6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
De uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden.
Romeinen 11:7
Zij die verblind zijn door de god dezer wereld, weten niet wat macht en gevoel en geur en dauw zijn; zij zien die dingen niet; zij zijn blind voor hun werkelijkheid; zij zijn dood voor hun gewicht. Maar de levende familie Gods, die door Zijn gezegende Geest ertoe gebracht is enigszins een begrip van de eeuwige Waarheid te hebben, heeft ogen om te zien wat macht is, en harten ook, om te verlangen de openbaring dier macht te gevoelen. Juist het gezicht zelf van hetgeen wezenlijkheid en macht zijn, doet hen verlangen de geur der eeuwige dingen in hun geweten te ervaren; en omdat zij niet gevoelen zoals zij wensen, doet dit hen dikwijls vrezen dat zij geheel blind zijn.
Maar juist het vragen, het angstig roepen, het zo zuchtend verlangen, het zo vurig smeken tot de Heere dat Hij hen niet mocht laten leven en sterven zonder een getuigenis van Hemzelf, dat Hij het licht van Zijn aangezicht mocht verheffen en hun het leven in Zijn gunst schenken – juist die kreten zijn een bewijs van leven. Zo gij blind waart, zoudt gij die dingen niet zien; zo gij doof waart, zoudt gij deze dingen niet geestelijk horen; zo gij dood waart, zoudt gij deze dingen niet gevoelen.
En daarom is juist dat wat gij schijnt te houden als een bewijs tegen u, in werkelijkheid een bewijs vóór u; en juist dat gevoel van wankelmoedigheid, dat angstig vragen, die vrees voor God, en dat roepen tot God dat Hij u mocht onderzoeken en beproeven en uw hart goed maken in Zijn ogen, zijn alle kentekenen van leven, de bewijzen van een werk van genade aan het hart, en de geestelijke ademtocht van de levendgemaakte ziel, daar de Heere Zelf dit gevoel eraan medegedeeld heeft.
Mijn ziel bewaart Uw trouw getuigenis;
dat heb ik lief, ook doe ik Uw bevelen.
Uw woord kan mij, ofschoon ik alles mis,
door zijne smaak èn hart èn zinnen strelen.
Gij weet mijn weg en hoe mijn wandel is:
’k wil niets daarvan voor U, mijn God, verhelen.
Ps. 119:84
Aan de lezer…
Soms vreest u dat u blind bent, omdat u niet voelt zoals u wenst. Ziet u wel wat het is dat God met macht spreekt, maar klaagt u dat die geur en die dauw aan u voorbijgaan? Dan zeg ik u met zachtheid: wie waarlijk blind is, ziet niets en mist niets. Hij vraagt niet, hij zucht niet, hij roept niet.
Maar u roept wel. U smeekt dat de Heere u niet wil laten leven en sterven zonder een getuigenis van Hemzelf, dat Hij het licht van Zijn aangezicht over u verheffen wil. Die kreten zijn geen bewijs tegen u, maar een kenteken van leven, de ademtocht van een ziel die de Heere Zelf heeft levend gemaakt. Wat u als uw veroordeling hield, is juist een spoor van Zijn genade. Houd dan niet op met roepen, maar breng uw angst en uw verlangen bij Hem, Die u dit gevoel gegeven heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden.
Romeinen 11:7
Wie verblind is door de god van deze wereld, weet niet wat kracht, gevoel, geur en dauw zijn. Zulke mensen zien die dingen niet; zij zijn blind voor de werkelijkheid ervan en dood voor het gewicht ervan. Maar de levende familie van God, die door Zijn gezegende Geest ertoe gebracht is enig begrip van de eeuwige Waarheid te hebben, heeft ogen om te zien wat kracht is, en ook een hart dat ernaar verlangt de openbaring van die kracht te voelen. Juist doordat zij zien wat werkelijkheid en kracht zijn, verlangen zij ernaar de geur van de eeuwige dingen in hun geweten te ervaren. En omdat zij niet voelen zoals zij zouden wensen, vrezen zij vaak dat zij volkomen blind zijn.
Maar juist het vragen, het angstig roepen, het zuchtend verlangen, het vurig smeken tot de Heere dat Hij hen niet zou laten leven en sterven zonder een getuigenis van Hemzelf, dat Hij het licht van Zijn aangezicht zou verheffen en hun het leven in Zijn gunst zou schenken: juist die kreten zijn een bewijs van leven. Als u blind was, zou u die dingen niet zien. Als u doof was, zou u deze dingen niet geestelijk horen. Als u dood was, zou u deze dingen niet voelen.
Daarom is juist wat u als een bewijs tegen uzelf lijkt te beschouwen, in werkelijkheid een bewijs vóór u. Dat gevoel van wankelmoedigheid, dat angstige vragen, die vrees voor God, dat roepen tot God dat Hij u zou onderzoeken en beproeven en uw hart goed zou maken in Zijn ogen: het zijn allemaal kentekenen van leven. Het zijn de bewijzen van een werk van genade in het hart en de geestelijke ademhaling van de levendgemaakte ziel, omdat de Heere Zelf haar dit gevoel heeft meegedeeld.
Mijn ziel bewaart Uw trouw getuigenis;
dat heb ik lief, ook doe ik Uw bevelen.
Uw woord kan mij, ofschoon ik alles mis,
door zijne smaak èn hart èn zinnen strelen.
Gij weet mijn weg en hoe mijn wandel is:
’k wil niets daarvan voor U, mijn God, verhelen.
Ps. 119:84
Aan de lezer…
Soms vreest u dat u blind bent, omdat u niet voelt zoals u zou wensen. Ziet u wel wat het is dat God met kracht spreekt, maar klaagt u dat die geur en die dauw aan u voorbijgaan? Dan zeg ik u met zachtheid: wie werkelijk blind is, ziet niets en mist niets. Hij vraagt niet, hij zucht niet, hij roept niet.
Maar u roept wel. U smeekt dat de Heere u niet laat leven en sterven zonder een getuigenis van Hemzelf, dat Hij het licht van Zijn aangezicht over u wil verheffen. Die kreten zijn geen bewijs tegen u, maar een kenteken van leven, de ademhaling van een ziel die de Heere Zelf levend heeft gemaakt. Wat u als uw veroordeling beschouwde, is juist een spoor van Zijn genade. Houd dan niet op met roepen, maar breng uw angst en uw verlangen bij Hem, Die u dit gevoel gegeven heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But the election hath obtained it, and the rest were blinded.
Romans 11:7
Those who are blinded by the god of this world, have no knowledge of what power and feeling and savor and dew are; they see not these things, they are blind to their reality, they are dead to their importance; but the living family of God, who are brought by His blessed Spirit into some apprehension of eternal realities, have eyes to see what power is, and hearts too, to desire to feel its manifestation.
No, it is the very seeing what reality and power are which makes them desire to experience the savor of eternal things in their conscience; and because they do not feel them as they wish, it makes them often fear that they are blind altogether (Isaiah 59:10). But the very inquiry, the very anxious cry, the very groaning desire, the very fervent supplication to the Lord that He would not let them live and die without a testimony from Himself, that He would lift up the light of His countenance and grant them the life of His favor—these very cries are a proof of life.
Were you blind, you would not see these things; were you deaf, you would not spiritually hear these things; were you dead, you would not feel these things. And, therefore, that which you seem to take as an evidence against you, is, in reality, an evidence for you; and the very sensations of trepidation, anxious inquiry, godly fear, and the crying out before the Lord that He would search and try you and really make your heart right in His sight—these very things are the symptoms of spiritual life, the evidences of a work of grace upon the heart, and are the spiritual breathings of the quickened soul, the Lord Himself having communicated these feelings unto it.
To the reader…
Sometimes you fear that you are blind, because you do not feel as you would wish. Do you see what it is for God to speak with power, and yet complain that the savour and the dew pass you by? Then I say to you gently: whoever is truly blind sees nothing and misses nothing. He does not ask, he does not sigh, he does not cry out.
But you do cry out. You plead that the Lord will not let you live and die without a testimony from Himself, that He will lift up the light of His countenance upon you. Those cries are no proof against you, but a mark of life, the breathing of a soul that the Lord Himself has quickened. What you regarded as your condemnation is in fact a trace of His grace. So do not stop crying out, but bring your fear and your longing to Him Who has given you this feeling.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas la elección lo ha alcanzado: y los demás fueron endurecidos.
Romanos 11:7
Los que están cegados por el dios de este siglo no tienen conocimiento de lo que son el poder, el sentimiento, el sabor y el rocío; no ven estas cosas, están ciegos a su realidad, están muertos a su importancia; pero la familia viviente de Dios, que es llevada por Su bendito Espíritu a cierta comprensión de las realidades eternas, tiene ojos para ver lo que es el poder, y también corazón para desear sentir su manifestación.
Más aún, es precisamente el ver lo que son la realidad y el poder lo que les hace desear experimentar el sabor de las cosas eternas en su conciencia; y porque no las sienten como desean, eso les hace temer a menudo que están del todo ciegos (Isaías 59:10). Pero la misma búsqueda, el mismo clamor ansioso, el mismo deseo gemidor, la misma súplica ferviente al Señor para que no los deje vivir y morir sin un testimonio de Él mismo, para que alce la luz de Su rostro y les conceda la vida de Su favor: estos mismos clamores son una prueba de vida.
Si usted estuviera ciego, no vería estas cosas; si estuviera sordo, no oiría espiritualmente estas cosas; si estuviera muerto, no sentiría estas cosas. Y por tanto, lo que usted parece tomar como evidencia en su contra es, en realidad, una evidencia a su favor; y las mismas sensaciones de temblor, la búsqueda ansiosa, el temor piadoso, y el clamar delante del Señor para que le examine y le pruebe y haga realmente recto su corazón delante de Él: estas mismas cosas son los síntomas de la vida espiritual, las evidencias de una obra de gracia en el corazón, y son los alientos espirituales del alma vivificada, habiéndole comunicado el Señor mismo estos sentimientos.
Al lector…
A veces usted teme estar ciego, porque no siente como quisiera. ¿Ve lo que es que Dios hable con poder, y sin embargo se queja de que el sabor y el rocío pasan de largo? Entonces le digo con suavidad: quien está verdaderamente ciego no ve nada y no echa nada de menos. No pregunta, no suspira, no clama.
Pero usted sí clama. Suplica que el Señor no le deje vivir y morir sin un testimonio de Él mismo, que alce sobre usted la luz de Su rostro. Esos clamores no son una prueba contra usted, sino una señal de vida, el aliento de un alma que el Señor mismo ha vivificado. Lo que usted consideraba su condenación es en realidad una huella de Su gracia. No deje, pues, de clamar, sino lleve su temor y su anhelo a Aquel que le ha dado este sentimiento.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Vervolgen de Heere te kennen
Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen om de HEERE te kennen. Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen, en als de vroege regen des lands.
Hosea 6:3
Wij staan stil bij de opmerking dat er in de bevinding van de ziel zoiets gevonden wordt dat genoemd wordt „vervolgen de HEERE te kennen”. En de zegeningen die voor de rechtvaardige zijn weggelegd, kunnen niet verkregen worden als dit vervolgen er niet is. De Heere te kennen is de begeerte van elke levendgemaakte ziel. Het is Hem te kennen door Zijn eigen goddelijke ontdekking, door genadige openbaring van Zijn genade, liefde, aanwezigheid en heerlijkheid.
En welke mate van kennis een kind van God ook van de Heere mag hebben, zij zal voor zijn eigen gemoed altijd een onvolkomen en gebrekkige kennis schijnen. De gezegende apostel Paulus, die in de derde hemel was opgetrokken, scheen Hem vergelijkenderwijs nog steeds niet te kennen. Daarom zegt hij: „Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding,” alsof al zijn kennis van Christus niets meer was dan een druppel water vergeleken met de oceaan; alsof al zijn bevinding slechts een enkele straal was, vergeleken met de grote hoeveelheid licht en warmte die in de zon aanwezig is.
Lezen: Hosea 6
Aan de lezer…
Vindt u, lezer, dat uw kennis van de Heere zo arm en gebrekkig is? Dat u na al die jaren nog zo weinig van Hem weet en zo weinig van Zijn liefde geproefd hebt? Wees daar niet al te zeer door ontmoedigd. Welke mate van kennis een kind van God ook ontvangt, zij schijnt hem altijd onvolkomen. Zelfs wie het meest van Hem gezien heeft, bad nog: „Opdat ik Hem kenne,” alsof al zijn kennis slechts een druppel was vergeleken met de oceaan.
Het verlangen zelf is al een teken van leven; een dode ziel begeert de Heere niet te kennen. Maar laat het niet bij een ledig verlangen blijven. Er staat: „Wij zullen vervolgen om de HEERE te kennen.” Ga dan voort, zoek, roep en wacht. Zijn uitgang is bereid als de dageraad; Hij zal komen als een regen op het droge land, op Zijn tijd en op Zijn wijze.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen om de HEERE te kennen. Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen, en als de vroege regen des lands.
Hosea 6:3
We staan stil bij het feit dat er in de bevinding van de ziel iets gevonden wordt dat genoemd wordt: „vervolgen de HEERE te kennen”. En de zegeningen die voor de rechtvaardige zijn weggelegd, kunnen niet verkregen worden als dit vervolgen er niet is. De Heere te kennen is de begeerte van elke levend gemaakte ziel. Het is Hem kennen doordat Hij Zichzelf ontdekt, door een genadige openbaring van Zijn genade, liefde, tegenwoordigheid en heerlijkheid.
En hoeveel kennis van de Heere een kind van God ook mag hebben, in zijn eigen ogen zal die altijd onvolkomen en gebrekkig lijken. De gezegende apostel Paulus, die tot in de derde hemel was opgetrokken, leek Hem in vergelijking nog steeds niet te kennen. Daarom zegt hij: „Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding,” alsof al zijn kennis van Christus niet meer was dan een druppel water vergeleken met de oceaan. Het was alsof al zijn bevinding slechts één enkele straal was, vergeleken met de overvloed van licht en warmte die in de zon is.
Lezen: Hosea 6
Aan de lezer…
Vindt u, lezer, dat uw kennis van de Heere zo arm en gebrekkig is? Dat u na al die jaren nog zo weinig van Hem weet en zo weinig van Zijn liefde geproefd hebt? Laat u daardoor niet al te zeer ontmoedigen. Hoeveel kennis een kind van God ook ontvangt, zij lijkt hem altijd onvolkomen. Zelfs wie het meest van Hem gezien had, bad nog: „Opdat ik Hem kenne,” alsof al zijn kennis slechts een druppel was vergeleken met de oceaan.
Het verlangen zelf is al een teken van leven; een dode ziel begeert de Heere niet te kennen. Maar laat het niet bij een leeg verlangen blijven. Er staat: „Wij zullen vervolgen om de HEERE te kennen.” Ga dan voort, zoek, roep en wacht. Zijn uitgang is bereid als de dageraad; Hij zal komen als een regen op het droge land, op Zijn tijd en op Zijn wijze.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Then shall we know, if we follow on to know the LORD: His going forth is prepared as the morning; and He shall come unto us as the rain, as the latter and former rain unto the earth.
Hosea 6:3
We pause at the fact that there is found in the experience of the soul something which is called “following on to know the LORD.” And the blessings which are laid up for the righteous cannot be obtained if this following on is not there. To know the Lord is the desire of every quickened soul. It is to know Him by His discovering Himself, by a gracious revelation of His grace, love, presence and glory.
And however much knowledge of the Lord a child of God may have, in his own eyes it will always seem imperfect and defective. The blessed apostle Paul, who had been caught up into the third heaven, still seemed by comparison not to know Him. Therefore he says, “That I may know Him, and the power of His resurrection,” as though all his knowledge of Christ were no more than a drop of water compared with the ocean. It was as if all his experience were but a single ray, compared with the fulness of light and heat that is in the sun.
Reading: Hosea 6
To the reader…
Do you find, dear reader, that your knowledge of the Lord is so poor and defective? That after all these years you still know so little of Him and have tasted so little of His love? Do not let that discourage you too much. However much knowledge a child of God receives, it always seems imperfect to him. Even he who had seen most of Him still prayed, “That I may know Him,” as though all his knowledge were but a drop compared with the ocean.
The longing itself is already a sign of life; a dead soul does not desire to know the Lord. But do not let it remain an empty longing. It is written, “If we follow on to know the LORD.” Go on, then; seek, cry and wait. His going forth is prepared as the morning; He shall come as the rain upon the dry land, in His time and in His way.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y conoceremos, y proseguiremos en conocer a Jehová: como el alba está aparejada Su salida, y vendrá a nosotros como la lluvia, como la lluvia tardía y temprana a la tierra.
Oseas 6:3
Nos detenemos en el hecho de que en la experiencia del alma se halla algo que se llama “proseguir en conocer a Jehová”. Y las bendiciones que están guardadas para los justos no pueden obtenerse si no existe este proseguir. Conocer al Señor es el deseo de toda alma vivificada. Es conocerle porque Él se descubre a Sí mismo, por una revelación misericordiosa de Su gracia, amor, presencia y gloria.
Y por mucho conocimiento del Señor que tenga un hijo de Dios, a sus propios ojos siempre le parecerá imperfecto y deficiente. El bienaventurado apóstol Pablo, que había sido arrebatado hasta el tercer cielo, aun así parecía, en comparación, no conocerle. Por eso dice: “A fin de conocerle, y la virtud de Su resurrección”, como si todo su conocimiento de Cristo no fuera más que una gota de agua comparada con el océano. Era como si toda su experiencia no fuera sino un solo rayo, comparado con la plenitud de luz y calor que hay en el sol.
Lectura: Oseas 6
Al lector…
¿Halla usted, querido lector, que su conocimiento del Señor es tan pobre y deficiente? ¿Que después de todos estos años todavía le conoce tan poco y ha gustado tan poco de Su amor? No deje que eso le desanime demasiado. Por mucho conocimiento que reciba un hijo de Dios, siempre le parece imperfecto. Aun aquel que más le había visto todavía oraba: “A fin de conocerle”, como si todo su conocimiento no fuera sino una gota comparada con el océano.
El anhelo mismo ya es una señal de vida; un alma muerta no desea conocer al Señor. Pero no deje que quede en un anhelo vacío. Está escrito: “Proseguiremos en conocer a Jehová”. Siga, pues, adelante; busque, clame y espere. Como el alba está aparejada Su salida; vendrá como la lluvia sobre la tierra seca, a Su tiempo y a Su manera.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Maar ik heb mijn ziel uitgegoten voor het aangezicht des Heeren.
1 Samuël 1:15
Wat is er veel in de uitdrukking gelegen: de ziel uit te gieten voor het aangezicht des Heeren. Laat mij toe een gemeenzaam zinnebeeld te gebruiken om dit op te helderen, zoals somtijds gemeenzame zinnebeelden voor dit doel het meest geschikt zijn. Bezien wij een zak met koren. Gij weet: wanneer de mond van de zak dichtgestopt is, dan kan haar inhoud niet worden uitgestort; maar laat de zak geopend en omvergeworpen worden, en onmiddellijk vloeit haar inhoud uit en het kostelijk graan valt op de grond.
Onze harten zijn somtijds gelijk aan de met de mond dichtgebonden zak. Er zijn begeerten, er is een uitzien, er zijn verlangens en behoeften; en deze worden dringend gevoeld, maar wij kunnen ze niet uitbrengen. Gelijk wij lezen: „Ik opende mijn mond met sterk verlangen.” Maar bij tijden opent de Heere in Zijn goedertierenheid de mond; en als dan de mond geopend is, kan het hart zijn begeerten uitstorten, net als het kostelijk graan uit de zak stroomt wanneer het bindsel is weggenomen.
Maar moet de zak niet vol zijn, alvorens het graan eruit stromen kan? Indien gij de zak opent terwijl er zich maar weinig graankorrels in bevinden, dan zal het graan er niet uit stromen. Zo is het ook met ons hart. Als het hart niet vol is, zijn er ook geen sterke begeerten die worstelen om zich voor Gods aangezicht uit te storten. Wij mogen de mond openen, maar dit uitstorten wordt gemist.
Wilt gij een schriftuurlijk voorbeeld van wat het is zijn hart voor God uit te storten? Lees dan het eerste kapittel van het eerste boek van Samuël. Daar zult gij de begenadigde vrouw Hanna vinden, bitterlijk bedroefd van geest zijnde, haar ziel uitgietende voor het aangezicht des Heeren, en dat onder zodanige bewegingen van haar lichaam dat de hogepriester haar voor dronken aanzag. Maar ofschoon haar hart zo vol was dat haar lippen beefden en haar gelaatstrekken verraadden wat er in haar omging, antwoordde zij zeer bedaard op zijn berispende aanspraak om de wijn van zich te doen: „Neen, mijn heer! Ik ben een vrouw, bezwaard van geest; ik heb noch wijn, noch sterke drank gedronken, maar ik heb mijn ziel uitgegoten voor het aangezicht des Heeren.” Dit was inderdaad een gebed. En wij weten welk een gezegend antwoord de Heere haar gaf en hoe de Heilige Geest haar overwinningslied heeft laten optekenen.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat uw hart soms is als een dichtgebonden zak. Er zijn begeerten, verlangens en noden, en u voelt ze dringend, maar u kunt ze niet uitbrengen. U knielt neer en de woorden komen niet. Wanhoop daarom niet. Het is de Heere Die in Zijn goedertierenheid de mond opent, en Hij kan het bindsel in één ogenblik wegnemen.
En bent u vol? Vol van droefheid, vol van verlangen, vol van wat u bezwaart? Dan is dat geen verloren last. Een halflege zak stort niets uit, maar een vol hart, wanneer Hij het opent, stroomt uit voor Zijn aangezicht als kostelijk graan. Die bedroefde vrouw in de tempel werd door de mens verkeerd verstaan, maar de Heere verstond haar wel. Zo mag ook u, bezwaard van geest, uw ziel voor Hem uitgieten. Hij hoort het, en Hij weet een gezegend antwoord te geven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar ik heb mijn ziel uitgegoten voor het aangezicht des Heeren.
1 Samuël 1:15
Wat ligt er veel in de uitdrukking: de ziel uitgieten voor het aangezicht van de Heere! Sta mij toe een alledaags beeld te gebruiken om dit te verduidelijken, want soms zijn alledaagse beelden daarvoor het meest geschikt. Denk aan een zak met koren. U weet dat de inhoud van de zak niet kan worden uitgestort wanneer de opening is dichtgebonden. Maar maak de zak open en kiep hem om, en meteen stroomt de inhoud eruit en valt het kostbare graan op de grond.
Ons hart is soms als een zak die is dichtgebonden. Er zijn begeerten, er is een uitzien, er zijn verlangens en noden; die worden dringend gevoeld, maar wij kunnen ze niet uitbrengen. Zoals wij lezen: „Ik opende mijn mond met sterk verlangen.” Maar soms opent de Heere in Zijn goedertierenheid de mond, en wanneer de mond dan geopend is, kan het hart zijn begeerten uitstorten, net zoals het kostbare graan uit de zak stroomt wanneer het touw is weggenomen.
Maar moet de zak niet vol zijn voordat het graan eruit kan stromen? Als u de zak openmaakt terwijl er maar een paar graankorrels in zitten, zal het graan er niet uit stromen. Zo is het ook met ons hart. Als het hart niet vol is, zijn er ook geen sterke begeerten die worstelen om zich voor Gods aangezicht uit te storten. Wij kunnen de mond wel openen, maar dat uitstorten blijft dan uit.
Wilt u een voorbeeld uit de Schrift van wat het is om je hart voor God uit te storten? Lees dan het eerste hoofdstuk van het eerste boek Samuël. Daar vindt u de begenadigde vrouw Hanna. Zij is bitter bedroefd van geest en giet haar ziel uit voor het aangezicht van de Heere, met zulke bewegingen van haar lichaam dat de hogepriester dacht dat zij dronken was. Haar hart was zo vol dat haar lippen beefden en haar gelaat verraadde wat er in haar omging. Toch antwoordde zij heel kalm op zijn berisping dat zij haar wijn van zich moest doen: „Neen, mijn heer! Ik ben een vrouw, bezwaard van geest; ik heb noch wijn, noch sterke drank gedronken, maar ik heb mijn ziel uitgegoten voor het aangezicht des Heeren.” Dat was werkelijk een gebed. En wij weten welk gezegend antwoord de Heere haar gaf, en hoe de Heilige Geest haar overwinningslied heeft laten optekenen.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat uw hart soms is als een dichtgebonden zak. Er zijn begeerten, verlangens en noden, en u voelt ze dringend, maar u kunt ze niet uitbrengen. U knielt neer en de woorden komen niet. Wanhoop daarom niet. Het is de Heere Die in Zijn goedertierenheid de mond opent, en Hij kan het touw in één ogenblik wegnemen.
En bent u vol? Vol van droefheid, vol van verlangen, vol van wat u bezwaart? Dan is dat geen verloren last. Een halflege zak stort niets uit, maar een vol hart stroomt, wanneer Hij het opent, uit voor Zijn aangezicht als kostbaar graan. Die bedroefde vrouw in de tempel werd door de mens verkeerd begrepen, maar de Heere begreep haar wel. Zo mag ook u, bezwaard van geest, uw ziel voor Hem uitgieten. Hij hoort het, en Hij weet een gezegend antwoord te geven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“I have poured out my soul before the Lord.”
1 Samuel 1:15
How much there is in that expression pouring out the soul before the Lord! Shall I use a familiar figure to illustrate it, as sometimes familiar figures are best adapted to that purpose? Look at a sack of corn; you know, when the mouth of the sack is tied up, there is no pouring out its contents; but let the sack be opened and thrown down, and then its contents are immediately poured out, and the rich grain falls upon the floor.
Our hearts are sometimes like the sack with the mouth tied; there are desires, pantings, and longings; there are needs, and these urgently felt; but we cannot give them utterance. As we read, “I opened my mouth and panted.” But the Lord in mercy, at times, opens the mouth; and then when the mouth is opened, the heart can pour out its desires, just as the rich grain is poured out of a sack when the mouth is untied.
But must not the sack be full before the grain is poured out? If there are but a few grains at the bottom, or only half-a-pint of wheat in one corner of the sack, though you open the mouth, there is no pouring out of the rich grain. So with our hearts. If the heart be not full; if there be no vehement desires struggling for utterance, we may open the mouth, but there is no pouring it out in pantings and longings.
If you want a scriptural instance of what it is to pour out the soul before the Lord, read the first chapter of the first book of Samuel, where you will find that gracious woman Hannah, so agitated, and so discovering the state of her mind by the convulsive movements of her frame, that the high priest charged her with being drunken; but though her heart was so full that her lips quivered, and her very features betrayed what was passing within, yet she meekly replied to his chiding speech, when he bade her to put away her wine, “No, my lord; I am a woman of a sorrowful spirit; I have drunk neither wine nor strong drink, but have poured out my soul before the Lord.” That was something like prayer. And we know what a blessed answer the Lord gave her, and how the Holy Spirit has recorded her triumphal song.
To the reader…
It may be that your heart is sometimes like a sack tied shut. There are desires, longings and needs, and you feel them urgently, but you cannot give them utterance. You kneel down and the words do not come. Do not despair because of it. It is the Lord Who in His mercy opens the mouth, and He can take the cord away in a single moment.
And are you full? Full of sorrow, full of longing, full of what burdens you? Then that is no wasted burden. A half-empty sack pours out nothing, but a full heart, when He opens it, pours itself out before His face like precious grain. That sorrowful woman in the temple was misunderstood by man, but the Lord understood her well. So you too, of a sorrowful spirit, may pour out your soul before Him. He hears it, and He knows how to give a blessed answer.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
He derramado mi alma delante de Jehová.
1 Samuel 1:15
¡Cuánto hay en esa expresión: derramar el alma delante del Señor! ¿Usaré una figura familiar para ilustrarla, ya que a veces las figuras familiares son las más adecuadas para ese fin? Mire un saco de trigo; usted sabe que, cuando la boca del saco está atada, no hay manera de derramar su contenido; pero que se abra el saco y se vuelque, y entonces su contenido se derrama de inmediato, y el rico grano cae sobre el suelo.
Nuestro corazón es a veces como el saco con la boca atada; hay deseos, ansias y anhelos; hay necesidades, y sentidas con urgencia; pero no podemos expresarlas. Como leemos: “Mi boca abrí y suspiré.” Pero el Señor en Su misericordia, a veces, abre la boca; y entonces, cuando la boca está abierta, el corazón puede derramar sus deseos, así como el rico grano se derrama de un saco cuando se desata la boca.
Pero ¿no ha de estar lleno el saco antes de que se derrame el grano? Si no hay más que unos pocos granos en el fondo, o solo medio cuartillo de trigo en un rincón del saco, aunque usted abra la boca, no se derrama el rico grano. Así ocurre con nuestro corazón. Si el corazón no está lleno; si no hay deseos vehementes que luchan por expresarse, podremos abrir la boca, pero no hay un derramarlo en ansias y anhelos.
Si quiere un ejemplo bíblico de lo que es derramar el alma delante del Señor, lea el primer capítulo del primer libro de Samuel, donde hallará a aquella mujer llena de gracia, Ana, tan agitada, y descubriendo de tal modo el estado de su mente por los movimientos convulsos de su cuerpo, que el sumo sacerdote la acusó de estar ebria; pero aunque su corazón estaba tan lleno que sus labios temblaban, y sus mismas facciones delataban lo que pasaba dentro, respondió mansamente a su reprensión, cuando él le mandó que digiriera su vino: “No, señor mío: yo soy una mujer trabajada de espíritu: no he bebido vino ni sidra, sino que he derramado mi alma delante de Jehová.” Eso era algo semejante a la oración. Y sabemos qué respuesta tan bendita le dio el Señor, y cómo el Espíritu Santo ha registrado su cántico de triunfo.
Al lector…
Puede ser que su corazón sea a veces como un saco atado. Hay deseos, anhelos y necesidades, y usted los siente con urgencia, pero no puede expresarlos. Se arrodilla y las palabras no vienen. No se desespere por ello. Es el Señor quien en Su misericordia abre la boca, y Él puede quitar la cuerda en un solo momento.
¿Y está usted lleno? ¿Lleno de tristeza, lleno de anhelo, lleno de lo que le agobia? Entonces esa no es una carga perdida. Un saco medio vacío no derrama nada, pero un corazón lleno, cuando Él lo abre, se derrama delante de Su rostro como grano precioso. Aquella mujer afligida en el templo fue malentendida por el hombre, pero el Señor la entendió bien. Así también usted, trabajado de espíritu, puede derramar su alma delante de Él. Él lo oye, y sabe dar una respuesta bendita.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl