Nieuw verschenenHet gesprek van een gelovige met zijn zielPreken · 4 dagen geleden
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren

 

 

Vandaag

Korenaren Uit De Volle Oogst

17 september Korenaren uit de volle oogst

De verborgenheid des Heeren is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken.
Psalm 25:14

„De verborgenheid des Heeren” (dat is: tegenwoordig bezit) „is voor degenen die Hem vrezen; en Hij zal” (dat is: toekomend) „hun Zijn Verbond bekendmaken.” Dit bewijst het volgende. Al het volk van God dat Zijn Naam vreest, heeft de verborgenheid van de Heere, dat wil zeggen: een zekere mate van die verborgenheid. Toch is Zijn Verbond hun niet tegelijk met die verborgenheid bekendgemaakt. De „verborgenheid” staat in de tegenwoordige tijd, het „bekendmaken van het Verbond” in de toekomende tijd. Hoe zoet is het dat de Heilige Geest die twee zegeningen van elkaar onderscheiden heeft!

Stond er bijvoorbeeld: „De verborgenheid des Heeren is voor degenen die Hem vrezen, en Hij maakt hun Zijn Verbond bekend”, dan zou een twijfelend, wanhopig kind van God gemakkelijk zeggen: „Hoe kan ik een dergenen zijn die God vrezen? Want er staat: God maakt hun Zijn Verbond bekend, en Hij heeft het mij nog niet bekendgemaakt.” Maar omdat het nu in de toekomende tijd staat: „Hij zal hun Zijn Verbond bekendmaken”, krijgt het de vorm van een belofte, en daarom past het juist bij wat zij nodig hebben.

Dit Verbond is het Verbond dat „voor eeuwig vaststaat”: het eeuwige Verbond van de genade, dat vaststaat in de Persoon, de liefde, het bloed en het werk van Gods Zoon. Het is het Verbond dat de Drie-enige Jehovah vóór de grondlegging van de wereld voor de uitverkorenen gemaakt heeft. Hoe passend is die grondslag voor een arm, wankelend hart! Wanneer de Heere dat Verbond bekendmaakt aan hen die Hem vrezen, laat Hij hun zien dat het helemaal uit genade is. Het komt dus tegemoet aan hun onwaardigheid en is overvloediger dan de talloze menigte van hun zonden. Het gaat zelfs verder dan het uitwissen van die zonden en zal hen behouden in de heerlijkheid doen aankomen, omdat God besloten heeft hen daar te brengen. Niets dan een Verbond van genade past bij een arme, geoefende ziel die haar hulpeloosheid en onwaardigheid kent, en de Heere laat dit zien aan hen die Hem vrezen.

Zo hoog zijn troon moog’ boven d’ aarde wezen,
zo groot is ook voor allen, die Hem vrezen,
de gunst, waarmee Hij hen wil gadeslaan.

Ps. 103:6

Aan de lezer…

Zegt u in uw hart: „Hoe kan ik een van hen zijn die God vrezen, want Hij heeft mij Zijn Verbond nog niet bekendgemaakt”? Zie dan hoe teder de Heilige Geest dit woord heeft gesteld. De verborgenheid van de Heere is er nú voor wie Hem vrezen; het bekendmaken van Zijn Verbond is een belofte voor de tijd die komt. U mag dus vrezen en wachten, en toch een kind van God zijn.

Wanneer het de Heere behaagt u dat Verbond te ontdekken, zult u zien dat het helemaal uit genade is, gegrond in de Persoon, het bloed en het werk van Gods Zoon. Uw onwaardigheid staat het niet in de weg, en de menigte van uw zonden is niet groter dan de overvloed ervan. Het past juist bij een arme, geoefende ziel die haar hulpeloosheid kent. Houd dan vast aan het woord „Hij zal”, en wacht op Hem; Hij zal Zijn belofte niet beschamen.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

365 Dagen Met Philpot

17 september 365 dagen met Philpot

Paulus’ afscheidswens

En nu, broeders, ik beveel u Gode, en het Woord Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.
Handelingen 20:32

Heel zorgvuldig moeten we twee punten vast in ons hart verankeren. Ten eerste: dat we het juiste fundament voor ogen hebben. „Geloof ik in de Zoon van God? Heb ik een duidelijke visie op het Zoonschap, de Godheid en de ware mensheid van de Christus van God? Heb ik geen verborgen dwaling in mij opgenomen? Verberg ik in mijn hart geen verdorven leer? Is mijn geloofsbelijdenis in orde? Wordt het Woord Gods door mij, zoals God het heeft geopenbaard, ontvangen in een gelovig hart?” Velen vergissen zich in het fundament zelf.

Dan volgt: „Sta ik op het fundament? Heeft God Zelf mij erop gezet? Heb ik ingezien hoe geschikt het was voor mijn verdwaalde en verloren ziel? Heeft de gezegende Geest van de dingen van Christus genomen en die voor mijn ziel dierbaar gemaakt door een geloofsdaad? Wend ik mij naar Hem toe, ben ik Hem trouw, verlang ik naar Hem, steun ik op Hem, vertrouw ik geheel op Zijn Persoon en werk? Hoe staat het fundament? Bevind ik mij erop?”

De volgende belangrijke vraag is: „Hoe staat de bovenbouw? Heeft de Heilige Geest iets met goddelijke kracht in mijn ziel bewerkstelligd? Het geloof dat ik bezit, is het van God? De hoop die ik heb, geloof ik dat die van de Heere Zelf afkomstig is om mijn ziel in de zware storm te steunen? Mijn berouw, is het oprecht? Mijn belijdenis, is zij eerlijk? Mijn wandel, is hij beginselvast? Mijn geweten, is het gevoelig? Mijn verlangens, zijn zij geestelijk? Mijn gebeden, zijn zij vurig? Mijn hart, is het eerlijk? Mijn ziel, bevindt zij zich recht tegenover God? Wat zie ik als het fundament en wat zie ik als de bovenbouw? Vestig ik al mijn hoop op Christus als de Rots, en mijn hele godsdienst op het werk van de Heilige Geest in mijn hart?”

Als u al deze vragen voor het aangezicht van God kunt beantwoorden met: „Ja, ja, tienmaal ja”, dan is het goed met u. Als u staat op het fundament dat God in Sion gelegd heeft, is het goed met u. Het is helemaal goed met u als God de Geest een levend geloof in uw hart gewerkt heeft. Maar het is helemaal verkeerd met u, en dat voor eeuwig, tenzij de Heilige Geest aan uw geweten werkt.

Lezen: Mattheüs 7:15-29

Aan de lezer…

Schrikt u terug voor zulke vragen? Durft u uw hart niet zo nauwkeurig te onderzoeken, uit vrees dat het antwoord tegen u zal uitvallen? Toch is het een barmhartigheid wanneer de Heere u zulke vragen laat stellen. Velen vergissen zich in het fundament zelf; liever nu beproefd dan eeuwig bedrogen. Wie zulke vragen ernstig voor Gods aangezicht legt, is niet onverschillig; het is de Heilige Geest Die zo aan het geweten werkt.

En kunt u geen tienmaal ja zeggen, maar misschien wel zuchten: „Heere, Gij weet dat ik op niets anders wil steunen dan op Uw Zoon”? Kijk dan van de bovenbouw weg naar het fundament dat God Zelf in Sion gelegd heeft. Christus is de Rots, en die Rots wankelt niet. Vraag Hem of Hij u erop wil zetten, en of Hij in u wil werken wat Hij Zelf aanneemt: een levend geloof, een oprecht berouw, een gevoelig geweten.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Door Baca's Vallei

17 september Door Baca’s vallei

Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst.
Romeinen 12:1

Als de Zoon van God ons verlost heeft door Zijn bloed, dan behoort alles wat wij zijn en hebben Hem toe; ons lichaam, onze ziel en onze geest behoren Hem. Niets is ons eigendom; wij zijn duur gekocht. Door Zijn dierbaar leven voor ons af te leggen heeft Hij ons voor Zichzelf verlost, zodat wij een bijzonder volk voor Hem zouden zijn. Wij zouden Hem niet alleen de kalveren van onze lippen offeren, maar Hem ons lichaam, onze ziel, onze geest, al ons vermogen, ja zelfs ons leven geven; alles wat wij zijn en hebben behoort Hem op grond van Zijn soeverein recht. Hij heeft er recht op, omdat Hij niet alleen onze Schepper is, maar ook onze Verlosser, Die ons gekocht heeft met Zijn dierbaar bloed. Wanneer wij Zijn genade warm in onze ziel voelen, kunnen wij Hem dan ons lichaam en onze ziel onthouden?

Let eens op Abraham. Toen God hem riep en zei: „Abraham!”, wat was zijn antwoord? „Hier ben ik.” Hier is mijn lichaam, hier is mijn ziel, hier is mijn alles; hier is mijn vrouw en mijn zoon, het staat allemaal tot Uw beschikking. Wat zal ik doen, Heere? Neem ze, ze zijn allemaal van U. U hebt er recht op en U moet met hen doen wat goed is in Uw ogen.

Onder deze indrukken moeten wij dan onze lichamen in Zijn hand stellen en onze zielen niet achterhouden. Want wat is het kistje zonder het juweel? Wat is het lichaam zonder de ziel? Zal de Heere het lichaam aannemen als de ziel achterblijft? Het lichaam geven en de ziel achterhouden is papisterij. Zo is het niet met het volk van God. Zij bieden hun lichaam aan, maar met hun lichaam ook de ziel die in het lichaam woont: het lichaam met zijn bewoner, het juwelenkistje met de juwelen erin.

Maar wat houdt het in om het lichaam aan te bieden? Zij moeten het stellen als een levende offerande. De Heere neemt geen dode offers aan. U herinnert zich dat onder de Joodse wet het offer een levend dier moest zijn, en dat zonder enig gebrek. Geen dood lam of bokje, maar een levend dier, volmaakt in zijn soort, moest als slachtoffer geofferd worden. Zo moet het ook een levende offerande zijn als wij onze lichamen aan de Heere geven.

De vraag mag wel eens gesteld worden: wat hebben wij voor de zaak van God geofferd? Worden wij geroepen ons bezit, onze afgoden, genegenheden, naam, roem en wereldse belangen op te offeren, en hebben wij aan die roepstemmen gehoor gegeven? Abraham offerde Izak niet totdat de Heere hem riep dit te doen; maar toen de Heere hem daartoe geroepen had, gaf hij meteen gehoor aan die roepstem. Zo behoort het ook te zijn met hen die wandelen in de voetstappen van de gelovige Abraham. Als zij geroepen worden, zoals zij vroeg of laat allemaal geroepen worden, om offers te brengen, dan behoren zij daaraan gehoor te geven.

Welnu, door onze lichamen te stellen tot een levende offerande, stellen wij ze ook tot een heilige offerande, omdat wat in het geloof gedaan wordt, door God wordt aangenomen als geheiligd door Zijn Geest. Als wij offeren zonder het werk van de gezegende Geest in ons hart, dan is het een dood offer. Mannen gaan in monnikenkloosters en misleide vrouwen in nonnenkloosters; zij worden zusters van barmhartigheid en wat niet al, en zij offeren hun lichamen als een offer aan God. Maar dat is geen levende offerande, omdat er geen geestelijk leven is, niet in degene die offert en niet in het offer.

Maar wanneer wij onze warmste genegenheden, onze vooruitzichten in dit leven, alles waar het vlees van houdt, opofferen omdat het Evangelie dat van ons vraagt, en wij dat doen omdat de liefde van Christus ons dringt, dan is dat een levende offerande. En zij is heilig, omdat zij voortkomt uit de heiligende invloeden en werkingen van de Heilige Geest. Wanneer wij werkelijk in onszelf kijken, zien wij er geen heiligheid in, want de zonde mengt zich in alles wat wij doen. Maar de ogen van God onderscheiden het kostbare van het snode. Hij ziet de zuiverheid van Zijn eigen werk, en Hij kan, wat wij niet kunnen, de werking van de Geest en de werking van het vlees van elkaar onderscheiden. God ziet op wat Zijn eigen Geest inspireert en Zijn genade werkt, en dat neemt Hij als heilig aan.

Aan de lezer…

Er zijn tijden dat de vraag u raakt: wat houdt u nog achter? U bent niet van uzelf, maar duur gekocht; en toch, hoe gemakkelijk geven wij de Heere het kistje en houden het juweel voor onszelf. Misschien vraagt Hij u nu iets op te offeren wat u lief is: een vooruitzicht, een genegenheid, uw naam of uw roem. Zegt uw vlees dan nee, verberg het niet, maar breng ook dat met uw zuchten bij Hem.

En ziet u, wanneer u in uzelf kijkt, in al uw offeren geen heiligheid, omdat de zonde zich in alles mengt? Wees dan niet al te neergeslagen. De ogen van God onderscheiden het kostbare van het snode. Wat Zijn eigen Geest in u werkt en wat uit de liefde van Christus voortkomt, ziet Hij, en dat neemt Hij als heilig aan. Zeg dan met Abraham: „Hier ben ik”, en stel uzelf, lichaam en ziel, in Zijn hand.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina