4 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
11 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.
2 Timotheüs 3:17
Van welke volmaaktheid spreekt de Heilige Geest hier? Voorzeker niet van volmaaktheid in het vlees; dat is maar een wilde droom van vrije wil en arminianisme. Maar volmaaktheid betekent hier, en waar ook in de Schrift, in het geloof bevestigd en gegrond te zijn, zoals wij de apostel horen zeggen (Hebr. 5:14): „Den volmaakten1) is de vaste spijze, die door de gewoonheid de zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads.” De volmaaktheid van de christen bestaat dus niet in de volmaaktheid des vleses, maar daarin dat men in het goddelijk leven tot rijpere leeftijd gekomen is; of, als ik het zo noemen mag, dat men een christen is die tot jaren van onderscheid gekomen is, of, zoals de apostel het noemt, „een man in Christus”.
Wanneer Paulus daarom zegt: „Laat ons daarom zovelen als volmaakt zijn”, wil hij zeggen: geen kinderen meer zijnde, „niet heen en weder geslingerd worden door allerlei wind van leer”, maar begunstigd met een mate van christelijke wijsheid en sterkte. Het is deze christelijke rijpheid van leeftijd die in de Schrift „volmaaktheid” genoemd wordt, en die is alleen verkrijgbaar door lijden. Het is alleen door het vuur dat het schuim en de onreinheid van farizese gerechtigheid wordt weggenomen, en de ziel komt uit het vuur als „een vat ter ere”, geheiligd en geschikt voor het gebruik des Meesters. De Heere van leven en heerlijkheid werd „volmaakt door lijden”, en er is geen andere weg langs welke Zijn volgelingen geestelijk volmaakt gemaakt worden. Totdat een mens in het lijden geleid wordt, kent hij de waarheid niet in haar zoetheid. Wij zijn vol van vrije wil, hoogmoed, vermetelheid en eigengerechtigheid. Maar wanneer de ziel in het lijden gedoopt wordt, wordt zij in zekere mate in de waarheid bevestigd, gesterkt in de dingen Gods, en gelijkvormig gemaakt aan het beeld van Christus.
Gij toetstet mij bij dag en nacht,
Gij vondt mij trouw in vreugd’ of smarte.
De mond sprak steeds de taal van ’t harte,
door beide is hun plicht betracht.
Wat ook de zondaar aan moog’ vangen,
ik heb voor zijn afschuw’lijk pad
een haat, een afkeer opgevat,
ik gruw van zijn verkeerde gangen.
Ps. 17:2
1) In de Engelse Bijbelvertaling staat „den meerderjarigen”, doch in de kanttekening „volmaakten”.
Aan de lezer…
Wie naar meer rijpheid in het geloof verlangt, vreest vaak de weg waarlangs die komt; zo kan het ook u vergaan. Wellicht zit u juist nu in het vuur, en vraagt u zich af waarom de Heere u zo beproeft. Weet dan dat Hij geen volmaaktheid in het vlees zoekt, maar u in het geloof wil bevestigen en gronden. Het vuur neemt het schuim van eigengerechtigheid weg, opdat u een vat ter ere zou worden, geschikt voor het gebruik des Meesters.
Ziet u op uw lijden, zie dan ook op Hem. De Heere van leven en heerlijkheid werd Zelf volmaakt door lijden; er is geen andere weg voor Zijn volgelingen dan de weg die Hij gegaan is. Hij beproeft niet om te verderven, maar om te louteren. En Hij zal u in Zijn tijd vaste spijze geven en uw zinnen oefenen tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.
2 Timotheüs 3:17
Over welke volmaaktheid spreekt de Heilige Geest hier? Zeker niet over volmaaktheid in het vlees; dat is niet meer dan een wilde droom van vrije wil en arminianisme. Volmaaktheid betekent hier, en ook elders in de Schrift, dat men in het geloof bevestigd en gegrond is. Zo horen wij de apostel zeggen (Hebr. 5:14): „Den volmaakten1) is de vaste spijze, die door de gewoonheid de zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads.” De volmaaktheid van de christen bestaat dus niet in de volmaaktheid van het vlees, maar hierin, dat men in het Goddelijk leven tot een rijpere leeftijd gekomen is. Of, als ik het zo mag noemen: dat men een christen is die tot de jaren van onderscheid gekomen is, of, zoals de apostel het noemt, „een man in Christus”.
Wanneer Paulus daarom zegt: „Laat ons daarom zovelen als volmaakt zijn”, bedoelt hij: wij die geen kinderen meer zijn, die „niet heen en weder geslingerd worden door allerlei wind van leer”, maar begenadigd zijn met een mate van christelijke wijsheid en kracht. Het is deze christelijke rijpheid die in de Schrift „volmaaktheid” genoemd wordt, en die is alleen te verkrijgen door lijden. Alleen door het vuur worden het schuim en de onreinheid van farizese gerechtigheid weggenomen, en de ziel komt uit het vuur als „een vat ter ere”, geheiligd en geschikt voor het gebruik van de Meester. De Heere van leven en heerlijkheid werd „volmaakt door lijden”, en er is geen andere weg waarlangs Zijn volgelingen geestelijk volmaakt gemaakt worden. Zolang iemand niet in het lijden geleid wordt, kent hij de waarheid niet in haar zoetheid. Wij zijn vol vrije wil, hoogmoed, vermetelheid en eigengerechtigheid. Maar wanneer de ziel in het lijden gedoopt wordt, wordt zij tot op zekere hoogte in de waarheid bevestigd, gesterkt in de dingen van God en gelijkvormig gemaakt aan het beeld van Christus.
Gij toetstet mij bij dag en nacht,
Gij vondt mij trouw in vreugd’ of smarte.
De mond sprak steeds de taal van ’t harte,
door beide is hun plicht betracht.
Wat ook de zondaar aan moog’ vangen,
ik heb voor zijn afschuw’lijk pad
een haat, een afkeer opgevat,
ik gruw van zijn verkeerde gangen.
Ps. 17:2
1) In de Engelse Bijbelvertaling staat „den meerderjarigen”, doch in de kanttekening „volmaakten”.
Aan de lezer…
Wie naar meer rijpheid in het geloof verlangt, vreest vaak de weg waarlangs die komt; zo kan het ook u gaan. Misschien zit u juist nu in het vuur, en vraagt u zich af waarom de Heere u zo beproeft. Weet dan dat Hij geen volmaaktheid in het vlees zoekt, maar u in het geloof wil bevestigen en gronden. Het vuur neemt het schuim van eigengerechtigheid weg, zodat u een vat ter ere wordt, geschikt voor het gebruik van de Meester.
Kijkt u naar uw lijden, zie dan ook op Hem. De Heere van leven en heerlijkheid werd Zelf volmaakt door lijden; er is voor Zijn volgelingen geen andere weg dan de weg die Hij gegaan is. Hij beproeft niet om te verderven, maar om te louteren. En Hij zal u op Zijn tijd vaste spijze geven en uw zinnen oefenen tot het onderscheiden van goed en kwaad.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That the man of God may be perfect, throughly furnished unto all good works.
2 Timothy 3:17
What perfection does the Holy Spirit speak of here? Certainly not perfection in the flesh; that is but a wild dream of free-will and Arminianism. But perfection here and elsewhere means a being well-established and grounded in the faith, as we find the Apostle speaking (Heb. 5:14), “Strong food belongs to those who are of full age” (literally, as we read in the margin, “perfect”), “even those who by reason of use have their senses exercised to discern both good and evil.” Christian perfection does not then consist in perfection in the flesh, but in having arrived at maturity in the divine life, in being what I may call a Christian adult, or what the Apostle terms “a MAN in Christ.”
When Paul therefore says, “Let us therefore, as many as be perfect,” he means “being no more children, tossed to and fro, and carried about with every wind of doctrine,” but favored with a measure of Christian wisdom and strength. It is this Christian maturity which is called in Scripture, “perfection,” and it is only obtained by suffering. It is only in the furnace that the tin and dross of pharisaic righteousness is purged away; and the soul comes out of the furnace “a vessel unto honor, sanctified and fit for the Master’s use.”
The Lord of life and glory was made “perfect by suffering;” and there is no other way whereby His followers are made spiritually perfect. Until a man is led into suffering, he does not know the truth in its sweetness. We are full of free-will, pride, presumption, and self-righteousness. But when the soul is baptized into suffering, it is in a measure established in the truth, strengthened in the things of God, and conformed to the image of Christ.
To the reader…
Whoever longs for greater maturity in the faith often fears the road by which it comes; it may be so with you too. Perhaps you are in the fire right now, and you wonder why the Lord tries you so. Then know that He is not looking for perfection in the flesh, but wants to establish and ground you in the faith. The fire takes away the dross of self-righteousness, so that you become a vessel unto honour, fit for the Master’s use.
When you look at your suffering, look to Him as well. The Lord of life and glory was Himself made perfect through sufferings; there is no other way for His followers than the way He went. He does not try in order to destroy, but in order to refine. And in His own time He will give you strong meat and exercise your senses to discern both good and evil.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Para que el hombre de Dios sea perfecto, enteramente instruído para toda buena obra.
2 Timoteo 3:17
¿De qué perfección habla aquí el Espíritu Santo? Ciertamente no de perfección en la carne; eso no es más que un sueño desatinado del libre albedrío y del arminianismo. Sino que perfección, aquí y en otros lugares, significa estar bien afirmado y fundado en la fe, como hallamos que habla el apóstol (He. 5:14): “La vianda firme es para los de edad madura” (literalmente, como leemos al margen, “perfectos”), “para los que por la costumbre tienen los sentidos ejercitados en el discernimiento del bien y del mal.” La perfección cristiana, pues, no consiste en perfección en la carne, sino en haber llegado a la madurez en la vida divina, en ser lo que puedo llamar un cristiano adulto, o lo que el apóstol llama “un HOMBRE en Cristo.”
Por tanto, cuando Pablo dice: “Así que, todos los que somos perfectos”, quiere decir “que ya no seamos niños fluctuantes, y llevados por doquiera de todo viento de doctrina”, sino favorecidos con una medida de sabiduría y fuerza cristianas. Es esta madurez cristiana la que en la Escritura se llama “perfección”, y solo se obtiene por el padecimiento. Solo en el horno se purgan el estaño y la escoria de la justicia farisaica; y el alma sale del horno como “vaso para honra, santificado, y útil para los usos del Señor.”
El Señor de la vida y de la gloria fue hecho “consumado por aflicciones”; y no hay otro camino por el cual Sus seguidores sean hechos espiritualmente perfectos. Hasta que un hombre es llevado al padecimiento, no conoce la verdad en su dulzura. Estamos llenos de libre albedrío, orgullo, presunción y justicia propia. Pero cuando el alma es bautizada en el padecimiento, es en alguna medida afirmada en la verdad, fortalecida en las cosas de Dios y conformada a la imagen de Cristo.
Al lector…
Quien anhela mayor madurez en la fe teme a menudo el camino por el cual viene; quizá le suceda así también a usted. Quizá está ahora mismo en el fuego, y se pregunta por qué el Señor le prueba así. Sepa entonces que Él no busca perfección en la carne, sino que quiere afirmarle y fundarle en la fe. El fuego quita la escoria de la justicia propia, para que llegue a ser un vaso para honra, útil para los usos del Señor.
Cuando mire su padecimiento, mírele también a Él. El Señor de la vida y de la gloria fue Él mismo consumado por aflicciones; no hay otro camino para Sus seguidores que el camino que Él recorrió. Él no prueba para destruir, sino para refinar. Y a Su propio tiempo le dará vianda firme y ejercitará sus sentidos en el discernimiento del bien y del mal.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Paulus’ afscheidswens
En nu, broeders, ik beveel u Gode, en het Woord Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.
Handelingen 20:32
Stel dat het zo was (God verhoede dat dit ook maar één ogenblik het geval zou zijn!) dat ik in de eerste plaats door mijn eigen inspanningen de genade in mijn hart moet brengen, en zo het fundament leggen; en dat ik door mijn eigen inspanningen het werk moet voortzetten, en zo de bovenbouw oprichten: zal ik dan niet falen, geheel falen?
Maar als de genade alles van begin tot eind doet; als de genade de namen van Gods kinderen in het Boek des levens schreef; als de genade hen aan Jezus gaf ter verlossing; als de genade op het door God bepaalde tijdstip hun ziel opnieuw tot leven wekte; als de genade de reinigende werkzaamheid van het bloed van Christus aan hun geweten openbaarde; als de genade hen veilig door al hun beproevingen en verzoekingen zal heenvoeren, datgene zal vervolmaken dat hen betreft, en door middel van rechtvaardigheid moet en zal regeren tot het eeuwige leven: hoe geschikt, hoe uitermate geschikt is dit voor een arme, schuldige zondaar, die niets heeft, en het gevoel heeft dat hij in zichzelf alleen maar vodden en jammerlijke resten heeft!
„Het woord van Gods genade” legt, in handen van de Geest, het fundament. „Het woord van Gods genade” maakt Jezus bekend in het eeuwige Evangelie, en richt zo de bovenbouw op; „het woord van Gods genade” draagt door de armen des doods heen en plaatst zo de sluitsteen; en de hemelbogen zullen voor eeuwig de lof van de heerlijkheid van die genade laten klinken, die ervoor zorgde dat zij „begenadigd in de Geliefde” (Ef. 1:6) werden.
Elk levend verlangen naar de Heere; elk besef van Zijn genade en heerlijkheid; elke smeltende genegenheid voor Zijn schitterende voorkomen; elk ontvangen van Hem in het hart als de Christus van God; elke daad van geloof, hoop of liefde; elke uitademing van de ziel in Zijn hart is een teken, meer dan een teken, een onmiskenbaar bewijs van de aanwezigheid van Gods genade in het hart van een zondaar. En als Gods genade aanwezig is in het hart van een zondaar, is hij in Christus, één met Christus; en „het woord van Zijn genade” zal hem steeds meer opbouwen en hem diepere teugen geven van zijn eeuwige „erfdeel onder al de geheiligden”.
Lezen: Judas
Aan de lezer…
Hoe dikwijls hebt u geprobeerd het fundament zelf te leggen en de bovenbouw zelf op te richten, en hoe geheel hebt u daarin gefaald! Ziet u in uzelf niet anders dan vodden en jammerlijke resten? Dan is dit woord juist voor u. De genade doet alles, van begin tot eind: zij schreef de namen in het Boek des levens, zij wekt de dode ziel, zij openbaart het reinigende bloed van Christus aan het geweten, en zij zal de haren veilig door alle beproevingen heen voeren.
Veracht dan de kleine tekenen niet. Een levend verlangen naar de Heere, een smeltende genegenheid voor Hem, een zucht van de ziel in Zijn hart: het zijn geen vruchten van uw eigen akker, maar onmiskenbare bewijzen dat Gods genade in u woont. En waar die genade is, daar is de ziel één met Christus, en het woord van Zijn genade zal haar steeds meer opbouwen, totdat zij haar erfdeel onder al de geheiligden in volle maat geniet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En nu, broeders, ik beveel u Gode, en het Woord Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.
Handelingen 20:32
Stel dat het zo was (God verhoede dat dit ook maar één ogenblik het geval zou zijn!) dat ik in de eerste plaats door mijn eigen inspanning de genade in mijn hart moest brengen en zo het fundament moest leggen, en dat ik door mijn eigen inspanning het werk moest voortzetten en zo de bovenbouw moest optrekken: zou ik dan niet falen, volkomen falen?
Maar wat als de genade alles doet, van begin tot eind? Als de genade de namen van Gods kinderen in het Boek des levens schreef, als de genade hen aan Jezus gaf om verlost te worden, als de genade op de door God bepaalde tijd hun ziel levend maakte, als de genade de reinigende kracht van het bloed van Christus aan hun geweten openbaarde, als de genade hen veilig door al hun beproevingen en verzoekingen heen zal voeren, zal voleindigen wat hen aangaat, en door gerechtigheid moet en zal heersen tot het eeuwige leven: hoe geschikt, hoe buitengewoon geschikt is dit dan voor een arme, schuldige zondaar die niets heeft, en die voelt dat hij in zichzelf alleen maar vodden en ellendige lappen heeft!
„Het woord van Gods genade” legt, in de hand van de Geest, het fundament. „Het woord van Gods genade” maakt Jezus bekend in het eeuwige Evangelie en trekt zo de bovenbouw op. „Het woord van Gods genade” draagt door de armen van de dood heen en brengt zo de sluitsteen aan. En de hemelbogen zullen voor eeuwig de lof laten klinken van de heerlijkheid van die genade, waardoor zij „begenadigd in de Geliefde” (Ef. 1:6) werden.
Elk levend verlangen naar de Heere, elk besef van Zijn genade en heerlijkheid, elke smeltende genegenheid voor Zijn heerlijke schoonheid, elk ontvangen van Hem in het hart als de Christus van God, elke daad van geloof, hoop of liefde, elke uitademing van de ziel in Zijn hart: het is een teken, meer dan een teken, een onmiskenbaar bewijs dat Gods genade in het hart van een zondaar aanwezig is. En als Gods genade in het hart van een zondaar aanwezig is, is hij in Christus en één met Christus. Dan zal „het woord van Zijn genade” hem steeds meer opbouwen en hem steeds diepere teugen geven uit zijn eeuwige „erfdeel onder al de geheiligden”.
Lezen: Judas
Aan de lezer…
Hoe vaak hebt u geprobeerd het fundament zelf te leggen en de bovenbouw zelf op te trekken, en hoe volkomen hebt u daarin gefaald! Ziet u in uzelf niets dan vodden en ellendige lappen? Dan is dit woord juist voor u. De genade doet alles, van begin tot eind: zij schreef de namen in het Boek des levens, zij maakt de dode ziel levend, zij openbaart het reinigende bloed van Christus aan het geweten, en zij zal de haren veilig door alle beproevingen heen voeren.
Veracht dan de kleine tekenen niet. Een levend verlangen naar de Heere, een smeltende genegenheid voor Hem, een zucht van de ziel in Zijn hart: het zijn geen vruchten van uw eigen akker, maar onmiskenbare bewijzen dat Gods genade in u woont. En waar die genade is, daar is de ziel één met Christus, en het woord van Zijn genade zal haar steeds meer opbouwen, totdat zij haar erfdeel onder al de geheiligden in volle maat geniet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And now, brethren, I commend you to God, and to the word of His grace, which is able to build you up, and to give you an inheritance among all them which are sanctified.
Acts 20:32
Suppose it were so (God forbid that it should be so for a single moment!) that I had in the first place by my own exertions to bring grace into my heart and so lay the foundation, and that I had by my own exertions to carry on the work and so raise the superstructure: should I not fail, utterly fail?
But what if grace does all, from first to last? If grace wrote the names of God’s children in the Book of life, if grace gave them to Jesus to be redeemed, if grace at the appointed time quickened their souls, if grace revealed the cleansing power of the blood of Christ to their consciences, if grace will carry them safely through all their trials and temptations, will perfect that which concerns them, and must and shall reign through righteousness unto eternal life: how suitable, how exceedingly suitable is this to a poor, guilty sinner who has nothing, and who feels that in himself he has only rags and miserable tatters!
“The word of God’s grace,” in the hand of the Spirit, lays the foundation. “The word of God’s grace” makes Jesus known in the everlasting Gospel and so raises the superstructure. “The word of God’s grace” bears up through the arms of death and so brings forth the headstone. And the arches of heaven shall for ever ring with the praise of the glory of that grace, whereby they were “accepted in the Beloved” (Eph. 1:6).
Every living desire after the Lord, every sense of His grace and glory, every melting affection for His glorious beauty, every receiving of Him into the heart as the Christ of God, every act of faith, hope or love, every breathing of the soul into His bosom: it is a token, more than a token, an unmistakable evidence that God’s grace is present in the heart of a sinner. And if God’s grace is present in the heart of a sinner, he is in Christ and one with Christ. Then “the word of His grace” will build him up more and more and give him ever deeper draughts of his eternal “inheritance among all them which are sanctified.”
Reading: Jude
To the reader…
How often have you tried to lay the foundation yourself and to raise the superstructure yourself, and how utterly have you failed in it! Do you see in yourself nothing but rags and miserable tatters? Then this word is for you. Grace does all, from first to last: it wrote the names in the Book of life, it quickens the dead soul, it reveals the cleansing blood of Christ to the conscience, and it will carry its own safely through all their trials.
Do not despise, then, the small tokens. A living desire after the Lord, a melting affection for Him, a sigh of the soul into His bosom: these are not fruits of your own field, but unmistakable evidences that God’s grace dwells in you. And where that grace is, the soul is one with Christ, and the word of His grace will build it up more and more, until it enjoys its inheritance among all the sanctified in full measure.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ahora, hermanos, os encomiendo a Dios, y a la palabra de Su gracia: el cual es poderoso para sobreedificar, y daros heredad con todos los santificados.
Hechos 20:32
Supongamos que fuera así (¡no permita Dios que lo sea ni por un solo momento!) que yo tuviera, en primer lugar, que traer la gracia a mi corazón por mis propios esfuerzos y así poner el fundamento, y que tuviera que llevar adelante la obra por mis propios esfuerzos y así levantar el edificio: ¿no fracasaría, no fracasaría por completo?
Pero ¿y si la gracia lo hace todo, de principio a fin? Si la gracia escribió los nombres de los hijos de Dios en el Libro de la vida, si la gracia los dio a Jesús para ser redimidos, si la gracia vivificó sus almas en el tiempo señalado, si la gracia reveló a sus conciencias el poder purificador de la sangre de Cristo, si la gracia los llevará a salvo a través de todas sus pruebas y tentaciones, perfeccionará lo que les concierne, y debe reinar y reinará por la justicia para vida eterna: ¡cuán adecuado, cuán sumamente adecuado es esto para un pobre pecador culpable que nada tiene, y que siente que en sí mismo no tiene más que harapos y miserables andrajos!
“La palabra de la gracia de Dios”, en la mano del Espíritu, pone el fundamento. “La palabra de la gracia de Dios” da a conocer a Jesús en el Evangelio eterno y así levanta el edificio. “La palabra de la gracia de Dios” sostiene a través de los brazos de la muerte y así saca la piedra principal. Y las bóvedas del cielo resonarán para siempre con la alabanza de la gloria de esa gracia, por la cual fueron “aceptos en el Amado” (Efesios 1:6).
Todo deseo vivo hacia el Señor, todo sentir de Su gracia y gloria, todo afecto que se derrite ante Su gloriosa hermosura, todo recibirle en el corazón como el Cristo de Dios, todo acto de fe, esperanza o amor, todo suspiro del alma en Su seno: es una señal, más que una señal, una evidencia inconfundible de que la gracia de Dios está presente en el corazón de un pecador. Y si la gracia de Dios está presente en el corazón de un pecador, este está en Cristo y es uno con Cristo. Entonces “la palabra de Su gracia” lo sobreedificará más y más y le dará tragos cada vez más hondos de su eterna “heredad con todos los santificados”.
Lectura: Judas
Al lector…
¡Cuántas veces ha intentado usted poner el fundamento por sí mismo y levantar el edificio por sí mismo, y cuán por completo ha fracasado en ello! ¿No ve en sí mismo más que harapos y miserables andrajos? Entonces esta palabra es para usted. La gracia lo hace todo, de principio a fin: escribió los nombres en el Libro de la vida, vivifica el alma muerta, revela a la conciencia la sangre purificadora de Cristo, y llevará a los suyos a salvo a través de todas sus pruebas.
No desprecie, pues, las pequeñas señales. Un deseo vivo hacia el Señor, un afecto que se derrite ante Él, un suspiro del alma en Su seno: no son frutos de su propio campo, sino evidencias inconfundibles de que la gracia de Dios mora en usted. Y donde está esa gracia, el alma es una con Cristo, y la palabra de Su gracia la sobreedificará más y más, hasta que goce en plena medida de su heredad con todos los santificados.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En wordt deze wereld niet gelijkvormig.
Romeinen 12:2
Naar gelang wij deze wereld gelijkvormig worden, wordt ons verstand bot in de dingen Gods, worden onze genegenheden koud en traag, en wordt onze consciëntie minder teder en gevoelig. Er is een eeuwige tegenstelling tussen God en de wereld, die in het boze ligt. Opdat dan onze geestelijke bevinding van de waarheid Gods haar grond behoude, moet zij niet verstompt en verdoofd worden door de gelijkvormigheid aan de wereld.
Het is als met de sabel die de soldaat in de oorlog draagt. Zij moet niet, uit de schede getrokken, over de grond slepen, opdat de punt en de snede niet stomp worden; beide moeten blank en scherp gehouden worden, opdat ze tegen de vijand gebruikt zouden kunnen worden. Evenzo is het met ons verlicht verstand, met onze tedere consciëntie en onze hemelse genegenheden. Indien wij ons daarmee begeven in wereldse beslommeringen, dan zullen wij zijn als de soldaat die zijn sabel over het plaveisel laat meeslepen; bij elke stap die hij doet, worden de snede en de punt botter. Indien wij de wereld gelijkvormig worden, verliezen wij het zoete inzicht dat wij tevoren hadden in de dierbare waarheid Gods; wij verliezen de tederheid van onze consciëntie, waardoor de zonde, iedere zonde, een last en een smart voor onze ziel is.
Een christen behoort te zijn wat eens door een edelman van ouds gezegd is: zonder vrees en zonder blaam. De minste verdenking van een van beide zou een vlek vormen op zijn wapenbord. Zo ook moet het schild van de christen zonder vlek zijn, zijn achting onbeklad. Zijn persoon moet niet alleen vrij zijn van brandmerk, maar ook van verdenking, en onbezwalkt als de bescheidenheid van een vrouw of de eer en deftigheid van een man.
Nu, wij vallen dikwijls in wereldse gelijkvormigheid en lopen het gevaar ons zwaard af te stompen en het schild geleidelijk te bevlekken. Wij geven in dit en dat toe. Wij zijn omtuind, het is waar, door de voorschriften van het Evangelie, door de alarmkreten van een tedere consciëntie, en door vele krachtige beteugelingen en vele banken, om de zee der wereld buiten te houden. Maar het is net als in Holland: als er een dijkbreuk komt, stroomt de zee met geweld binnen. Zo is het ook als er een breuk geslagen wordt in de consciëntie: dan stroomt de wereldsgezindheid met kracht door die breuk naar binnen, en de ziel wordt ras overstroomd.
Maar zelfs afgezien van enige bijzondere verzoeking, die een wijde breuk maken kan, hebben wij maatschappelijke banden en onze dagelijkse werkzaamheden; wij hebben vrienden en betrekkingen die wij naar het vlees beminnen; deze allen trekken ons, door hun kracht over onze natuurlijke genegenheden, van tijd tot tijd tot deze wereldgelijkvormigheid. Dit is dan de zaak waarop wij acht dienen te geven, want als wij gelijkvormig worden aan de grondstellingen, de gewoonten en de geest van de wereld, dan verliezen wij de geestelijke gestalte die des gelovigen hoogste zegen en voorrecht is. Wij dalen af van de berg der gemeenschap met de Heere, en vervallen in een koude, ellendige toestand, waarin het leven Gods, ofschoon het niet geheel verdwijnt, toch tot zijn laagste eb wordt teruggebracht.
Aan de lezer…
Voelt u, waarde lezer, dat uw genegenheden koud zijn geworden en uw geweten minder teder dan vroeger? Weet u nauwelijks meer wanneer of hoe het begon? Zo gaat het met de sabel die over de stenen sleept: bij elke stap wordt zij botter, en de soldaat merkt het pas wanneer hij haar nodig heeft. Een kleine toegeving hier, een andere daar, en de zee der wereld stroomt door de breuk naar binnen.
Wanhoop toch niet als u dit bij uzelf bemerkt. Dat u er last van hebt, toont dat het leven Gods, al is het tot een lage eb gekomen, niet geheel verdwenen is. Breng uw koude hart dan bij de Heere en vraag of Hij de breuk wil herstellen en uw consciëntie weer teder wil maken. Want het is Zijn gemeenschap die de ziel scherp en levend houdt, en daarin ligt des gelovigen hoogste zegen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En wordt deze wereld niet gelijkvormig.
Romeinen 12:2
Naarmate wij aan deze wereld gelijkvormig worden, wordt ons verstand bot in de dingen van God, worden onze genegenheden koud en traag, en wordt ons geweten minder teder en gevoelig. Er is een eeuwige tegenstelling tussen God en de wereld, die in het boze ligt. Wil onze geestelijke bevinding van de waarheid van God haar grond behouden, dan mag zij niet afgestompt en verdoofd worden door gelijkvormigheid aan de wereld.
Het is als met de sabel die de soldaat in de oorlog draagt. Uit de schede getrokken mag zij niet over de grond slepen, anders worden de punt en de snede bot; beide moeten blank en scherp gehouden worden, zodat ze tegen de vijand gebruikt kunnen worden. Zo is het ook met ons verlicht verstand, met ons teder geweten en onze hemelse genegenheden. Als wij daarmee in wereldse beslommeringen gaan, zullen wij zijn als de soldaat die zijn sabel over de straatstenen laat slepen; bij elke stap die hij zet, worden de snede en de punt botter. Als wij aan de wereld gelijkvormig worden, verliezen wij het zoete inzicht dat wij eerder hadden in de dierbare waarheid van God. Wij verliezen de tederheid van ons geweten, waardoor de zonde, iedere zonde, een last en een smart voor onze ziel is.
Een christen behoort te zijn wat eens van een edelman uit vroeger tijd gezegd is: zonder vrees en zonder blaam. De minste verdenking van een van beide zou een vlek op zijn wapenschild zijn. Zo moet ook het schild van de christen zonder vlek zijn, zijn goede naam onbesmet. Zijn persoon moet niet alleen vrij zijn van een brandmerk, maar ook van verdenking, en onbevlekt zoals de ingetogenheid van een vrouw of de eer en waardigheid van een man.
Wij vervallen vaak tot wereldse gelijkvormigheid en lopen het gevaar ons zwaard af te stompen en het schild geleidelijk te bevlekken. Wij geven toe in dit en in dat. Het is waar: wij zijn omheind door de voorschriften van het Evangelie, door de alarmkreten van een teder geweten, en door vele krachtige teugels en vele dijken, om de zee van de wereld buiten te houden. Maar het is net als in Holland: als er een dijk doorbreekt, stroomt de zee met geweld naar binnen. Zo is het ook als er een bres geslagen wordt in het geweten: dan stroomt de wereldsgezindheid met kracht door die bres naar binnen, en de ziel wordt snel overstroomd.
Maar zelfs afgezien van een bijzondere verzoeking, die een wijde bres kan slaan, hebben wij maatschappelijke banden en onze dagelijkse bezigheden. Wij hebben vrienden en familie die wij naar het vlees liefhebben. Zij trekken ons allemaal, door hun macht over onze natuurlijke genegenheden, van tijd tot tijd naar die gelijkvormigheid aan de wereld. Daarop moeten wij dus letten. Want als wij gelijkvormig worden aan de beginselen, de gewoonten en de geest van de wereld, dan verliezen wij de geestelijke gesteldheid die de hoogste zegen en het hoogste voorrecht van de gelovige is. Wij dalen af van de berg van de gemeenschap met de Heere en vervallen tot een koude, ellendige toestand, waarin het leven van God, hoewel het niet helemaal verdwijnt, toch tot zijn laagste eb wordt teruggebracht.
Aan de lezer…
Voelt u, waarde lezer, dat uw genegenheden koud zijn geworden en uw geweten minder teder is dan vroeger? Weet u nauwelijks meer wanneer of hoe het begon? Zo gaat het met de sabel die over de stenen sleept: bij elke stap wordt zij botter, en de soldaat merkt het pas wanneer hij haar nodig heeft. Een kleine toegeving hier, een andere daar, en de zee van de wereld stroomt door de bres naar binnen.
Wanhoop toch niet als u dit bij uzelf merkt. Dat u er last van hebt, laat zien dat het leven van God, al is het tot een lage eb gekomen, niet helemaal verdwenen is. Breng uw koude hart dan bij de Heere en vraag of Hij de bres wil herstellen en uw geweten weer teder wil maken. Want het is de gemeenschap met Hem die de ziel scherp en levend houdt, en daarin ligt de hoogste zegen van de gelovige.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And be not conformed to this world.
Romans 12:2
In proportion as we are conformed to the spirit of this world our understanding becomes dull in the things of God, our affections cold and torpid, and our consciences less tender and sensitive. There is an eternal opposition between God and the world lying in wickedness. In order, then, that our spiritual experience of the truth of God should maintain its ground, it must not be dulled and deadened by conformity to the world.
It is like the saber that the soldier carries into battle; it must not trail unsheathed upon the ground lest point and edge be dulled; both must be kept keen and sharp, that execution may be done upon the foe. So it is with our enlightened understanding, with our tender conscience, and our heavenly affections. If we let them fall upon the world, it is like a soldier trailing his saber upon the pavement; every step he takes dulls both edge and point.
If we are conformed to this world, we lose the sweet understanding that we had before of the precious truth of God; we lose that tender sensitiveness of conscience, whereby sin, any sin, becomes a grief and a burden to the soul. A Christian should be what was said of an ancient knight, “without fear and without reproach.” So the Christian’s shield should be without a stain, his reputation without a blot. His character should not only be free from blemish, but even from suspicion, as untarnished as the modesty of a woman, or the honor and bravery of a man.
Now, we often get into this worldly conformity, and run the risk of dulling the sword and sullying the shield, by degrees. We give way in this and in that thing. We are hedged in, it is true, by the precepts of the gospel, the alarms of a tender conscience, and many powerful restraints, so many banks and dykes to keep out the sea of the world; but, as in Holland, if one breach be made in the dyke, the sea at once rushes in, so, if one gap be made in the conscience, then the sea of worldliness rushes through the breach, and but for God’s grace would soon deluge the soul. But even apart from having any peculiar temptation to make a wide breach like this, our social ties, our daily occupation, the friends and relations whom we love in the flesh, all, through their power over our natural affections, draw us aside from time to time into this worldly conformity.
Here, then, is the point where we have to make our chief stand; for if we are conformed to the maxims, the principles, the customs, and the spirit of the world, we so far lose that spiritual position which is a believer’s highest blessing and privilege. We descend from the mount of communion with the Lord, and fall into a cold, miserable spot, where the life of God, though not extinct, is reduced to its lowest ebb.
To the reader…
Dear reader, do you feel that your affections have grown cold and your conscience is less tender than it once was? Do you hardly know any more when or how it began? So it goes with the saber that trails over the stones: with every step it grows duller, and the soldier only notices when he needs it. A small concession here, another there, and the sea of the world pours in through the breach.
Yet do not despair if you notice this in yourself. That it troubles you shows that the life of God, though it has sunk to a low ebb, has not altogether gone. Bring your cold heart, then, to the Lord, and ask Him to repair the breach and make your conscience tender again. For it is communion with Him that keeps the soul keen and alive, and therein lies the believer’s highest blessing.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y no os conforméis a este siglo.
Romanos 12:2
En la medida en que nos conformamos al espíritu de este mundo, nuestro entendimiento se embota en las cosas de Dios, nuestros afectos se vuelven fríos y aletargados, y nuestra conciencia menos tierna y sensible. Hay una oposición eterna entre Dios y el mundo que está puesto en maldad. Para que nuestra experiencia espiritual de la verdad de Dios mantenga su terreno, pues, no debe ser embotada ni amortecida por la conformidad con el mundo.
Es como el sable que el soldado lleva a la batalla; no debe arrastrarse desenvainado por el suelo, no sea que se emboten la punta y el filo; ambos deben mantenerse agudos y cortantes, para que pueda hacerse estrago en el enemigo. Así sucede con nuestro entendimiento iluminado, con nuestra conciencia tierna y nuestros afectos celestiales. Si los dejamos caer sobre el mundo, es como un soldado que arrastra su sable por el empedrado; cada paso que da embota tanto el filo como la punta.
Si nos conformamos a este mundo, perdemos el dulce entendimiento que antes teníamos de la preciosa verdad de Dios; perdemos aquella tierna sensibilidad de conciencia por la cual el pecado, cualquier pecado, se vuelve una pena y una carga para el alma. El cristiano debería ser lo que se decía de un antiguo caballero: “sin miedo y sin tacha”. Así el escudo del cristiano debería estar sin mancha, su reputación sin borrón. Su carácter debería estar libre no solo de defecto, sino aun de sospecha, tan intachable como el pudor de una mujer o el honor y la valentía de un hombre.
Ahora bien, a menudo caemos en esta conformidad mundana, y corremos el riesgo de embotar la espada y manchar el escudo, poco a poco. Cedemos en esto y en aquello. Estamos cercados, es verdad, por los preceptos del evangelio, las alarmas de una conciencia tierna y muchas restricciones poderosas, otros tantos terraplenes y diques para contener el mar del mundo; pero así como en Holanda, si se abre una brecha en el dique, el mar irrumpe en seguida, así, si se abre una brecha en la conciencia, el mar de la mundanalidad irrumpe por ella, y si no fuera por la gracia de Dios pronto inundaría el alma. Pero aun sin tener ninguna tentación particular que abra una brecha ancha como esta, nuestros lazos sociales, nuestra ocupación diaria, los amigos y parientes a quienes amamos según la carne, todos, por su poder sobre nuestros afectos naturales, nos desvían de vez en cuando hacia esta conformidad mundana.
Aquí, pues, está el punto donde tenemos que hacer nuestra principal resistencia; porque si nos conformamos a las máximas, los principios, las costumbres y el espíritu del mundo, perdemos en esa medida aquella posición espiritual que es la más alta bendición y privilegio del creyente. Descendemos del monte de la comunión con el Señor y caemos en un lugar frío y miserable, donde la vida de Dios, aunque no extinguida, queda reducida a su más baja marea.
Al lector…
Querido lector, ¿siente que sus afectos se han enfriado y que su conciencia es menos tierna de lo que fue? ¿Apenas sabe ya cuándo o cómo empezó? Así sucede con el sable que se arrastra por las piedras: a cada paso se embota más, y el soldado solo lo nota cuando lo necesita. Una pequeña concesión aquí, otra allá, y el mar del mundo irrumpe por la brecha.
Sin embargo, no desespere si nota esto en sí mismo. Que le inquiete muestra que la vida de Dios, aunque haya bajado a una marea baja, no ha desaparecido del todo. Lleve, pues, su corazón frío al Señor, y pídale que repare la brecha y vuelva a hacer tierna su conciencia. Porque es la comunión con Él la que mantiene el alma aguda y viva, y en ella está la más alta bendición del creyente.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl