4 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
11 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
De verborgenheid des Heeren is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken.
Psalm 25:14
„De verborgenheid des Heeren” (dat is, tegenwoordig bezit) „is voor degenen die Hem vrezen; en Hij zal” (dat is, toekomend) „hun Zijn Verbond bekendmaken.” Dit bewijst dat, terwijl al het volk Gods dat Zijn Naam vreest de verborgenheid des Heeren heeft, dat is: een zekere mate dier verborgenheid, Zijn Verbond toch niet tegelijkertijd met de verborgenheid aan hen is bekendgemaakt. De „verborgenheid” is in de tegenwoordige tijd; het „bekendmaken des Verbonds” in de toekomende. Hoe zoet is het dat de Heilige Geest die twee zegeningen onderscheiden heeft!
Indien er bijvoorbeeld stond: „De verborgenheid des Heeren is voor degenen die Hem vrezen, en Hij maakt hun Zijn Verbond bekend”, dan zou dat allicht een twijfelmoedig, wanhopig kind van God doen zeggen: „Hoe kan ik een dergenen zijn die God vrezen? Want er staat: God maakt hun Zijn Verbond bekend, en Hij heeft het mij nog niet bekendgemaakt.” Maar daar het nu in de toekomende tijd staat: „Hij zal hun Zijn Verbond bekendmaken”, neemt het de vorm aan van een belofte, en is het daarom juist geschikt voor hun behoeften.
Dit Verbond is het Verbond dat „voor eeuwig vaststaat”: het eeuwige Verbond der genade, dat vaststaat in de Persoon, in de liefde, het bloed en het werk van Gods Zoon; het Verbond dat door de Drieënige Jehovah voor de uitverkorenen gemaakt was vóór de grondlegging der wereld. Hoe gepast is die grondslag voor een arm, wankelmoedig hart! Wanneer de Heere hun die Hem vrezen dat Verbond bekendmaakt, toont Hij hun dat het alles uit genade is, en dus een tegemoetkoming aan hun onwaardigheid, en overvloediger dan de talloze menigte hunner zonden; dat het nog verder gaat dan de uitdelging dier zonden, en hen behouden in heerlijkheid zal doen aanlanden, omdat God bepaald heeft hen daar te brengen. Niets dan een Verbond van genade is geschikt voor een arme, geoefende ziel die haar hulpeloosheid en onwaardigheid kent, en de Heere toont dit aan hen die Hem vrezen.
Zo hoog zijn troon moog’ boven d’ aarde wezen,
zo groot is ook voor allen, die Hem vrezen,
de gunst, waarmee Hij hen wil gadeslaan.
Ps. 103:6
Aan de lezer…
Zegt u, waarde lezer, in uw hart: „Hoe kan ik een dergenen zijn die God vrezen, want Hij heeft mij Zijn Verbond nog niet bekendgemaakt”? Zie dan hoe teder de Heilige Geest dit woord gesteld heeft. De verborgenheid des Heeren is er nú voor wie Hem vrezen; het bekendmaken van Zijn Verbond is een belofte voor de tijd die komt. U mag dus vrezen en wachten, en toch een kind van God zijn.
Wanneer het de Heere behaagt u dat Verbond te ontdekken, zult u zien dat het alles uit genade is, gegrond in de Persoon, het bloed en het werk van Gods Zoon. Uw onwaardigheid is er geen beletsel voor, en de menigte uwer zonden is niet groter dan de overvloed daarvan. Het is juist geschikt voor een arme, geoefende ziel die haar hulpeloosheid kent. Houd dan vast aan het woord „Hij zal”, en wacht op Hem; Hij zal Zijn belofte niet beschamen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De verborgenheid des Heeren is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken.
Psalm 25:14
„De verborgenheid des Heeren” (dat is: tegenwoordig bezit) „is voor degenen die Hem vrezen; en Hij zal” (dat is: toekomend) „hun Zijn Verbond bekendmaken.” Dit bewijst het volgende. Al het volk van God dat Zijn Naam vreest, heeft de verborgenheid van de Heere, dat wil zeggen: een zekere mate van die verborgenheid. Toch is Zijn Verbond hun niet tegelijk met die verborgenheid bekendgemaakt. De „verborgenheid” staat in de tegenwoordige tijd, het „bekendmaken van het Verbond” in de toekomende tijd. Hoe zoet is het dat de Heilige Geest die twee zegeningen van elkaar onderscheiden heeft!
Stond er bijvoorbeeld: „De verborgenheid des Heeren is voor degenen die Hem vrezen, en Hij maakt hun Zijn Verbond bekend”, dan zou een twijfelend, wanhopig kind van God gemakkelijk zeggen: „Hoe kan ik een dergenen zijn die God vrezen? Want er staat: God maakt hun Zijn Verbond bekend, en Hij heeft het mij nog niet bekendgemaakt.” Maar omdat het nu in de toekomende tijd staat: „Hij zal hun Zijn Verbond bekendmaken”, krijgt het de vorm van een belofte, en daarom past het juist bij wat zij nodig hebben.
Dit Verbond is het Verbond dat „voor eeuwig vaststaat”: het eeuwige Verbond van de genade, dat vaststaat in de Persoon, de liefde, het bloed en het werk van Gods Zoon. Het is het Verbond dat de Drie-enige Jehovah vóór de grondlegging van de wereld voor de uitverkorenen gemaakt heeft. Hoe passend is die grondslag voor een arm, wankelend hart! Wanneer de Heere dat Verbond bekendmaakt aan hen die Hem vrezen, laat Hij hun zien dat het helemaal uit genade is. Het komt dus tegemoet aan hun onwaardigheid en is overvloediger dan de talloze menigte van hun zonden. Het gaat zelfs verder dan het uitwissen van die zonden en zal hen behouden in de heerlijkheid doen aankomen, omdat God besloten heeft hen daar te brengen. Niets dan een Verbond van genade past bij een arme, geoefende ziel die haar hulpeloosheid en onwaardigheid kent, en de Heere laat dit zien aan hen die Hem vrezen.
Zo hoog zijn troon moog’ boven d’ aarde wezen,
zo groot is ook voor allen, die Hem vrezen,
de gunst, waarmee Hij hen wil gadeslaan.
Ps. 103:6
Aan de lezer…
Zegt u in uw hart: „Hoe kan ik een van hen zijn die God vrezen, want Hij heeft mij Zijn Verbond nog niet bekendgemaakt”? Zie dan hoe teder de Heilige Geest dit woord heeft gesteld. De verborgenheid van de Heere is er nú voor wie Hem vrezen; het bekendmaken van Zijn Verbond is een belofte voor de tijd die komt. U mag dus vrezen en wachten, en toch een kind van God zijn.
Wanneer het de Heere behaagt u dat Verbond te ontdekken, zult u zien dat het helemaal uit genade is, gegrond in de Persoon, het bloed en het werk van Gods Zoon. Uw onwaardigheid staat het niet in de weg, en de menigte van uw zonden is niet groter dan de overvloed ervan. Het past juist bij een arme, geoefende ziel die haar hulpeloosheid kent. Houd dan vast aan het woord „Hij zal”, en wacht op Hem; Hij zal Zijn belofte niet beschamen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The secret of the LORD is with them that fear Him; and He will shew them His covenant.
Psalm 25:14
“The secret of the Lord” (that is, present possession) “IS with those who fear Him; and He WILL show them” (that is, something future) “His covenant.” This shows, that while all the people of God, who fear His Name, have the secret with them, that is, a measure of the secret, yet all the people of God have not the covenant revealed to them at the same time with the secret. The “secret” is in the present tense; the “showing of the covenant” is in the future.
It is very sweet to see how the Holy Spirit has discriminated between these blessings. If, for instance, it had run thus, “The secret of the Lord is with those who fear Him, and He shows to them His covenant,” some doubting, desponding child of God might say, “How can I be one of those that fear God? for it says, God shows to them His covenant, and He has not shown it to me yet.” But being put in the future tense, “He will show to them His covenant,” it takes the form of a promise, and so is just adapted and sweetly suited to their needs. This covenant is the covenant that “stands fast for evermore;” the everlasting covenant of grace, which stands in the Person, love, blood, and work of the Son of God; the covenant made by a Triune Jehovah, on behalf of the elect, before the world was.
What a suitable foundation for a poor tottering heart! The Lord in showing this covenant unto those who fear Him, shows them that it is all of grace, and therefore meets all their unworthiness and superabounds over all the aboundings of their sin; that it is more than a match for their aggravated iniquities, and will land them safe in glory, because God has determined to bring them there. Nothing but a covenant of grace can suit a poor tried soul, who knows his helplessness and worthlessness; and the Lord shows this to those who fear Him.
To the reader…
Do you say in your heart, “How can I be one of those who fear God, for He has not yet made His covenant known to me”? Then see how tenderly the Holy Spirit has worded this text. The secret of the Lord is with them that fear Him now; the showing of His covenant is a promise for the time to come. So you may fear and wait, and still be a child of God.
When it pleases the Lord to show you that covenant, you will see that it is all of grace, founded in the Person, the blood, and the work of God’s Son. Your unworthiness does not stand in its way, and the multitude of your sins is not greater than its abundance. It is suited to a poor, exercised soul that knows its own helplessness. Hold fast, then, to the words “He will,” and wait upon Him; He will not put His promise to shame.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El secreto de Jehová es para los que le temen; y á ellos hará conocer su alianza.
Salmo 25:14
“El secreto de Jehová” (es decir, posesión presente) “ES para los que le temen; y á ellos HARÁ conocer” (es decir, algo futuro) “su alianza.” Esto muestra que, mientras todo el pueblo de Dios que teme Su Nombre tiene consigo el secreto, es decir, una medida del secreto, sin embargo no a todo el pueblo de Dios le es revelada la alianza al mismo tiempo que el secreto. El “secreto” está en tiempo presente; el “hacer conocer la alianza” está en futuro.
Es muy dulce ver cómo el Espíritu Santo ha distinguido entre estas bendiciones. Si, por ejemplo, dijera así: “El secreto de Jehová es para los que le temen, y á ellos hace conocer su alianza”, algún hijo de Dios dudoso y abatido podría decir: “¿Cómo puedo ser yo uno de los que temen a Dios? Porque dice que Dios les hace conocer Su alianza, y a mí todavía no me la ha mostrado.” Pero al estar puesto en futuro, “á ellos hará conocer su alianza”, toma la forma de una promesa, y así está justamente adaptado y dulcemente ajustado a sus necesidades. Esta alianza es el pacto que “será firme” para siempre; el pacto eterno de gracia, que consiste en la Persona, el amor, la sangre y la obra del Hijo de Dios; el pacto hecho por un Jehová Trino en favor de los escogidos, antes que el mundo fuese.
¡Qué fundamento tan adecuado para un pobre corazón vacilante! El Señor, al hacer conocer este pacto a los que le temen, les muestra que es todo de gracia, y que por tanto sale al encuentro de toda su indignidad y sobreabunda por encima de toda la abundancia de su pecado; que es más que suficiente para sus agravadas iniquidades, y que los llevará a salvo a la gloria, porque Dios ha determinado llevarlos allí. Nada sino un pacto de gracia puede convenir a una pobre alma probada que conoce su impotencia y su falta de valor; y el Señor muestra esto a los que le temen.
Al lector…
¿Dice usted en su corazón: “¿Cómo puedo ser yo uno de los que temen a Dios, si Él todavía no me ha hecho conocer Su alianza?” Entonces vea con cuánta ternura ha formulado el Espíritu Santo este texto. El secreto de Jehová es para los que le temen ahora; el hacer conocer Su alianza es una promesa para el tiempo venidero. Así pues, usted puede temer y esperar, y aun así ser un hijo de Dios.
Cuando al Señor le plazca mostrarle ese pacto, verá que es todo de gracia, fundado en la Persona, la sangre y la obra del Hijo de Dios. Su indignidad no le estorba, y la multitud de sus pecados no es mayor que su abundancia. Conviene a una pobre alma ejercitada que conoce su propia impotencia. Aférrese, pues, a la palabra “hará”, y espere en Él; Él no avergonzará Su promesa.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Paulus’ afscheidswens
En nu, broeders, ik beveel u Gode, en het Woord Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.
Handelingen 20:32
Heel zorgvuldig moeten we twee punten stevig in ons hart verankeren. Ten eerste: het juiste fundament voor ogen te hebben. „Geloof ik in de Zoon van God? Heb ik een duidelijke visie op het Zoonschap, de Godheid en de ware mensheid van de Christus van God? Heb ik geen verborgen dwaling in mij opgenomen? Verberg ik in mijn hart geen verdorven leer? Is mijn geloofsbelijdenis in orde? Wordt het Woord Gods door mij, zoals God het heeft geopenbaard, ontvangen in een gelovig hart?” Velen vergissen zich wat betreft het fundament zelf.
Dan volgt: „Sta ik op het fundament? Heeft God Zelf mij erop gezet? Heb ik ingezien hoe geschikt het was voor mijn verdwaalde en verloren ziel? Heeft de gezegende Geest van de dingen van Christus genomen en die voor mijn ziel dierbaar gemaakt door een geloofsdaad? Wend ik mij naar Hem toe, ben ik Hem trouw, verlang ik naar Hem, steun ik op Hem, vertrouw ik geheel op Zijn Persoon en werk? Hoe staat het fundament? Bevind ik mij erop?”
De volgende belangrijke vraag is: „Hoe staat de bovenbouw? Heeft de Heilige Geest iets met goddelijke kracht in mijn ziel bewerkstelligd? Het geloof dat ik bezit, is het van God? De hoop die ik heb, geloof ik dat die van de Heere Zelf afkomstig is om mijn ziel in de zware storm te steunen? Mijn berouw, is het oprecht? Mijn belijdenis, is zij eerlijk? Mijn wandel, is hij beginselvast? Mijn geweten, is het gevoelig? Mijn verlangens, zijn zij geestelijk? Mijn gebeden, zijn zij vurig? Mijn hart, is het eerlijk? Mijn ziel, bevindt zij zich recht tegenover God? Wat zie ik als het fundament en wat zie ik als de bovenbouw? Vestig ik al mijn hoop op Christus als de Rots, en mijn hele godsdienst op het werk van de Heilige Geest in mijn hart?”
Als u al deze vragen voor het aangezicht van God kunt beantwoorden met: „Ja, ja, tienmaal ja”, dan is het goed met u. Als u op het fundament staat dat God in Sion heeft gelegd, is het goed met u; het is helemaal goed met u als God de Geest een levend geloof in uw hart heeft aangebracht. Maar het is helemaal verkeerd met u, en wel voor eeuwig, tenzij de Heilige Geest aan uw geweten werkt.
Lezen: Mattheüs 7:15-29
Aan de lezer…
Schrikt u, waarde lezer, terug voor zulke vragen? Durft u uw hart niet zo nauw te onderzoeken, uit vrees dat het antwoord tegen u zal uitvallen? Toch is het een barmhartigheid wanneer de Heere u zo doet vragen. Velen vergissen zich omtrent het fundament zelf; liever nu beproefd dan eeuwig bedrogen. Wie zulke vragen ernstig voor Gods aangezicht legt, is niet onverschillig; het is de Heilige Geest Die zo aan het geweten werkt.
En kunt u geen tienmaal ja zeggen, kunt u misschien wel zuchten: „Heere, Gij weet dat ik op niets anders wil steunen dan op Uw Zoon”? Zie dan van de bovenbouw af naar het fundament dat God Zelf in Sion gelegd heeft. Christus is de Rots, en die Rots wankelt niet. Vraag Hem dat Hij u erop zet, en dat Hij in u bewerkt wat Hij Zelf aanneemt: een levend geloof, een oprecht berouw, een gevoelig geweten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En nu, broeders, ik beveel u Gode, en het Woord Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.
Handelingen 20:32
Heel zorgvuldig moeten we twee punten vast in ons hart verankeren. Ten eerste: dat we het juiste fundament voor ogen hebben. „Geloof ik in de Zoon van God? Heb ik een duidelijke visie op het Zoonschap, de Godheid en de ware mensheid van de Christus van God? Heb ik geen verborgen dwaling in mij opgenomen? Verberg ik in mijn hart geen verdorven leer? Is mijn geloofsbelijdenis in orde? Wordt het Woord Gods door mij, zoals God het heeft geopenbaard, ontvangen in een gelovig hart?” Velen vergissen zich in het fundament zelf.
Dan volgt: „Sta ik op het fundament? Heeft God Zelf mij erop gezet? Heb ik ingezien hoe geschikt het was voor mijn verdwaalde en verloren ziel? Heeft de gezegende Geest van de dingen van Christus genomen en die voor mijn ziel dierbaar gemaakt door een geloofsdaad? Wend ik mij naar Hem toe, ben ik Hem trouw, verlang ik naar Hem, steun ik op Hem, vertrouw ik geheel op Zijn Persoon en werk? Hoe staat het fundament? Bevind ik mij erop?”
De volgende belangrijke vraag is: „Hoe staat de bovenbouw? Heeft de Heilige Geest iets met goddelijke kracht in mijn ziel bewerkstelligd? Het geloof dat ik bezit, is het van God? De hoop die ik heb, geloof ik dat die van de Heere Zelf afkomstig is om mijn ziel in de zware storm te steunen? Mijn berouw, is het oprecht? Mijn belijdenis, is zij eerlijk? Mijn wandel, is hij beginselvast? Mijn geweten, is het gevoelig? Mijn verlangens, zijn zij geestelijk? Mijn gebeden, zijn zij vurig? Mijn hart, is het eerlijk? Mijn ziel, bevindt zij zich recht tegenover God? Wat zie ik als het fundament en wat zie ik als de bovenbouw? Vestig ik al mijn hoop op Christus als de Rots, en mijn hele godsdienst op het werk van de Heilige Geest in mijn hart?”
Als u al deze vragen voor het aangezicht van God kunt beantwoorden met: „Ja, ja, tienmaal ja”, dan is het goed met u. Als u staat op het fundament dat God in Sion gelegd heeft, is het goed met u. Het is helemaal goed met u als God de Geest een levend geloof in uw hart gewerkt heeft. Maar het is helemaal verkeerd met u, en dat voor eeuwig, tenzij de Heilige Geest aan uw geweten werkt.
Lezen: Mattheüs 7:15-29
Aan de lezer…
Schrikt u terug voor zulke vragen? Durft u uw hart niet zo nauwkeurig te onderzoeken, uit vrees dat het antwoord tegen u zal uitvallen? Toch is het een barmhartigheid wanneer de Heere u zulke vragen laat stellen. Velen vergissen zich in het fundament zelf; liever nu beproefd dan eeuwig bedrogen. Wie zulke vragen ernstig voor Gods aangezicht legt, is niet onverschillig; het is de Heilige Geest Die zo aan het geweten werkt.
En kunt u geen tienmaal ja zeggen, maar misschien wel zuchten: „Heere, Gij weet dat ik op niets anders wil steunen dan op Uw Zoon”? Kijk dan van de bovenbouw weg naar het fundament dat God Zelf in Sion gelegd heeft. Christus is de Rots, en die Rots wankelt niet. Vraag Hem of Hij u erop wil zetten, en of Hij in u wil werken wat Hij Zelf aanneemt: een levend geloof, een oprecht berouw, een gevoelig geweten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And now, brethren, I commend you to God, and to the word of His grace, which is able to build you up, and to give you an inheritance among all them which are sanctified.
Acts 20:32
Very carefully we must anchor two points firmly in our hearts. First: that we have the right foundation in view. “Do I believe in the Son of God? Have I a clear view of the Sonship, the Godhead and the true humanity of the Christ of God? Have I not taken some hidden error into me? Am I not concealing some corrupt doctrine in my heart? Is my creed sound? Is the Word of God, as God has revealed it, received by me into a believing heart?” Many are mistaken about the foundation itself.
Then follows: “Am I standing on the foundation? Has God Himself set me upon it? Have I seen how suitable it was for my wandering and lost soul? Has the blessed Spirit taken of the things of Christ and made them precious to my soul by an act of faith? Do I turn to Him, am I faithful to Him, do I long after Him, lean upon Him, trust wholly in His Person and work? How stands the foundation? Am I upon it?”
The next important question is: “How stands the superstructure? Has the Holy Ghost wrought anything with divine power in my soul? The faith that I possess, is it of God? The hope that I have, do I believe it came from the Lord Himself to hold up my soul in the heavy storm? My repentance, is it sincere? My profession, is it honest? My walk, is it consistent? My conscience, is it tender?
“My desires, are they spiritual? My prayers, are they fervent? My heart, is it honest? My soul, does it stand right before God? What do I see as the foundation and what do I see as the superstructure? Do I fix all my hope upon Christ as the Rock, and my whole religion upon the work of the Holy Ghost in my heart?”
If you can answer all these questions before the face of God with “Yes, yes, ten times yes,” then it is well with you. If you stand upon the foundation that God has laid in Zion, it is well with you. It is altogether well with you if God the Spirit has wrought a living faith in your heart. But it is altogether wrong with you, and that for ever, unless the Holy Ghost works upon your conscience.
Reading: Matthew 7:15-29
To the reader…
Do you shrink back from such questions? Do you not dare to search your heart so closely, for fear that the answer will go against you? Yet it is a mercy when the Lord makes you ask such questions. Many are mistaken about the foundation itself; better to be tried now than deceived for ever. Whoever lays such questions earnestly before God’s face is not careless; it is the Holy Ghost Who works so upon the conscience.
And if you cannot say ten times yes, but can perhaps sigh, “Lord, Thou knowest that I would lean on nothing but Thy Son”? Then look away from the superstructure to the foundation that God Himself has laid in Zion. Christ is the Rock, and that Rock does not waver. Ask Him to set you upon it, and to work in you what He Himself accepts: a living faith, a sincere repentance, a tender conscience.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ahora, hermanos, os encomiendo a Dios, y a la palabra de Su gracia: el cual es poderoso para sobreedificar, y daros heredad con todos los santificados.
Hechos 20:32
Con mucho cuidado debemos afirmar dos puntos en nuestro corazón. Primero: que tenemos a la vista el fundamento correcto. “¿Creo en el Hijo de Dios? ¿Tengo una visión clara de la filiación, la Deidad y la verdadera humanidad del Cristo de Dios? ¿No he admitido en mí algún error oculto? ¿No escondo en mi corazón alguna doctrina corrompida? ¿Es sano mi credo? ¿He recibido en un corazón creyente la Palabra de Dios tal como Dios la ha revelado?” Muchos se equivocan en cuanto al fundamento mismo.
Luego sigue: “¿Estoy sobre el fundamento? ¿Me ha puesto Dios mismo sobre él? ¿He visto cuán adecuado era para mi alma errante y perdida? ¿Ha tomado el bendito Espíritu de las cosas de Cristo y las ha hecho preciosas a mi alma por un acto de fe? ¿Me vuelvo a Él, Le soy fiel, anhelo por Él, me apoyo en Él, confío enteramente en Su Persona y obra? ¿Cómo está el fundamento? ¿Estoy yo sobre él?”
La siguiente pregunta importante es: “¿Cómo está el edificio? ¿Ha obrado el Espíritu Santo algo con poder divino en mi alma? La fe que poseo, ¿es de Dios? La esperanza que tengo, ¿creo que vino del Señor mismo para sostener mi alma en la recia tormenta? Mi arrepentimiento, ¿es sincero? Mi profesión, ¿es honrada? Mi andar, ¿es consecuente? Mi conciencia, ¿es tierna?
“Mis deseos, ¿son espirituales? Mis oraciones, ¿son fervientes? Mi corazón, ¿es sincero? Mi alma, ¿está recta delante de Dios? ¿Qué veo como fundamento y qué veo como edificio? ¿Pongo toda mi esperanza en Cristo como la Roca, y toda mi religión en la obra del Espíritu Santo en mi corazón?”
Si puede responder a todas estas preguntas delante del rostro de Dios con “Sí, sí, diez veces sí”, entonces le va bien. Si está sobre el fundamento que Dios ha puesto en Sion, le va bien. Le va enteramente bien si Dios el Espíritu ha obrado una fe viva en su corazón. Pero le va enteramente mal, y eso para siempre, a menos que el Espíritu Santo obre en su conciencia.
Lectura: Mateo 7:15-29
Al lector…
¿Retrocede usted ante tales preguntas? ¿No se atreve a escudriñar su corazón tan de cerca, por temor a que la respuesta le sea contraria? Sin embargo, es una misericordia que el Señor le haga hacer tales preguntas. Muchos se equivocan en cuanto al fundamento mismo; mejor ser probado ahora que engañado para siempre. Quien presenta tales preguntas con seriedad delante del rostro de Dios no es descuidado; es el Espíritu Santo Quien obra así en la conciencia.
¿Y si no puede decir diez veces sí, pero quizá puede suspirar: “Señor, Tú sabes que no quisiera apoyarme en nada sino en Tu Hijo”? Entonces aparte la mirada del edificio y diríjala al fundamento que Dios mismo ha puesto en Sion. Cristo es la Roca, y esa Roca no vacila. Pídale que le ponga sobre ella, y que obre en usted lo que Él mismo acepta: una fe viva, un arrepentimiento sincero, una conciencia tierna.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst.
Romeinen 12:1
Indien de Zoon van God ons verlost heeft door Zijn bloed, dan behoort al wat wij zijn en hebben Hem toe; ons lichaam, onze ziel en geest behoren Hem. Niets is ons eigendom; wij zijn door een dure prijs gekocht. Door het afleggen van Zijn dierbaar leven voor ons heeft Hij ons verlost tot Zichzelf, opdat wij Hem tot een bijzonder volk zouden zijn, en Hem niet alleen de kalveren onzer lippen zouden opofferen, maar Hem ons lichaam, onze ziel, onze geest, geheel ons vermogen, ja zelfs ons leven zouden geven; al wat wij zijn en hebben behoort Hem krachtens Zijn soeverein recht. Hij heeft er recht op, daar Hij niet alleen onze Schepper, maar ook onze Verlosser is, Die ons gekocht heeft door Zijn dierbaar bloed. Wanneer wij Zijn genade warm in onze ziel gevoelen, kunnen wij dan ons lichaam en onze ziel Hem onthouden?
Let eens op Abraham. Toen God hem riep en zei: „Abraham!”, wat was zijn antwoord? „Hier ben ik.” Hier is mijn lichaam, hier is mijn ziel, hier is mijn alles; hier is mijn vrouw en mijn zoon, het is alles te Uwer beschikking. Wat zal ik doen, Heere? Neem ze, ze zijn allen de Uwe. Gij hebt er recht op en Gij moet met hen doen zoals het recht is in Uw ogen.
Onder deze indrukken dan moeten wij onze lichamen in Zijn hand stellen en onze zielen niet achterhouden. Want wat is de doos zonder het juweel? Wat is het lichaam zonder de ziel? Zal de Heere het lichaam aannemen als de ziel achterwege blijft? Het is papisterij, het lichaam te geven en de ziel achter te houden. Zo is het niet met het volk van God. Zij bieden hun lichaam aan, maar met hun lichaam ook de ziel die in het lichaam huist: het lichaam met zijn inwoner, de juweeldoos met de juwelen erin.
Maar wat is het, het lichaam aan te bieden? Zij moeten het stellen als een levende offerande. De Heere neemt geen dode offeranden aan. Gij herinnert u dat onder de Joodse wet de offerande een levend dier moest zijn, en dat zonder enig gebrek. Geen dood lam of bokje, maar een levend dier, volmaakt in zijn soort, moest als slachtoffer geofferd worden. Zo ook moet het, als wij onze lichamen de Heere geven, een levende offerande zijn.
Het mag wel eens gevraagd worden: wat hebben wij voor de zaak Gods geofferd? Worden wij geroepen ons bezit, onze afgoden, genegenheden, naam, onze roem en wereldse belangen op te offeren, en hebben wij aan deze roepstemmen gehoor gegeven? Abraham offerde Izak niet totdat de Heere hem riep dit te doen, doch toen de Heere hem daartoe geroepen had, gaf hij direct aan deze roepstem gehoor. Evenzo behoorde het te zijn met degenen die wandelen in de voetstappen van de gelovige Abraham. Indien zij geroepen worden, gelijk zij allen vroeger of later geroepen worden, om offeranden op te offeren, dan behoren zij daaraan gevolg te geven.
Welnu, in het stellen van onze lichamen tot een levende offerande stellen wij die ook tot een heilige offerande, omdat hetgeen in het geloof gedaan wordt, door God wordt aangenomen als geheiligd door Zijn Geest. Indien wij offerande doen zonder het werk van de gezegende Geest in ons hart, dan is het een dode offerande. De mannen gaan in monnikenkloosters en verschalkte vrouwen in nonnenkloosters; zij worden zusters der barmhartigheid en wat niet al meer, en zij offeren hun lichamen als een offerande Gode; maar dit is geen levende offerande, omdat er geen geestelijk leven is, noch in de offeraarster, noch in het offer.
Doch wanneer wij onze warmste genegenheden, onze vooruitzichten in dit leven, alles wat het vlees bemint, opofferen omdat het Evangelie dit van onze handen vordert, en wij doen dit omdat de liefde van Christus ons dringt, dan is dit een levende offerande, en zij is heilig, omdat zij ontspringt uit de heiligende invloeden en bewerkingen van de Heilige Geest. Wanneer wij in waarheid in onszelf blikken, zien wij er geen heiligheid in, want de zonde mengt zich in alles wat wij betrachten; maar de ogen Gods onderscheiden het kostelijke van het snode. Hij aanschouwt de zuiverheid van Zijn eigen werk, en Hij kan, wat wij niet kunnen, de werking van de Geest en de werking van het vlees onderscheiden. God ziet op hetgeen Zijn eigen Geest inspireert en Zijn genade werkt, en dit neemt Hij als heilig aan.
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat de vraag u raakt: wat houdt u nog achter? U bent niet uw eigen, maar door een dure prijs gekocht; en toch, hoe gemakkelijk geven wij de Heere de doos en houden het juweel voor onszelf. Misschien vraagt Hij u nu iets op te offeren dat u lief is: een vooruitzicht, een genegenheid, uw naam of uw roem. Zegt uw vlees dan nee, verberg het niet, maar breng ook dat met uw zuchten bij Hem.
En ziet u, wanneer u in uzelf blikt, in al uw offeren geen heiligheid, omdat de zonde zich in alles mengt? Wees dan niet al te neergeslagen. De ogen Gods onderscheiden het kostelijke van het snode. Wat Zijn eigen Geest in u werkt en wat uit de liefde van Christus voortkomt, ziet Hij, en dat neemt Hij als heilig aan. Zeg dan met Abraham: „Hier ben ik”, en stel uzelf, lichaam en ziel, in Zijn hand.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst.
Romeinen 12:1
Als de Zoon van God ons verlost heeft door Zijn bloed, dan behoort alles wat wij zijn en hebben Hem toe; ons lichaam, onze ziel en onze geest behoren Hem. Niets is ons eigendom; wij zijn duur gekocht. Door Zijn dierbaar leven voor ons af te leggen heeft Hij ons voor Zichzelf verlost, zodat wij een bijzonder volk voor Hem zouden zijn. Wij zouden Hem niet alleen de kalveren van onze lippen offeren, maar Hem ons lichaam, onze ziel, onze geest, al ons vermogen, ja zelfs ons leven geven; alles wat wij zijn en hebben behoort Hem op grond van Zijn soeverein recht. Hij heeft er recht op, omdat Hij niet alleen onze Schepper is, maar ook onze Verlosser, Die ons gekocht heeft met Zijn dierbaar bloed. Wanneer wij Zijn genade warm in onze ziel voelen, kunnen wij Hem dan ons lichaam en onze ziel onthouden?
Let eens op Abraham. Toen God hem riep en zei: „Abraham!”, wat was zijn antwoord? „Hier ben ik.” Hier is mijn lichaam, hier is mijn ziel, hier is mijn alles; hier is mijn vrouw en mijn zoon, het staat allemaal tot Uw beschikking. Wat zal ik doen, Heere? Neem ze, ze zijn allemaal van U. U hebt er recht op en U moet met hen doen wat goed is in Uw ogen.
Onder deze indrukken moeten wij dan onze lichamen in Zijn hand stellen en onze zielen niet achterhouden. Want wat is het kistje zonder het juweel? Wat is het lichaam zonder de ziel? Zal de Heere het lichaam aannemen als de ziel achterblijft? Het lichaam geven en de ziel achterhouden is papisterij. Zo is het niet met het volk van God. Zij bieden hun lichaam aan, maar met hun lichaam ook de ziel die in het lichaam woont: het lichaam met zijn bewoner, het juwelenkistje met de juwelen erin.
Maar wat houdt het in om het lichaam aan te bieden? Zij moeten het stellen als een levende offerande. De Heere neemt geen dode offers aan. U herinnert zich dat onder de Joodse wet het offer een levend dier moest zijn, en dat zonder enig gebrek. Geen dood lam of bokje, maar een levend dier, volmaakt in zijn soort, moest als slachtoffer geofferd worden. Zo moet het ook een levende offerande zijn als wij onze lichamen aan de Heere geven.
De vraag mag wel eens gesteld worden: wat hebben wij voor de zaak van God geofferd? Worden wij geroepen ons bezit, onze afgoden, genegenheden, naam, roem en wereldse belangen op te offeren, en hebben wij aan die roepstemmen gehoor gegeven? Abraham offerde Izak niet totdat de Heere hem riep dit te doen; maar toen de Heere hem daartoe geroepen had, gaf hij meteen gehoor aan die roepstem. Zo behoort het ook te zijn met hen die wandelen in de voetstappen van de gelovige Abraham. Als zij geroepen worden, zoals zij vroeg of laat allemaal geroepen worden, om offers te brengen, dan behoren zij daaraan gehoor te geven.
Welnu, door onze lichamen te stellen tot een levende offerande, stellen wij ze ook tot een heilige offerande, omdat wat in het geloof gedaan wordt, door God wordt aangenomen als geheiligd door Zijn Geest. Als wij offeren zonder het werk van de gezegende Geest in ons hart, dan is het een dood offer. Mannen gaan in monnikenkloosters en misleide vrouwen in nonnenkloosters; zij worden zusters van barmhartigheid en wat niet al, en zij offeren hun lichamen als een offer aan God. Maar dat is geen levende offerande, omdat er geen geestelijk leven is, niet in degene die offert en niet in het offer.
Maar wanneer wij onze warmste genegenheden, onze vooruitzichten in dit leven, alles waar het vlees van houdt, opofferen omdat het Evangelie dat van ons vraagt, en wij dat doen omdat de liefde van Christus ons dringt, dan is dat een levende offerande. En zij is heilig, omdat zij voortkomt uit de heiligende invloeden en werkingen van de Heilige Geest. Wanneer wij werkelijk in onszelf kijken, zien wij er geen heiligheid in, want de zonde mengt zich in alles wat wij doen. Maar de ogen van God onderscheiden het kostbare van het snode. Hij ziet de zuiverheid van Zijn eigen werk, en Hij kan, wat wij niet kunnen, de werking van de Geest en de werking van het vlees van elkaar onderscheiden. God ziet op wat Zijn eigen Geest inspireert en Zijn genade werkt, en dat neemt Hij als heilig aan.
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat de vraag u raakt: wat houdt u nog achter? U bent niet van uzelf, maar duur gekocht; en toch, hoe gemakkelijk geven wij de Heere het kistje en houden het juweel voor onszelf. Misschien vraagt Hij u nu iets op te offeren wat u lief is: een vooruitzicht, een genegenheid, uw naam of uw roem. Zegt uw vlees dan nee, verberg het niet, maar breng ook dat met uw zuchten bij Hem.
En ziet u, wanneer u in uzelf kijkt, in al uw offeren geen heiligheid, omdat de zonde zich in alles mengt? Wees dan niet al te neergeslagen. De ogen van God onderscheiden het kostbare van het snode. Wat Zijn eigen Geest in u werkt en wat uit de liefde van Christus voortkomt, ziet Hij, en dat neemt Hij als heilig aan. Zeg dan met Abraham: „Hier ben ik”, en stel uzelf, lichaam en ziel, in Zijn hand.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I beseech you therefore, brethren, by the mercies of God, that ye present your bodies a living sacrifice, holy, acceptable unto God, which is your reasonable service.
Romans 12:1
If the Son of God has redeemed us by His blood, all that we are and have belongs to Him; our body, soul, and spirit are His. Nothing is our own; we are bought with a price. In laying down His precious life for us, He has redeemed us unto Himself, that we should be His peculiar people, and not only render to Him the calves of our lips, but give Him body, soul, spirit, substance, life itself; all that we are and have being His by sovereign right. He lays claim to them all, not only as our Creator, but as our Redeemer, having bought them by His precious blood.
When we feel His mercy warm in our soul, can we keep body or soul back? Look at Abraham. When God called to him, and said, “Abraham!” what was his answer? “Here I am—Here is my body, here is my soul, here is my substance, here is my wife, here is my son; all are at your disposal. What shall I do, Lord? Take them; they are all yours. You have a right to them, and you must do with them, and you must do with me, what seems good in your sight.”
Under these feelings, then, we should “present our bodies,” not, indeed, leaving our souls behind. For what is the casket without the jewel? What is the body without the soul? Will God accept the body if the soul be left behind? That is popery; to give the body, and keep back the soul. Not so with the dear family of God; they present their bodies, but with their bodies they present the soul that lodges in their body—the house with its tenant, the jewel-case with the jewels in it.
But what is it to present their bodies? They must be presented as “a living sacrifice.” God accepts no dead sacrifices. You will recollect, under the Jewish law the sacrifice was to be a living animal, and that without spot or blemish. No dead lamb, but a living animal, perfect in its kind, was to be the victim sacrificed. So if we are to present our bodies, there must be “a living sacrifice.”
It may well be asked, What have we sacrificed for the Lord’s sake? Have we been called upon to sacrifice our property, prospects, idols, affections, name, fame, and worldly interests; and have we obeyed the call? Abraham did not offer Isaac until the voice of the Lord called him to make the sacrifice; but when the Lord called him to do so, Abraham at once rendered obedience to the voice. So must it be with those that walk in the steps of faithful Abraham. If they are called upon, as all are, sooner or later, to make sacrifices, those sacrifices they must make.
Now, in thus presenting our bodies “a living sacrifice,” it becomes also a “holy” offering, because what is done in faith is accepted by God as being sanctified by His blessed Spirit. If we make a sacrifice without the blessed Spirit’s operation upon our heart, it is a dead sacrifice. Men go into monasteries, deluded women enter convents, become sisters of mercy, and what not, offer their bodies a sacrifice to God, but it is not a living sacrifice, because there is no spiritual life in either offerer or offering. But when we sacrifice our warmest affections, our prospects in life, everything that flesh loves, because the gospel claims it at our hands, and we do it through the constraining love of Christ, that is a living sacrifice, and is “holy,” because springing out of the sanctifying influences and operations of the Holy Spirit.
We indeed, looking at ourselves, see nothing holy in it, for sin is mingled with all we do, but God’s eye discerns the precious from the vile. He sees the purity of His own work; and He can separate what we cannot, the acting of the spirit and the working of the flesh. God looks at that which His own Spirit inspires, and His own grace produces, and He accepts that as holy.
To the reader…
There are times when the question touches you: what are you still holding back? You are not your own, but bought with a price; and yet how easily we give the Lord the casket and keep the jewel for ourselves. Perhaps He is now asking you to sacrifice something dear to you: a prospect, an affection, your name or your fame. If your flesh then says no, do not hide it, but bring that too to Him with your sighs.
And when you look into yourself, do you see no holiness in all your offering, because sin mingles with everything? Then do not be too cast down. God’s eye discerns the precious from the vile. What His own Spirit works in you and what springs from the love of Christ, He sees, and He accepts it as holy. Say, then, with Abraham, “Here I am,” and place yourself, body and soul, in His hand.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Así que, hermanos, os ruego por las misericordias de Dios, que presentéis vuestros cuerpos en sacrificio vivo, santo, agradable a Dios, que es vuestro racional culto.
Romanos 12:1
Si el Hijo de Dios nos ha redimido con Su sangre, todo lo que somos y tenemos le pertenece; nuestro cuerpo, alma y espíritu son Suyos. Nada es nuestro; hemos sido comprados por precio. Al entregar Su preciosa vida por nosotros, nos ha redimido para Sí, para que seamos Su pueblo propio, y no solo le ofrezcamos los becerros de nuestros labios, sino que le demos cuerpo, alma, espíritu, bienes y aun la vida misma; siendo todo lo que somos y tenemos Suyo por derecho soberano. Él lo reclama todo, no solo como nuestro Creador, sino como nuestro Redentor, habiéndolo comprado con Su preciosa sangre.
Cuando sentimos Su misericordia cálida en nuestra alma, ¿podemos retener el cuerpo o el alma? Mire a Abraham. Cuando Dios le llamó y le dijo: “¡Abraham!”, ¿cuál fue su respuesta? “Heme aquí. Aquí está mi cuerpo, aquí está mi alma, aquí están mis bienes, aquí está mi mujer, aquí está mi hijo; todo está a Tu disposición. ¿Qué haré, Señor? Tómalos; todos son Tuyos. Tú tienes derecho a ellos, y has de hacer con ellos, y has de hacer conmigo, lo que bien te parezca.”
Bajo estos sentimientos, pues, debemos “presentar nuestros cuerpos”, sin dejar atrás, por cierto, nuestras almas. Porque ¿qué es el cofre sin la joya? ¿Qué es el cuerpo sin el alma? ¿Aceptará Dios el cuerpo si se deja atrás el alma? Eso es papismo: dar el cuerpo y retener el alma. No así la amada familia de Dios; ellos presentan sus cuerpos, pero con sus cuerpos presentan el alma que mora en su cuerpo: la casa con su inquilino, el joyero con las joyas dentro.
Pero ¿qué es presentar sus cuerpos? Deben ser presentados como “sacrificio vivo”. Dios no acepta sacrificios muertos. Recordará usted que bajo la ley judía el sacrificio había de ser un animal vivo, y eso sin mancha ni defecto. No un cordero muerto, sino un animal vivo, perfecto en su especie, había de ser la víctima sacrificada. Así, si hemos de presentar nuestros cuerpos, ha de haber “sacrificio vivo”.
Bien puede preguntarse: ¿Qué hemos sacrificado por amor del Señor? ¿Hemos sido llamados a sacrificar nuestros bienes, perspectivas, ídolos, afectos, nombre, fama e intereses mundanos, y hemos obedecido el llamamiento? Abraham no ofreció a Isaac hasta que la voz del Señor le llamó a hacer el sacrificio; pero cuando el Señor le llamó a hacerlo, Abraham obedeció de inmediato a la voz. Así ha de ser con los que andan en las pisadas del fiel Abraham. Si son llamados, como todos lo son tarde o temprano, a hacer sacrificios, esos sacrificios han de hacerlos.
Ahora bien, al presentar así nuestros cuerpos en “sacrificio vivo”, este se convierte también en una ofrenda “santa”, porque lo que se hace en fe es aceptado por Dios como santificado por Su bendito Espíritu. Si hacemos un sacrificio sin la operación del bendito Espíritu en nuestro corazón, es un sacrificio muerto. Hay hombres que entran en monasterios, mujeres engañadas que entran en conventos, se hacen hermanas de la caridad y qué sé yo, y ofrecen sus cuerpos en sacrificio a Dios; pero no es un sacrificio vivo, porque no hay vida espiritual ni en el oferente ni en la ofrenda. Pero cuando sacrificamos nuestros afectos más cálidos, nuestras perspectivas en la vida, todo lo que la carne ama, porque el evangelio lo reclama de nuestras manos, y lo hacemos por el amor constreñidor de Cristo, eso es un sacrificio vivo, y es “santo”, porque brota de las influencias y operaciones santificadoras del Espíritu Santo.
Nosotros, por cierto, mirándonos a nosotros mismos, no vemos nada santo en ello, porque el pecado se mezcla con todo lo que hacemos; pero el ojo de Dios discierne lo precioso de lo vil. Él ve la pureza de Su propia obra; y puede separar lo que nosotros no podemos: la acción del espíritu y la obra de la carne. Dios mira aquello que Su propio Espíritu inspira y Su propia gracia produce, y lo acepta como santo.
Al lector…
Hay momentos en que le toca la pregunta: ¿qué está usted reteniendo todavía? No es usted suyo, sino comprado por precio; y sin embargo, con qué facilidad damos al Señor el cofre y guardamos la joya para nosotros. Quizá Él le pide ahora que sacrifique algo que le es querido: una perspectiva, un afecto, su nombre o su fama. Si su carne dice entonces que no, no lo oculte, sino llévele también eso a Él con sus suspiros.
Y cuando mira dentro de sí, ¿no ve santidad alguna en toda su ofrenda, porque el pecado se mezcla con todo? Entonces no se abata demasiado. El ojo de Dios discierne lo precioso de lo vil. Lo que Su propio Espíritu obra en usted y lo que brota del amor de Cristo, Él lo ve, y lo acepta como santo. Diga, pues, con Abraham: “Heme aquí”, y póngase, cuerpo y alma, en Su mano.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl