5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Barmhartig en genadig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk de toorn behouden.
Psalm 103:8, 9
God is toornig, en terecht toornig, over de zonden van Zijn volk. Hij haat de zonde met een volkomen haat; Hij kan niet ophouden tegen haar te toornen. Zij is zo in strijd met de reinheid en de volmaaktheid van Zijn heilige natuur, dat, waar Hij ook de zonde ontmoet, Zijn verontwaardiging tegen haar ontsteekt. En niet vóórdat wij een ontdekking en openbaring van Christus hebben, ons verzekerende dat wij deel hebben aan Zijn kostbaar bloed en volbracht werk, kunnen wij de toorn Gods tegen onze zonden onderscheiden van de toorn Gods tegen ons.
Maar wanneer het de Heere behaagt ons enigszins Zijn goedheid en barmhartigheid in de Persoon en het werk van Zijn lieve Zoon te openbaren, dan kunnen wij door het oog des geloofs zien dat Hij, ofschoon toornig op onze zonden, niet toornig is op ons, maar ons in de Geliefde aanneemt, ons in Hem uitverkoren hebbende van vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk voor Hem zouden zijn in de liefde. Zo zal Hij niet eeuwiglijk Zijn toorn behouden. En waarom? Omdat hij verzoend en weggedaan is, en niet behouden wordt om te branden tot in de onderste hel.
De volzalige Heere heeft een offer voor de zonde aangeboden; de straf en de schuld der zonde weggedaan, verzoend en voldaan, en aldus Zijn toorn en brandend misnoegen tegen de zonde Zijns volks weggedaan; want de gehele toorn Gods over hun zonde en over henzelf werd geladen op de Persoon van Jezus, toen Hij daar stond als onze Plaatsvervanger en aan het kruis hing als een bloedig Offer, dat de zonde uitdelgde door Zijn eigen offerande. Dat is de reden waarom Hij niet eeuwiglijk Zijn toorn behoudt, daar Hij door de voldoening van onze gezegende Heere is bevredigd en Zijn toorn weggedaan is, opdat die niet zou branden tegen de personen van Gods volk, noch hen verteren met de vurige verbolgenheid die de goddelozen verbranden zal.
Komt, maakt God met mij groot!
Verbreidt, verhoogt met hart en stem
de nooit volprezen naam van Hem,
die ons behoedt in nood.
Ik zocht in mijn gebed
de Heer ootmoedig met geween,
Hij heeft mij in angstvalligheên
geantwoord, mij gered.
Ps. 34:2
Aan de lezer…
Hoe moeilijk is het, de toorn Gods tegen uw zonden te onderscheiden van een toorn tegen u! Voelt u Zijn heilige verontwaardiging, en vreest u dat die op u blijft rusten? Dat is een zware last voor een teder geweten. Zo lang de ziel Christus niet ziet, kan zij die twee niet uit elkaar houden, en dan kent zij geen rust.
Maar zie op het kruis. Daar werd de gehele toorn Gods over de zonde van Zijn volk geladen op de Persoon van Jezus, toen Hij stond als Plaatsvervanger en hing als een bloedig Offer. Daarom zal Hij niet altoos twisten, noch eeuwiglijk de toorn behouden. Hij is barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en Hij neemt de Zijnen aan in de Geliefde. Zoek Hem dan ootmoedig, al is het met geween; Hij antwoordt nog in angstvalligheden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Barmhartig en genadig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk de toorn behouden.
Psalm 103:8, 9
God is toornig, en terecht toornig, over de zonden van Zijn volk. Hij haat de zonde met een volkomen haat; Hij kan niet ophouden tegen haar te toornen. Zij is zo in strijd met de reinheid en volmaaktheid van Zijn heilige natuur, dat waar Hij de zonde ook ontmoet, Zijn verontwaardiging ertegen ontbrandt. En pas wanneer wij een ontdekking en openbaring van Christus ontvangen die ons verzekert dat wij deel hebben aan Zijn kostbaar bloed en volbracht werk, kunnen wij de toorn van God tegen onze zonden onderscheiden van de toorn van God tegen ons.
Maar wanneer het de Heere behaagt ons iets van Zijn goedheid en barmhartigheid te openbaren in de Persoon en het werk van Zijn lieve Zoon, dan kunnen wij met het oog van het geloof zien dat Hij, hoewel toornig op onze zonden, niet toornig is op ons. Hij neemt ons aan in de Geliefde, in Wie Hij ons heeft uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld, opdat wij heilig en onberispelijk voor Hem zouden zijn in de liefde. Zo zal Hij niet eeuwig Zijn toorn behouden. En waarom niet? Omdat die toorn verzoend en weggedaan is, en niet wordt vastgehouden om te branden tot in de onderste hel.
De volzalige Heere heeft een offer voor de zonde gebracht. Hij heeft de straf en de schuld van de zonde weggedaan, verzoend en voldaan, en zo Zijn toorn en brandend misnoegen tegen de zonde van Zijn volk weggenomen. Want de hele toorn van God over hun zonde en over henzelf werd gelegd op de Persoon van Jezus, toen Hij daar stond als onze Plaatsvervanger en aan het kruis hing als een bloedig Offer, dat de zonde uitdelgde door Zijn eigen offerande. Daarom behoudt Hij Zijn toorn niet eeuwig: Hij is bevredigd door de voldoening van onze gezegende Heere, en Zijn toorn is weggenomen, zodat die niet zal branden tegen de personen van Gods volk en hen niet zal verteren met de vurige verbolgenheid die de goddelozen zal verbranden.
Komt, maakt God met mij groot!
Verbreidt, verhoogt met hart en stem
de nooit volprezen naam van Hem,
die ons behoedt in nood.
Ik zocht in mijn gebed
de Heer ootmoedig met geween,
Hij heeft mij in angstvalligheên
geantwoord, mij gered.
Ps. 34:2
Aan de lezer…
Hoe moeilijk is het de toorn van God tegen uw zonden te onderscheiden van een toorn tegen uzelf! Voelt u Zijn heilige verontwaardiging, en vreest u dat die op u blijft rusten? Dat is een zware last voor een teder geweten. Zolang de ziel Christus niet ziet, kan zij die twee niet uit elkaar houden, en dan vindt zij geen rust.
Maar zie op het kruis. Daar werd de hele toorn van God over de zonde van Zijn volk gelegd op de Persoon van Jezus, toen Hij stond als Plaatsvervanger en hing als een bloedig Offer. Daarom zal Hij niet altoos twisten, noch eeuwiglijk de toorn behouden. Hij is barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en Hij neemt de Zijnen aan in de Geliefde. Zoek Hem dan ootmoedig, al is het met tranen; Hij antwoordt nog steeds in angst en nood.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD is merciful and gracious, slow to anger, and plenteous in mercy. He will not always chide: neither will He keep His anger for ever.
Psalm 103:8-9
God is angry and justly angry with the sins of His people. He hates sin with a perfect hatred. He cannot but entertain unceasing wrath against it. It is so contrary to the purity and perfection of His holy nature, that wherever He meets with sin His indignation flashes out against it. And until we have some discovery and manifestation of Christ to assure us of a saving interest in His precious blood and finished work, we cannot separate the anger of God against our sins from the anger of God against our persons.
But when the Lord is pleased to reveal a sense of His goodness and mercy in the Person and work of His dear Son, then we can see by the eye of faith that though He is angry with our sins, He is not angry with our persons, but accepts us in the Beloved, having chosen us in Him before the foundation of the world, that we should be holy and without blame before Him in love. Thus He retains not His anger forever. And why? Because it is atoned for, put away, not retained so as to burn to the lowest hell.
The blessed Lord has offered a sacrifice for sin; put away the punishment and penalty due to transgression, propitiated and appeased, and thus put away His indignation and fiery displeasure against the sins of His people; for all the anger of God due to their sins and to their persons was discharged upon the Person of Jesus as He stood our representative and hung upon the cross a bleeding sacrifice, putting away sin by the offering of Himself. This is the reason why He retains not His anger forever, it being appeased and put away through the atonement of our blessed Lord, that it should not burn against the persons of the people of God, nor consume them with the fiery indignation that shall burn up the wicked.
To the reader…
How hard it is to distinguish God’s anger against your sins from an anger against yourself! Do you feel His holy indignation, and do you fear that it remains upon you? That is a heavy burden for a tender conscience. As long as the soul does not see Christ, it cannot keep those two apart, and then it finds no rest.
But look to the cross. There the whole anger of God against the sin of His people was laid upon the Person of Jesus, when He stood as Representative and hung as a bleeding Sacrifice. That is why He will not always chide, neither will He keep His anger for ever. He is merciful and gracious, slow to anger and plenteous in mercy, and He accepts His own in the Beloved. So seek Him humbly, even if it is with tears; He still answers in anguish and distress.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Misericordioso y clemente es Jehová; lento para la ira, y grande en misericordia. No contenderá para siempre, ni para siempre guardará el enojo.
Salmo 103:8-9
Dios está airado, y justamente airado, con los pecados de Su pueblo. Aborrece el pecado con odio perfecto. No puede sino mantener contra él una ira incesante. Es tan contrario a la pureza y perfección de Su santa naturaleza que, dondequiera que se encuentra con el pecado, Su indignación estalla contra él. Y hasta que tengamos algún descubrimiento y manifestación de Cristo que nos asegure una parte salvadora en Su preciosa sangre y en Su obra consumada, no podemos separar la ira de Dios contra nuestros pecados de la ira de Dios contra nuestras personas.
Pero cuando al Señor le place revelar un sentimiento de Su bondad y misericordia en la Persona y la obra de Su amado Hijo, entonces podemos ver con el ojo de la fe que, aunque Él está airado con nuestros pecados, no está airado con nuestras personas, sino que nos acepta en el Amado, habiéndonos escogido en Él antes de la fundación del mundo, para que fuésemos santos y sin mancha delante de Él en amor. Así, no guarda para siempre el enojo. ¿Y por qué? Porque ha sido expiado, quitado, no guardado para arder hasta el infierno más profundo.
El bendito Señor ha ofrecido un sacrificio por el pecado; ha quitado el castigo y la pena debidos a la transgresión, ha propiciado y aplacado, y así ha quitado Su indignación y Su ardiente desagrado contra los pecados de Su pueblo; porque toda la ira de Dios debida a sus pecados y a sus personas se descargó sobre la Persona de Jesús cuando estuvo como nuestro representante y colgó en la cruz como sacrificio sangrante, quitando el pecado por el sacrificio de Sí mismo. Esta es la razón por la cual no guarda para siempre el enojo, pues ha sido aplacado y quitado por la expiación de nuestro bendito Señor, para que no arda contra las personas del pueblo de Dios ni las consuma con la ardiente indignación que abrasará a los impíos.
Al lector…
¡Qué difícil es distinguir la ira de Dios contra sus pecados de una ira contra usted mismo! ¿Siente Su santa indignación, y teme que permanezca sobre usted? Esa es una carga pesada para una conciencia tierna. Mientras el alma no ve a Cristo, no puede mantener separadas esas dos cosas, y entonces no halla descanso.
Pero mire a la cruz. Allí toda la ira de Dios contra el pecado de Su pueblo fue puesta sobre la Persona de Jesús, cuando estuvo como Representante y colgó como Sacrificio sangrante. Por eso no contenderá para siempre, ni para siempre guardará el enojo. Él es misericordioso y clemente, lento para la ira y grande en misericordia, y acepta a los Suyos en el Amado. Búsquele, pues, humildemente, aunque sea con lágrimas; Él responde todavía en la angustia y la aflicción.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Genees mij
Genees mij, HEERE, zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
In welk een wanhopige, welk een jammerlijke toestand zouden wij verkeren als er geen geneesmiddel zou zijn voor deze ellende en droefenis, die de aarde heeft ontwricht en als een enorme aardbeving al haar fundamenten aan het wankelen heeft gebracht (Ps. 82:5). Wat zou het een hel zijn als er niets in de wereld was dan zonde en verdriet; als wij slechts voor enkele korte weken, of maanden, of jaren de beker van smart diep moesten leegdrinken, ondergedompeld moesten worden in de vloedgolven van zonde, en weeklagend naar ons graf moesten gaan, om dan onze ogen te openen in oneindige rampzaligheid!
Maar o, zie omhoog, gij weeklagende heiligen, die vaak gebukt gaat onder wereldse zorgen en verdriet, en veel vaker en veel zwaarder onder de diepe verdorvenheden van uw hart; zie omhoog en zie die hemelse lichtstraal die zelfs nu door deze zwarte droefgeestigheid, deze ondoordringbare duisternis, lijkt te schijnen, zoals een zonnestraal soms in een ogenblik het aardoppervlak verlicht. „Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte; om te verschijnen degenen die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods; om onze voeten te richten op de weg des vredes” (Luk. 1:78, 79).
Kunt u niet als het ware een stem van God horen die tot de schuldige mensenkinderen spreekt, eenzelfde stem als die de herders hoorden toen het hemelse koor zong: „Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen”? Kunt u niet zien hoe de genade lijkt te verschijnen, als uit het hart van God, door de engelen? Hoe ze als met een engelenstem tot de mensenkinderen spreekt en hun vertelt dat er een balsem is voor al hun smarten, een geneesmiddel voor al hun kwalen? Kunt u niet de hand zien die naar het verzoenende bloed en de rechtvaardigende gehoorzaamheid van de Zoon van God wijst, en zegt: „Dit is het geneesmiddel, het enige middel dat God heeft gegeven voor alle zonde en verdriet die op de wereld zijn”?
Lezen: Jeremia 8:4-22
Aan de lezer…
Gaat u gebukt, waarde lezer? Niet alleen onder zorgen en verdriet van dit leven, maar nog veel zwaarder onder de verdorvenheden van uw eigen hart? Lijkt het soms of er niets is dan zonde en smart, en of de weg alleen weeklagend naar het graf voert? Dan is dit woord voor u: zie omhoog. Ook nu schijnt er een hemelse lichtstraal door de ondoordringbare duisternis heen.
De Opgang uit de hoogte heeft ons bezocht, om te verschijnen degenen die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods. Er is een balsem voor al uw smarten, een geneesmiddel voor al uw kwalen. Ziet u de hand die wijst naar het verzoenende bloed en de rechtvaardigende gehoorzaamheid van de Zoon van God? Daar, en nergens anders, is het geneesmiddel dat God gegeven heeft. Zeg dan, hoe arm en ziek u ook bent: „Genees mij, HEERE, zo zal ik genezen worden.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Genees mij, HEERE, zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
In wat voor wanhopige, wat voor jammerlijke toestand zouden wij verkeren als er geen geneesmiddel was voor deze ellende en droefheid, die de aarde heeft ontwricht en als een geweldige aardbeving al haar fundamenten aan het wankelen heeft gebracht (Ps. 82:5). Wat zou het een hel zijn als er in de wereld niets was dan zonde en verdriet! Als wij alleen maar een paar korte weken, maanden of jaren de beker van smart tot op de bodem moesten leegdrinken, ondergedompeld moesten worden in de vloedgolven van de zonde, en weeklagend naar ons graf moesten gaan, om dan onze ogen te openen in oneindige rampzaligheid!
Maar o, kijk omhoog, u weeklagende heiligen, die vaak gebukt gaat onder wereldse zorgen en verdriet, en veel vaker en veel zwaarder onder de diepe verdorvenheden van uw hart. Kijk omhoog en zie die hemelse lichtstraal die zelfs nu door deze zwarte somberheid, deze ondoordringbare duisternis, lijkt te schijnen, zoals een zonnestraal soms in een ogenblik het aardoppervlak verlicht. „Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte; om te verschijnen degenen die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods; om onze voeten te richten op de weg des vredes” (Luk. 1:78, 79).
Kunt u niet als het ware een stem van God horen die tot de schuldige mensenkinderen spreekt, dezelfde stem als die de herders hoorden toen het hemelse koor zong: „Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen”? Kunt u niet zien hoe de genade als het ware uit het hart van God verschijnt, door de engelen? Hoe zij als met een engelenstem tot de mensenkinderen spreekt en hun vertelt dat er een balsem is voor al hun smarten, een geneesmiddel voor al hun kwalen? Kunt u niet de hand zien die wijst naar het verzoenende bloed en de rechtvaardigende gehoorzaamheid van de Zoon van God, en zegt: „Dit is het geneesmiddel, het enige middel dat God heeft gegeven voor alle zonde en verdriet die op de wereld zijn”?
Lezen: Jeremia 8:4-22
Aan de lezer…
Gaat u gebukt, waarde lezer? Niet alleen onder de zorgen en het verdriet van dit leven, maar nog veel zwaarder onder de verdorvenheden van uw eigen hart? Lijkt het soms alsof er niets is dan zonde en smart, en alsof de weg alleen weeklagend naar het graf leidt? Dan is dit woord voor u: kijk omhoog. Ook nu schijnt er een hemelse lichtstraal door de ondoordringbare duisternis heen.
De Opgang uit de hoogte heeft ons bezocht, om te verschijnen degenen die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods. Er is een balsem voor al uw smarten, een geneesmiddel voor al uw kwalen. Ziet u de hand die wijst naar het verzoenende bloed en de rechtvaardigende gehoorzaamheid van de Zoon van God? Daar, en nergens anders, is het geneesmiddel dat God gegeven heeft. Zeg dan, hoe arm en ziek u ook bent: „Genees mij, HEERE, zo zal ik genezen worden.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heal me, O LORD, and I shall be healed; save me, and I shall be saved: for Thou art my praise.
Jeremiah 17:14
In what a desperate, what a pitiable state should we be if there were no remedy for this misery and sorrow, which has put the earth out of joint and, like a mighty earthquake, has made all its foundations totter (Ps. 82:5). What a hell it would be if there were nothing in the world but sin and sorrow! If we had only to drain the cup of grief to the very dregs for a few short weeks, months or years, to be plunged in the floods of sin, and to go mourning to our grave, only to open our eyes in endless woe!
But oh, look up, you mourning saints, who often go bowed down under worldly cares and sorrows, and far more often and far more heavily under the deep corruptions of your heart. Look up and see that heavenly ray of light which even now seems to shine through this black gloom, this impenetrable darkness, as a sunbeam sometimes in a moment lights up the face of the earth. “Through the tender mercy of our God; whereby the dayspring from on high hath visited us, to give light to them that sit in darkness and in the shadow of death, to guide our feet into the way of peace” (Luke 1:78, 79).
Can you not hear, as it were, a voice of God speaking to the guilty sons of men, the same voice which the shepherds heard when the heavenly choir sang, “Glory to God in the highest, and on earth peace, good will toward men”? Can you not see how grace comes forth, as it were, from the heart of God, by the angels? How it speaks as with an angel’s voice to the children of men and tells them that there is a balm for all their sorrows, a remedy for all their maladies? Can you not see the hand that points to the atoning blood and the justifying obedience of the Son of God, and says, “This is the remedy, the only remedy that God has given for all the sin and sorrow that are in the world”?
Reading: Jeremiah 8:4-22
To the reader…
Are you bowed down, dear reader? Not only under the cares and sorrows of this life, but far more heavily under the corruptions of your own heart? Does it sometimes seem as if there were nothing but sin and sorrow, and as if the road led only mourning to the grave? Then this word is for you: look up. Even now a heavenly ray of light shines through the impenetrable darkness.
The dayspring from on high has visited us, to give light to them that sit in darkness and in the shadow of death. There is a balm for all your sorrows, a remedy for all your maladies. Do you see the hand that points to the atoning blood and the justifying obedience of the Son of God? There, and nowhere else, is the remedy that God has given. Then say, however poor and sick you are, “Heal me, O LORD, and I shall be healed.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Sáname, oh Jehová, y seré sano; sálvame, y seré salvo: porque Tú eres mi alabanza.
Jeremías 17:14
¡En qué estado tan desesperado y tan lastimoso estaríamos si no hubiera remedio para esta miseria y tristeza, que ha descoyuntado la tierra y, como un poderoso terremoto, ha hecho vacilar todos sus cimientos (Sal. 82:5)! ¡Qué infierno sería si no hubiera en el mundo más que pecado y tristeza! ¡Si solo tuviéramos que apurar la copa del dolor hasta las mismas heces durante unas pocas y breves semanas, meses o años, ser sumergidos en las inundaciones del pecado, e ir enlutados a nuestra tumba, solo para abrir nuestros ojos en un ay sin fin!
Pero oh, alcen la vista, santos que lloran, que a menudo andan agobiados bajo cuidados y tristezas del mundo, y mucho más a menudo y mucho más pesadamente bajo las hondas corrupciones de su corazón. Alcen la vista y vean ese rayo de luz celestial que aun ahora parece brillar a través de esta negra lobreguez, de estas tinieblas impenetrables, como a veces un rayo de sol ilumina en un momento la faz de la tierra. “Por las entrañas de misericordia de nuestro Dios, con que nos visitó de lo alto el Oriente, para dar luz a los que habitan en tinieblas y en sombra de muerte; para encaminar nuestros pies por camino de paz” (Luc. 1:78, 79).
¿No oyen, por así decirlo, una voz de Dios que habla a los culpables hijos de los hombres, la misma voz que oyeron los pastores cuando el coro celestial cantó: “Gloria en las alturas a Dios, y en la tierra paz, buena voluntad para con los hombres”? ¿No ven cómo la gracia sale, por así decirlo, del corazón de Dios, por medio de los ángeles? ¿Cómo habla como con voz de ángel a los hijos de los hombres y les dice que hay un bálsamo para todas sus tristezas, un remedio para todos sus males? ¿No ven la mano que señala a la sangre expiatoria y a la obediencia justificadora del Hijo de Dios, y dice: “Este es el remedio, el único remedio que Dios ha dado para todo el pecado y la tristeza que hay en el mundo”?
Lectura: Jeremías 8:4-22
Al lector…
¿Está usted agobiado, querido lector? ¿No solo bajo los cuidados y tristezas de esta vida, sino mucho más pesadamente bajo las corrupciones de su propio corazón? ¿Le parece a veces como si no hubiera más que pecado y tristeza, y como si el camino solo llevara, entre lamentos, a la tumba? Entonces esta palabra es para usted: alce la vista. Aun ahora brilla un rayo de luz celestial a través de las tinieblas impenetrables.
El Oriente de lo alto nos ha visitado, para dar luz a los que habitan en tinieblas y en sombra de muerte. Hay un bálsamo para todas sus tristezas, un remedio para todos sus males. ¿Ve la mano que señala a la sangre expiatoria y a la obediencia justificadora del Hijo de Dios? Allí, y en ninguna otra parte, está el remedio que Dios ha dado. Diga entonces, por pobre y enfermo que esté: “Sáname, oh Jehová, y seré sano”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Als die in alles verdrukt worden, doch niet benauwd.
2 Corinthe 4:8
Gods kind wordt verdrukt van alle zijden, omdat hij aan elke kant, vanwaar hij verdrukt kan worden, een geestelijke zowel als een tijdelijke kant heeft; een zijde wat zijn ziel en een zijde wat zijn lichaam betreft, een zijde aangaande zijn bovennatuurlijk en een zijde aangaande zijn natuurlijk leven, een zijde wat zijn nieuwe mens en een zijde wat zijn oude mens betreft. En daar het noodzakelijk voor hem is het lijdend beeld van Christus gelijkvormig te worden, komen moeite en zorg van alle zijden op hem af om hem Christus gelijkvormig te maken.
Zelfs worden zijn verdrukkingen vermeerderd in verhouding tot zijn genade, want hoe meer verdrukkingen er zijn, des te overvloediger zijn de vertroostingen, en een overvloed van vertroosting is maar een overvloed van genade. Dus hoe meer genade, des te groter zal het lijden zijn; en hoe inniger hij het pad bewandelt dat de Heere welbehagelijk is overeenkomstig Zijn wil en Woord, hoe meer hij zal gedoopt worden met de doop van smart en beproeving, waarmede Zijn dierbaar Hoofd tevoren is gedoopt geworden.
„Doch niet benauwd.” De woorden „niet benauwd” betekenen letterlijk dat wij niet opgesloten zijn in een nauwe, beperkte ruimte, waaraan een uitgang gemist wordt. Dit stemt overeen met een uitdrukking van de apostel in een andere plaats, waar hij zegt: „Welke u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen.” En dit komt heel goed overeen met Davids woorden: „Gij hebt mijn ziel in benauwdheden gekend.” Hier is de benauwdheid van alle zijden. Maar hij voegt eraan toe: „En hebt mij niet overgegeven in de hand des vijands; Gij hebt mijn voeten doen staan in de ruimte.”
Niet overgeleverd te zijn in de handen des vijands, wil zeggen: niet door God overgegeven ter doodslag aan de tegenstander. En de voeten doen staan in de ruimte, wil zeggen: een plaats verschaft waarin ik mij kan bewegen; een plaats die mij tot een ontkoming is van dood en verderf. Zo heeft de stervende christen een God ter toevlucht; een Zaligmaker in Wiens armen hij zijn vermoeide ziel kan werpen; een gezegende Geest, Die van tijd tot tijd zijn twijfelingen en vrezen tegemoet komt en een dierbare belofte aan zijn belast gemoed toepast, Die hem een berusten in en onderwerping aan de verdrukkende hand Gods geeft, en Die de donkere vallei van de schaduw des doods, die hij betreden moet, verlicht door een liefelijke straal van Evangelielicht.
Aan de lezer…
Deze woorden zijn voor u, als u van alle zijden verdrukt wordt. Naar de ziel en naar het lichaam, van binnen en van buiten, zodat u nergens heen kunt zien zonder moeite en zorg te ontmoeten? Verwonder u daar niet over, alsof u iets vreemds overkwam. Zo wordt Gods kind het lijdend beeld van Christus gelijkvormig gemaakt, en waar de verdrukkingen overvloedig zijn, zijn ook de vertroostingen overvloedig.
Want let op dat kleine woord: „doch niet benauwd.” U bent niet opgesloten in een ruimte zonder uitgang. Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven. Hij heeft u niet overgegeven in de hand des vijands, en Hij zal uw voeten doen staan in de ruimte. Bent u vermoeid, werp uw ziel dan in de armen van de Zaligmaker. Ook in de donkere vallei van de schaduw des doods laat Hij een liefelijke straal van Evangelielicht schijnen voor wie op Hem ziet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Als die in alles verdrukt worden, doch niet benauwd.
2 Corinthe 4:8
Gods kind wordt van alle kanten verdrukt, omdat hij aan elke kant waarvandaan hij verdrukt kan worden, zowel een geestelijke als een tijdelijke kant heeft: een kant die zijn ziel en een kant die zijn lichaam betreft, een kant die zijn bovennatuurlijk leven en een kant die zijn natuurlijk leven betreft, een kant die zijn nieuwe mens en een kant die zijn oude mens betreft. En omdat het voor hem noodzakelijk is gelijkvormig te worden aan het lijdende beeld van Christus, komen moeite en zorg van alle kanten op hem af om hem aan Christus gelijkvormig te maken.
Zijn verdrukkingen worden zelfs vermeerderd in verhouding tot zijn genade. Want hoe meer verdrukkingen er zijn, des te overvloediger zijn de vertroostingen, en een overvloed van vertroosting is niets anders dan een overvloed van genade. Dus hoe meer genade, des te groter zal het lijden zijn. En hoe nauwer hij het pad bewandelt dat de Heere welgevallig is overeenkomstig Zijn wil en Woord, hoe meer hij gedoopt zal worden met de doop van smart en beproeving, waarmee zijn dierbaar Hoofd vóór hem gedoopt is.
„Doch niet benauwd.” De woorden „niet benauwd” betekenen letterlijk dat wij niet opgesloten zijn in een nauwe, beperkte ruimte zonder uitgang. Dit stemt overeen met een uitdrukking van de apostel op een andere plaats, waar hij zegt: „Welke u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen.” En dit komt heel goed overeen met de woorden van David: „Gij hebt mijn ziel in benauwdheden gekend.” Hier is de benauwdheid van alle kanten. Maar hij voegt eraan toe: „En hebt mij niet overgegeven in de hand des vijands; Gij hebt mijn voeten doen staan in de ruimte.”
Niet overgegeven zijn in de handen van de vijand betekent: door God niet aan de tegenstander overgegeven om gedood te worden. En de voeten doen staan in de ruimte betekent: een plaats gegeven waarin ik mij kan bewegen; een plaats waardoor ik kan ontkomen aan dood en verderf. Zo heeft de stervende christen een God als toevlucht; een Zaligmaker in Wiens armen hij zijn vermoeide ziel kan werpen; een gezegende Geest, Die van tijd tot tijd zijn twijfels en vrezen tegemoetkomt en een dierbare belofte op zijn belaste gemoed toepast. Die Geest geeft hem berusting in en onderwerping aan de verdrukkende hand van God, en verlicht de donkere vallei van de schaduw des doods, die hij moet betreden, met een liefelijke straal van Evangelielicht.
Aan de lezer…
Deze woorden zijn voor u, als u van alle kanten verdrukt wordt. Naar de ziel en naar het lichaam, van binnen en van buiten, zodat u nergens heen kunt kijken zonder moeite en zorg te ontmoeten? Verwonder u daar niet over, alsof u iets vreemds overkwam. Zo wordt Gods kind gelijkvormig gemaakt aan het lijdende beeld van Christus, en waar de verdrukkingen overvloedig zijn, zijn ook de vertroostingen overvloedig.
Want let op die kleine woorden: „doch niet benauwd.” U bent niet opgesloten in een ruimte zonder uitgang. Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven. Hij heeft u niet overgegeven in de hand van de vijand, en Hij zal uw voeten doen staan in de ruimte. Bent u vermoeid, werp uw ziel dan in de armen van de Zaligmaker. Ook in de donkere vallei van de schaduw des doods laat Hij een liefelijke straal van Evangelielicht schijnen voor wie op Hem ziet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“We are troubled on every side, yet not distressed.”
2 Corinthians 4:8
The saint of God is “troubled on every side,” because he has on every side on which he may be troubled, a spiritual side as well as a temporal side, a side in his soul as well as a side in his body, a side in his supernatural as well as in his natural life, a side in his new man of grace as well as a side in his old man of sin. And as it is necessary for him to be conformed to the suffering image of Christ, trouble comes upon him on every side and from every quarter, to make him like his blessed Lord. No, his troubles are multiplied in proportion to his grace, for the more the afflictions abound the more abundant are the consolations; and an abundance of consolation is but an abundance of grace. Thus, the more grace he has the greater will be his sufferings; and the more he walks in a path agreeable to the Lord, and in conformity to His will and Word, the more will he be baptized with the baptism of sorrow and tribulation with which his great Head was baptized before him.
“Yet not distressed.” The words “not distressed” literally signify that we are not shut up in a narrow spot from which there is no outlet whatever. It corresponds to an expression of the Apostle’s in another place where he says, “God will, with the temptation, also make a way to escape that you may be able to bear it;” and tallies well with the words of David—“You have known my soul in adversities.” There is the trouble on every side. But he adds, “And have not shut me up into the hand of the enemy; You have set my feet in a large room.” “Not being shut up into the hand of the enemy” is not being abandoned of God to the foeman’s death-stroke; and having “the feet set in a large room” is to have a place to move about in, one which affords an escape from death and destruction.
Thus, the dying Christian has a God to go to; a Saviour into Whose arms he may cast his weary soul; a blessed Spirit Who from time to time relieves his doubts and fears, applies a sweet promise to his burdened spirit, gives him resignation and submission to the afflicting hand of God, and illuminates the dark valley of the shadow of death, which he has to tread, with a blessed ray of gospel light.
To the reader…
These words are for you if you are troubled on every side. In soul and in body, within and without, so that you cannot look anywhere without meeting trouble and care? Do not wonder at that, as though some strange thing happened to you. This is how a child of God is conformed to the suffering image of Christ, and where the afflictions abound, the consolations abound as well.
For mark those small words: “yet not distressed.” You are not shut up in a place with no way out. With the temptation He will also make a way to escape. He has not shut you up into the hand of the enemy, and He will set your feet in a large room. Are you weary? Then cast your soul into the arms of the Saviour. Even in the dark valley of the shadow of death He lets a lovely ray of gospel light shine for the one who looks to Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Estamos atribulados en todo, mas no angustiados.
2 Corintios 4:8
El santo de Dios está “atribulado en todo”, porque tiene por todos lados flancos por donde puede ser atribulado: un lado espiritual así como un lado temporal, un lado en su alma así como un lado en su cuerpo, un lado en su vida sobrenatural así como en su vida natural, un lado en su hombre nuevo de gracia así como un lado en su viejo hombre de pecado. Y como le es necesario ser conformado a la imagen sufriente de Cristo, la tribulación viene sobre él por todos lados y desde todas partes, para hacerle semejante a su bendito Señor. Más aún, sus tribulaciones se multiplican en proporción a su gracia, porque cuanto más abundan las aflicciones, más abundantes son las consolaciones; y una abundancia de consolación no es sino una abundancia de gracia. Así, cuanta más gracia tenga, mayores serán sus sufrimientos; y cuanto más ande en un camino agradable al Señor, y en conformidad con Su voluntad y Su Palabra, tanto más será bautizado con el bautismo de tristeza y tribulación con que su gran Cabeza fue bautizado antes que él.
“Mas no angustiados.” Las palabras “no angustiados” significan literalmente que no estamos encerrados en un lugar estrecho del que no haya salida alguna. Corresponde a una expresión del Apóstol en otro lugar, donde dice: “Dios dará también juntamente con la tentación la salida, para que podáis aguantar”; y concuerda bien con las palabras de David: “Has conocido mi alma en las angustias.” Ahí está la tribulación por todos lados. Pero añade: “Y no me encerraste en mano del enemigo; hiciste estar mis pies en anchura.” “No ser encerrado en mano del enemigo” es no ser abandonado de Dios al golpe mortal del adversario; y tener “los pies en anchura” es tener un lugar donde moverse, uno que ofrece escape de la muerte y la destrucción.
Así, el cristiano moribundo tiene un Dios a quien acudir; un Salvador en cuyos brazos puede echar su alma cansada; un bendito Espíritu que de tiempo en tiempo alivia sus dudas y temores, aplica una dulce promesa a su espíritu cargado, le da resignación y sumisión a la mano de Dios que le aflige, e ilumina con un bendito rayo de luz del evangelio el oscuro valle de sombra de muerte que ha de atravesar.
Al lector…
Estas palabras son para usted si está atribulado en todo. ¿En el alma y en el cuerpo, por dentro y por fuera, de modo que no puede mirar a ninguna parte sin encontrar tribulación y preocupación? No se extrañe de ello, como si le sucediera alguna cosa extraña. Así es como un hijo de Dios es conformado a la imagen sufriente de Cristo, y donde abundan las aflicciones, abundan también las consolaciones.
Porque note esas pequeñas palabras: “mas no angustiados”. Usted no está encerrado en un lugar sin salida. Con la tentación, Él dará también la salida. No le ha encerrado en mano del enemigo, y pondrá sus pies en anchura. ¿Está cansado? Entonces eche su alma en los brazos del Salvador. Aun en el oscuro valle de sombra de muerte, Él hace brillar un hermoso rayo de luz del evangelio para quien mira a Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl