19 de agosto
Barmhartig en genadig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk de toorn behouden.
Psalm 103:8, 9
God is toornig, en terecht toornig, over de zonden van Zijn volk. Hij haat de zonde met een volkomen haat; Hij kan niet ophouden tegen haar te toornen. Zij is zo in strijd met de reinheid en de volmaaktheid van Zijn heilige natuur, dat, waar Hij ook de zonde ontmoet, Zijn verontwaardiging tegen haar ontsteekt. En niet vóórdat wij een ontdekking en openbaring van Christus hebben, ons verzekerende dat wij deel hebben aan Zijn kostbaar bloed en volbracht werk, kunnen wij de toorn Gods tegen onze zonden onderscheiden van de toorn Gods tegen ons.
Maar wanneer het de Heere behaagt ons enigszins Zijn goedheid en barmhartigheid in de Persoon en het werk van Zijn lieve Zoon te openbaren, dan kunnen wij door het oog des geloofs zien dat Hij, ofschoon toornig op onze zonden, niet toornig is op ons, maar ons in de Geliefde aanneemt, ons in Hem uitverkoren hebbende van vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk voor Hem zouden zijn in de liefde. Zo zal Hij niet eeuwiglijk Zijn toorn behouden. En waarom? Omdat hij verzoend en weggedaan is, en niet behouden wordt om te branden tot in de onderste hel.
De volzalige Heere heeft een offer voor de zonde aangeboden; de straf en de schuld der zonde weggedaan, verzoend en voldaan, en aldus Zijn toorn en brandend misnoegen tegen de zonde Zijns volks weggedaan; want de gehele toorn Gods over hun zonde en over henzelf werd geladen op de Persoon van Jezus, toen Hij daar stond als onze Plaatsvervanger en aan het kruis hing als een bloedig Offer, dat de zonde uitdelgde door Zijn eigen offerande. Dat is de reden waarom Hij niet eeuwiglijk Zijn toorn behoudt, daar Hij door de voldoening van onze gezegende Heere is bevredigd en Zijn toorn weggedaan is, opdat die niet zou branden tegen de personen van Gods volk, noch hen verteren met de vurige verbolgenheid die de goddelozen verbranden zal.
Komt, maakt God met mij groot!
Verbreidt, verhoogt met hart en stem
de nooit volprezen naam van Hem,
die ons behoedt in nood.
Ik zocht in mijn gebed
de Heer ootmoedig met geween,
Hij heeft mij in angstvalligheên
geantwoord, mij gered.
Ps. 34:2
Aan de lezer…
Hoe moeilijk is het, de toorn Gods tegen uw zonden te onderscheiden van een toorn tegen u! Voelt u Zijn heilige verontwaardiging, en vreest u dat die op u blijft rusten? Dat is een zware last voor een teder geweten. Zo lang de ziel Christus niet ziet, kan zij die twee niet uit elkaar houden, en dan kent zij geen rust.
Maar zie op het kruis. Daar werd de gehele toorn Gods over de zonde van Zijn volk geladen op de Persoon van Jezus, toen Hij stond als Plaatsvervanger en hing als een bloedig Offer. Daarom zal Hij niet altoos twisten, noch eeuwiglijk de toorn behouden. Hij is barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en Hij neemt de Zijnen aan in de Geliefde. Zoek Hem dan ootmoedig, al is het met geween; Hij antwoordt nog in angstvalligheden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Barmhartig en genadig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk de toorn behouden.
Psalm 103:8, 9
God is toornig, en terecht toornig, over de zonden van Zijn volk. Hij haat de zonde met een volkomen haat; Hij kan niet ophouden tegen haar te toornen. Zij is zo in strijd met de reinheid en volmaaktheid van Zijn heilige natuur, dat waar Hij de zonde ook ontmoet, Zijn verontwaardiging ertegen ontbrandt. En pas wanneer wij een ontdekking en openbaring van Christus ontvangen die ons verzekert dat wij deel hebben aan Zijn kostbaar bloed en volbracht werk, kunnen wij de toorn van God tegen onze zonden onderscheiden van de toorn van God tegen ons.
Maar wanneer het de Heere behaagt ons iets van Zijn goedheid en barmhartigheid te openbaren in de Persoon en het werk van Zijn lieve Zoon, dan kunnen wij met het oog van het geloof zien dat Hij, hoewel toornig op onze zonden, niet toornig is op ons. Hij neemt ons aan in de Geliefde, in Wie Hij ons heeft uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld, opdat wij heilig en onberispelijk voor Hem zouden zijn in de liefde. Zo zal Hij niet eeuwig Zijn toorn behouden. En waarom niet? Omdat die toorn verzoend en weggedaan is, en niet wordt vastgehouden om te branden tot in de onderste hel.
De volzalige Heere heeft een offer voor de zonde gebracht. Hij heeft de straf en de schuld van de zonde weggedaan, verzoend en voldaan, en zo Zijn toorn en brandend misnoegen tegen de zonde van Zijn volk weggenomen. Want de hele toorn van God over hun zonde en over henzelf werd gelegd op de Persoon van Jezus, toen Hij daar stond als onze Plaatsvervanger en aan het kruis hing als een bloedig Offer, dat de zonde uitdelgde door Zijn eigen offerande. Daarom behoudt Hij Zijn toorn niet eeuwig: Hij is bevredigd door de voldoening van onze gezegende Heere, en Zijn toorn is weggenomen, zodat die niet zal branden tegen de personen van Gods volk en hen niet zal verteren met de vurige verbolgenheid die de goddelozen zal verbranden.
Komt, maakt God met mij groot!
Verbreidt, verhoogt met hart en stem
de nooit volprezen naam van Hem,
die ons behoedt in nood.
Ik zocht in mijn gebed
de Heer ootmoedig met geween,
Hij heeft mij in angstvalligheên
geantwoord, mij gered.
Ps. 34:2
Aan de lezer…
Hoe moeilijk is het de toorn van God tegen uw zonden te onderscheiden van een toorn tegen uzelf! Voelt u Zijn heilige verontwaardiging, en vreest u dat die op u blijft rusten? Dat is een zware last voor een teder geweten. Zolang de ziel Christus niet ziet, kan zij die twee niet uit elkaar houden, en dan vindt zij geen rust.
Maar zie op het kruis. Daar werd de hele toorn van God over de zonde van Zijn volk gelegd op de Persoon van Jezus, toen Hij stond als Plaatsvervanger en hing als een bloedig Offer. Daarom zal Hij niet altoos twisten, noch eeuwiglijk de toorn behouden. Hij is barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en Hij neemt de Zijnen aan in de Geliefde. Zoek Hem dan ootmoedig, al is het met tranen; Hij antwoordt nog steeds in angst en nood.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD is merciful and gracious, slow to anger, and plenteous in mercy. He will not always chide: neither will He keep His anger for ever.
Psalm 103:8-9
God is angry and justly angry with the sins of His people. He hates sin with a perfect hatred. He cannot but entertain unceasing wrath against it. It is so contrary to the purity and perfection of His holy nature, that wherever He meets with sin His indignation flashes out against it. And until we have some discovery and manifestation of Christ to assure us of a saving interest in His precious blood and finished work, we cannot separate the anger of God against our sins from the anger of God against our persons.
But when the Lord is pleased to reveal a sense of His goodness and mercy in the Person and work of His dear Son, then we can see by the eye of faith that though He is angry with our sins, He is not angry with our persons, but accepts us in the Beloved, having chosen us in Him before the foundation of the world, that we should be holy and without blame before Him in love. Thus He retains not His anger forever. And why? Because it is atoned for, put away, not retained so as to burn to the lowest hell.
The blessed Lord has offered a sacrifice for sin; put away the punishment and penalty due to transgression, propitiated and appeased, and thus put away His indignation and fiery displeasure against the sins of His people; for all the anger of God due to their sins and to their persons was discharged upon the Person of Jesus as He stood our representative and hung upon the cross a bleeding sacrifice, putting away sin by the offering of Himself. This is the reason why He retains not His anger forever, it being appeased and put away through the atonement of our blessed Lord, that it should not burn against the persons of the people of God, nor consume them with the fiery indignation that shall burn up the wicked.
To the reader…
How hard it is to distinguish God’s anger against your sins from an anger against yourself! Do you feel His holy indignation, and do you fear that it remains upon you? That is a heavy burden for a tender conscience. As long as the soul does not see Christ, it cannot keep those two apart, and then it finds no rest.
But look to the cross. There the whole anger of God against the sin of His people was laid upon the Person of Jesus, when He stood as Representative and hung as a bleeding Sacrifice. That is why He will not always chide, neither will He keep His anger for ever. He is merciful and gracious, slow to anger and plenteous in mercy, and He accepts His own in the Beloved. So seek Him humbly, even if it is with tears; He still answers in anguish and distress.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Misericordioso y clemente es Jehová; lento para la ira, y grande en misericordia. No contenderá para siempre, ni para siempre guardará el enojo.
Salmo 103:8-9
Dios está airado, y justamente airado, con los pecados de Su pueblo. Aborrece el pecado con odio perfecto. No puede sino mantener contra él una ira incesante. Es tan contrario a la pureza y perfección de Su santa naturaleza que, dondequiera que se encuentra con el pecado, Su indignación estalla contra él. Y hasta que tengamos algún descubrimiento y manifestación de Cristo que nos asegure una parte salvadora en Su preciosa sangre y en Su obra consumada, no podemos separar la ira de Dios contra nuestros pecados de la ira de Dios contra nuestras personas.
Pero cuando al Señor le place revelar un sentimiento de Su bondad y misericordia en la Persona y la obra de Su amado Hijo, entonces podemos ver con el ojo de la fe que, aunque Él está airado con nuestros pecados, no está airado con nuestras personas, sino que nos acepta en el Amado, habiéndonos escogido en Él antes de la fundación del mundo, para que fuésemos santos y sin mancha delante de Él en amor. Así, no guarda para siempre el enojo. ¿Y por qué? Porque ha sido expiado, quitado, no guardado para arder hasta el infierno más profundo.
El bendito Señor ha ofrecido un sacrificio por el pecado; ha quitado el castigo y la pena debidos a la transgresión, ha propiciado y aplacado, y así ha quitado Su indignación y Su ardiente desagrado contra los pecados de Su pueblo; porque toda la ira de Dios debida a sus pecados y a sus personas se descargó sobre la Persona de Jesús cuando estuvo como nuestro representante y colgó en la cruz como sacrificio sangrante, quitando el pecado por el sacrificio de Sí mismo. Esta es la razón por la cual no guarda para siempre el enojo, pues ha sido aplacado y quitado por la expiación de nuestro bendito Señor, para que no arda contra las personas del pueblo de Dios ni las consuma con la ardiente indignación que abrasará a los impíos.
Al lector…
¡Qué difícil es distinguir la ira de Dios contra sus pecados de una ira contra usted mismo! ¿Siente Su santa indignación, y teme que permanezca sobre usted? Esa es una carga pesada para una conciencia tierna. Mientras el alma no ve a Cristo, no puede mantener separadas esas dos cosas, y entonces no halla descanso.
Pero mire a la cruz. Allí toda la ira de Dios contra el pecado de Su pueblo fue puesta sobre la Persona de Jesús, cuando estuvo como Representante y colgó como Sacrificio sangrante. Por eso no contenderá para siempre, ni para siempre guardará el enojo. Él es misericordioso y clemente, lento para la ira y grande en misericordia, y acepta a los Suyos en el Amado. Búsquele, pues, humildemente, aunque sea con lágrimas; Él responde todavía en la angustia y la aflicción.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl