September 17
Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst.
Romeinen 12:1
Indien de Zoon van God ons verlost heeft door Zijn bloed, dan behoort al wat wij zijn en hebben Hem toe; ons lichaam, onze ziel en geest behoren Hem. Niets is ons eigendom; wij zijn door een dure prijs gekocht. Door het afleggen van Zijn dierbaar leven voor ons heeft Hij ons verlost tot Zichzelf, opdat wij Hem tot een bijzonder volk zouden zijn, en Hem niet alleen de kalveren onzer lippen zouden opofferen, maar Hem ons lichaam, onze ziel, onze geest, geheel ons vermogen, ja zelfs ons leven zouden geven; al wat wij zijn en hebben behoort Hem krachtens Zijn soeverein recht. Hij heeft er recht op, daar Hij niet alleen onze Schepper, maar ook onze Verlosser is, Die ons gekocht heeft door Zijn dierbaar bloed. Wanneer wij Zijn genade warm in onze ziel gevoelen, kunnen wij dan ons lichaam en onze ziel Hem onthouden?
Let eens op Abraham. Toen God hem riep en zei: „Abraham!”, wat was zijn antwoord? „Hier ben ik.” Hier is mijn lichaam, hier is mijn ziel, hier is mijn alles; hier is mijn vrouw en mijn zoon, het is alles te Uwer beschikking. Wat zal ik doen, Heere? Neem ze, ze zijn allen de Uwe. Gij hebt er recht op en Gij moet met hen doen zoals het recht is in Uw ogen.
Onder deze indrukken dan moeten wij onze lichamen in Zijn hand stellen en onze zielen niet achterhouden. Want wat is de doos zonder het juweel? Wat is het lichaam zonder de ziel? Zal de Heere het lichaam aannemen als de ziel achterwege blijft? Het is papisterij, het lichaam te geven en de ziel achter te houden. Zo is het niet met het volk van God. Zij bieden hun lichaam aan, maar met hun lichaam ook de ziel die in het lichaam huist: het lichaam met zijn inwoner, de juweeldoos met de juwelen erin.
Maar wat is het, het lichaam aan te bieden? Zij moeten het stellen als een levende offerande. De Heere neemt geen dode offeranden aan. Gij herinnert u dat onder de Joodse wet de offerande een levend dier moest zijn, en dat zonder enig gebrek. Geen dood lam of bokje, maar een levend dier, volmaakt in zijn soort, moest als slachtoffer geofferd worden. Zo ook moet het, als wij onze lichamen de Heere geven, een levende offerande zijn.
Het mag wel eens gevraagd worden: wat hebben wij voor de zaak Gods geofferd? Worden wij geroepen ons bezit, onze afgoden, genegenheden, naam, onze roem en wereldse belangen op te offeren, en hebben wij aan deze roepstemmen gehoor gegeven? Abraham offerde Izak niet totdat de Heere hem riep dit te doen, doch toen de Heere hem daartoe geroepen had, gaf hij direct aan deze roepstem gehoor. Evenzo behoorde het te zijn met degenen die wandelen in de voetstappen van de gelovige Abraham. Indien zij geroepen worden, gelijk zij allen vroeger of later geroepen worden, om offeranden op te offeren, dan behoren zij daaraan gevolg te geven.
Welnu, in het stellen van onze lichamen tot een levende offerande stellen wij die ook tot een heilige offerande, omdat hetgeen in het geloof gedaan wordt, door God wordt aangenomen als geheiligd door Zijn Geest. Indien wij offerande doen zonder het werk van de gezegende Geest in ons hart, dan is het een dode offerande. De mannen gaan in monnikenkloosters en verschalkte vrouwen in nonnenkloosters; zij worden zusters der barmhartigheid en wat niet al meer, en zij offeren hun lichamen als een offerande Gode; maar dit is geen levende offerande, omdat er geen geestelijk leven is, noch in de offeraarster, noch in het offer.
Doch wanneer wij onze warmste genegenheden, onze vooruitzichten in dit leven, alles wat het vlees bemint, opofferen omdat het Evangelie dit van onze handen vordert, en wij doen dit omdat de liefde van Christus ons dringt, dan is dit een levende offerande, en zij is heilig, omdat zij ontspringt uit de heiligende invloeden en bewerkingen van de Heilige Geest. Wanneer wij in waarheid in onszelf blikken, zien wij er geen heiligheid in, want de zonde mengt zich in alles wat wij betrachten; maar de ogen Gods onderscheiden het kostelijke van het snode. Hij aanschouwt de zuiverheid van Zijn eigen werk, en Hij kan, wat wij niet kunnen, de werking van de Geest en de werking van het vlees onderscheiden. God ziet op hetgeen Zijn eigen Geest inspireert en Zijn genade werkt, en dit neemt Hij als heilig aan.
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat de vraag u raakt: wat houdt u nog achter? U bent niet uw eigen, maar door een dure prijs gekocht; en toch, hoe gemakkelijk geven wij de Heere de doos en houden het juweel voor onszelf. Misschien vraagt Hij u nu iets op te offeren dat u lief is: een vooruitzicht, een genegenheid, uw naam of uw roem. Zegt uw vlees dan nee, verberg het niet, maar breng ook dat met uw zuchten bij Hem.
En ziet u, wanneer u in uzelf blikt, in al uw offeren geen heiligheid, omdat de zonde zich in alles mengt? Wees dan niet al te neergeslagen. De ogen Gods onderscheiden het kostelijke van het snode. Wat Zijn eigen Geest in u werkt en wat uit de liefde van Christus voortkomt, ziet Hij, en dat neemt Hij als heilig aan. Zeg dan met Abraham: „Hier ben ik”, en stel uzelf, lichaam en ziel, in Zijn hand.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst.
Romeinen 12:1
Als de Zoon van God ons verlost heeft door Zijn bloed, dan behoort alles wat wij zijn en hebben Hem toe; ons lichaam, onze ziel en onze geest behoren Hem. Niets is ons eigendom; wij zijn duur gekocht. Door Zijn dierbaar leven voor ons af te leggen heeft Hij ons voor Zichzelf verlost, zodat wij een bijzonder volk voor Hem zouden zijn. Wij zouden Hem niet alleen de kalveren van onze lippen offeren, maar Hem ons lichaam, onze ziel, onze geest, al ons vermogen, ja zelfs ons leven geven; alles wat wij zijn en hebben behoort Hem op grond van Zijn soeverein recht. Hij heeft er recht op, omdat Hij niet alleen onze Schepper is, maar ook onze Verlosser, Die ons gekocht heeft met Zijn dierbaar bloed. Wanneer wij Zijn genade warm in onze ziel voelen, kunnen wij Hem dan ons lichaam en onze ziel onthouden?
Let eens op Abraham. Toen God hem riep en zei: „Abraham!”, wat was zijn antwoord? „Hier ben ik.” Hier is mijn lichaam, hier is mijn ziel, hier is mijn alles; hier is mijn vrouw en mijn zoon, het staat allemaal tot Uw beschikking. Wat zal ik doen, Heere? Neem ze, ze zijn allemaal van U. U hebt er recht op en U moet met hen doen wat goed is in Uw ogen.
Onder deze indrukken moeten wij dan onze lichamen in Zijn hand stellen en onze zielen niet achterhouden. Want wat is het kistje zonder het juweel? Wat is het lichaam zonder de ziel? Zal de Heere het lichaam aannemen als de ziel achterblijft? Het lichaam geven en de ziel achterhouden is papisterij. Zo is het niet met het volk van God. Zij bieden hun lichaam aan, maar met hun lichaam ook de ziel die in het lichaam woont: het lichaam met zijn bewoner, het juwelenkistje met de juwelen erin.
Maar wat houdt het in om het lichaam aan te bieden? Zij moeten het stellen als een levende offerande. De Heere neemt geen dode offers aan. U herinnert zich dat onder de Joodse wet het offer een levend dier moest zijn, en dat zonder enig gebrek. Geen dood lam of bokje, maar een levend dier, volmaakt in zijn soort, moest als slachtoffer geofferd worden. Zo moet het ook een levende offerande zijn als wij onze lichamen aan de Heere geven.
De vraag mag wel eens gesteld worden: wat hebben wij voor de zaak van God geofferd? Worden wij geroepen ons bezit, onze afgoden, genegenheden, naam, roem en wereldse belangen op te offeren, en hebben wij aan die roepstemmen gehoor gegeven? Abraham offerde Izak niet totdat de Heere hem riep dit te doen; maar toen de Heere hem daartoe geroepen had, gaf hij meteen gehoor aan die roepstem. Zo behoort het ook te zijn met hen die wandelen in de voetstappen van de gelovige Abraham. Als zij geroepen worden, zoals zij vroeg of laat allemaal geroepen worden, om offers te brengen, dan behoren zij daaraan gehoor te geven.
Welnu, door onze lichamen te stellen tot een levende offerande, stellen wij ze ook tot een heilige offerande, omdat wat in het geloof gedaan wordt, door God wordt aangenomen als geheiligd door Zijn Geest. Als wij offeren zonder het werk van de gezegende Geest in ons hart, dan is het een dood offer. Mannen gaan in monnikenkloosters en misleide vrouwen in nonnenkloosters; zij worden zusters van barmhartigheid en wat niet al, en zij offeren hun lichamen als een offer aan God. Maar dat is geen levende offerande, omdat er geen geestelijk leven is, niet in degene die offert en niet in het offer.
Maar wanneer wij onze warmste genegenheden, onze vooruitzichten in dit leven, alles waar het vlees van houdt, opofferen omdat het Evangelie dat van ons vraagt, en wij dat doen omdat de liefde van Christus ons dringt, dan is dat een levende offerande. En zij is heilig, omdat zij voortkomt uit de heiligende invloeden en werkingen van de Heilige Geest. Wanneer wij werkelijk in onszelf kijken, zien wij er geen heiligheid in, want de zonde mengt zich in alles wat wij doen. Maar de ogen van God onderscheiden het kostbare van het snode. Hij ziet de zuiverheid van Zijn eigen werk, en Hij kan, wat wij niet kunnen, de werking van de Geest en de werking van het vlees van elkaar onderscheiden. God ziet op wat Zijn eigen Geest inspireert en Zijn genade werkt, en dat neemt Hij als heilig aan.
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat de vraag u raakt: wat houdt u nog achter? U bent niet van uzelf, maar duur gekocht; en toch, hoe gemakkelijk geven wij de Heere het kistje en houden het juweel voor onszelf. Misschien vraagt Hij u nu iets op te offeren wat u lief is: een vooruitzicht, een genegenheid, uw naam of uw roem. Zegt uw vlees dan nee, verberg het niet, maar breng ook dat met uw zuchten bij Hem.
En ziet u, wanneer u in uzelf kijkt, in al uw offeren geen heiligheid, omdat de zonde zich in alles mengt? Wees dan niet al te neergeslagen. De ogen van God onderscheiden het kostbare van het snode. Wat Zijn eigen Geest in u werkt en wat uit de liefde van Christus voortkomt, ziet Hij, en dat neemt Hij als heilig aan. Zeg dan met Abraham: „Hier ben ik”, en stel uzelf, lichaam en ziel, in Zijn hand.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I beseech you therefore, brethren, by the mercies of God, that ye present your bodies a living sacrifice, holy, acceptable unto God, which is your reasonable service.
Romans 12:1
If the Son of God has redeemed us by His blood, all that we are and have belongs to Him; our body, soul, and spirit are His. Nothing is our own; we are bought with a price. In laying down His precious life for us, He has redeemed us unto Himself, that we should be His peculiar people, and not only render to Him the calves of our lips, but give Him body, soul, spirit, substance, life itself; all that we are and have being His by sovereign right. He lays claim to them all, not only as our Creator, but as our Redeemer, having bought them by His precious blood.
When we feel His mercy warm in our soul, can we keep body or soul back? Look at Abraham. When God called to him, and said, “Abraham!” what was his answer? “Here I am—Here is my body, here is my soul, here is my substance, here is my wife, here is my son; all are at your disposal. What shall I do, Lord? Take them; they are all yours. You have a right to them, and you must do with them, and you must do with me, what seems good in your sight.”
Under these feelings, then, we should “present our bodies,” not, indeed, leaving our souls behind. For what is the casket without the jewel? What is the body without the soul? Will God accept the body if the soul be left behind? That is popery; to give the body, and keep back the soul. Not so with the dear family of God; they present their bodies, but with their bodies they present the soul that lodges in their body—the house with its tenant, the jewel-case with the jewels in it.
But what is it to present their bodies? They must be presented as “a living sacrifice.” God accepts no dead sacrifices. You will recollect, under the Jewish law the sacrifice was to be a living animal, and that without spot or blemish. No dead lamb, but a living animal, perfect in its kind, was to be the victim sacrificed. So if we are to present our bodies, there must be “a living sacrifice.”
It may well be asked, What have we sacrificed for the Lord’s sake? Have we been called upon to sacrifice our property, prospects, idols, affections, name, fame, and worldly interests; and have we obeyed the call? Abraham did not offer Isaac until the voice of the Lord called him to make the sacrifice; but when the Lord called him to do so, Abraham at once rendered obedience to the voice. So must it be with those that walk in the steps of faithful Abraham. If they are called upon, as all are, sooner or later, to make sacrifices, those sacrifices they must make.
Now, in thus presenting our bodies “a living sacrifice,” it becomes also a “holy” offering, because what is done in faith is accepted by God as being sanctified by His blessed Spirit. If we make a sacrifice without the blessed Spirit’s operation upon our heart, it is a dead sacrifice. Men go into monasteries, deluded women enter convents, become sisters of mercy, and what not, offer their bodies a sacrifice to God, but it is not a living sacrifice, because there is no spiritual life in either offerer or offering. But when we sacrifice our warmest affections, our prospects in life, everything that flesh loves, because the gospel claims it at our hands, and we do it through the constraining love of Christ, that is a living sacrifice, and is “holy,” because springing out of the sanctifying influences and operations of the Holy Spirit.
We indeed, looking at ourselves, see nothing holy in it, for sin is mingled with all we do, but God’s eye discerns the precious from the vile. He sees the purity of His own work; and He can separate what we cannot, the acting of the spirit and the working of the flesh. God looks at that which His own Spirit inspires, and His own grace produces, and He accepts that as holy.
To the reader…
There are times when the question touches you: what are you still holding back? You are not your own, but bought with a price; and yet how easily we give the Lord the casket and keep the jewel for ourselves. Perhaps He is now asking you to sacrifice something dear to you: a prospect, an affection, your name or your fame. If your flesh then says no, do not hide it, but bring that too to Him with your sighs.
And when you look into yourself, do you see no holiness in all your offering, because sin mingles with everything? Then do not be too cast down. God’s eye discerns the precious from the vile. What His own Spirit works in you and what springs from the love of Christ, He sees, and He accepts it as holy. Say, then, with Abraham, “Here I am,” and place yourself, body and soul, in His hand.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Así que, hermanos, os ruego por las misericordias de Dios, que presentéis vuestros cuerpos en sacrificio vivo, santo, agradable a Dios, que es vuestro racional culto.
Romanos 12:1
Si el Hijo de Dios nos ha redimido con Su sangre, todo lo que somos y tenemos le pertenece; nuestro cuerpo, alma y espíritu son Suyos. Nada es nuestro; hemos sido comprados por precio. Al entregar Su preciosa vida por nosotros, nos ha redimido para Sí, para que seamos Su pueblo propio, y no solo le ofrezcamos los becerros de nuestros labios, sino que le demos cuerpo, alma, espíritu, bienes y aun la vida misma; siendo todo lo que somos y tenemos Suyo por derecho soberano. Él lo reclama todo, no solo como nuestro Creador, sino como nuestro Redentor, habiéndolo comprado con Su preciosa sangre.
Cuando sentimos Su misericordia cálida en nuestra alma, ¿podemos retener el cuerpo o el alma? Mire a Abraham. Cuando Dios le llamó y le dijo: “¡Abraham!”, ¿cuál fue su respuesta? “Heme aquí. Aquí está mi cuerpo, aquí está mi alma, aquí están mis bienes, aquí está mi mujer, aquí está mi hijo; todo está a Tu disposición. ¿Qué haré, Señor? Tómalos; todos son Tuyos. Tú tienes derecho a ellos, y has de hacer con ellos, y has de hacer conmigo, lo que bien te parezca.”
Bajo estos sentimientos, pues, debemos “presentar nuestros cuerpos”, sin dejar atrás, por cierto, nuestras almas. Porque ¿qué es el cofre sin la joya? ¿Qué es el cuerpo sin el alma? ¿Aceptará Dios el cuerpo si se deja atrás el alma? Eso es papismo: dar el cuerpo y retener el alma. No así la amada familia de Dios; ellos presentan sus cuerpos, pero con sus cuerpos presentan el alma que mora en su cuerpo: la casa con su inquilino, el joyero con las joyas dentro.
Pero ¿qué es presentar sus cuerpos? Deben ser presentados como “sacrificio vivo”. Dios no acepta sacrificios muertos. Recordará usted que bajo la ley judía el sacrificio había de ser un animal vivo, y eso sin mancha ni defecto. No un cordero muerto, sino un animal vivo, perfecto en su especie, había de ser la víctima sacrificada. Así, si hemos de presentar nuestros cuerpos, ha de haber “sacrificio vivo”.
Bien puede preguntarse: ¿Qué hemos sacrificado por amor del Señor? ¿Hemos sido llamados a sacrificar nuestros bienes, perspectivas, ídolos, afectos, nombre, fama e intereses mundanos, y hemos obedecido el llamamiento? Abraham no ofreció a Isaac hasta que la voz del Señor le llamó a hacer el sacrificio; pero cuando el Señor le llamó a hacerlo, Abraham obedeció de inmediato a la voz. Así ha de ser con los que andan en las pisadas del fiel Abraham. Si son llamados, como todos lo son tarde o temprano, a hacer sacrificios, esos sacrificios han de hacerlos.
Ahora bien, al presentar así nuestros cuerpos en “sacrificio vivo”, este se convierte también en una ofrenda “santa”, porque lo que se hace en fe es aceptado por Dios como santificado por Su bendito Espíritu. Si hacemos un sacrificio sin la operación del bendito Espíritu en nuestro corazón, es un sacrificio muerto. Hay hombres que entran en monasterios, mujeres engañadas que entran en conventos, se hacen hermanas de la caridad y qué sé yo, y ofrecen sus cuerpos en sacrificio a Dios; pero no es un sacrificio vivo, porque no hay vida espiritual ni en el oferente ni en la ofrenda. Pero cuando sacrificamos nuestros afectos más cálidos, nuestras perspectivas en la vida, todo lo que la carne ama, porque el evangelio lo reclama de nuestras manos, y lo hacemos por el amor constreñidor de Cristo, eso es un sacrificio vivo, y es “santo”, porque brota de las influencias y operaciones santificadoras del Espíritu Santo.
Nosotros, por cierto, mirándonos a nosotros mismos, no vemos nada santo en ello, porque el pecado se mezcla con todo lo que hacemos; pero el ojo de Dios discierne lo precioso de lo vil. Él ve la pureza de Su propia obra; y puede separar lo que nosotros no podemos: la acción del espíritu y la obra de la carne. Dios mira aquello que Su propio Espíritu inspira y Su propia gracia produce, y lo acepta como santo.
Al lector…
Hay momentos en que le toca la pregunta: ¿qué está usted reteniendo todavía? No es usted suyo, sino comprado por precio; y sin embargo, con qué facilidad damos al Señor el cofre y guardamos la joya para nosotros. Quizá Él le pide ahora que sacrifique algo que le es querido: una perspectiva, un afecto, su nombre o su fama. Si su carne dice entonces que no, no lo oculte, sino llévele también eso a Él con sus suspiros.
Y cuando mira dentro de sí, ¿no ve santidad alguna en toda su ofrenda, porque el pecado se mezcla con todo? Entonces no se abata demasiado. El ojo de Dios discierne lo precioso de lo vil. Lo que Su propio Espíritu obra en usted y lo que brota del amor de Cristo, Él lo ve, y lo acepta como santo. Diga, pues, con Abraham: “Heme aquí”, y póngase, cuerpo y alma, en Su mano.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl