verdorvenheden blootgelegd worden, om de groei van dit farizeïsme in te tomen. Het is een schepsel met vele levens; het kan niet met één klap gedood worden, niet met tien en ook niet met honderd. Het kan een tijdje bewusteloos liggen, maar telkens weer komt het tot leven.
Het kan onder elke belijdenis leven en gedijen. Calvinisme of arminianisme, het maakt niets uit. Het is niet het kleed dat hij draagt of het masker dat hij opheeft, dat de mens maakt tot wat hij is. Een antinomiaan kan net zo’n grote Farizeeër zijn als een arminiaan, een gereformeerde evengoed als een rooms-katholiek.
Lezen: Daniël 4:19-37
Aan de lezer…
Misschien, lezer, schrikt u ervan hoe diep de hoogmoed in uw hart zit. U weet dat u een zondaar bent, en toch betrapt u uzelf erop dat u in stilte op uw eigen goede werken rust. Dat is de Farizeeër in ons allen. Hij zit niet bij deze of gene, maar is verweven met ons hele wezen, onder welke belijdenis ook.
Wees daarom niet verbaasd als de Heere telkens opnieuw uw hart omploegt en u laat zien wat u bent. Die pijnlijke ontdekkingen zijn geen tekenen van Zijn toorn, maar de bijl van de Geest, die als enige deze boom kan omhakken. Eén klap is niet genoeg; wij hebben die ontdekkingen voortdurend nodig. Laat ze u brengen waar de eigengerechtigheid niet overeind blijft: bij de genade die de ergste zondaar alleen in Christus zalig maakt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For the Son of man is come to seek and to save that which was lost.
Luke 19:10
Man is a strange creature. A sinner, and that the vilest of sinners, and yet a Pharisee! A wretch, and that the worst of wretches, and yet proud of his good works! Had experience not taught us otherwise, we could scarcely believe that such a monster as man, a creature whom someone has justly called “half beast and half devil,” could ever dream of pleasing God by his obedience, or of climbing up to heaven by the ladder of his own righteousness.
Pharisaism is deeply rooted in the human heart. Deep is the root, broad the trunk, wide the branches, but poisonous the fruit of this giant tree, planted with pride and unbelief in the soil of Adam. “Hew the tree down, and destroy it; yet leave the stump of the roots thereof in the earth, even with a band of iron and brass, in the tender grass of the field” (Dan. 4:23). What can do this? Only the axe of the Spirit. Self-righteousness is not confined to this man or that; it is interwoven with our whole being.
Self-righteousness is the only religion that nature understands, cherishes and admires. In spite of all my Calvinistic profession, I would have been a Pharisee to this day, and that the worst of Pharisees, had I not been given some deep and painful discoveries of what I am in the fall of Adam.
These discoveries we continually need. Again and again we must be put into the devil’s sieve. Again and again the heart must be ploughed up and its corruptions laid bare, to check the growth of this Pharisaism. It is a creature with many lives; it cannot be killed with one blow, nor with ten, nor with a hundred. It may lie stunned for a while, but again and again it comes to life.
It can live and thrive under every profession. Calvinism or Arminianism, it makes no difference. It is not the robe a man wears or the mask he puts on that makes him what he is. An Antinomian may be as great a Pharisee as an Arminian, a Protestant as much as a Roman Catholic.
Reading: Daniel 4:19-37
To the reader…
Perhaps, reader, you are alarmed at how deep pride lies in your heart. You know you are a sinner, and yet you catch yourself quietly resting on your own good works. That is the Pharisee in us all. He is not found in this one or that one only, but is interwoven with our whole being, under whatever profession.
So do not be surprised if the Lord ploughs up your heart again and again and shows you what you are. Those painful discoveries are not tokens of His wrath, but the axe of the Spirit, which alone can hew this tree down. One blow is not enough; we continually need such discoveries. Let them bring you to where self-righteousness cannot stand: to the grace that saves the worst of sinners in Christ alone.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque el Hijo del hombre vino a buscar y salvar lo que se había perdido.
Lucas 19:10
El hombre es una criatura extraña. ¡Un pecador, y el más vil de los pecadores, y sin embargo un fariseo! ¡Un miserable, y el peor de los miserables, y sin embargo orgulloso de sus buenas obras! Si la experiencia no nos hubiera enseñado otra cosa, apenas podríamos creer que un monstruo tal como el hombre, una criatura a la que alguien ha llamado con justicia “medio bestia y medio demonio”, pudiera jamás soñar con agradar a Dios por su obediencia, o con subir al cielo por la escalera de su propia justicia.
El fariseísmo está profundamente arraigado en el corazón humano. Honda es la raíz, ancho el tronco, extensas las ramas, pero venenoso el fruto de este árbol gigantesco, plantado con orgullo e incredulidad en la tierra de Adán. “Cortad el árbol y destruidlo: mas la cepa de sus raíces dejaréis en la tierra, y con atadura de hierro y de metal en la hierba del campo” (Dan. 4:23). ¿Qué puede hacer esto? Solo el hacha del Espíritu. La justicia propia no se limita a este hombre o a aquel; está entretejida con todo nuestro ser.
La justicia propia es la única religión que la naturaleza entiende, aprecia y admira. A pesar de toda mi profesión calvinista, yo habría sido fariseo hasta el día de hoy, y el peor de los fariseos, si no se me hubieran concedido algunos descubrimientos hondos y dolorosos de lo que soy en la caída de Adán.
Estos descubrimientos los necesitamos continuamente. Una y otra vez tenemos que ser puestos en la criba del diablo. Una y otra vez el corazón tiene que ser arado y sus corrupciones puestas al descubierto, para frenar el crecimiento de este fariseísmo. Es una criatura de muchas vidas; no se le puede matar de un golpe, ni de diez, ni de cien. Puede quedar aturdido por un tiempo, pero una y otra vez vuelve a la vida.
Puede vivir y prosperar bajo toda profesión. Calvinismo o arminianismo, no hay diferencia. No es el manto que un hombre lleva ni la máscara que se pone lo que le hace ser lo que es. Un antinomiano puede ser tan gran fariseo como un arminiano, un protestante tanto como un católico romano.
Lectura: Daniel 4:19-37
Al lector…
Quizá, lector, se alarma de cuán hondo está el orgullo en su corazón. Sabe que es un pecador, y sin embargo se sorprende a sí mismo descansando calladamente en sus propias buenas obras. Ese es el fariseo que hay en todos nosotros. No se encuentra solo en este o en aquel, sino que está entretejido con todo nuestro ser, bajo cualquier profesión.
Así que no se sorprenda si el Señor ara su corazón una y otra vez y le muestra lo que usted es. Esos descubrimientos dolorosos no son señales de Su ira, sino el hacha del Espíritu, que es lo único que puede derribar este árbol. Un golpe no basta; continuamente necesitamos tales descubrimientos. Deje que le lleven adonde la justicia propia no puede mantenerse en pie: a la gracia que salva al peor de los pecadores solo en Cristo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
In het hart des mans zijn vele gedachten; maar de raad des Heeren, die zal bestaan.
Spreuken 19:21
Een mens in zijn vleselijke aard is er gewoonlijk op uit om de een of andere manier uit te denken waardoor hij een dadelijke onderwerping aan het Evangelie kan ontgaan; de een of andere manier waardoor hij kan ontkomen om te wandelen in de weg van zelfverloochening en doding van het vlees, en het kruisigen van de oude mens met zijn bewegingen en begeerlijkheden. Hij zoekt gewoonlijk gehoor te geven aan het vlees en op dezelfde tijd te staan in de vrijheid van het Evangelie; alles te hebben wat zijn vleselijk gemoed kan behagen, en ter zelfder tijd een welgegronde hoop te hebben op een eeuwig leven. Maar de Heere zegt: Neen, deze twee dingen zijn niet verenigbaar. Hij die met Christus zal leven, moet met Christus sterven; hij die met Christus zal regeren, moet met Christus lijden; hij die de kroon zal dragen, moet het kruis dragen.
Zodat, welke voornemens er ook mogen zijn in des mensen hart, en welke wegen en plannen hij zal trachten ten uitvoer te brengen, de raad des Heeren zal bestaan. Goddelijke soevereiniteit zal vervullen wat de goddelijke soevereiniteit heeft bepaald, en het voornemen Gods zal zich staande houden op de puinhopen van de oogmerken van het schepsel. En het is de barmhartigheid Gods, voor zover wij kinderen zijn van de levende God, het is Zijn barmhartigheid, dat het zo zijn moet. Waar zouden wij op dit ogenblik zijn, als de voornemens in ons hart zich hadden kunnen verwezenlijken? Wij zouden in de hel geweest zijn. Waar zouden wij geweest zijn, sedert het de Heere behaagd heeft — naar wij vertrouwen — onze ziel met geestelijk leven te bedelen, wanneer wij al onze voornemens ten uitvoer hadden kunnen brengen?
Onze ogen zouden hebben uitgepuild van vet en wij waren de inbeelding des harten te boven gegaan. Wij zouden mogelijk aan een vreselijke verzoeking gehoor hebben gegeven, of reeds onze naam voor de kerk Gods te schande hebben gemaakt. Of, indien wij dat ontgaan waren, wij zouden een naam gehad hebben dat wij leefden, terwijl onze harten dood waren voor God. Wij zouden een gedaante van godzaligheid vertoond hebben, terwijl wij in- en uitwendig de kracht daarvan verloochenden. En daarom is het een grote barmhartigheid dat de raadslagen onzes harten niet ten uitvoer konden worden gebracht, maar dat de raad des Heeren over alle voornemens van onze lage natuur de overhand gehad heeft.
Wanneer een mens op de rechte plaats en in een rechte gestalte gebracht wordt, om Gods handelingen, met hem gemaakt, van het begin af na te speuren, dan ziet hij dat het een vriendelijke hand is geweest die zijn gezwellen opende en hem vernederde; dat het een vriendelijke hand was die al zijn wereldse inzichten wegvaagde en hem bracht tot natuurlijke zowel als tot geestelijke armoede. En dat dit hem leidde tot oefeningen, beproevingen, droefheden, smarten en verdriet, en dat in deze beproevingen de Heere hem min of meer bij bevinding dierbaar geworden is. Zo was het met Jacob. Hij zegende de Heere voor de weg waarin Hij hem geleid had. Ofschoon zijn dagen weinig en kwaad geweest waren, zag hij hoe de Heere hem gevoed had van dat hij was tot op die dag, te midden van alle veranderlijke omstandigheden die hij had moeten doormaken, beide in lichaam en ziel. En hij loofde en prees de hand die hem door die moeilijke weg geleid had en gebracht tot een stad ter woning.
Aan de lezer…
Misschien zijn uw plannen in duigen gevallen. Hebt u uw eigen weg uitgedacht en heeft de Heere die weggevaagd, zodat u in armoede, beproeving en verdriet terechtkwam? Het is moeilijk om dat te verstaan terwijl het gebeurt. Maar bedenk eens: waar zou u nu zijn als alle voornemens van uw hart waren uitgekomen? Misschien had u een naam dat u leefdet, terwijl uw hart dood was voor God.
„In het hart des mans zijn vele gedachten; maar de raad des Heeren, die zal bestaan.” Dat is geen harde waarheid, maar een barmhartige. Het was een vriendelijke hand die u vernederde en uw wereldse inzichten wegnam, opdat de Heere u in de beproeving dierbaar zou worden. Jacob mocht aan het eind van zijn weg de Heere zegenen voor elke stap. Vertrouw dan dat ook uw moeilijke weg uitkomt bij een stad ter woning.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In het hart des mans zijn vele gedachten; maar de raad des Heeren, die zal bestaan.
Spreuken 19:21
Een mens is in zijn vleselijke aard er gewoonlijk op uit om een of andere manier te bedenken waardoor hij aan een werkelijke onderwerping aan het Evangelie kan ontkomen; een of andere manier waardoor hij kan ontkomen aan het wandelen op de weg van zelfverloochening en doding van het vlees, en aan het kruisigen van de oude mens met zijn bewegingen en begeerlijkheden. Gewoonlijk probeert hij aan het vlees toe te geven en tegelijk te staan in de vrijheid van het Evangelie: alles te hebben wat zijn vleselijk gemoed kan behagen, en tegelijk een goed gefundeerde hoop te hebben op het eeuwige leven. Maar de Heere zegt: Nee, deze twee dingen zijn niet te verenigen. Wie met Christus zal leven, moet met Christus sterven; wie met Christus zal regeren, moet met Christus lijden; wie de kroon zal dragen, moet het kruis dragen.
Welke voornemens er dus ook in het hart van de mens mogen zijn, en welke wegen en plannen hij ook probeert uit te voeren, de raad van de Heere zal bestaan. De Goddelijke soevereiniteit zal vervullen wat de Goddelijke soevereiniteit heeft bepaald, en het voornemen van God zal overeind blijven op de puinhopen van de bedoelingen van het schepsel. En voor zover wij kinderen van de levende God zijn, is het Gods barmhartigheid, ja, het is Zijn barmhartigheid dat het zo moet zijn. Waar zouden wij op dit ogenblik zijn als de voornemens van ons hart werkelijkheid hadden kunnen worden? Wij zouden in de hel geweest zijn. Waar zouden wij geweest zijn, sinds het de Heere behaagd heeft, zo vertrouwen wij, onze ziel geestelijk leven te schenken, als wij al onze voornemens hadden kunnen uitvoeren?
Onze ogen zouden van vet hebben uitgepuild, en wij zouden de inbeeldingen van ons hart te boven zijn gegaan. Misschien hadden wij toegegeven aan een vreselijke verzoeking, of onze naam al tot schande voor de kerk van God gemaakt. Of, als wij daaraan ontkomen waren, dan zouden wij de naam gehad hebben dat wij leefden, terwijl ons hart dood was voor God. Wij zouden een gedaante van godzaligheid vertoond hebben, terwijl wij innerlijk en uiterlijk de kracht ervan verloochenden. Daarom is het een grote barmhartigheid dat de plannen van ons hart niet konden worden uitgevoerd, maar dat de raad van de Heere de overhand gehad heeft over alle voornemens van onze lage natuur.
Wanneer een mens op de juiste plaats en in de juiste gestalte gebracht wordt om Gods handelingen met hem vanaf het begin na te gaan, dan ziet hij dat het een vriendelijke hand is geweest die zijn gezwellen opende en hem vernederde. Hij ziet dat het een vriendelijke hand was die al zijn wereldse vooruitzichten wegvaagde en hem in natuurlijke en geestelijke armoede bracht. En hij ziet dat dit hem leidde tot oefeningen, beproevingen, droefheden, smarten en verdriet, en dat de Heere hem in deze beproevingen meer of minder bij bevinding dierbaar geworden is. Zo was het met Jakob. Hij zegende de Heere voor de weg waarop Hij hem geleid had. Hoewel zijn dagen weinig en kwaad geweest waren, zag hij hoe de Heere hem gevoed had van zijn bestaan af tot op die dag, te midden van alle wisselende omstandigheden die hij naar lichaam en ziel had moeten doormaken. En hij loofde en prees de hand die hem langs die moeilijke weg geleid en tot een stad ter woning gebracht had.
Aan de lezer…
Misschien zijn uw plannen in duigen gevallen. Hebt u uw eigen weg uitgedacht en heeft de Heere die weggevaagd, zodat u in armoede, beproeving en verdriet terechtkwam? Het is moeilijk om dat te begrijpen terwijl het gebeurt. Maar bedenk eens: waar zou u nu zijn als alle voornemens van uw hart waren uitgekomen? Misschien had u de naam gehad dat u leefde, terwijl uw hart dood was voor God.
„In het hart des mans zijn vele gedachten; maar de raad des Heeren, die zal bestaan.” Dat is geen harde waarheid, maar een barmhartige. Het was een vriendelijke hand die u vernederde en uw wereldse vooruitzichten wegnam, zodat de Heere u in de beproeving dierbaar zou worden. Jakob mocht aan het eind van zijn weg de Heere zegenen voor elke stap. Vertrouw dan dat ook uw moeilijke weg uitkomt bij een stad ter woning.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“There are many devices in a man’s heart; nevertheless the counsel of the Lord, that shall stand.”
Proverbs 19:21
A man in his fleshly mind is generally devising some method or other whereby he may escape a practical subjection to the gospel; some way or other whereby he may escape walking in the path of self-denial and mortification of the flesh, and the crucifixion of “the old man with the affections and lusts.” He is generally seeking some way or other to indulge the flesh, and yet, at the same time, to stand in gospel liberty—to have everything that can gratify his carnal mind, and, at the same time, have a well-grounded hope of eternal life.
But the Lord says, “No, these two things are not compatible; he that shall live with Christ must die with Christ; he that shall reign with Christ must suffer with Christ; he that shall wear the crown must carry the cross.” So, that whatever devices there be in a man’s heart, or whatever ways and plans he shall undertake to bring his devices to pass, “the counsel of the Lord still shall stand.” Divine sovereignty shall fulfill that which divine sovereignty has appointed, and the purposes of God shall stand upon the ruins of the purposes of the creature.
And it is our mercy (so far as we are children of the living God), it is our mercy, that it should be so. Where would we have been this moment, if the devices in our hearts had succeeded? We would have been in hell. Where would we have been, since the Lord has been pleased, as we trust, to quicken our souls into spiritual life, if all our devices had succeeded? Our “eyes would have stood out with fatness,” and we would have “had more than heart could wish.” We would have been now, if the Lord had left us to our own devices, indulging in some dreadful temptation, or already have disgraced our name before the Church of God; or, if we had escaped that, we would have only a name to live, while our hearts were secretly dead before God; have had “a form of godliness, while we inwardly or outwardly denied the power thereof.”
And therefore it is our mercy that the devices of our hearts should not stand, but that “the counsel of the Lord” should prevail over all the purposes of our base nature. When a man is brought to the right spot, and is in a right mind to trace out the Lord’s dealings with him from the first, he sees it was a kind hand which “blasted his gourds and laid them low;” it was a kind hand that swept away his worldly prospects, which reduced him to natural as well as to spiritual poverty, which led him into exercises, trials, sorrows, griefs, and tribulations; because, in those trials he has found the Lord, more or less, experimentally precious.
Jacob found it so; he blessed the Lord for the path He had led him in. Though his days had been few and evil, he could see how the Lord had “fed him all his life long unto that day,” amid all the changing vicissitudes through which he had passed in body and soul; and he blessed that hand which had guided him through that difficult way, and yet brought him to a “city of habitation.”
To the reader…
Perhaps your plans have fallen to pieces. Had you thought out your own way, and has the Lord swept it aside, so that you ended up in poverty, trial and sorrow? It is hard to understand while it is happening. But consider this: where would you be now if every purpose of your heart had come to pass? Perhaps you would have had a name to live, while your heart was dead before God.
“There are many devices in a man’s heart; nevertheless the counsel of the Lord, that shall stand.” That is not a harsh truth, but a merciful one. It was a kind hand that humbled you and took away your worldly prospects, so that the Lord might become precious to you in the trial. At the end of his road Jacob could bless the Lord for every step. Trust, then, that your difficult road too will lead to a city of habitation.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Muchos pensamientos hay en el corazón del hombre; mas el consejo de Jehová permanecerá.”
Proverbios 19:21
El hombre, en su mente carnal, está por lo general ideando algún método u otro por el cual pueda escapar de una sujeción práctica al evangelio; algún modo u otro por el cual pueda escapar de andar en el camino de la negación de sí mismo y de la mortificación de la carne, y de la crucifixión de “la carne con los afectos y concupiscencias”. Por lo general busca algún modo de complacer a la carne y, al mismo tiempo, estar en la libertad del evangelio; tener todo lo que pueda satisfacer su mente carnal y, al mismo tiempo, tener una esperanza bien fundada de la vida eterna.
Pero el Señor dice: “No, estas dos cosas no son compatibles; el que ha de vivir con Cristo ha de morir con Cristo; el que ha de reinar con Cristo ha de padecer con Cristo; el que ha de llevar la corona ha de cargar la cruz.” De modo que, cualesquiera que sean los pensamientos en el corazón del hombre, o cualesquiera caminos y planes que emprenda para llevar a cabo sus pensamientos, “el consejo de Jehová permanecerá”. La soberanía divina cumplirá lo que la soberanía divina ha dispuesto, y los propósitos de Dios permanecerán sobre las ruinas de los propósitos de la criatura.
Y es misericordia para nosotros (en cuanto somos hijos del Dios viviente), es misericordia para nosotros que así sea. ¿Dónde estaríamos en este momento si los pensamientos de nuestro corazón hubieran prosperado? Estaríamos en el infierno. ¿Dónde estaríamos, desde que al Señor le ha placido, según confiamos, vivificar nuestra alma a la vida espiritual, si todos nuestros pensamientos hubieran prosperado? “Nuestros ojos se saltarían de gordura”, y “lograríamos con creces los antojos del corazón”. Estaríamos ahora, si el Señor nos hubiera dejado a nuestros propios pensamientos, entregados a alguna terrible tentación, o habríamos ya deshonrado nuestro nombre ante la Iglesia de Dios; o, si hubiéramos escapado de eso, tendríamos solo nombre de que vivimos, mientras nuestro corazón estaría en secreto muerto delante de Dios; tendríamos “apariencia de piedad, mientras negaríamos por dentro o por fuera la eficacia de ella”.
Y por eso es misericordia para nosotros que los pensamientos de nuestro corazón no permanezcan, sino que “el consejo de Jehová” prevalezca sobre todos los propósitos de nuestra baja naturaleza. Cuando un hombre es llevado al lugar debido y está en el ánimo debido para trazar los tratos del Señor con él desde el principio, ve que fue una mano bondadosa la que “secó sus calabaceras y las abatió”; fue una mano bondadosa la que barrió sus perspectivas mundanas, la que le redujo a pobreza natural así como espiritual, la que le llevó a ejercicios, pruebas, penas, aflicciones y tribulaciones; porque en esas pruebas ha hallado al Señor, más o menos, precioso en la experiencia.
Así lo halló Jacob; bendijo al Señor por el camino por el que le había llevado. Aunque sus días habían sido pocos y malos, podía ver cómo el Señor le había “mantenido desde que él era hasta aquel día”, en medio de todas las cambiantes vicisitudes por las que había pasado en cuerpo y alma; y bendijo aquella mano que le había guiado por ese camino difícil y que, sin embargo, le había traído a una “ciudad de población”.
Al lector…
Quizá sus planes se hayan hecho pedazos. ¿Había trazado usted su propio camino, y el Señor lo ha apartado, de modo que acabó en pobreza, prueba y tristeza? Es difícil entenderlo mientras sucede. Pero considere esto: ¿dónde estaría usted ahora si todo propósito de su corazón se hubiera cumplido? Quizá tendría nombre de que vive, mientras su corazón estaría muerto delante de Dios.
“Muchos pensamientos hay en el corazón del hombre; mas el consejo de Jehová permanecerá.” Esa no es una verdad dura, sino misericordiosa. Fue una mano bondadosa la que le humilló y le quitó sus perspectivas mundanas, para que el Señor llegara a serle precioso en la prueba. Al final de su camino Jacob pudo bendecir al Señor por cada paso. Confíe, pues, en que también su camino difícil llevará a una ciudad de población.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl