19 de abril
De uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden.
Romeinen 11:7
Zij die verblind zijn door de god dezer wereld, weten niet wat macht en gevoel en geur en dauw zijn; zij zien die dingen niet; zij zijn blind voor hun werkelijkheid; zij zijn dood voor hun gewicht. Maar de levende familie Gods, die door Zijn gezegende Geest ertoe gebracht is enigszins een begrip van de eeuwige Waarheid te hebben, heeft ogen om te zien wat macht is, en harten ook, om te verlangen de openbaring dier macht te gevoelen. Juist het gezicht zelf van hetgeen wezenlijkheid en macht zijn, doet hen verlangen de geur der eeuwige dingen in hun geweten te ervaren; en omdat zij niet gevoelen zoals zij wensen, doet dit hen dikwijls vrezen dat zij geheel blind zijn.
Maar juist het vragen, het angstig roepen, het zo zuchtend verlangen, het zo vurig smeken tot de Heere dat Hij hen niet mocht laten leven en sterven zonder een getuigenis van Hemzelf, dat Hij het licht van Zijn aangezicht mocht verheffen en hun het leven in Zijn gunst schenken – juist die kreten zijn een bewijs van leven. Zo gij blind waart, zoudt gij die dingen niet zien; zo gij doof waart, zoudt gij deze dingen niet geestelijk horen; zo gij dood waart, zoudt gij deze dingen niet gevoelen.
En daarom is juist dat wat gij schijnt te houden als een bewijs tegen u, in werkelijkheid een bewijs vóór u; en juist dat gevoel van wankelmoedigheid, dat angstig vragen, die vrees voor God, en dat roepen tot God dat Hij u mocht onderzoeken en beproeven en uw hart goed maken in Zijn ogen, zijn alle kentekenen van leven, de bewijzen van een werk van genade aan het hart, en de geestelijke ademtocht van de levendgemaakte ziel, daar de Heere Zelf dit gevoel eraan medegedeeld heeft.
Mijn ziel bewaart Uw trouw getuigenis;
dat heb ik lief, ook doe ik Uw bevelen.
Uw woord kan mij, ofschoon ik alles mis,
door zijne smaak èn hart èn zinnen strelen.
Gij weet mijn weg en hoe mijn wandel is:
’k wil niets daarvan voor U, mijn God, verhelen.
Ps. 119:84
Aan de lezer…
Soms vreest u dat u blind bent, omdat u niet voelt zoals u wenst. Ziet u wel wat het is dat God met macht spreekt, maar klaagt u dat die geur en die dauw aan u voorbijgaan? Dan zeg ik u met zachtheid: wie waarlijk blind is, ziet niets en mist niets. Hij vraagt niet, hij zucht niet, hij roept niet.
Maar u roept wel. U smeekt dat de Heere u niet wil laten leven en sterven zonder een getuigenis van Hemzelf, dat Hij het licht van Zijn aangezicht over u verheffen wil. Die kreten zijn geen bewijs tegen u, maar een kenteken van leven, de ademtocht van een ziel die de Heere Zelf heeft levend gemaakt. Wat u als uw veroordeling hield, is juist een spoor van Zijn genade. Houd dan niet op met roepen, maar breng uw angst en uw verlangen bij Hem, Die u dit gevoel gegeven heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden.
Romeinen 11:7
Wie verblind is door de god van deze wereld, weet niet wat kracht, gevoel, geur en dauw zijn. Zulke mensen zien die dingen niet; zij zijn blind voor de werkelijkheid ervan en dood voor het gewicht ervan. Maar de levende familie van God, die door Zijn gezegende Geest ertoe gebracht is enig begrip van de eeuwige Waarheid te hebben, heeft ogen om te zien wat kracht is, en ook een hart dat ernaar verlangt de openbaring van die kracht te voelen. Juist doordat zij zien wat werkelijkheid en kracht zijn, verlangen zij ernaar de geur van de eeuwige dingen in hun geweten te ervaren. En omdat zij niet voelen zoals zij zouden wensen, vrezen zij vaak dat zij volkomen blind zijn.
Maar juist het vragen, het angstig roepen, het zuchtend verlangen, het vurig smeken tot de Heere dat Hij hen niet zou laten leven en sterven zonder een getuigenis van Hemzelf, dat Hij het licht van Zijn aangezicht zou verheffen en hun het leven in Zijn gunst zou schenken: juist die kreten zijn een bewijs van leven. Als u blind was, zou u die dingen niet zien. Als u doof was, zou u deze dingen niet geestelijk horen. Als u dood was, zou u deze dingen niet voelen.
Daarom is juist wat u als een bewijs tegen uzelf lijkt te beschouwen, in werkelijkheid een bewijs vóór u. Dat gevoel van wankelmoedigheid, dat angstige vragen, die vrees voor God, dat roepen tot God dat Hij u zou onderzoeken en beproeven en uw hart goed zou maken in Zijn ogen: het zijn allemaal kentekenen van leven. Het zijn de bewijzen van een werk van genade in het hart en de geestelijke ademhaling van de levendgemaakte ziel, omdat de Heere Zelf haar dit gevoel heeft meegedeeld.
Mijn ziel bewaart Uw trouw getuigenis;
dat heb ik lief, ook doe ik Uw bevelen.
Uw woord kan mij, ofschoon ik alles mis,
door zijne smaak èn hart èn zinnen strelen.
Gij weet mijn weg en hoe mijn wandel is:
’k wil niets daarvan voor U, mijn God, verhelen.
Ps. 119:84
Aan de lezer…
Soms vreest u dat u blind bent, omdat u niet voelt zoals u zou wensen. Ziet u wel wat het is dat God met kracht spreekt, maar klaagt u dat die geur en die dauw aan u voorbijgaan? Dan zeg ik u met zachtheid: wie werkelijk blind is, ziet niets en mist niets. Hij vraagt niet, hij zucht niet, hij roept niet.
Maar u roept wel. U smeekt dat de Heere u niet laat leven en sterven zonder een getuigenis van Hemzelf, dat Hij het licht van Zijn aangezicht over u wil verheffen. Die kreten zijn geen bewijs tegen u, maar een kenteken van leven, de ademhaling van een ziel die de Heere Zelf levend heeft gemaakt. Wat u als uw veroordeling beschouwde, is juist een spoor van Zijn genade. Houd dan niet op met roepen, maar breng uw angst en uw verlangen bij Hem, Die u dit gevoel gegeven heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But the election hath obtained it, and the rest were blinded.
Romans 11:7
Those who are blinded by the god of this world, have no knowledge of what power and feeling and savor and dew are; they see not these things, they are blind to their reality, they are dead to their importance; but the living family of God, who are brought by His blessed Spirit into some apprehension of eternal realities, have eyes to see what power is, and hearts too, to desire to feel its manifestation.
No, it is the very seeing what reality and power are which makes them desire to experience the savor of eternal things in their conscience; and because they do not feel them as they wish, it makes them often fear that they are blind altogether (Isaiah 59:10). But the very inquiry, the very anxious cry, the very groaning desire, the very fervent supplication to the Lord that He would not let them live and die without a testimony from Himself, that He would lift up the light of His countenance and grant them the life of His favor—these very cries are a proof of life.
Were you blind, you would not see these things; were you deaf, you would not spiritually hear these things; were you dead, you would not feel these things. And, therefore, that which you seem to take as an evidence against you, is, in reality, an evidence for you; and the very sensations of trepidation, anxious inquiry, godly fear, and the crying out before the Lord that He would search and try you and really make your heart right in His sight—these very things are the symptoms of spiritual life, the evidences of a work of grace upon the heart, and are the spiritual breathings of the quickened soul, the Lord Himself having communicated these feelings unto it.
To the reader…
Sometimes you fear that you are blind, because you do not feel as you would wish. Do you see what it is for God to speak with power, and yet complain that the savour and the dew pass you by? Then I say to you gently: whoever is truly blind sees nothing and misses nothing. He does not ask, he does not sigh, he does not cry out.
But you do cry out. You plead that the Lord will not let you live and die without a testimony from Himself, that He will lift up the light of His countenance upon you. Those cries are no proof against you, but a mark of life, the breathing of a soul that the Lord Himself has quickened. What you regarded as your condemnation is in fact a trace of His grace. So do not stop crying out, but bring your fear and your longing to Him Who has given you this feeling.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas la elección lo ha alcanzado: y los demás fueron endurecidos.
Romanos 11:7
Los que están cegados por el dios de este siglo no tienen conocimiento de lo que son el poder, el sentimiento, el sabor y el rocío; no ven estas cosas, están ciegos a su realidad, están muertos a su importancia; pero la familia viviente de Dios, que es llevada por Su bendito Espíritu a cierta comprensión de las realidades eternas, tiene ojos para ver lo que es el poder, y también corazón para desear sentir su manifestación.
Más aún, es precisamente el ver lo que son la realidad y el poder lo que les hace desear experimentar el sabor de las cosas eternas en su conciencia; y porque no las sienten como desean, eso les hace temer a menudo que están del todo ciegos (Isaías 59:10). Pero la misma búsqueda, el mismo clamor ansioso, el mismo deseo gemidor, la misma súplica ferviente al Señor para que no los deje vivir y morir sin un testimonio de Él mismo, para que alce la luz de Su rostro y les conceda la vida de Su favor: estos mismos clamores son una prueba de vida.
Si usted estuviera ciego, no vería estas cosas; si estuviera sordo, no oiría espiritualmente estas cosas; si estuviera muerto, no sentiría estas cosas. Y por tanto, lo que usted parece tomar como evidencia en su contra es, en realidad, una evidencia a su favor; y las mismas sensaciones de temblor, la búsqueda ansiosa, el temor piadoso, y el clamar delante del Señor para que le examine y le pruebe y haga realmente recto su corazón delante de Él: estas mismas cosas son los síntomas de la vida espiritual, las evidencias de una obra de gracia en el corazón, y son los alientos espirituales del alma vivificada, habiéndole comunicado el Señor mismo estos sentimientos.
Al lector…
A veces usted teme estar ciego, porque no siente como quisiera. ¿Ve lo que es que Dios hable con poder, y sin embargo se queja de que el sabor y el rocío pasan de largo? Entonces le digo con suavidad: quien está verdaderamente ciego no ve nada y no echa nada de menos. No pregunta, no suspira, no clama.
Pero usted sí clama. Suplica que el Señor no le deje vivir y morir sin un testimonio de Él mismo, que alce sobre usted la luz de Su rostro. Esos clamores no son una prueba contra usted, sino una señal de vida, el aliento de un alma que el Señor mismo ha vivificado. Lo que usted consideraba su condenación es en realidad una huella de Su gracia. No deje, pues, de clamar, sino lleve su temor y su anhelo a Aquel que le ha dado este sentimiento.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl