18 de septiembre
En wordt deze wereld niet gelijkvormig.
Romeinen 12:2
Naar gelang wij deze wereld gelijkvormig worden, wordt ons verstand bot in de dingen Gods, worden onze genegenheden koud en traag, en wordt onze consciëntie minder teder en gevoelig. Er is een eeuwige tegenstelling tussen God en de wereld, die in het boze ligt. Opdat dan onze geestelijke bevinding van de waarheid Gods haar grond behoude, moet zij niet verstompt en verdoofd worden door de gelijkvormigheid aan de wereld.
Het is als met de sabel die de soldaat in de oorlog draagt. Zij moet niet, uit de schede getrokken, over de grond slepen, opdat de punt en de snede niet stomp worden; beide moeten blank en scherp gehouden worden, opdat ze tegen de vijand gebruikt zouden kunnen worden. Evenzo is het met ons verlicht verstand, met onze tedere consciëntie en onze hemelse genegenheden. Indien wij ons daarmee begeven in wereldse beslommeringen, dan zullen wij zijn als de soldaat die zijn sabel over het plaveisel laat meeslepen; bij elke stap die hij doet, worden de snede en de punt botter. Indien wij de wereld gelijkvormig worden, verliezen wij het zoete inzicht dat wij tevoren hadden in de dierbare waarheid Gods; wij verliezen de tederheid van onze consciëntie, waardoor de zonde, iedere zonde, een last en een smart voor onze ziel is.
Een christen behoort te zijn wat eens door een edelman van ouds gezegd is: zonder vrees en zonder blaam. De minste verdenking van een van beide zou een vlek vormen op zijn wapenbord. Zo ook moet het schild van de christen zonder vlek zijn, zijn achting onbeklad. Zijn persoon moet niet alleen vrij zijn van brandmerk, maar ook van verdenking, en onbezwalkt als de bescheidenheid van een vrouw of de eer en deftigheid van een man.
Nu, wij vallen dikwijls in wereldse gelijkvormigheid en lopen het gevaar ons zwaard af te stompen en het schild geleidelijk te bevlekken. Wij geven in dit en dat toe. Wij zijn omtuind, het is waar, door de voorschriften van het Evangelie, door de alarmkreten van een tedere consciëntie, en door vele krachtige beteugelingen en vele banken, om de zee der wereld buiten te houden. Maar het is net als in Holland: als er een dijkbreuk komt, stroomt de zee met geweld binnen. Zo is het ook als er een breuk geslagen wordt in de consciëntie: dan stroomt de wereldsgezindheid met kracht door die breuk naar binnen, en de ziel wordt ras overstroomd.
Maar zelfs afgezien van enige bijzondere verzoeking, die een wijde breuk maken kan, hebben wij maatschappelijke banden en onze dagelijkse werkzaamheden; wij hebben vrienden en betrekkingen die wij naar het vlees beminnen; deze allen trekken ons, door hun kracht over onze natuurlijke genegenheden, van tijd tot tijd tot deze wereldgelijkvormigheid. Dit is dan de zaak waarop wij acht dienen te geven, want als wij gelijkvormig worden aan de grondstellingen, de gewoonten en de geest van de wereld, dan verliezen wij de geestelijke gestalte die des gelovigen hoogste zegen en voorrecht is. Wij dalen af van de berg der gemeenschap met de Heere, en vervallen in een koude, ellendige toestand, waarin het leven Gods, ofschoon het niet geheel verdwijnt, toch tot zijn laagste eb wordt teruggebracht.
Aan de lezer…
Voelt u, waarde lezer, dat uw genegenheden koud zijn geworden en uw geweten minder teder dan vroeger? Weet u nauwelijks meer wanneer of hoe het begon? Zo gaat het met de sabel die over de stenen sleept: bij elke stap wordt zij botter, en de soldaat merkt het pas wanneer hij haar nodig heeft. Een kleine toegeving hier, een andere daar, en de zee der wereld stroomt door de breuk naar binnen.
Wanhoop toch niet als u dit bij uzelf bemerkt. Dat u er last van hebt, toont dat het leven Gods, al is het tot een lage eb gekomen, niet geheel verdwenen is. Breng uw koude hart dan bij de Heere en vraag of Hij de breuk wil herstellen en uw consciëntie weer teder wil maken. Want het is Zijn gemeenschap die de ziel scherp en levend houdt, en daarin ligt des gelovigen hoogste zegen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En wordt deze wereld niet gelijkvormig.
Romeinen 12:2
Naarmate wij aan deze wereld gelijkvormig worden, wordt ons verstand bot in de dingen van God, worden onze genegenheden koud en traag, en wordt ons geweten minder teder en gevoelig. Er is een eeuwige tegenstelling tussen God en de wereld, die in het boze ligt. Wil onze geestelijke bevinding van de waarheid van God haar grond behouden, dan mag zij niet afgestompt en verdoofd worden door gelijkvormigheid aan de wereld.
Het is als met de sabel die de soldaat in de oorlog draagt. Uit de schede getrokken mag zij niet over de grond slepen, anders worden de punt en de snede bot; beide moeten blank en scherp gehouden worden, zodat ze tegen de vijand gebruikt kunnen worden. Zo is het ook met ons verlicht verstand, met ons teder geweten en onze hemelse genegenheden. Als wij daarmee in wereldse beslommeringen gaan, zullen wij zijn als de soldaat die zijn sabel over de straatstenen laat slepen; bij elke stap die hij zet, worden de snede en de punt botter. Als wij aan de wereld gelijkvormig worden, verliezen wij het zoete inzicht dat wij eerder hadden in de dierbare waarheid van God. Wij verliezen de tederheid van ons geweten, waardoor de zonde, iedere zonde, een last en een smart voor onze ziel is.
Een christen behoort te zijn wat eens van een edelman uit vroeger tijd gezegd is: zonder vrees en zonder blaam. De minste verdenking van een van beide zou een vlek op zijn wapenschild zijn. Zo moet ook het schild van de christen zonder vlek zijn, zijn goede naam onbesmet. Zijn persoon moet niet alleen vrij zijn van een brandmerk, maar ook van verdenking, en onbevlekt zoals de ingetogenheid van een vrouw of de eer en waardigheid van een man.
Wij vervallen vaak tot wereldse gelijkvormigheid en lopen het gevaar ons zwaard af te stompen en het schild geleidelijk te bevlekken. Wij geven toe in dit en in dat. Het is waar: wij zijn omheind door de voorschriften van het Evangelie, door de alarmkreten van een teder geweten, en door vele krachtige teugels en vele dijken, om de zee van de wereld buiten te houden. Maar het is net als in Holland: als er een dijk doorbreekt, stroomt de zee met geweld naar binnen. Zo is het ook als er een bres geslagen wordt in het geweten: dan stroomt de wereldsgezindheid met kracht door die bres naar binnen, en de ziel wordt snel overstroomd.
Maar zelfs afgezien van een bijzondere verzoeking, die een wijde bres kan slaan, hebben wij maatschappelijke banden en onze dagelijkse bezigheden. Wij hebben vrienden en familie die wij naar het vlees liefhebben. Zij trekken ons allemaal, door hun macht over onze natuurlijke genegenheden, van tijd tot tijd naar die gelijkvormigheid aan de wereld. Daarop moeten wij dus letten. Want als wij gelijkvormig worden aan de beginselen, de gewoonten en de geest van de wereld, dan verliezen wij de geestelijke gesteldheid die de hoogste zegen en het hoogste voorrecht van de gelovige is. Wij dalen af van de berg van de gemeenschap met de Heere en vervallen tot een koude, ellendige toestand, waarin het leven van God, hoewel het niet helemaal verdwijnt, toch tot zijn laagste eb wordt teruggebracht.
Aan de lezer…
Voelt u, waarde lezer, dat uw genegenheden koud zijn geworden en uw geweten minder teder is dan vroeger? Weet u nauwelijks meer wanneer of hoe het begon? Zo gaat het met de sabel die over de stenen sleept: bij elke stap wordt zij botter, en de soldaat merkt het pas wanneer hij haar nodig heeft. Een kleine toegeving hier, een andere daar, en de zee van de wereld stroomt door de bres naar binnen.
Wanhoop toch niet als u dit bij uzelf merkt. Dat u er last van hebt, laat zien dat het leven van God, al is het tot een lage eb gekomen, niet helemaal verdwenen is. Breng uw koude hart dan bij de Heere en vraag of Hij de bres wil herstellen en uw geweten weer teder wil maken. Want het is de gemeenschap met Hem die de ziel scherp en levend houdt, en daarin ligt de hoogste zegen van de gelovige.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And be not conformed to this world.
Romans 12:2
In proportion as we are conformed to the spirit of this world our understanding becomes dull in the things of God, our affections cold and torpid, and our consciences less tender and sensitive. There is an eternal opposition between God and the world lying in wickedness. In order, then, that our spiritual experience of the truth of God should maintain its ground, it must not be dulled and deadened by conformity to the world.
It is like the saber that the soldier carries into battle; it must not trail unsheathed upon the ground lest point and edge be dulled; both must be kept keen and sharp, that execution may be done upon the foe. So it is with our enlightened understanding, with our tender conscience, and our heavenly affections. If we let them fall upon the world, it is like a soldier trailing his saber upon the pavement; every step he takes dulls both edge and point.
If we are conformed to this world, we lose the sweet understanding that we had before of the precious truth of God; we lose that tender sensitiveness of conscience, whereby sin, any sin, becomes a grief and a burden to the soul. A Christian should be what was said of an ancient knight, “without fear and without reproach.” So the Christian’s shield should be without a stain, his reputation without a blot. His character should not only be free from blemish, but even from suspicion, as untarnished as the modesty of a woman, or the honor and bravery of a man.
Now, we often get into this worldly conformity, and run the risk of dulling the sword and sullying the shield, by degrees. We give way in this and in that thing. We are hedged in, it is true, by the precepts of the gospel, the alarms of a tender conscience, and many powerful restraints, so many banks and dykes to keep out the sea of the world; but, as in Holland, if one breach be made in the dyke, the sea at once rushes in, so, if one gap be made in the conscience, then the sea of worldliness rushes through the breach, and but for God’s grace would soon deluge the soul. But even apart from having any peculiar temptation to make a wide breach like this, our social ties, our daily occupation, the friends and relations whom we love in the flesh, all, through their power over our natural affections, draw us aside from time to time into this worldly conformity.
Here, then, is the point where we have to make our chief stand; for if we are conformed to the maxims, the principles, the customs, and the spirit of the world, we so far lose that spiritual position which is a believer’s highest blessing and privilege. We descend from the mount of communion with the Lord, and fall into a cold, miserable spot, where the life of God, though not extinct, is reduced to its lowest ebb.
To the reader…
Dear reader, do you feel that your affections have grown cold and your conscience is less tender than it once was? Do you hardly know any more when or how it began? So it goes with the saber that trails over the stones: with every step it grows duller, and the soldier only notices when he needs it. A small concession here, another there, and the sea of the world pours in through the breach.
Yet do not despair if you notice this in yourself. That it troubles you shows that the life of God, though it has sunk to a low ebb, has not altogether gone. Bring your cold heart, then, to the Lord, and ask Him to repair the breach and make your conscience tender again. For it is communion with Him that keeps the soul keen and alive, and therein lies the believer’s highest blessing.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y no os conforméis a este siglo.
Romanos 12:2
En la medida en que nos conformamos al espíritu de este mundo, nuestro entendimiento se embota en las cosas de Dios, nuestros afectos se vuelven fríos y aletargados, y nuestra conciencia menos tierna y sensible. Hay una oposición eterna entre Dios y el mundo que está puesto en maldad. Para que nuestra experiencia espiritual de la verdad de Dios mantenga su terreno, pues, no debe ser embotada ni amortecida por la conformidad con el mundo.
Es como el sable que el soldado lleva a la batalla; no debe arrastrarse desenvainado por el suelo, no sea que se emboten la punta y el filo; ambos deben mantenerse agudos y cortantes, para que pueda hacerse estrago en el enemigo. Así sucede con nuestro entendimiento iluminado, con nuestra conciencia tierna y nuestros afectos celestiales. Si los dejamos caer sobre el mundo, es como un soldado que arrastra su sable por el empedrado; cada paso que da embota tanto el filo como la punta.
Si nos conformamos a este mundo, perdemos el dulce entendimiento que antes teníamos de la preciosa verdad de Dios; perdemos aquella tierna sensibilidad de conciencia por la cual el pecado, cualquier pecado, se vuelve una pena y una carga para el alma. El cristiano debería ser lo que se decía de un antiguo caballero: “sin miedo y sin tacha”. Así el escudo del cristiano debería estar sin mancha, su reputación sin borrón. Su carácter debería estar libre no solo de defecto, sino aun de sospecha, tan intachable como el pudor de una mujer o el honor y la valentía de un hombre.
Ahora bien, a menudo caemos en esta conformidad mundana, y corremos el riesgo de embotar la espada y manchar el escudo, poco a poco. Cedemos en esto y en aquello. Estamos cercados, es verdad, por los preceptos del evangelio, las alarmas de una conciencia tierna y muchas restricciones poderosas, otros tantos terraplenes y diques para contener el mar del mundo; pero así como en Holanda, si se abre una brecha en el dique, el mar irrumpe en seguida, así, si se abre una brecha en la conciencia, el mar de la mundanalidad irrumpe por ella, y si no fuera por la gracia de Dios pronto inundaría el alma. Pero aun sin tener ninguna tentación particular que abra una brecha ancha como esta, nuestros lazos sociales, nuestra ocupación diaria, los amigos y parientes a quienes amamos según la carne, todos, por su poder sobre nuestros afectos naturales, nos desvían de vez en cuando hacia esta conformidad mundana.
Aquí, pues, está el punto donde tenemos que hacer nuestra principal resistencia; porque si nos conformamos a las máximas, los principios, las costumbres y el espíritu del mundo, perdemos en esa medida aquella posición espiritual que es la más alta bendición y privilegio del creyente. Descendemos del monte de la comunión con el Señor y caemos en un lugar frío y miserable, donde la vida de Dios, aunque no extinguida, queda reducida a su más baja marea.
Al lector…
Querido lector, ¿siente que sus afectos se han enfriado y que su conciencia es menos tierna de lo que fue? ¿Apenas sabe ya cuándo o cómo empezó? Así sucede con el sable que se arrastra por las piedras: a cada paso se embota más, y el soldado solo lo nota cuando lo necesita. Una pequeña concesión aquí, otra allá, y el mar del mundo irrumpe por la brecha.
Sin embargo, no desespere si nota esto en sí mismo. Que le inquiete muestra que la vida de Dios, aunque haya bajado a una marea baja, no ha desaparecido del todo. Lleve, pues, su corazón frío al Señor, y pídale que repare la brecha y vuelva a hacer tierna su conciencia. Porque es la comunión con Él la que mantiene el alma aguda y viva, y en ella está la más alta bendición del creyente.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl