5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Israël hope op de Heere; want bij de Heere is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.
Psalm 130:8
„Israël hope op de Heere.” Heeft de ziel opgehouden op het schepsel te hopen? Wanhoopt zij behouden te worden uit een andere bron dan door het bloed des Lams? Roept zij, zucht zij, verlangt zij, hijgt zij en smeekt zij van de Heere in haar ziel te verschijnen? Israël hope dan op de Heere; want bij de Heere is goedertierenheid. Hij zal Zijn wachtend Israël niet van Zich stoten; Hij zal haar niet wegwerpen met de bliksems van Zijn toorn; Hij zal genade bewijzen aan de arme schuldige zondaar, die met stof op het hoofd, gekleed in zak en as, zijn vuilheid voor de Heere komt betreuren en beklagen. Er is geen toorn in de boezem des Heeren jegens hem; er is genade, vergevende genade in de boezem van Jehova voor Israël, daarom: „Israël hope op de Heere.”
Als Israël op zichzelf ziet, kan zij geen greintje hoop hebben; ziet zij op de Wet, dan is er geen straal van verwachting; of ziet zij op een vleselijke arm, ook die kan haar niet helpen. Maar als Israël heenziet „naar de heuvelen, vanwaar hulpe komt” — naar God de Vader, in Zijn verkiezende liefde — naar God de Zoon, in Zijn zoenbloed — naar God de Heilige Geest, in Zijn heiligend werk; zo Israël dus ankeren kan binnen de voorhang, dus „kan hopen op de Heere”, zal haar hoop niet van haar weggenomen, niet beschaamd worden; het zal niet zijn als de hoop van de huichelaar, een spinneweb, dat door de eerste rukwind van eeuwig ongenoegen voor altijd zal worden weggevaagd.
Ja waarlijk, God is Isrel goed,
voor hen, die rein zijn van gemoed.
Hoe donker ooit Gods weg moog’ wezen,
Hij ziet in gunst op die Hem vrezen.
Maar ach, hoewel mijn ziel dit weet,
Mijn voeten waren in mijn leed
schier uitgeweken en mijn treên
van ’t spoor der godsvrucht afgegleên.
Ps. 73:1
Aan de lezer…
Hebt u opgehouden op het schepsel te hopen, lezer? Ziet u geen greintje hoop meer in uzelf, geen straal van verwachting in de wet, geen hulp bij enige vleselijke arm? Dan lijkt het misschien alsof alles verloren is. Maar juist zo iemand wordt hier aangesproken. Zucht u, hijgt u, smeekt u dat de Heere in uw ziel wil verschijnen? Dan zegt dit woord tot u: „Israël hope op de Heere.”
Want bij de Heere is goedertierenheid. Hij werpt de arme schuldige zondaar, die met stof op het hoofd zijn vuilheid komt belijden, niet weg met de bliksems van Zijn toorn. In Zijn boezem is vergevende genade. Zie dan op naar de Vader in Zijn verkiezende liefde, naar de Zoon in Zijn zoenbloed, naar de Heilige Geest in Zijn heiligend werk. Een hoop die daar geankerd ligt, is geen spinneweb dat door de eerste rukwind wordt weggevaagd. Zij zal niet beschaamd worden, want bij Hem is veel verlossing.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Israël hope op de Heere; want bij de Heere is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.
Psalm 130:8
„Israël hope op de Heere.” Heeft de ziel opgehouden op het schepsel te hopen? Wanhoopt zij eraan dat zij uit een andere bron behouden kan worden dan door het bloed van het Lam? Roept zij, zucht zij, verlangt zij, hijgt zij en smeekt zij dat de Heere in haar ziel zal verschijnen? Laat Israël dan op de Heere hopen, want bij de Heere is goedertierenheid. Hij zal Zijn wachtende Israël niet van Zich stoten en het niet wegwerpen met de bliksems van Zijn toorn. Hij zal genade bewijzen aan de arme schuldige zondaar die, met stof op het hoofd en gekleed in zak en as, zijn vuilheid voor de Heere komt betreuren en beklagen. Er is geen toorn in de boezem van de Heere tegenover hem; er is genade, vergevende genade in de boezem van Jehova voor Israël. Daarom: „Israël hope op de Heere.”
Als Israël naar zichzelf kijkt, kan het geen greintje hoop hebben. Kijkt het naar de wet, dan is er geen straal van verwachting. Kijkt het naar een vleselijke arm, dan kan ook die het niet helpen. Maar als Israël opziet „naar de heuvelen, vanwaar hulpe komt” — naar God de Vader in Zijn verkiezende liefde, naar God de Zoon in Zijn zoenbloed, naar God de Heilige Geest in Zijn heiligend werk — en als Israël zo het anker kan uitwerpen binnen het voorhangsel en dus „kan hopen op de Heere”, dan zal zijn hoop niet worden weggenomen en niet beschaamd worden. Het zal niet zijn zoals de hoop van de huichelaar: een spinnenweb dat door de eerste rukwind van eeuwig ongenoegen voor altijd wordt weggevaagd.
Ja waarlijk, God is Isrel goed,
voor hen, die rein zijn van gemoed.
Hoe donker ooit Gods weg moog’ wezen,
Hij ziet in gunst op die Hem vrezen.
Maar ach, hoewel mijn ziel dit weet,
Mijn voeten waren in mijn leed
schier uitgeweken en mijn treên
van ’t spoor der godsvrucht afgegleên.
Ps. 73:1
Aan de lezer…
Hebt u opgehouden op het schepsel te hopen, lezer? Ziet u geen greintje hoop meer in uzelf, geen straal van verwachting in de wet, geen hulp bij enige vleselijke arm? Dan lijkt het misschien alsof alles verloren is. Maar juist zo iemand wordt hier aangesproken. Zucht u, hijgt u, smeekt u dat de Heere in uw ziel wil verschijnen? Dan zegt dit woord tot u: „Israël hope op de Heere.”
Want bij de Heere is goedertierenheid. Hij werpt de arme schuldige zondaar, die met stof op het hoofd zijn vuilheid komt belijden, niet weg met de bliksems van Zijn toorn. In Zijn boezem is vergevende genade. Zie dan op naar de Vader in Zijn verkiezende liefde, naar de Zoon in Zijn zoenbloed, naar de Heilige Geest in Zijn heiligend werk. Een hoop die daar verankerd ligt, is geen spinnenweb dat door de eerste rukwind wordt weggevaagd. Zij zal niet beschaamd worden, want bij Hem is veel verlossing.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Let Israel hope in the Lord: for with the Lord there is mercy, and with Him is plenteous redemption.
Psalm 130:7
“Let Israel hope in the Lord.” Has she ceased to hope in the creature? Does she despair of salvation from any other source or quarter but the blood of the Lamb? Is she crying, sighing, longing, panting, and begging of the Lord to appear in her soul? “Let Israel,” then, “hope in the Lord: for with the Lord there is mercy.” He will not spurn His waiting Israel from His feet; He will not smite her with the lightnings of His wrath; He will show mercy to the poor, guilty sinner that comes with dust upon his head, clothed with sackcloth and ashes, mourning and lamenting his vileness before the Lord. There is no wrath in the bosom of the Lord against him; there is mercy, pardoning mercy in the bosom of Jehovah for Israel; therefore “let Israel hope in the Lord.”
If Israel looks to herself, she cannot have one grain of hope; if she looks to the law, she cannot have one ray of expectation; or if she looks to an arm of flesh, none can do her good. But if Israel looks “to the hills from whence comes her help”—to God the Father, in His electing love—to God the Son, in His redeeming blood—to God the Spirit, in His sanctifying work; if Israel is thus enabled to anchor within the veil, thus to “hope in the Lord,” her hope shall not be cut off, shall not be disappointed; it shall not be as “the hypocrite’s hope,” a spider’s web, that the first gust of eternal displeasure shall forever sweep away.
To the reader…
Have you ceased to hope in the creature, reader? Do you see not a grain of hope left in yourself, not a ray of expectation in the law, no help from any arm of flesh? Then perhaps it seems as if all is lost. But it is precisely such a one who is addressed here. Are you sighing, panting, begging the Lord to appear in your soul? Then this word says to you: “Let Israel hope in the Lord.”
For with the Lord there is mercy. He does not cast away with the lightnings of His wrath the poor guilty sinner who comes with dust upon his head to confess his vileness. In His bosom there is pardoning mercy. Look up, then, to the Father in His electing love, to the Son in His redeeming blood, to the Holy Spirit in His sanctifying work. A hope anchored there is no spider’s web to be swept away by the first gust of wind. It will not be put to shame, for with Him is plenteous redemption.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Espere Israel a Jehová; porque en Jehová hay misericordia, y abundante redención con Él.
Salmo 130:7
“Espere Israel a Jehová”. ¿Ha dejado Israel de esperar en la criatura? ¿Desespera de la salvación de cualquier otra fuente o lugar que no sea la sangre del Cordero? ¿Está clamando, suspirando, anhelando, jadeando y suplicando al Señor que aparezca en su alma? “Espere”, pues, “Israel a Jehová; porque en Jehová hay misericordia”. Él no apartará de Sus pies a Su Israel que espera; no lo herirá con los rayos de Su ira; mostrará misericordia al pobre pecador culpable que viene con polvo sobre su cabeza, vestido de saco y ceniza, llorando y lamentando su vileza delante del Señor. No hay ira contra él en el seno del Señor; hay misericordia, misericordia perdonadora en el seno de Jehová para Israel; por tanto, “espere Israel a Jehová”.
Si Israel mira a sí mismo, no puede tener un solo grano de esperanza; si mira a la ley, no puede tener un solo rayo de expectativa; o si mira a un brazo de carne, nadie puede hacerle bien. Pero si Israel mira “a los montes, de donde vendrá su socorro”: a Dios el Padre, en Su amor electivo; a Dios el Hijo, en Su sangre redentora; a Dios el Espíritu, en Su obra santificadora; si a Israel se le concede así anclar dentro del velo, y así “esperar a Jehová”, su esperanza no será cortada, no será defraudada; no será como “la esperanza del hipócrita”, una tela de araña que la primera ráfaga del desagrado eterno barrerá para siempre.
Al lector…
¿Ha dejado usted de esperar en la criatura, lector? ¿No ve ya en sí mismo ni un grano de esperanza, ni un rayo de expectativa en la ley, ni ayuda de ningún brazo de carne? Entonces quizá le parece que todo está perdido. Pero es precisamente a uno así a quien se dirige esta palabra. ¿Está suspirando, jadeando, suplicando al Señor que aparezca en su alma? Entonces esta palabra le dice: “Espere Israel a Jehová”.
Porque en Jehová hay misericordia. Él no rechaza con los rayos de Su ira al pobre pecador culpable que viene con polvo sobre su cabeza a confesar su vileza. En Su seno hay misericordia perdonadora. Mire, pues, al Padre en Su amor electivo, al Hijo en Su sangre redentora, al Espíritu Santo en Su obra santificadora. Una esperanza anclada allí no es una tela de araña que barra la primera ráfaga de viento. No será avergonzada, porque con Él hay abundante redención.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Het gekrookte riet
Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen.
Jesaja 42:3
Van „de rokende vlaswiek” wordt gezegd dat Hij die niet zal uitdoven. O, wat verdient „de rokende vlaswiek” het! Verdient hij niet dat de voet van God hem uittrapt? Als u even bedenkt hoe vuil en afschuwelijk uw verdorvenheden zijn; hoe sterk en krachtig uw begeerten en hartstochten; hoe veelvuldig en ernstig uw misstappen en uw vallen; hoe vleselijk uw geest; hoe koud en levenloos uw gestel; hoe dwalend uw gebeden; hoe wereldlijk uw voorkeuren; hoe aards en zinnelijk uw verlangens — vindt u het dan soms geen wonder dat de Almachtige God in terechte toorn Zijn voet niet op u zet en u in de hel vertrapt, zoals we een spin pletten? We verdienen het elke dag dat we leven. Ik zou haast zeggen dat we het bijna elke ademhaling verdienen, ten zeerste verdienen, uit het leven te worden geworpen en te worden verpletterd in de eeuwigdurende hel.
Maar hierin toont zich de tedere, minzame barmhartigheid en genade van de medelevende Verlosser, dat „Hij de rokende vlaswiek niet zal uitdoven”, maar de vlam altijd brandend zal houden die Hijzelf als eerste zo barmhartig heeft aangestoken. De hand die de vonk heeft gebracht, moet de vlam brandend houden, want geen mens kan zijn eigen ziel tot leven wekken en in leven houden. Hoe zij in leven wordt gehouden, is beslist een verborgenheid, maar zij wordt in leven gehouden, dat is zeker.
Hebt u niet soms het gevoel dat er geen leven Gods in uw ziel is, geen sprankje genade in uw hart? Waar is uw godsdienst? Waar is uw geloof en hoop en liefde? Waar zijn uw geestelijkheid en de tederheid van uw hart, geweten en aandoeningen? Waar zijn uw zuchten naar God? Weg, weg, weg! En eenmaal weg, zou het allemaal voorgoed weg zijn als het in uw handen lag en u het moest behouden.
Maar het is in betere handen dan die van u, en het wordt beter behouden dan u zou kunnen, „want Ik leef, en gij zult leven” (Joh. 14:19). „Die Hem gelooft, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven” (Joh. 5:24). „Mijn schapen zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.” Christus is ons leven; het is bij Hem in God verborgen.
Lezen: Mattheüs 8:1-13
Aan de lezer…
Wanneer u soms het gevoel hebt dat er geen leven Gods meer in uw ziel is, vraagt u zich af: Waar is uw geloof, uw hoop, uw liefde, uw zuchten naar God? Weg, weg, weg, zo lijkt het. En als u eerlijk uw verdorvenheden, uw vallen en uw koude gebeden overziet, dan weet u dat u niets dan uitgeblust te worden verdient.
Toch is dit de grote verwondering: Hij blust de rokende vlaswiek niet uit. De hand die de vonk bracht, houdt de vlam ook brandend. Hoe dat gaat, is een verborgenheid, maar dat het gebeurt, is zeker. Lag het in uw handen, het was allang voorgoed verloren. Maar het ligt in betere handen dan de uwe. Christus is het leven van Zijn volk, en Hij zegt: „Want Ik leef, en gij zult leven.” Niemand zal Zijn schapen uit Zijn hand rukken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen.
Jesaja 42:3
Van „de rokende vlaswiek” wordt gezegd dat Hij die niet zal uitdoven. O, wat verdient „de rokende vlaswiek” niet! Verdient zij niet dat de voet van God haar uittrapt? Bedenk eens hoe vuil en afschuwelijk uw verdorvenheden zijn; hoe sterk en krachtig uw begeerten en hartstochten; hoe talrijk en ernstig uw misstappen en uw vallen; hoe vleselijk uw gemoed; hoe koud en levenloos uw gestalte; hoe dwalend uw gebeden; hoe werelds uw genegenheden; hoe aards en zinnelijk uw verlangens. Vindt u het dan soms niet een wonder dat de almachtige God in rechtvaardige toorn Zijn voet niet op u zet en u in de hel vertrapt, zoals wij een spin pletten? We verdienen het elke dag dat we leven. Ik zou haast zeggen dat we het bijna bij elke ademhaling verdienen, ten volle verdienen, uit het leven weggeworpen en in de eeuwige hel verpletterd te worden.
Maar hierin toont zich de tedere, minzame barmhartigheid en genade van de meelevende Verlosser, dat „Hij de rokende vlaswiek niet zal uitdoven”, maar de vlam die Hij Zelf eerst zo barmhartig heeft aangestoken, altijd brandend zal houden. De hand die de vonk heeft gebracht, moet de vlam brandend houden, want geen mens kan zijn eigen ziel levend maken en in leven houden. Hoe zij in leven wordt gehouden, is zeker een verborgenheid, maar dat zij in leven wordt gehouden, is zeker.
Hebt u niet soms het gevoel dat er geen leven van God in uw ziel is, geen sprankje genade in uw hart? Waar is uw godsdienst? Waar zijn uw geloof, hoop en liefde? Waar zijn uw geestelijke gezindheid en de tederheid van uw hart, geweten en genegenheden? Waar zijn uw zuchten naar God? Weg, weg, weg! En wat eenmaal weg was, zou voorgoed weg zijn, als het in uw handen lag en u het zelf moest bewaren.
Maar het is in betere handen dan de uwe, en het wordt beter bewaard dan u het zou kunnen, „want Ik leef, en gij zult leven” (Joh. 14:19). „Die Hem gelooft, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven” (Joh. 5:24). „Mijn schapen zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.” Christus is ons leven; het is met Hem verborgen in God.
Lezen: Mattheüs 8:1-13
Aan de lezer…
Wanneer u soms het gevoel hebt dat er geen leven van God meer in uw ziel is, vraagt u zich af: waar zijn mijn geloof, mijn hoop, mijn liefde, mijn zuchten naar God? Weg, weg, weg, zo lijkt het. En als u eerlijk uw verdorvenheden, uw vallen en uw koude gebeden overziet, dan weet u dat u niets anders verdient dan uitgeblust te worden.
Toch is dit het grote wonder: Hij blust de rokende vlaswiek niet uit. De hand die de vonk bracht, houdt de vlam ook brandend. Hoe dat gaat, is een verborgenheid, maar dat het gebeurt, is zeker. Lag het in uw handen, dan was het al lang voorgoed verloren. Maar het ligt in betere handen dan de uwe. Christus is het leven van Zijn volk, en Hij zegt: „Want Ik leef, en gij zult leven.” Niemand zal Zijn schapen uit Zijn hand rukken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
A bruised reed shall He not break, and the smoking flax shall He not quench.
Isaiah 42:3
Of “the smoking flax” it is said that He will not quench it. O what does “the smoking flax” not deserve! Does it not deserve that the foot of God should tread it out? Think how filthy and abominable your corruptions are; how strong and powerful your lusts and passions; how many and grievous your slips and falls; how carnal your mind; how cold and lifeless your frame; how wandering your prayers; how worldly your affections; how earthly and sensual your desires. Do you not sometimes find it a wonder that Almighty God in righteous wrath does not set His foot upon you and tread you down into hell, as we crush a spider? We deserve it every day we live. I might almost say that with nearly every breath we deserve, fully deserve, to be cast out of life and crushed into everlasting hell.
But herein is shown the tender, gracious mercy and grace of the compassionate Redeemer, that “He will not quench the smoking flax,” but will always keep burning the flame which He Himself first so mercifully kindled. The hand that brought the spark must keep the flame burning, for no man can quicken his own soul and keep it alive. How it is kept alive is certainly a mystery, but that it is kept alive is certain.
Do you not sometimes feel that there is no life of God in your soul, not a spark of grace in your heart? Where is your religion? Where are your faith, hope and love? Where are your spiritual-mindedness and the tenderness of your heart, conscience and affections? Where are your sighs after God? Gone, gone, gone! And what was once gone would be gone for ever, if it lay in your hands and you had to keep it yourself.
But it is in better hands than yours, and it is better kept than you could keep it, “because I live, ye shall live also” (John 14:19). “He that … believeth on Him that sent Me, hath everlasting life, and shall not come into condemnation; but is passed from death unto life” (John 5:24). “My sheep … shall never perish, neither shall any man pluck them out of My hand.” Christ is our life; it is hid with Him in God.
Reading: Matthew 8:1-13
To the reader…
When you sometimes feel that there is no longer any life of God in your soul, you ask yourself: where are my faith, my hope, my love, my sighs after God? Gone, gone, gone, so it seems. And when you honestly survey your corruptions, your falls and your cold prayers, you know that you deserve nothing but to be quenched.
Yet this is the great wonder: He does not quench the smoking flax. The hand that brought the spark also keeps the flame burning. How that is done is a mystery, but that it is done is certain. If it lay in your hands, it would long ago have been lost for ever. But it lies in better hands than yours. Christ is the life of His people, and He says, “Because I live, ye shall live also.” No one shall pluck His sheep out of His hand.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
No quebrará la caña cascada, ni apagará el pábilo que humeare.
Isaías 42:3
Del “pábilo que humea” se dice que Él no lo apagará. ¡Oh, qué no merece “el pábilo que humea”! ¿No merece que el pie de Dios lo pise hasta extinguirlo? Piense cuán inmundas y abominables son sus corrupciones; cuán fuertes y poderosas sus concupiscencias y pasiones; cuán numerosos y graves sus tropiezos y caídas; cuán carnal su mente; cuán fría y sin vida su disposición; cuán errantes sus oraciones; cuán mundanos sus afectos; cuán terrenales y sensuales sus deseos. ¿No le parece a veces un milagro que el Dios Todopoderoso, en justa ira, no ponga Su pie sobre usted y le pisotee hasta el infierno, como aplastamos una araña? Lo merecemos cada día que vivimos. Casi podría decir que con casi cada aliento merecemos, merecemos plenamente, ser arrojados fuera de la vida y aplastados en el infierno eterno.
Pero en esto se muestra la tierna y bondadosa misericordia y gracia del compasivo Redentor: que “no apagará el pábilo que humea”, sino que mantendrá siempre ardiendo la llama que Él mismo encendió primero con tanta misericordia. La mano que trajo la chispa ha de mantener ardiendo la llama, porque nadie puede vivificar su propia alma y mantenerla con vida. Cómo se mantiene con vida es ciertamente un misterio, pero que se mantiene con vida es cierto.
¿No siente a veces que no hay vida de Dios en su alma, ni una chispa de gracia en su corazón? ¿Dónde está su religión? ¿Dónde están su fe, su esperanza y su amor? ¿Dónde están su espiritualidad y la ternura de su corazón, de su conciencia y de sus afectos? ¿Dónde están sus suspiros por Dios? ¡Idos, idos, idos! Y lo que una vez se fue, se habría ido para siempre, si estuviera en sus manos y usted mismo tuviera que guardarlo.
Pero está en mejores manos que las suyas, y mejor guardado de lo que usted podría guardarlo, “porque Yo vivo, y vosotros también viviréis” (Juan 14:19). “El que … cree al que Me envió, tiene vida eterna; y no vendrá a condenación, mas pasó de muerte a vida” (Juan 5:24). “Mis ovejas … no perecerán para siempre, ni nadie las arrebatará de Mi mano.” Cristo es nuestra vida; está escondida con Él en Dios.
Lectura: Mateo 8:1-13
Al lector…
Cuando a veces siente que ya no hay vida de Dios en su alma, se pregunta: ¿dónde están mi fe, mi esperanza, mi amor, mis suspiros por Dios? Idos, idos, idos, así parece. Y cuando examina sinceramente sus corrupciones, sus caídas y sus oraciones frías, sabe que no merece otra cosa sino ser apagado.
Sin embargo, este es el gran milagro: Él no apaga el pábilo que humea. La mano que trajo la chispa mantiene también ardiendo la llama. Cómo se hace es un misterio, pero que se hace es cierto. Si estuviera en sus manos, hace mucho que se habría perdido para siempre. Pero está en mejores manos que las suyas. Cristo es la vida de Su pueblo, y Él dice: “Porque Yo vivo, y vosotros también viviréis.” Nadie arrebatará Sus ovejas de Su mano.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Maar de waarheid betrachtende in liefde. (Engelse kanttekening: in oprechtheid)
Efeze 4:15
Oprechtheid is de wortel van de ware belijdenis. Iemand die niet oprecht is, is niets. God maakt een mens oprecht door Zijn waarheid in het hart te planten, en deze ingeplante waarheid zal wassen en groeien. De waarheid in des mensen ziel is niet dood en bewegingloos als een steen in de straat; zij is een levend, handelend, een voor uitbreiding vatbaar grondbeginsel. Wanneer de waarheid in de ziel is, zal zij altijd de dwaling uitstoten, omdat die twee gevoelens niet samen kunnen gaan. En gelijk Isaak Ismaël uitstootte, en Jacob sterker bleek te zijn dan Ezau, zo zal ook de eenvoudigheid en de Goddelijke oprechtheid altijd de heerschappij behouden over bedrog en misleiding.
De waarheid van God in het hart zal niet verdorren en sterven, maar zal opflikkeren door de Zon der gerechtigheid, en zal toenemen in vruchtbaarheid door de bemoedigingen van God. En terwijl de waarheid dag aan dag in haar dierbaarheid wint, zal de dwaling en de ongerechtigheid dag aan dag meer gehaat worden. Een oprechte ziel staat omgord met de waarheid, en de waarheid is haar schild en beukelaar. Maar hoe zal deze christelijke oprechtheid het bewijs kunnen leveren dat zij beschermd is tegen de dwaling? Door gedurig op de wachttoren te staan, uitziende naar en opziende tot God en het licht Zijns aangezichts. Een geestelijk oprecht gemaakte ziel kan nergens rust in vinden; zij heeft behoefte aan het zegel van God op alles wat zij ondervindt.
Hij die oprecht is, ziet de rotsen voor zich waarop anderen betreffende het geloof schipbreuk lijden, en hoewel hij wel overladen is met verzoekingen, verdrukkingen en beproevingen, wordt hij niet haastig heen en weer bewogen door allerlei wind van leer. Zijn begeerte om recht te doen houdt hem recht, zijn vrees voor onrecht te doen weerhoudt hem van onrecht. Het licht van God in zijn ziel doet hem zien. Het leven van God in zijn hart doet hem het leven gevoelen. De vreze Gods in zijn consciëntie maakt hem eerlijk; de liefde Gods in zijn genegenheden doet hem liefhebben; en dit alles geeft de waarheid zulk een vaste plaats in hem, dat er geen plaats voor dwaling overblijft.
De apostel voegt er daarom aan toe: „in liefde”. Het is niet genoeg „oprecht” te zijn; wij moeten „oprecht zijn in de liefde”. Let hierop. Wij moeten de waarheid Gods niet ontvangen als een zeker, ordelijk leerstelsel; het is er niet om te doen om onze hoofden te voorzien van een gezonde, wetenschappelijke geloofsbelijdenis en een beknopt calvinistisch schema, wat ons zou moeten behouden in het uur der beproeving. Maar het is de waarheid Gods, door Goddelijke kracht in ons hart gewerkt, die zulk een wezenlijke, onuitsprekelijke zoetheid in ons verwekt, dat zij een krachtige, bijblijvende liefde mededeelt, beide tot de waarheid zelf en tot Hem van Wie zij getuigt en van Wie zij voortkomt. Op deze wijze worden wij „oprecht in de liefde”.
De vreze Gods schept de oprechtheid; de krachtige toepassing van de waarheid schept de liefde ertoe. En als wij aldus oprecht in de liefde gemaakt worden, worden wij uit de kindse staat gebracht, waarin wij worden omgevoerd met allerlei wind van leer en in gevaar verkeren verstrikt te worden door het slim bedrog van elke bedrieger. Wij kennen de waarheid, beminnen de waarheid en worden bevestigd in de waarheid.
Aan de lezer…
Lezer, kent u die eerlijke onrust in uw ziel, dat u niet kunt rusten zonder het zegel van God op wat u ondervindt? Wees daar niet bang voor. Het is het kenmerk van een oprechte ziel, in wie God Zijn waarheid geplant heeft. Die waarheid is geen dode steen, maar een levend beginsel, dat de dwaling uitstoot en u doet uitzien naar het licht van Zijn aangezicht. Misschien voelt u zich omringd door verzoekingen en beproevingen, en vreest u weggevoerd te worden door allerlei wind van leer.
Maar het is niet genoeg de waarheid in het hoofd te hebben als een keurig stelsel. De apostel zegt: „in liefde”. Bid dan dat de Heere Zijn waarheid met kracht in uw hart werke, zodat u niet alleen de waarheid kent, maar haar liefhebt, en Hem liefhebt van Wie zij getuigt. Zo zal Hij u bevestigen, en zult u staande blijven waar anderen schipbreuk lijden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar de waarheid betrachtende in liefde. (Engelse kanttekening: in oprechtheid)
Efeze 4:15
Oprechtheid is de wortel van de ware belijdenis. Wie niet oprecht is, is niets. God maakt een mens oprecht door Zijn waarheid in het hart te planten, en deze ingeplante waarheid zal toenemen en groeien. De waarheid in de ziel van een mens is niet dood en bewegingloos als een steen op straat; zij is een levend, werkzaam beginsel dat kan uitgroeien. Wanneer de waarheid in de ziel is, zal zij altijd de dwaling uitdrijven, omdat die twee niet samen kunnen gaan. En zoals Isaak Ismaël uitdreef en Jakob sterker bleek dan Ezau, zo zullen ook de eenvoud en de Goddelijke oprechtheid altijd de overhand houden over bedrog en misleiding.
De waarheid van God in het hart zal niet verdorren en sterven, maar zal opleven door de Zon der gerechtigheid en toenemen in vruchtbaarheid door de bemoedigingen van God. En terwijl de waarheid dag aan dag dierbaarder wordt, zullen de dwaling en de ongerechtigheid dag aan dag meer gehaat worden. Een oprechte ziel staat omgord met de waarheid, en de waarheid is haar schild en beukelaar. Maar hoe zal deze christelijke oprechtheid bewijzen dat zij beschermd is tegen de dwaling? Door voortdurend op de wachttoren te staan, uitziend naar en opziend tot God en het licht van Zijn aangezicht. Een ziel die geestelijk oprecht gemaakt is, kan nergens rust in vinden; zij heeft het zegel van God nodig op alles wat zij ervaart.
Wie oprecht is, ziet de rotsen voor zich waarop anderen schipbreuk lijden aan het geloof. En hoewel hij overladen is met verzoekingen, verdrukkingen en beproevingen, wordt hij niet haastig heen en weer bewogen door allerlei wind van leer. Zijn verlangen om recht te doen houdt hem recht; zijn vrees om onrecht te doen weerhoudt hem van onrecht. Het licht van God in zijn ziel doet hem zien. Het leven van God in zijn hart doet hem het leven voelen. De vreze Gods in zijn geweten maakt hem eerlijk; de liefde van God in zijn genegenheden doet hem liefhebben. En dit alles geeft de waarheid zo’n vaste plaats in hem dat er geen plaats voor dwaling overblijft.
Daarom voegt de apostel eraan toe: „in liefde”. Het is niet genoeg „oprecht” te zijn; wij moeten „oprecht zijn in de liefde”. Let daarop. Wij moeten de waarheid van God niet ontvangen als een vast, ordelijk leerstelsel. Het gaat er niet om ons hoofd te voorzien van een gezonde, wetenschappelijke geloofsbelijdenis en een beknopt calvinistisch schema, dat ons zou moeten staande houden in het uur van de beproeving. Maar het is de waarheid van God, door Goddelijke kracht in ons hart gewerkt, die zo’n wezenlijke, onuitsprekelijke zoetheid in ons wekt dat zij een krachtige, blijvende liefde meedeelt, zowel tot de waarheid zelf als tot Hem van Wie zij getuigt en van Wie zij voortkomt. Zo worden wij „oprecht in de liefde”.
De vreze Gods brengt de oprechtheid voort; de krachtige toepassing van de waarheid brengt de liefde ertoe voort. En wanneer wij zo oprecht in de liefde gemaakt worden, worden wij uit de kinderlijke staat gehaald, waarin wij omgevoerd worden met allerlei wind van leer en gevaar lopen verstrikt te raken door het sluwe bedrog van iedere bedrieger. Wij kennen de waarheid, hebben de waarheid lief en worden bevestigd in de waarheid.
Aan de lezer…
Lezer, kent u die eerlijke onrust in uw ziel, dat u niet kunt rusten zonder het zegel van God op wat u ervaart? Wees daar niet bang voor. Het is het kenmerk van een oprechte ziel, in wie God Zijn waarheid geplant heeft. Die waarheid is geen dode steen, maar een levend beginsel, dat de dwaling uitdrijft en u doet uitzien naar het licht van Zijn aangezicht. Misschien voelt u zich omringd door verzoekingen en beproevingen, en vreest u weggevoerd te worden door allerlei wind van leer.
Maar het is niet genoeg de waarheid in het hoofd te hebben als een keurig stelsel. De apostel zegt: „in liefde”. Bid dan dat de Heere Zijn waarheid met kracht in uw hart werkt, zodat u de waarheid niet alleen kent, maar haar liefhebt, en Hem liefhebt van Wie zij getuigt. Zo zal Hij u bevestigen, en zult u staande blijven waar anderen schipbreuk lijden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But speaking the truth (margin, being sincere) in love.
Ephesians 4:15
Sincerity lies at the root of all gracious profession. If a man is not sincere he is nothing. God makes a man sincere by planting His truth in his heart; and whenever God does make a man sincere, the truth which He has implanted will grow. Truth does not lie in a man’s soul dead and motionless, like a stone in the street; it is a living, active, expansive principle. If the truth is in the soul, it will be ever pushing out error, because the two principles cannot exist together; and as Isaac thrust out Ishmael, and Jacob proved stronger than Esau, so will simplicity and godly sincerity be ever mightier than craft and deception.
The truth of God in the heart will not wither and die, but will be shined upon by the Sun of righteousness, and sunned into fruitfulness by the smiles of God; and as truth becomes day by day more and more precious, so will error and evil become day by day more and more hateful. A sincere soul stands “girt about with truth;” and truth forms its shield and buckler.
But how does this Christian sincerity prove the soul’s safeguard from error? By putting it ever on the watch tower, looking out and looking up for the teaching of God and the light of His countenance. A soul made spiritually sincere takes nothing upon trust; it requires the seal of God on all it receives, and the witness of the Spirit to all that it feels. He who is sincere sees the rocks ahead on which others concerning faith make shipwreck; and being well ballasted with temptations, afflictions, and trials, he is not easily tossed to and fro with every wind of doctrine.
His desire to be right keeps him right; his fear to be wrong preserves him from wrong. The light of God in his soul makes him see; the life of God in his heart makes him feel; the fear of God in his conscience makes him honest; the love of God in his affections makes him love; and all this gives truth such a firm place in him that there is no room for error.
The Apostle adds, therefore, “in love.” It is not enough to be “sincere;” we must be “sincere in love.” Mark that. It is not receiving God’s truth as a certain orderly system; it is not furnishing our heads with a sound doctrinal creed and well-ordered Calvinistic scheme which will avail us in the trying hour; but it is to have the truth of God brought into our soul by a divine power, and realizing such unutterable sweetness in it as communicates a firm abiding love, both to the truth itself, and to Him of Whom it testifies and from Whom it comes. It is thus we are made “sincere in love.”
The fear of God creates the sincerity, the application of the truth with power creates the love to it. And when we are thus made “sincere in love” we are brought out of the childish state in which we are carried about with every wind of doctrine, and in danger of being entrapped by the cunning craft of every deceiver. We know the truth, love the truth, and become established in the truth.
To the reader…
Dear reader, do you know that honest restlessness in your soul, so that you cannot rest without the seal of God on what you experience? Do not be afraid of it. It is the mark of a sincere soul, in whom God has planted His truth. That truth is no dead stone, but a living principle, which drives out error and makes you look out for the light of His countenance. Perhaps you feel surrounded by temptations and trials, and fear being carried away by every wind of doctrine.
But it is not enough to have the truth in the head as a neat and orderly system. The Apostle says, “in love.” Pray, then, that the Lord will work His truth into your heart with power, so that you not only know the truth, but love it, and love Him of Whom it testifies. So He will establish you, and you will stand firm where others make shipwreck.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Antes siguiendo la verdad (al margen, siendo sinceros) en amor.
Efesios 4:15
La sinceridad está en la raíz de toda profesión de gracia. Si un hombre no es sincero, no es nada. Dios hace sincero a un hombre plantando Su verdad en su corazón; y siempre que Dios hace sincero a un hombre, la verdad que ha implantado crecerá. La verdad no yace en el alma de un hombre muerta e inmóvil, como una piedra en la calle; es un principio vivo, activo y expansivo. Si la verdad está en el alma, estará siempre expulsando el error, porque los dos principios no pueden existir juntos; y así como Isaac echó fuera a Ismael, y Jacob resultó más fuerte que Esaú, así la sencillez y la sinceridad piadosa serán siempre más poderosas que la astucia y el engaño.
La verdad de Dios en el corazón no se marchitará ni morirá, sino que será alumbrada por el Sol de justicia y madurada en fruto por las sonrisas de Dios; y a medida que la verdad se hace cada día más preciosa, el error y el mal se harán cada día más aborrecibles. Un alma sincera está “ceñida de verdad”, y la verdad forma su escudo y adarga.
¿Pero cómo resulta esta sinceridad cristiana ser la salvaguarda del alma contra el error? Poniéndola siempre en la atalaya, mirando a su alrededor y mirando hacia arriba en busca de la enseñanza de Dios y de la luz de Su rostro. Un alma hecha espiritualmente sincera no acepta nada a ciegas; requiere el sello de Dios sobre todo lo que recibe, y el testimonio del Espíritu sobre todo lo que siente. El que es sincero ve delante las rocas en que otros naufragan en cuanto a la fe; y estando bien lastrado de tentaciones, aflicciones y pruebas, no es fácilmente llevado de aquí para allá por todo viento de doctrina.
Su deseo de estar en lo recto le mantiene en lo recto; su temor de errar le preserva del error. La luz de Dios en su alma le hace ver; la vida de Dios en su corazón le hace sentir; el temor de Dios en su conciencia le hace honrado; el amor de Dios en sus afectos le hace amar; y todo esto da a la verdad un lugar tan firme en él que no queda sitio para el error.
Por eso el Apóstol añade: “en amor”. No basta con ser “sinceros”; hemos de ser “sinceros en amor”. Fíjese en esto. No se trata de recibir la verdad de Dios como un sistema ordenado; no es amueblar nuestra cabeza con un credo doctrinal sano y un esquema calvinista bien ordenado lo que nos valdrá en la hora de la prueba; sino tener la verdad de Dios traída a nuestra alma por un poder divino, y experimentar en ella una dulzura tan indecible que comunique un amor firme y permanente tanto a la verdad misma como a Aquel de Quien testifica y de Quien procede. Así es como somos hechos “sinceros en amor”.
El temor de Dios crea la sinceridad; la aplicación de la verdad con poder crea el amor a ella. Y cuando somos hechos así “sinceros en amor”, somos sacados del estado de niñez en que somos llevados por doquiera de todo viento de doctrina y estamos en peligro de ser atrapados por la astuta artimaña de cualquier engañador. Conocemos la verdad, amamos la verdad y somos afirmados en la verdad.
Al lector…
Querido lector, ¿conoce usted esa honrada inquietud en su alma, de modo que no puede descansar sin el sello de Dios sobre lo que experimenta? No le tenga miedo. Es la señal de un alma sincera, en la que Dios ha plantado Su verdad. Esa verdad no es una piedra muerta, sino un principio vivo, que expulsa el error y le hace buscar la luz de Su rostro. Quizá se sienta rodeado de tentaciones y pruebas, y teme ser llevado por todo viento de doctrina.
Pero no basta con tener la verdad en la cabeza como un sistema pulcro y ordenado. El Apóstol dice: “en amor”. Ore, pues, para que el Señor obre Su verdad en su corazón con poder, de modo que no solo conozca la verdad, sino que la ame, y ame a Aquel de Quien ella testifica. Así le afirmará, y usted permanecerá firme donde otros naufragan.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl