February 18
Maar de waarheid betrachtende in liefde. (Engelse kanttekening: in oprechtheid)
Efeze 4:15
Oprechtheid is de wortel van de ware belijdenis. Iemand die niet oprecht is, is niets. God maakt een mens oprecht door Zijn waarheid in het hart te planten, en deze ingeplante waarheid zal wassen en groeien. De waarheid in des mensen ziel is niet dood en bewegingloos als een steen in de straat; zij is een levend, handelend, een voor uitbreiding vatbaar grondbeginsel. Wanneer de waarheid in de ziel is, zal zij altijd de dwaling uitstoten, omdat die twee gevoelens niet samen kunnen gaan. En gelijk Isaak Ismaël uitstootte, en Jacob sterker bleek te zijn dan Ezau, zo zal ook de eenvoudigheid en de Goddelijke oprechtheid altijd de heerschappij behouden over bedrog en misleiding.
De waarheid van God in het hart zal niet verdorren en sterven, maar zal opflikkeren door de Zon der gerechtigheid, en zal toenemen in vruchtbaarheid door de bemoedigingen van God. En terwijl de waarheid dag aan dag in haar dierbaarheid wint, zal de dwaling en de ongerechtigheid dag aan dag meer gehaat worden. Een oprechte ziel staat omgord met de waarheid, en de waarheid is haar schild en beukelaar. Maar hoe zal deze christelijke oprechtheid het bewijs kunnen leveren dat zij beschermd is tegen de dwaling? Door gedurig op de wachttoren te staan, uitziende naar en opziende tot God en het licht Zijns aangezichts. Een geestelijk oprecht gemaakte ziel kan nergens rust in vinden; zij heeft behoefte aan het zegel van God op alles wat zij ondervindt.
Hij die oprecht is, ziet de rotsen voor zich waarop anderen betreffende het geloof schipbreuk lijden, en hoewel hij wel overladen is met verzoekingen, verdrukkingen en beproevingen, wordt hij niet haastig heen en weer bewogen door allerlei wind van leer. Zijn begeerte om recht te doen houdt hem recht, zijn vrees voor onrecht te doen weerhoudt hem van onrecht. Het licht van God in zijn ziel doet hem zien. Het leven van God in zijn hart doet hem het leven gevoelen. De vreze Gods in zijn consciëntie maakt hem eerlijk; de liefde Gods in zijn genegenheden doet hem liefhebben; en dit alles geeft de waarheid zulk een vaste plaats in hem, dat er geen plaats voor dwaling overblijft.
De apostel voegt er daarom aan toe: „in liefde”. Het is niet genoeg „oprecht” te zijn; wij moeten „oprecht zijn in de liefde”. Let hierop. Wij moeten de waarheid Gods niet ontvangen als een zeker, ordelijk leerstelsel; het is er niet om te doen om onze hoofden te voorzien van een gezonde, wetenschappelijke geloofsbelijdenis en een beknopt calvinistisch schema, wat ons zou moeten behouden in het uur der beproeving. Maar het is de waarheid Gods, door Goddelijke kracht in ons hart gewerkt, die zulk een wezenlijke, onuitsprekelijke zoetheid in ons verwekt, dat zij een krachtige, bijblijvende liefde mededeelt, beide tot de waarheid zelf en tot Hem van Wie zij getuigt en van Wie zij voortkomt. Op deze wijze worden wij „oprecht in de liefde”.
De vreze Gods schept de oprechtheid; de krachtige toepassing van de waarheid schept de liefde ertoe. En als wij aldus oprecht in de liefde gemaakt worden, worden wij uit de kindse staat gebracht, waarin wij worden omgevoerd met allerlei wind van leer en in gevaar verkeren verstrikt te worden door het slim bedrog van elke bedrieger. Wij kennen de waarheid, beminnen de waarheid en worden bevestigd in de waarheid.
Aan de lezer…
Lezer, kent u die eerlijke onrust in uw ziel, dat u niet kunt rusten zonder het zegel van God op wat u ondervindt? Wees daar niet bang voor. Het is het kenmerk van een oprechte ziel, in wie God Zijn waarheid geplant heeft. Die waarheid is geen dode steen, maar een levend beginsel, dat de dwaling uitstoot en u doet uitzien naar het licht van Zijn aangezicht. Misschien voelt u zich omringd door verzoekingen en beproevingen, en vreest u weggevoerd te worden door allerlei wind van leer.
Maar het is niet genoeg de waarheid in het hoofd te hebben als een keurig stelsel. De apostel zegt: „in liefde”. Bid dan dat de Heere Zijn waarheid met kracht in uw hart werke, zodat u niet alleen de waarheid kent, maar haar liefhebt, en Hem liefhebt van Wie zij getuigt. Zo zal Hij u bevestigen, en zult u staande blijven waar anderen schipbreuk lijden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar de waarheid betrachtende in liefde. (Engelse kanttekening: in oprechtheid)
Efeze 4:15
Oprechtheid is de wortel van de ware belijdenis. Wie niet oprecht is, is niets. God maakt een mens oprecht door Zijn waarheid in het hart te planten, en deze ingeplante waarheid zal toenemen en groeien. De waarheid in de ziel van een mens is niet dood en bewegingloos als een steen op straat; zij is een levend, werkzaam beginsel dat kan uitgroeien. Wanneer de waarheid in de ziel is, zal zij altijd de dwaling uitdrijven, omdat die twee niet samen kunnen gaan. En zoals Isaak Ismaël uitdreef en Jakob sterker bleek dan Ezau, zo zullen ook de eenvoud en de Goddelijke oprechtheid altijd de overhand houden over bedrog en misleiding.
De waarheid van God in het hart zal niet verdorren en sterven, maar zal opleven door de Zon der gerechtigheid en toenemen in vruchtbaarheid door de bemoedigingen van God. En terwijl de waarheid dag aan dag dierbaarder wordt, zullen de dwaling en de ongerechtigheid dag aan dag meer gehaat worden. Een oprechte ziel staat omgord met de waarheid, en de waarheid is haar schild en beukelaar. Maar hoe zal deze christelijke oprechtheid bewijzen dat zij beschermd is tegen de dwaling? Door voortdurend op de wachttoren te staan, uitziend naar en opziend tot God en het licht van Zijn aangezicht. Een ziel die geestelijk oprecht gemaakt is, kan nergens rust in vinden; zij heeft het zegel van God nodig op alles wat zij ervaart.
Wie oprecht is, ziet de rotsen voor zich waarop anderen schipbreuk lijden aan het geloof. En hoewel hij overladen is met verzoekingen, verdrukkingen en beproevingen, wordt hij niet haastig heen en weer bewogen door allerlei wind van leer. Zijn verlangen om recht te doen houdt hem recht; zijn vrees om onrecht te doen weerhoudt hem van onrecht. Het licht van God in zijn ziel doet hem zien. Het leven van God in zijn hart doet hem het leven voelen. De vreze Gods in zijn geweten maakt hem eerlijk; de liefde van God in zijn genegenheden doet hem liefhebben. En dit alles geeft de waarheid zo’n vaste plaats in hem dat er geen plaats voor dwaling overblijft.
Daarom voegt de apostel eraan toe: „in liefde”. Het is niet genoeg „oprecht” te zijn; wij moeten „oprecht zijn in de liefde”. Let daarop. Wij moeten de waarheid van God niet ontvangen als een vast, ordelijk leerstelsel. Het gaat er niet om ons hoofd te voorzien van een gezonde, wetenschappelijke geloofsbelijdenis en een beknopt calvinistisch schema, dat ons zou moeten staande houden in het uur van de beproeving. Maar het is de waarheid van God, door Goddelijke kracht in ons hart gewerkt, die zo’n wezenlijke, onuitsprekelijke zoetheid in ons wekt dat zij een krachtige, blijvende liefde meedeelt, zowel tot de waarheid zelf als tot Hem van Wie zij getuigt en van Wie zij voortkomt. Zo worden wij „oprecht in de liefde”.
De vreze Gods brengt de oprechtheid voort; de krachtige toepassing van de waarheid brengt de liefde ertoe voort. En wanneer wij zo oprecht in de liefde gemaakt worden, worden wij uit de kinderlijke staat gehaald, waarin wij omgevoerd worden met allerlei wind van leer en gevaar lopen verstrikt te raken door het sluwe bedrog van iedere bedrieger. Wij kennen de waarheid, hebben de waarheid lief en worden bevestigd in de waarheid.
Aan de lezer…
Lezer, kent u die eerlijke onrust in uw ziel, dat u niet kunt rusten zonder het zegel van God op wat u ervaart? Wees daar niet bang voor. Het is het kenmerk van een oprechte ziel, in wie God Zijn waarheid geplant heeft. Die waarheid is geen dode steen, maar een levend beginsel, dat de dwaling uitdrijft en u doet uitzien naar het licht van Zijn aangezicht. Misschien voelt u zich omringd door verzoekingen en beproevingen, en vreest u weggevoerd te worden door allerlei wind van leer.
Maar het is niet genoeg de waarheid in het hoofd te hebben als een keurig stelsel. De apostel zegt: „in liefde”. Bid dan dat de Heere Zijn waarheid met kracht in uw hart werkt, zodat u de waarheid niet alleen kent, maar haar liefhebt, en Hem liefhebt van Wie zij getuigt. Zo zal Hij u bevestigen, en zult u staande blijven waar anderen schipbreuk lijden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But speaking the truth (margin, being sincere) in love.
Ephesians 4:15
Sincerity lies at the root of all gracious profession. If a man is not sincere he is nothing. God makes a man sincere by planting His truth in his heart; and whenever God does make a man sincere, the truth which He has implanted will grow. Truth does not lie in a man’s soul dead and motionless, like a stone in the street; it is a living, active, expansive principle. If the truth is in the soul, it will be ever pushing out error, because the two principles cannot exist together; and as Isaac thrust out Ishmael, and Jacob proved stronger than Esau, so will simplicity and godly sincerity be ever mightier than craft and deception.
The truth of God in the heart will not wither and die, but will be shined upon by the Sun of righteousness, and sunned into fruitfulness by the smiles of God; and as truth becomes day by day more and more precious, so will error and evil become day by day more and more hateful. A sincere soul stands “girt about with truth;” and truth forms its shield and buckler.
But how does this Christian sincerity prove the soul’s safeguard from error? By putting it ever on the watch tower, looking out and looking up for the teaching of God and the light of His countenance. A soul made spiritually sincere takes nothing upon trust; it requires the seal of God on all it receives, and the witness of the Spirit to all that it feels. He who is sincere sees the rocks ahead on which others concerning faith make shipwreck; and being well ballasted with temptations, afflictions, and trials, he is not easily tossed to and fro with every wind of doctrine.
His desire to be right keeps him right; his fear to be wrong preserves him from wrong. The light of God in his soul makes him see; the life of God in his heart makes him feel; the fear of God in his conscience makes him honest; the love of God in his affections makes him love; and all this gives truth such a firm place in him that there is no room for error.
The Apostle adds, therefore, “in love.” It is not enough to be “sincere;” we must be “sincere in love.” Mark that. It is not receiving God’s truth as a certain orderly system; it is not furnishing our heads with a sound doctrinal creed and well-ordered Calvinistic scheme which will avail us in the trying hour; but it is to have the truth of God brought into our soul by a divine power, and realizing such unutterable sweetness in it as communicates a firm abiding love, both to the truth itself, and to Him of Whom it testifies and from Whom it comes. It is thus we are made “sincere in love.”
The fear of God creates the sincerity, the application of the truth with power creates the love to it. And when we are thus made “sincere in love” we are brought out of the childish state in which we are carried about with every wind of doctrine, and in danger of being entrapped by the cunning craft of every deceiver. We know the truth, love the truth, and become established in the truth.
To the reader…
Dear reader, do you know that honest restlessness in your soul, so that you cannot rest without the seal of God on what you experience? Do not be afraid of it. It is the mark of a sincere soul, in whom God has planted His truth. That truth is no dead stone, but a living principle, which drives out error and makes you look out for the light of His countenance. Perhaps you feel surrounded by temptations and trials, and fear being carried away by every wind of doctrine.
But it is not enough to have the truth in the head as a neat and orderly system. The Apostle says, “in love.” Pray, then, that the Lord will work His truth into your heart with power, so that you not only know the truth, but love it, and love Him of Whom it testifies. So He will establish you, and you will stand firm where others make shipwreck.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Antes siguiendo la verdad (al margen, siendo sinceros) en amor.
Efesios 4:15
La sinceridad está en la raíz de toda profesión de gracia. Si un hombre no es sincero, no es nada. Dios hace sincero a un hombre plantando Su verdad en su corazón; y siempre que Dios hace sincero a un hombre, la verdad que ha implantado crecerá. La verdad no yace en el alma de un hombre muerta e inmóvil, como una piedra en la calle; es un principio vivo, activo y expansivo. Si la verdad está en el alma, estará siempre expulsando el error, porque los dos principios no pueden existir juntos; y así como Isaac echó fuera a Ismael, y Jacob resultó más fuerte que Esaú, así la sencillez y la sinceridad piadosa serán siempre más poderosas que la astucia y el engaño.
La verdad de Dios en el corazón no se marchitará ni morirá, sino que será alumbrada por el Sol de justicia y madurada en fruto por las sonrisas de Dios; y a medida que la verdad se hace cada día más preciosa, el error y el mal se harán cada día más aborrecibles. Un alma sincera está “ceñida de verdad”, y la verdad forma su escudo y adarga.
¿Pero cómo resulta esta sinceridad cristiana ser la salvaguarda del alma contra el error? Poniéndola siempre en la atalaya, mirando a su alrededor y mirando hacia arriba en busca de la enseñanza de Dios y de la luz de Su rostro. Un alma hecha espiritualmente sincera no acepta nada a ciegas; requiere el sello de Dios sobre todo lo que recibe, y el testimonio del Espíritu sobre todo lo que siente. El que es sincero ve delante las rocas en que otros naufragan en cuanto a la fe; y estando bien lastrado de tentaciones, aflicciones y pruebas, no es fácilmente llevado de aquí para allá por todo viento de doctrina.
Su deseo de estar en lo recto le mantiene en lo recto; su temor de errar le preserva del error. La luz de Dios en su alma le hace ver; la vida de Dios en su corazón le hace sentir; el temor de Dios en su conciencia le hace honrado; el amor de Dios en sus afectos le hace amar; y todo esto da a la verdad un lugar tan firme en él que no queda sitio para el error.
Por eso el Apóstol añade: “en amor”. No basta con ser “sinceros”; hemos de ser “sinceros en amor”. Fíjese en esto. No se trata de recibir la verdad de Dios como un sistema ordenado; no es amueblar nuestra cabeza con un credo doctrinal sano y un esquema calvinista bien ordenado lo que nos valdrá en la hora de la prueba; sino tener la verdad de Dios traída a nuestra alma por un poder divino, y experimentar en ella una dulzura tan indecible que comunique un amor firme y permanente tanto a la verdad misma como a Aquel de Quien testifica y de Quien procede. Así es como somos hechos “sinceros en amor”.
El temor de Dios crea la sinceridad; la aplicación de la verdad con poder crea el amor a ella. Y cuando somos hechos así “sinceros en amor”, somos sacados del estado de niñez en que somos llevados por doquiera de todo viento de doctrina y estamos en peligro de ser atrapados por la astuta artimaña de cualquier engañador. Conocemos la verdad, amamos la verdad y somos afirmados en la verdad.
Al lector…
Querido lector, ¿conoce usted esa honrada inquietud en su alma, de modo que no puede descansar sin el sello de Dios sobre lo que experimenta? No le tenga miedo. Es la señal de un alma sincera, en la que Dios ha plantado Su verdad. Esa verdad no es una piedra muerta, sino un principio vivo, que expulsa el error y le hace buscar la luz de Su rostro. Quizá se sienta rodeado de tentaciones y pruebas, y teme ser llevado por todo viento de doctrina.
Pero no basta con tener la verdad en la cabeza como un sistema pulcro y ordenado. El Apóstol dice: “en amor”. Ore, pues, para que el Señor obre Su verdad en su corazón con poder, de modo que no solo conozca la verdad, sino que la ame, y ame a Aquel de Quien ella testifica. Así le afirmará, y usted permanecerá firme donde otros naufragan.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl