3 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
9 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want de Zoon des Mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
Lukas 19:10
De Zoon des Mensen is gekomen. Welk een gezegend komen! De Heere Jezus schijnt die heerlijke titel „Zoon des Mensen” voor Zich te hebben aangenomen met de tederste nederbuiging tot onze behoeften. Hij was de Zone Gods, en dat van alle heerlijkheid; maar het behaagt Hem Zich Zoon des Mensen te noemen. Wij hebben Enen nodig, ons gelijk, Die dezelfde natuur, Die in Zijn boezem hetzelfde menselijke hart draagt; Enen Die in alles verzocht is geweest, gelijk wij, maar zonder zonde, en Die daarom in staat is medelijden te hebben met en te helpen degenen die verzocht zijn.
Een zondaar, een mens, al is hij zich zijn bedorvenheid en schuld bewust, kan niet tot God naderen in Zijn innerlijke, werkelijke majesteit en heiligheid. Beschouwd als het grote en heerlijke Wezen Dat de eeuwigheid vervult, is Jehovah te groot, te bovenmate heilig, te vreselijk volmaakt voor hem om tot Hem te naderen. Daartoe moet hij een Middelaar hebben, en wel een Middelaar Die dat ten volle is: een God-mens, „Immanuël”, God met ons. De diepte dezer verborgenheid kan de eeuwigheid zelf niet omvatten. Maar de barmhartigheid Gods, Die zulk een Middelaar aanwees, en de wonderbare nederbuigende liefde van de Zoon om de „Zoon des Mensen” te worden, zijn zaken des geloofs, niet der rede; zij moeten geloofd, niet begrepen worden.
Aldus ontvangen, wordt de mensheid van de Zoon van God een toegangsweg tot de Vader. Wij kunnen tot de Zoon des Mensen spreken, tot Hem naderen, onze harten voor Hem uitstorten. Zijn tedere boezem, Zijn medelijdend hart, schijnt de begeerten en de gevoelens van ons hart tot Zich te trekken. God durven wij niet te naderen in Zijn wrekende majesteit; Hij is een „verterend vuur”, en de ziel beeft voor Hem. Maar wanneer Jezus Zich in het Evangelie vertoont als „de Middelaar tussen God en de mensen”, en als „een Scheidsman”, waarvan Job spreekt, „om Zijn hand op ons beiden te leggen” (Job 9:33), hoe schijnt dit in de diepte van het menselijk hart door te dringen! Hoe opent dit een weg voor de arme, schuldige, onreine, veroordeelde en verloren zondaar, om tot die grote God te naderen met Wie hij te doen heeft!
Ps. 29:6
Aan de lezer…
Durft u, waarde lezer, niet tot God te naderen, omdat u uw bedorvenheid en schuld kent en weet dat Hij een verterend vuur is? Beeft uw ziel bij de gedachte aan Zijn heiligheid? Dat is niet zonder reden: Hij is te groot en te heilig voor een zondaar om zó tot Hem te komen. Maar de Zoon des Mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was, en Hij heeft het niet beneden Zich geacht Zich zo te noemen.
Tot Hem kunt u spreken. Hij draagt hetzelfde menselijke hart, Hij is in alles verzocht geweest, en Hij heeft medelijden met degenen die verzocht zijn. Stort uw hart dan voor Hem uit, juist zoals u bent: schuldig, onrein en verloren. Hij is de Scheidsman Die Zijn hand op beiden legt, en door Hem is er een weg geopend tot die grote God met Wie u te doen hebt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want de Zoon des Mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
Lukas 19:10
De Zoon des mensen is gekomen. Wat een gezegend komen! De Heere Jezus lijkt die heerlijke titel „Zoon des mensen” te hebben aangenomen uit de tederste neerbuigende zorg voor wat wij nodig hebben. Hij was de Zoon van God, en wel in alle heerlijkheid; maar het behaagt Hem Zich de Zoon des mensen te noemen. Wij hebben Iemand nodig Die aan ons gelijk is, Die dezelfde natuur heeft en in Zijn borst hetzelfde menselijke hart draagt. Wij hebben Iemand nodig Die in alles verzocht is geweest zoals wij, maar zonder zonde, en Die daarom in staat is medelijden te hebben met hen die verzocht worden en hen te helpen.
Een zondaar, een mens die zich bewust is van zijn verdorvenheid en schuld, kan niet tot God naderen in Zijn innerlijke, werkelijke majesteit en heiligheid. Gezien als het grote en heerlijke Wezen Dat de eeuwigheid vervult, is Jehovah voor hem te groot, te verheven heilig en te ontzagwekkend volmaakt om tot Hem te naderen. Daarvoor moet hij een Middelaar hebben, en wel een Middelaar Die dat volkomen is: een God-mens, „Immanuël”, God met ons. De diepte van deze verborgenheid kan de eeuwigheid zelf niet omvatten. Maar de barmhartigheid van God, Die zo’n Middelaar aanwees, en de wonderbare neerbuigende liefde van de Zoon om de „Zoon des mensen” te worden, zijn zaken van het geloof, niet van het verstand; zij moeten geloofd worden, niet begrepen.
Wanneer zij zo worden aangenomen, wordt de mensheid van de Zoon van God een toegangsweg tot de Vader. Wij kunnen tot de Zoon des mensen spreken, tot Hem naderen en ons hart voor Hem uitstorten. Zijn tedere borst, Zijn medelijdend hart, lijkt de verlangens en gevoelens van ons hart naar Zich toe te trekken. God durven wij niet te naderen in Zijn wrekende majesteit; Hij is een „verterend vuur”, en de ziel beeft voor Hem. Maar wanneer Jezus Zich in het Evangelie laat zien als „de Middelaar tussen God en de mensen”, en als „een Scheidsman”, waarover Job spreekt, „om Zijn hand op ons beiden te leggen” (Job 9:33), hoe lijkt dat dan door te dringen tot in de diepte van het menselijk hart! Hoe opent dat een weg voor de arme, schuldige, onreine, veroordeelde en verloren zondaar om te naderen tot die grote God met Wie hij te doen heeft!
Ps. 29:6
Aan de lezer…
Durft u niet tot God te naderen, omdat u uw verdorvenheid en schuld kent en weet dat Hij een verterend vuur is? Beeft uw ziel bij de gedachte aan Zijn heiligheid? Dat is niet zonder reden: Hij is te groot en te heilig voor een zondaar om zó tot Hem te komen. Maar de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was, en Hij heeft het niet beneden Zich geacht Zich zo te noemen.
Tot Hem kunt u spreken. Hij draagt hetzelfde menselijke hart, Hij is in alles verzocht geweest, en Hij heeft medelijden met hen die verzocht worden. Stort uw hart dan voor Hem uit, zoals u bent: schuldig, onrein en verloren. Hij is de Scheidsman Die Zijn hand op beiden legt, en door Hem is er een weg geopend tot die grote God met Wie u te doen hebt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For the Son of man is come to seek and to save that which was lost.
Luke 19:10
“The Son of man has come.” What a blessed coming! The Lord Jesus seems to have taken to Himself, with the tenderest condescension to our needs, that gracious title, “the Son of man.” He was the Son of God, and that from all eternity; but He delights to call Himself the Son of man. We need One like ourselves, wearing the same nature; carrying in His bosom the same human heart; One Who has been, “in all points, tempted like as we are, yet without sin;” and therefore able to sympathize with and to support those who are tempted.
A sinner like man, when made sensible of his pollution and guilt, cannot draw near unto God in His intrinsic, essential majesty and holiness. Viewed as the great and glorious Being that fills eternity, Jehovah is too great, too transcendently holy, too formidably perfect for man to approach. He must therefore have a Mediator; and that Mediator One Who is a Mediator indeed, a God-man, “Immanuel, God with us.” The depth of this mystery, eternity itself will not fathom.
But the tender mercy of God in appointing such a Mediator, and the wondrous condescension of the Son of God in becoming “the Son of man,” are matters of faith, not of reason; are to be believed, not understood. When thus received, the humanity of the Son of God becomes a way of access unto the Father. We can talk to, we can approach, we can pour out our hearts before “the Son of man.” His tender bosom, His sympathizing heart, seem to draw forth the feelings and desires of our own.
God, as beheld in His wrathful majesty, we dare not approach; He is a “consuming fire;” and the soul trembles before Him. But when Jesus appears in the gospel as “the Mediator between God and man,” and “an Arbitrator,” as Job speaks, “to lay His hand upon us both” (Job 9:33), how this seems to penetrate into the depths of the human heart! How this opens a way for the poor, guilty, filthy, condemned, and ruined sinner to draw near to that great God with Whom he has to do! How this, when experimentally realized, draws forth faith to look unto Him, hope to anchor in Him, and love tenderly and affectionately to embrace Him!
To the reader…
Do you dare not draw near to God, because you know your corruption and guilt and know that He is a consuming fire? Does your soul tremble at the thought of His holiness? That is not without reason: He is too great and too holy for a sinner to come to Him like that. But the Son of man is come to seek and to save that which was lost, and He did not think it beneath Himself to call Himself by that name.
To Him you can speak. He carries the same human heart, He was in all points tempted like as we are, and He has compassion on those who are tempted. Pour out your heart before Him, then, just as you are: guilty, unclean, and lost. He is the Daysman Who lays His hand upon us both, and through Him a way has been opened to that great God with Whom you have to do.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque el Hijo del hombre vino á buscar y á salvar lo que se había perdido.
Lucas 19:10
“El Hijo del hombre vino.” ¡Qué venida tan bienaventurada! El Señor Jesús parece haber tomado para Sí, con la más tierna condescendencia hacia nuestras necesidades, aquel título lleno de gracia: “el Hijo del hombre.” Él era el Hijo de Dios, y eso desde toda la eternidad; pero se deleita en llamarse a Sí mismo el Hijo del hombre. Necesitamos a Uno como nosotros, que lleve la misma naturaleza; que lleve en Su pecho el mismo corazón humano; a Uno que haya sido “tentado en todo según nuestra semejanza, pero sin pecado”; y por tanto capaz de compadecerse de los que son tentados y de sostenerlos.
Un pecador como el hombre, cuando se le hace sentir su contaminación y su culpa, no puede acercarse a Dios en Su majestad y santidad intrínsecas y esenciales. Considerado como el Ser grande y glorioso que llena la eternidad, Jehová es demasiado grande, demasiado trascendentemente santo, demasiado temiblemente perfecto para que el hombre se acerque a Él. Tiene, pues, que tener un Mediador; y ese Mediador, Uno que sea verdaderamente Mediador, un Dios-Hombre, “Emmanuel, Dios con nosotros.” La profundidad de este misterio, la eternidad misma no la sondeará.
Pero la tierna misericordia de Dios al designar tal Mediador, y la maravillosa condescendencia del Hijo de Dios al hacerse “el Hijo del hombre”, son asuntos de fe, no de razón; han de ser creídos, no entendidos. Cuando se reciben así, la humanidad del Hijo de Dios se convierte en un camino de acceso al Padre. Podemos hablar con “el Hijo del hombre”, podemos acercarnos a Él, podemos derramar nuestro corazón delante de Él. Su tierno pecho, Su corazón compasivo, parecen hacer brotar los sentimientos y deseos del nuestro.
A Dios, contemplado en Su majestad airada, no nos atrevemos a acercarnos; Él es “fuego consumidor”, y el alma tiembla delante de Él. Pero cuando Jesús aparece en el evangelio como “el Mediador entre Dios y los hombres”, y como “árbitro”, como dice Job, “que ponga su mano sobre nosotros ambos” (Job 9:33), ¡cómo parece esto penetrar hasta lo profundo del corazón humano! ¡Cómo abre esto un camino para que el pobre pecador, culpable, inmundo, condenado y arruinado, se acerque a aquel gran Dios con quien tiene que ver! ¡Cómo, cuando se experimenta, hace brotar la fe para mirar a Él, la esperanza para anclarse en Él, y el amor para abrazarle tierna y afectuosamente!
Al lector…
¿No se atreve usted a acercarse a Dios, porque conoce su corrupción y su culpa y sabe que Él es fuego consumidor? ¿Tiembla su alma al pensar en Su santidad? No es sin razón: Él es demasiado grande y demasiado santo para que un pecador venga a Él así. Pero el Hijo del hombre vino a buscar y a salvar lo que se había perdido, y no tuvo por indigno de Sí llamarse con ese nombre.
Con Él puede usted hablar. Lleva el mismo corazón humano, fue tentado en todo según nuestra semejanza, y se compadece de los que son tentados. Derrame, pues, su corazón delante de Él, tal como es: culpable, inmundo y perdido. Él es el Árbitro que pone Su mano sobre nosotros ambos, y por Él se ha abierto un camino hacia aquel gran Dios con Quien usted tiene que ver.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Paulus’ afscheidswens
En nu, broeders, ik beveel u Gode, en het Woord Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.
Handelingen 20:32
Wat is het belangrijkste onderwerp van de beproevingen en oefeningen van Gods kinderen? Is het niet het slechte hart dat ze in hun borst dragen? Is het niet hoogmoed, ongeloof, ontrouw, duisternis, verzoekingen, angsten en twijfels, zonden en overtredingen, en de vele lasten en problemen die ze bij elke stap tegenkomen? Gehinderd en belast door zo vele innerlijke en uiterlijke beproevingen, lijken ze niet in staat te beseffen dat de genade in hen is of dat de heerlijkheid hen wacht. Hun handen hangen neer, en hun knieën knikken.
Maar hoe geschikt voor dezulken is „het woord van Gods genade” (Hand. 14:3)! Is de genade niet precies wat ze nodig hebben? Bevindt zich in de borst van de Verlosser geen fontein vol genade, die altijd stroomt en overvloeit? En stroomt die niet vol en onbeperkt door „het woord van Zijn genade”, dat ze in hun hart en handen hebben? Hoe zou het anders tot hen kunnen komen dan onbeperkt? Hebben ze alleen de genade waarvoor ze werken? En wordt de genade behoedzaam, gierig, krenterig uitgedeeld, als geld uit de beurs van een vrek?
Nee; God, „Die een iegelijk mildelijk geeft, en niet verwijt” (Jak. 1:5): „de genade Gods, en de gave door de genade, is overvloedig geweest over velen” (Rom. 5:15). Jezus geeft als een Koning, „naar het vermogen van de koning”, zoals Salomo aan de koningin van Scheba.
Wees eerlijk tegenover uzelf; wees eerlijk over wat God u heeft gegeven. Hebt u nooit gevoeld dat Jezus u dierbaar is? Hebt u nooit uw hart aan Zijn voeten uitgestort? Hebt u door het geloof nooit een glimp van Zijn heerlijke Persoon opgevangen? Hebt u nooit iets van de werking van Zijn verzoenend bloed gemerkt? Nooit Zijn geschiktheid ingezien? Hem nooit uw ziel nabij en dierbaar gevoeld? Nooit die geestelijke gemoedstoestand geproefd die leven en vrede is?
Als u dit hebt ondervonden, hebt u „een erfdeel onder al de geheiligden”. Want hoe worden we geheiligd? Is dit niet door het Woord der waarheid? Zoals de Heere zei: „Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid.” En hebt u niet soms gevoeld dat het Woord der waarheid heilige, hemelse gevoelens en aandoeningen in uw hart teweegbracht? Is dit niet heiliging?
Lezen: Romeinen 5:12-21
Aan de lezer…
Vermoeide pelgrim, hangen uw handen neer en knikken uw knieën? Ziet u zoveel van uw slechte hart, van ongeloof, duisternis en twijfel, dat u niet meer durft te geloven dat er genade in u is? Meent u soms dat de Heere Zijn genade krenterig uitdeelt, als geld uit de beurs van een vrek, en dat u die eerst verdienen moet? Zo is Hij niet. Hij geeft een iegelijk mildelijk en verwijt niet; Hij geeft als een Koning.
Wees dan eerlijk over wat Hij u reeds gegeven heeft. Is Jezus u nooit dierbaar geweest? Hebt u nooit uw hart aan Zijn voeten uitgestort, of iets gemerkt van de kracht van Zijn verzoenend bloed? Veracht zulke ogenblikken niet, want zij zijn het werk van Zijn Woord in uw hart. Dat Woord heiligt nog, en uit de fontein in de borst van de Verlosser stroomt de genade nog vol en onbeperkt tot de arme en behoeftige.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En nu, broeders, ik beveel u Gode, en het Woord Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.
Handelingen 20:32
Wat is het belangrijkste onderwerp van de beproevingen en oefeningen van Gods kinderen? Is het niet het slechte hart dat ze in zich meedragen? Is het niet hoogmoed, ongeloof, ontrouw, duisternis, verzoekingen, angsten en twijfels, zonden en overtredingen, en de vele lasten en moeiten die ze bij elke stap tegenkomen? Gehinderd en belast door zoveel innerlijke en uiterlijke beproevingen, lijken ze niet in staat te beseffen dat de genade in hen is, of dat de heerlijkheid op hen wacht. Hun handen hangen neer en hun knieën knikken.
Maar hoe geschikt is voor zulke mensen „het woord van Gods genade” (Hand. 14:3)! Is de genade niet precies wat ze nodig hebben? Is er in het hart van de Verlosser geen fontein vol genade, die altijd stroomt en overvloeit? En stroomt die niet vol en onbeperkt door „het woord van Zijn genade”, dat ze in hun hart en in hun handen hebben? Hoe zou het anders tot hen kunnen komen dan onbeperkt? Hebben ze alleen de genade waarvoor ze werken? Wordt de genade voorzichtig, gierig en krenterig uitgedeeld, als geld uit de beurs van een vrek?
Nee. God is het, „Die een iegelijk mildelijk geeft, en niet verwijt” (Jak. 1:5), en „de genade Gods, en de gave door de genade, is overvloedig geweest over velen” (Rom. 5:15). Jezus geeft als een Koning, „naar het vermogen van de koning”, zoals Salomo aan de koningin van Scheba.
Wees eerlijk tegenover uzelf; wees eerlijk over wat God u gegeven heeft. Hebt u nooit gevoeld dat Jezus u dierbaar is? Hebt u nooit uw hart aan Zijn voeten uitgestort? Hebt u door het geloof nooit een glimp van Zijn heerlijke Persoon opgevangen? Hebt u nooit iets van de werking van Zijn verzoenend bloed gemerkt? Nooit gezien hoe geschikt Hij is? Hem nooit dichtbij en dierbaar voor uw ziel gevoeld? Nooit die geestelijke gezindheid geproefd die leven en vrede is?
Als u dit hebt ervaren, hebt u „een erfdeel onder al de geheiligden”. Want hoe worden we geheiligd? Is het niet door het Woord der waarheid? Zoals de Heere zei: „Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid.” En hebt u niet soms gevoeld dat het Woord der waarheid heilige, hemelse gevoelens en aandoeningen in uw hart werkte? Is dat geen heiliging?
Lezen: Romeinen 5:12-21
Aan de lezer…
Vermoeide pelgrim, hangen uw handen neer en knikken uw knieën? Ziet u zoveel van uw slechte hart, van ongeloof, duisternis en twijfel, dat u niet meer durft te geloven dat er genade in u is? Denkt u soms dat de Heere Zijn genade krenterig uitdeelt, als geld uit de beurs van een vrek, en dat u die eerst moet verdienen? Zo is Hij niet. Hij geeft een iegelijk mildelijk en verwijt niet; Hij geeft als een Koning.
Wees dan eerlijk over wat Hij u al gegeven heeft. Is Jezus u nooit dierbaar geweest? Hebt u nooit uw hart aan Zijn voeten uitgestort, of iets gemerkt van de kracht van Zijn verzoenend bloed? Veracht zulke ogenblikken niet, want ze zijn het werk van Zijn Woord in uw hart. Dat Woord heiligt nog steeds, en uit de fontein in het hart van de Verlosser stroomt de genade nog altijd vol en onbeperkt naar de arme en behoeftige.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And now, brethren, I commend you to God, and to the word of His grace, which is able to build you up, and to give you an inheritance among all them which are sanctified.
Acts 20:32
What is the chief subject of the trials and exercises of God’s children? Is it not the evil heart that they carry within them? Is it not pride, unbelief, infidelity, darkness, temptations, fears and doubts, sins and transgressions, and the many burdens and troubles that they meet at every step? Hindered and burdened by so many inward and outward trials, they seem unable to realise that grace is in them, or that glory awaits them. Their hands hang down and their knees are feeble.
But how suitable to such is “the word of His grace” (Acts 14:3)! Is not grace exactly what they need? Is there not in the heart of the Redeemer a fountain full of grace, ever flowing and overflowing? And does it not flow full and free through “the word of His grace,” which they have in their hearts and in their hands? How else could it come to them than freely? Have they only the grace they work for? Is grace dealt out cautiously, sparingly and stingily, like money out of a miser’s purse?
No. It is God “that giveth to all men liberally, and upbraideth not” (James 1:5), and “the grace of God, and the gift by grace … hath abounded unto many” (Rom. 5:15). Jesus gives as a King, “of his royal bounty,” as Solomon gave to the queen of Sheba.
Be honest with yourself; be honest about what God has given you. Have you never felt Jesus precious to you? Have you never poured out your heart at His feet? Have you never by faith caught a glimpse of His glorious Person? Have you never felt anything of the working of His atoning blood? Never seen how suitable He is? Never felt Him near and dear to your soul? Never tasted that spiritual mindedness which is life and peace?
If you have experienced this, you have “an inheritance among all them which are sanctified.” For how are we sanctified? Is it not by the word of truth? As the Lord said, “Sanctify them through Thy truth: Thy word is truth.” And have you not sometimes felt the word of truth working holy, heavenly feelings and affections in your heart? Is that not sanctification?
Reading: Romans 5:12-21
To the reader…
Weary pilgrim, do your hands hang down and are your knees feeble? Do you see so much of your evil heart, of unbelief, darkness and doubt, that you no longer dare believe there is grace in you? Do you sometimes think that the Lord deals out His grace stingily, like money out of a miser’s purse, and that you must earn it first? He is not like that. He gives to all men liberally and upbraids not; He gives as a King.
Be honest, then, about what He has already given you. Has Jesus never been precious to you? Have you never poured out your heart at His feet, or felt something of the power of His atoning blood? Do not despise such moments, for they are the work of His Word in your heart. That Word still sanctifies, and out of the fountain in the heart of the Redeemer grace still flows full and free to the poor and needy.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ahora, hermanos, os encomiendo a Dios, y a la palabra de Su gracia: el cual es poderoso para sobreedificar, y daros heredad con todos los santificados.
Hechos 20:32
¿Cuál es el tema principal de las pruebas y los ejercicios de los hijos de Dios? ¿No es el corazón malo que llevan dentro? ¿No son el orgullo, la incredulidad, la infidelidad, las tinieblas, las tentaciones, los temores y las dudas, los pecados y las transgresiones, y las muchas cargas y aflicciones que encuentran a cada paso? Estorbados y cargados por tantas pruebas interiores y exteriores, parecen incapaces de comprender que hay gracia en ellos, o que la gloria les espera. Sus manos están caídas y sus rodillas paralizadas.
¡Pero cuán adecuada es para ellos “la palabra de Su gracia” (Hechos 14:3)! ¿No es la gracia precisamente lo que necesitan? ¿No hay en el corazón del Redentor una fuente llena de gracia, que siempre fluye y rebosa? ¿Y no fluye plena y libre por “la palabra de Su gracia”, que tienen en su corazón y en sus manos? ¿Cómo podría llegarles de otro modo que gratuitamente? ¿Tienen solo la gracia por la que trabajan? ¿Se reparte la gracia con cautela, escasa y mezquinamente, como el dinero de la bolsa de un avaro?
No. Es Dios “el cual da a todos abundantemente, y no zahiere” (Santiago 1:5), y “la gracia de Dios, y el don por la gracia … abundaron mucho más para los muchos” (Romanos 5:15). Jesús da como un Rey, “conforme a la largueza real”, como Salomón dio a la reina de Sabá.
Sea honrado consigo mismo; sea honrado en cuanto a lo que Dios le ha dado. ¿Nunca ha sentido a Jesús precioso para usted? ¿Nunca ha derramado su corazón a Sus pies? ¿Nunca ha vislumbrado por la fe Su gloriosa Persona? ¿Nunca ha sentido algo de la obra de Su sangre expiatoria? ¿Nunca ha visto cuán adecuado es Él? ¿Nunca Le ha sentido cercano y querido para su alma? ¿Nunca ha gustado esa intención del espíritu que es vida y paz?
Si ha experimentado esto, tiene “heredad con todos los santificados”. Porque ¿cómo somos santificados? ¿No es por la palabra de verdad? Como dijo el Señor: “Santifícalos en Tu verdad: Tu palabra es verdad.” ¿Y no ha sentido a veces que la palabra de verdad obraba en su corazón sentimientos y afectos santos y celestiales? ¿No es eso santificación?
Lectura: Romanos 5:12-21
Al lector…
Peregrino cansado, ¿están caídas sus manos y paralizadas sus rodillas? ¿Ve tanto de su corazón malo, de incredulidad, tinieblas y duda, que ya no se atreve a creer que hay gracia en usted? ¿Piensa a veces que el Señor reparte Su gracia con mezquindad, como el dinero de la bolsa de un avaro, y que primero debe ganársela? Él no es así. Él da a todos abundantemente y no zahiere; da como un Rey.
Sea honrado, pues, en cuanto a lo que ya le ha dado. ¿Nunca ha sido Jesús precioso para usted? ¿Nunca ha derramado su corazón a Sus pies, ni ha sentido algo del poder de Su sangre expiatoria? No desprecie tales momentos, porque son la obra de Su Palabra en su corazón. Esa Palabra sigue santificando, y de la fuente que hay en el corazón del Redentor la gracia sigue fluyendo plena y libre hacia el pobre y necesitado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds.
Romeinen 12:2
Als de wereldgelijkvormigheid wordt onderworpen en wij daarvan scheiden, vangt er een veranderingsproces in ons aan, waarvan de apostel hier spreekt, en worden wij veranderd in de geest van ons gemoed. Met andere woorden: de Heilige Geest vernieuwt door Zijn werk in de ziel het leven Gods. Hij wekt op en verlevendigt het geloof, de hoop, de liefde, het gebed, de lof, de geestelijkheid van ons gemoed, met elke tedere gewaarwording en elke goddelijke aandoening die zich beweegt in een levend hart. Als dan de Geest van God Zijn werk in ons hart vernieuwt, brengt Hij ons uit deze wereldse gelijkvormigheid. Hij ontdekt ons het kwaad ervan; Hij maakt en houdt de consciëntie teder en gevoelig.
Hij toont ons dat, indien wij de wereld gelijkvormig worden, wij dan onze bewijzen verliezen, en dat wij, waar deze verdonkerd worden, dan spoedig beroofd zijn van de gemeenschap Gods, van de vertroostende toenadering tot onze hemelse Vriend; dat onze smaak voor en onze eetlust naar geestelijke dingen verzwakken, en dat zelfs onze belijdenis ons tot een last wordt. Wanneer dan onze consciëntie meer en meer gaat ontwaken om deze afwijkingen te zien en te gevoelen, dan worden wij overtuigd dat wij maar maaien wat wij gezaaid hebben. En Gods Geest, de beschuldiging meer op de consciëntie bindende, toont ons het kwaad van wereldse gelijkvormigheid, en dit somtijds door smartelijke ondervinding, bijvoorbeeld door lange dagen van donkerheid en zware, donkere nachten van verlating.
Welnu, wanneer Hij ons uit deze wereldgelijkvormigheid brengt door het kwaad ervan aan te tonen, en ons laat zien dat wij door het ellendig kleven aan het stof onszelf van onze gelukkigste uren, van onze zoetste hoop en genietingen beroven, dan trekt Hij onze zielen nader tot Christus. En waar Hij ons onderhoudt door de ene dierbare waarheid na de andere in ons hart te doen druipen, daar vernieuwt Hij ons in de geest van ons gemoed. Hij verlevendigt het geloof, wekt de hoop op, deelt de liefde mede, haalt het gebed uit en schenkt ons de geestelijke gezindheid van het hart, en hierdoor wordt een verandering in ons gewrocht naar de gelijkenis van de lijdende Middelaar.
Wat hebben wij dan de gezegende Geest van God nodig tot een dagelijkse vernieuwing onzes gemoeds, om het beeld Gods gelijkvormig te zijn! Want er is geen middenweg tussen een geestelijk en een vleselijk beleven; tussen het beeld van Christus gelijkvormig te zijn en de wereld gelijkvormig te zijn. Gelijk er geen middenweg is tussen de enge en de brede weg, zo is er geen middenweg tussen vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid, tussen een biddende gestalte en een biddeloze gestalte, tussen waakzaamheid en zorgeloosheid, tussen berouw en hardheid des harten, tussen geloof en ongeloof, tussen het leven van een christen en het leven van een wereldling.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u lange dagen van donkerheid gekend hebt, of zware nachten waarin u zich verlaten voelde, en dat u later moest erkennen dat u maaide wat u gezaaid had. U had aan het stof gekleefd, en uzelf van uw zoetste uren beroofd. Het is bitter dat te ontdekken. Maar weet dat juist het ontwaken van uw geweten het werk is van de gezegende Geest, Die u zo het kwaad doet zien om u nader tot Christus te trekken.
Wanhoop dan niet onder de beschuldiging, maar zie uit naar de vernieuwing. Hij Die de consciëntie teder maakt, laat ook de ene dierbare waarheid na de andere in het hart druipen. Hij verlevendigt het geloof, wekt de hoop op en haalt het gebed weer uit. Er is geen middenweg; maar wie de Geest van God zo dagelijks nodig heeft, en dat voelt, wordt door Hem veranderd naar het beeld van de lijdende Middelaar.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds.
Romeinen 12:2
Wanneer de gelijkvormigheid aan de wereld wordt overwonnen en wij ons daarvan afscheiden, begint er in ons een proces van verandering waarover de apostel hier spreekt, en worden wij veranderd in de geest van ons gemoed. Met andere woorden: de Heilige Geest vernieuwt door Zijn werk in de ziel het leven van God. Hij wekt op en maakt levend: het geloof, de hoop, de liefde, het gebed, de lof, de geestelijkheid van ons gemoed, met elk teder gevoel en elke goddelijke aandoening die zich in een levend hart beweegt. Wanneer de Geest van God dan Zijn werk in ons hart vernieuwt, brengt Hij ons uit deze wereldse gelijkvormigheid. Hij laat ons het kwaad ervan zien; Hij maakt het geweten teder en gevoelig en houdt het zo.
Hij laat ons zien dat wij onze bewijzen verliezen als wij aan de wereld gelijkvormig worden. En waar die verduisterd worden, zijn wij al snel beroofd van de gemeenschap met God, van de troostende toenadering tot onze hemelse Vriend. Onze smaak voor en onze honger naar geestelijke dingen verzwakken, en zelfs onze belijdenis wordt ons tot een last. Wanneer ons geweten dan steeds meer ontwaakt om deze afwijkingen te zien en te voelen, worden wij ervan overtuigd dat wij slechts maaien wat wij gezaaid hebben. En terwijl de Geest van God de beschuldiging steeds vaster op het geweten bindt, laat Hij ons het kwaad van wereldse gelijkvormigheid zien, soms door pijnlijke ervaring, bijvoorbeeld door lange dagen van donkerheid en zware, donkere nachten van verlatenheid.
Welnu, wanneer Hij ons uit deze gelijkvormigheid aan de wereld brengt door het kwaad ervan aan te tonen, en ons laat zien dat wij ons door ons ellendig kleven aan het stof beroven van onze gelukkigste uren, van onze zoetste hoop en vreugden, dan trekt Hij onze zielen dichter naar Christus. En waar Hij ons in stand houdt door de ene dierbare waarheid na de andere in ons hart te laten druppelen, daar vernieuwt Hij ons in de geest van ons gemoed. Hij maakt het geloof levend, wekt de hoop op, deelt de liefde mee, lokt het gebed uit en schenkt ons de geestelijke gezindheid van het hart. Daardoor wordt er in ons een verandering gewerkt naar de gelijkenis van de lijdende Middelaar.
Wat hebben wij de gezegende Geest van God dan nodig voor een dagelijkse vernieuwing van ons gemoed, om aan het beeld van God gelijkvormig te zijn! Want er is geen middenweg tussen een geestelijk en een vleselijk leven, tussen gelijkvormig zijn aan het beeld van Christus en gelijkvormig zijn aan de wereld. Zoals er geen middenweg is tussen de enge en de brede weg, zo is er geen middenweg tussen vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid, tussen een biddende en een biddeloze gestalte, tussen waakzaamheid en zorgeloosheid, tussen berouw en hardheid van hart, tussen geloof en ongeloof, tussen het leven van een christen en het leven van een wereldling.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u lange dagen van donkerheid gekend hebt, of zware nachten waarin u zich verlaten voelde, en dat u later moest erkennen dat u maaide wat u gezaaid had. U had aan het stof gekleefd en uzelf van uw zoetste uren beroofd. Het is bitter dat te ontdekken. Maar weet dat juist het ontwaken van uw geweten het werk is van de gezegende Geest, Die u zo het kwaad laat zien om u dichter naar Christus te trekken.
Wanhoop dan niet onder de beschuldiging, maar zie uit naar de vernieuwing. Hij Die het geweten teder maakt, laat ook de ene dierbare waarheid na de andere in het hart druppelen. Hij maakt het geloof levend, wekt de hoop op en lokt het gebed weer uit. Er is geen middenweg; maar wie de Geest van God zo dagelijks nodig heeft, en dat voelt, wordt door Hem veranderd naar het beeld van de lijdende Middelaar.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But be ye transformed by the renewing of your mind.
Romans 12:2
As worldly conformity is subdued and departed from, there is the transforming process of which the Apostle here speaks, whereby we become renewed in the spirit of our mind. In other words, the Holy Spirit, by His work upon the soul, renews the life of God, revives faith, hope, love, prayer, praise, spirituality of mind, with every tender feeling and every godly sensation that stirs and moves in a living heart. As, then, the Spirit of God renews His work upon the heart, He brings us out of this worldly conformity.
He discovers to us the evil of it; He makes and keeps the conscience tender and sensitive; He shows us that if we get conformed to the world we lose our evidences; that they become dulled and obscured; that we are soon deprived of communion with God, of comfortable access to our best, our heavenly Friend; that our taste and appetite for spiritual things get palled; and that our very profession itself becomes a burden. As the conscience then gets more and more awakened to see and feel these things, we become convinced that we do but reap what we have sown; and the Spirit of God by pressing the charge more closely home, shows us, and sometimes by painful experience, such as long days of darkness, and heavy, dragging nights of desertion, the evil of worldly conformity.
Now, as He thus brings us out of worldly conformity, by showing us the evil of it, and that by this miserable cleaving to earth we rob ourselves of our happiest hours, our sweetest hopes, and our dearest enjoyments, He draws the soul nearer to Christ; and as He keeps renewing us in the spirit of our mind, by dropping one precious truth after another into the heart, He revives faith, renews hope, communicates love, draws forth prayer, bestows spirituality of mind and affection; and by these means a transforming process takes place, whereby the soul is brought out of worldly conformity, and is transformed into the likeness of a suffering Jesus.
How we need, then, the blessed Spirit of God to be renewing us daily in the spirit of our minds, and thus transforming us into the suffering image of the sorrowing Son of God. For there is no medium between spirituality and carnality, between the image of Christ and conformity to the world. As there is no middle path between the strait road and the broad one, so there is no middle way between fruitfulness and barrenness, prayerfulness and prayerlessness, watchfulness and carelessness, repentance and hardness, faith and unbelief, the life of a Christian and the life of a worldling.
To the reader…
It may be that you have known long days of darkness, or heavy nights in which you felt forsaken, and that afterwards you had to admit that you were reaping what you had sown. You had cleaved to the dust and robbed yourself of your sweetest hours. It is bitter to discover that. But know that the very awakening of your conscience is the work of the blessed Spirit, Who shows you the evil in this way in order to draw you nearer to Christ.
Do not despair, then, under the charge, but look for the renewing. He Who makes the conscience tender also drops one precious truth after another into the heart. He makes faith alive, stirs up hope and draws forth prayer again. There is no middle way; but whoever needs the Spirit of God like this every day, and feels it, is transformed by Him into the image of the suffering Mediator.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas reformaos por la renovación de vuestro entendimiento.
Romanos 12:2
A medida que la conformidad mundana es sometida y abandonada, se produce el proceso de transformación del que aquí habla el Apóstol, por el cual somos renovados en el espíritu de nuestra mente. En otras palabras, el Espíritu Santo, por Su obra en el alma, renueva la vida de Dios, aviva la fe, la esperanza, el amor, la oración, la alabanza, la espiritualidad de la mente, con todo sentimiento tierno y toda sensación piadosa que se agita y se mueve en un corazón vivo. Así, pues, cuando el Espíritu de Dios renueva Su obra en el corazón, nos saca de esta conformidad mundana.
Nos descubre el mal de ella; hace y mantiene tierna y sensible la conciencia; nos muestra que si nos conformamos al mundo perdemos nuestras evidencias; que estas se embotan y se oscurecen; que pronto somos privados de la comunión con Dios, del acceso consolador a nuestro mejor Amigo, nuestro Amigo celestial; que nuestro gusto y apetito por las cosas espirituales se estragan; y que nuestra misma profesión se vuelve una carga. A medida que la conciencia despierta más y más para ver y sentir estas cosas, quedamos convencidos de que no hacemos sino segar lo que hemos sembrado; y el Espíritu de Dios, apretando más de cerca la acusación, nos muestra, a veces por experiencia dolorosa, como largos días de tinieblas y pesadas y lentas noches de desamparo, el mal de la conformidad mundana.
Ahora bien, al sacarnos así de la conformidad mundana, mostrándonos su mal y que por este miserable apego a la tierra nos robamos nuestras horas más felices, nuestras esperanzas más dulces y nuestros goces más queridos, Él acerca el alma a Cristo; y al seguir renovándonos en el espíritu de nuestra mente, dejando caer en el corazón una preciosa verdad tras otra, aviva la fe, renueva la esperanza, comunica amor, suscita la oración, concede espiritualidad de mente y de afectos; y por estos medios se produce un proceso de transformación, por el cual el alma es sacada de la conformidad mundana y transformada a la semejanza de un Jesús sufriente.
¡Cuánto necesitamos, pues, que el bendito Espíritu de Dios nos renueve diariamente en el espíritu de nuestra mente, y nos transforme así a la imagen sufriente del afligido Hijo de Dios! Porque no hay término medio entre la espiritualidad y la carnalidad, entre la imagen de Cristo y la conformidad con el mundo. Así como no hay senda intermedia entre el camino angosto y el espacioso, así tampoco hay camino intermedio entre la fecundidad y la esterilidad, entre la vida de oración y la falta de oración, entre la vigilancia y el descuido, entre el arrepentimiento y la dureza, entre la fe y la incredulidad, entre la vida de un cristiano y la vida de un mundano.
Al lector…
Puede que usted haya conocido largos días de tinieblas, o pesadas noches en que se sintió desamparado, y que después haya tenido que admitir que segaba lo que había sembrado. Se había apegado al polvo y se había robado sus horas más dulces. Es amargo descubrirlo. Pero sepa que el mismo despertar de su conciencia es obra del bendito Espíritu, que le muestra así el mal para acercarle más a Cristo.
No desespere, pues, bajo la acusación, sino espere la renovación. El que hace tierna la conciencia deja caer también en el corazón una preciosa verdad tras otra. Él aviva la fe, despierta la esperanza y vuelve a suscitar la oración. No hay camino intermedio; pero quien necesita así cada día al Espíritu de Dios, y lo siente, es transformado por Él a la imagen del Mediador sufriente.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl