5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En wij weten, dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk degenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.
Romeinen 8:28
Wanneer wij op alle verschillende omstandigheden zien en dan geloven dat, zo wij liefhebbers zijn van God, alles wat wij ondervinden medewerkt tot ons geestelijk goed, welk een gezicht geeft ons dat niet van de wijsheid, de genade en de macht van de wonderdoende God! En wij moeten dat goed niet afmeten naar hetgeen het schepsel denkt, maar naar hetgeen God Zelf in Zijn Woord verklaard heeft goed te zijn, en wat wij door de ervaringen onzer ziel zelf gevoeld hebben goed te zijn. Hebben uw beproevingen u vernederd en volgzaam en beminnelijk gemaakt? Zij hebben u goed gedaan. Hebben zij in u een Geest des gebeds opgewekt, u doen zuchten, roepen en kermen naar de Heere, om te verschijnen, u te bezoeken of uw ziel te zegenen? Zij hebben u goed gedaan.
Hebben zij die gedeelten uit Gods Woord geopend die vol zijn van genade en vertroosting voor Zijn arm volk? Hebben zij u ontdaan van de bedekselen die te eng zijn? Hebben zij u oprechter, ernstiger, geestelijker, meer hemelsgezind gemaakt; u meer overtuigd dat de Heere Jezus alleen u kon zegenen en uw ziel vertroosten? Zij hebben u goed gedaan.
Zijn zij het middel in Gods hand geweest om u aan te sporen het woord der prediking te horen, uw oren te openen om alleen de ware dienaren Gods te horen; zij die in een beproefde weg wandelen en genadige ervaringen beschrijven? Hebben zij de Bijbel u dierbaarder, de belofte liefelijker gemaakt, Gods wegen met uw ziel meer doen waarderen? Zij hebben u goed gedaan.
Heere, maak mij Uwe wegen
Door Uw Woord en Geest bekend.
Leer mij, hoe die zijn gelegen
en waarheen G’Uw treden wendt.
Leid mij in Uw waarheid, leer
ijv’rig mij Uw wet betrachten,
want Gij zijt mijn heil, o Heer,
’k blijf U al de dag verwachten.
Ps. 25:2
Aan de lezer…
U die beproefd wordt, kunt u in uw beproevingen nog iets goeds ontdekken? Als de last zwaar is, lijkt alles tegen ons te werken, en het is moeilijk te geloven dat alle dingen medewerken ten goede. Ik vraag u echter niet om het goede af te meten naar wat het schepsel denkt, maar naar wat God goed noemt. Zie dan eens terug: hebben uw beproevingen u vernederd? Hebben zij u leren zuchten en roepen tot de Heere? Zij hebben u goed gedaan.
Hebben zij u ontdaan van de bedekselen die te eng waren, en u overtuigd dat de Heere Jezus alleen uw ziel kan vertroosten? Is de Bijbel u dierbaarder, de belofte liefelijker geworden? Dan hebt u in uw eigen leven gezien wat dit woord zegt. Het is geen goedkope troost, want de pijn blijft echt. Maar zij is niet zinloos. De wonderdoende God gebruikt ook het bitterste om degenen die Hem liefhebben dichter tot Zich te trekken. Vertrouw dan dat Hij ook uw tegenwoordige moeite ten goede zal doen medewerken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En wij weten, dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk degenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.
Romeinen 8:28
Wanneer wij naar al die verschillende omstandigheden kijken en dan geloven dat alles wat wij meemaken, als wij God liefhebben, meewerkt tot ons geestelijk goed, welk een gezicht geeft ons dat op de wijsheid, de genade en de macht van de wonderdoende God! Wij moeten dat goed niet afmeten naar wat het schepsel denkt, maar naar wat God Zelf in Zijn Woord goed genoemd heeft, en naar wat wij in de ervaringen van onze eigen ziel als goed gevoeld hebben. Hebben uw beproevingen u vernederd en volgzaam en beminnelijk gemaakt? Dan hebben zij u goedgedaan. Hebben zij in u een geest van gebed gewekt, u doen zuchten, roepen en kermen tot de Heere, dat Hij zou verschijnen, u zou bezoeken of uw ziel zou zegenen? Dan hebben zij u goedgedaan.
Hebben zij de gedeelten uit Gods Woord voor u geopend die vol zijn van genade en troost voor Zijn arme volk? Hebben zij u ontdaan van de bedekkingen die te eng zijn? Hebben zij u oprechter, ernstiger, geestelijker en meer hemelsgezind gemaakt, en u er sterker van overtuigd dat alleen de Heere Jezus u kon zegenen en uw ziel kon troosten? Dan hebben zij u goedgedaan.
Zijn zij in Gods hand het middel geweest om u aan te sporen het woord van de prediking te horen, en om uw oren te openen zodat u alleen de ware dienaren van God wilt horen: zij die op een beproefde weg wandelen en genadige ervaringen beschrijven? Hebben zij de Bijbel dierbaarder voor u gemaakt, de belofte lieflijker, en u Gods wegen met uw ziel meer leren waarderen? Dan hebben zij u goedgedaan.
Heere, maak mij Uwe wegen
Door Uw Woord en Geest bekend.
Leer mij, hoe die zijn gelegen
en waarheen G’Uw treden wendt.
Leid mij in Uw waarheid, leer
ijv’rig mij Uw wet betrachten,
want Gij zijt mijn heil, o Heer,
’k blijf U al de dag verwachten.
Ps. 25:2
Aan de lezer…
U die beproefd wordt, kunt u in uw beproevingen nog iets goeds ontdekken? Als de last zwaar is, lijkt alles tegen ons te werken, en het is moeilijk te geloven dat alle dingen meewerken ten goede. Ik vraag u echter niet om het goede af te meten naar wat het schepsel denkt, maar naar wat God goed noemt. Kijk dan eens terug: hebben uw beproevingen u vernederd? Hebben zij u leren zuchten en roepen tot de Heere? Dan hebben zij u goedgedaan.
Hebben zij u ontdaan van de bedekkingen die te eng waren, en u overtuigd dat alleen de Heere Jezus uw ziel kan troosten? Is de Bijbel u dierbaarder geworden, de belofte lieflijker? Dan hebt u in uw eigen leven gezien wat dit woord zegt. Het is geen goedkope troost, want de pijn blijft echt. Maar zij is niet zinloos. De wonderdoende God gebruikt ook het bitterste om wie Hem liefhebben dichter tot Zich te trekken. Vertrouw er dan op dat Hij ook uw huidige moeite ten goede zal laten meewerken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And we know that all things work together for good to them that love God, to them who are the called according to His purpose.
Romans 8:28
To look at all our varied circumstances; and then to believe that if we are the lovers of God, all things we experience are working together for our spiritual good, what a view does it give us of the wisdom, grace, and power of a wonder-working God! And we are to measure this good, not by what the creature thinks, but by what God Himself has declared to be good in His Word, and what we have felt to be good in our soul’s experience.
Have your trials humbled you, made you meek and lowly? They have done you good. Have they stirred up a spirit of prayer in your bosom, made you sigh, cry, and groan for the Lord to appear, visit, or bless your soul? They have done you good. Have they opened up those parts of God’s Word which are full of mercy and comfort to His afflicted people? Have they stripped off the covering that is too narrow? Have they made you more sincere, more earnest, more spiritual, more heavenly-minded, more convinced that the Lord Jesus can alone bless and comfort your soul? They have done you good.
Have they been the means in God’s hand of giving you a lift in hearing the preached Word, of opening your ears to hear none but the true servants of God, those who enter into a tried path, and describe a gracious experience? Have they made the Bible more precious to you, the promises more sweet, the dealings of God with your soul more prized? They have done you good.
To the reader…
You who are being tried, can you still discover anything good in your trials? When the burden is heavy, everything seems to work against us, and it is hard to believe that all things work together for good. But I do not ask you to measure the good by what the creature thinks, but by what God calls good. Look back, then: have your trials humbled you? Have they taught you to sigh and cry to the Lord? Then they have done you good.
Have they stripped you of the coverings that were too narrow, and convinced you that the Lord Jesus alone can comfort your soul? Has the Bible become more precious to you, the promise sweeter? Then you have seen in your own life what this word says. It is no cheap comfort, for the pain remains real. But it is not meaningless. The wonder-working God uses even the bitterest things to draw those who love Him closer to Himself. Trust, then, that He will make your present trouble work together for good as well.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y sabemos que a los que a Dios aman, todas las cosas les ayudan a bien, es a saber, a los que conforme al propósito son llamados.
Romanos 8:28
Mirar todas nuestras variadas circunstancias, y luego creer que, si somos de los que aman a Dios, todas las cosas que experimentamos están obrando juntas para nuestro bien espiritual, ¡qué visión nos da de la sabiduría, la gracia y el poder de un Dios que obra maravillas! Y hemos de medir este bien, no por lo que piensa la criatura, sino por lo que Dios mismo ha declarado bueno en Su Palabra, y por lo que hemos sentido como bueno en la experiencia de nuestra alma.
¿Le han humillado sus pruebas, le han hecho manso y humilde? Le han hecho bien. ¿Han despertado en su pecho un espíritu de oración, le han hecho suspirar, clamar y gemir para que el Señor aparezca, visite o bendiga su alma? Le han hecho bien. ¿Le han abierto aquellas partes de la Palabra de Dios que están llenas de misericordia y consuelo para Su pueblo afligido? ¿Le han despojado de la cubierta demasiado estrecha? ¿Le han hecho más sincero, más ferviente, más espiritual, de mente más celestial, más convencido de que solo el Señor Jesús puede bendecir y consolar su alma? Le han hecho bien.
¿Han sido el medio en la mano de Dios para darle un impulso al oír la Palabra predicada, para abrirle los oídos a fin de no oír sino a los verdaderos siervos de Dios, aquellos que entran en una senda probada y describen una experiencia de gracia? ¿Le han hecho la Biblia más preciosa, las promesas más dulces, los tratos de Dios con su alma más estimados? Le han hecho bien.
Al lector…
Usted que está siendo probado, ¿puede todavía descubrir algo bueno en sus pruebas? Cuando la carga es pesada, todo parece obrar en nuestra contra, y es difícil creer que todas las cosas ayudan a bien. Pero no le pido que mida el bien por lo que piensa la criatura, sino por lo que Dios llama bueno. Mire, pues, hacia atrás: ¿le han humillado sus pruebas? ¿Le han enseñado a suspirar y clamar al Señor? Entonces le han hecho bien.
¿Le han despojado de las cubiertas demasiado estrechas y le han convencido de que solo el Señor Jesús puede consolar su alma? ¿Se le ha hecho la Biblia más preciosa, la promesa más dulce? Entonces ha visto en su propia vida lo que dice esta palabra. No es un consuelo barato, porque el dolor sigue siendo real. Pero no carece de sentido. El Dios que obra maravillas usa aun las cosas más amargas para acercar más a Sí a los que le aman. Confíe, pues, en que Él hará que también su angustia presente le ayude a bien.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Het gekrookte riet
Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen.
Jesaja 42:3
Hoe genadig, hoe teder en zacht gaat de Verlosser om met dit angstige, beproefde lid van Zijn lichaam! Hij behandelt het noch naar zijn verdiensten, noch naar zijn angsten. Het „geknakte riet” verdient het om steeds weer te worden gebroken, en het vreest dit omdat het dit verdient. Maar de genadige, teerhartige Verlosser breekt het zeker niet; Hij bindt het op. En wat kan Hij in één ogenblik het „geknakte riet” opbinden! Door één woord, één blik, één aanraking, één glimlach kan Hij in één tel de hangende stengel oprichten. Dit is Zijn gezegende taak.
De discipelen zouden de verwonde vrouw uit Syro-Fenicië hebben gebroken, toen ze zeiden: „Laat haar van U; want zij roept ons na” (Matth. 15:23). Maar dat deed hun hemelse Meester niet. Hij behandelde haar niet zo. Zijn heiligheid, Zijn zuiverheid, Zijn afkeer van de zonde, Zijn ijver voor de eer van Zijn Vader konden Hem allemaal aanleiding geven haar te breken. Door Zijn genade, barmhartigheid, mededogen en liefde echter verbindt Hij haar.
U voelt zich wellicht zelf een arm „geknakt riet” — geknakt door bezoekingen, door verzoekingen, door schuld, door de duivel; gereed om te vergaan, alle hoop op te geven en weg te kwijnen en te sterven. O, bedenk — dat de Heere het ons nooit laat vergeten — dat deze gezegende Man van Smarten „in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.” Aangezien Hij „medelijden kan hebben met onze zwakheden” (Hebr. 4:15), kan Hij met ons meeleven en ons te hulp komen, en daarom zal Hij nooit of te nimmer een „geknakt riet” breken. Als onze arme ziel geknakt is door bezoeking, door verzoeking, door angst en twijfel, door de voorstellen van de duivel, dan kunnen wij ons troosten met de gedachte dat de minzame en teerhartige Verlosser nooit of te nimmer dat „geknakte riet” zal breken, maar dat Hij het zeer genadig, als het Hem behaagt, zal opbinden.
Lezen: Hooglied 5
Aan de lezer…
Voelt u zich vandaag een geknakt riet, lezer? Geknakt door bezoeking, door verzoeking, door schuld, door de aanvallen van de vijand; gereed om alle hoop op te geven? Dan is dit woord voor u geschreven. U verdient het misschien om gebroken te worden, en daarom vreest u het ook. Maar de Heere behandelt u niet naar uw verdiensten en niet naar uw angsten.
Hij breekt niet, Hij bindt op. Toen anderen een roepende vrouw wilden wegsturen, wees Hij haar niet af, maar verbond Hij haar met Zijn genade. Hij is in alle dingen verzocht geweest, net als wij, doch zonder zonde; daarom kan Hij medelijden hebben met onze zwakheden. Eén woord, één blik, één aanraking van Hem kan de hangende stengel in een ogenblik oprichten. Breng uw geknakte ziel dan bij Hem; Hij zal haar nooit of te nimmer breken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen.
Jesaja 42:3
Hoe genadig, hoe teder en zacht gaat de Verlosser om met dit angstige, beproefde lid van Zijn lichaam! Hij behandelt het niet naar zijn verdiensten en ook niet naar zijn angsten. Het „geknakte riet” verdient het om telkens weer gebroken te worden, en het vreest dat ook, omdat het dat verdient. Maar de genadige, teerhartige Verlosser breekt het zeker niet; Hij bindt het op. En hoe kan Hij het „geknakte riet” in één ogenblik opbinden! Door één woord, één blik, één aanraking, één glimlach kan Hij de hangende stengel in een oogwenk oprichten. Dat is Zijn gezegende taak.
De discipelen zouden de gewonde vrouw uit Syro-Fenicië hebben gebroken, toen ze zeiden: „Laat haar van U; want zij roept ons na” (Matth. 15:23). Maar dat deed hun hemelse Meester niet. Zo behandelde Hij haar niet. Zijn heiligheid, Zijn reinheid, Zijn afkeer van de zonde en Zijn ijver voor de eer van Zijn Vader hadden Hem allemaal aanleiding kunnen geven haar te breken. Maar door Zijn genade, barmhartigheid, ontferming en liefde verbindt Hij haar.
Misschien voelt u zich zelf een arm „geknakt riet”: geknakt door bezoekingen, door verzoekingen, door schuld, door de duivel; op het punt om te bezwijken, alle hoop op te geven, weg te kwijnen en te sterven. O, bedenk – en mag de Heere het ons nooit laten vergeten – dat deze gezegende Man van smarten „in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.” Omdat Hij „medelijden kan hebben met onze zwakheden” (Hebr. 4:15), kan Hij met ons meeleven en ons te hulp komen, en daarom zal Hij nooit of te nimmer een „geknakt riet” breken. Als onze arme ziel geknakt is door bezoeking, door verzoeking, door angst en twijfel, door de influisteringen van de duivel, dan mogen wij ons troosten met de gedachte dat de minzame en teerhartige Verlosser dat „geknakte riet” nooit of te nimmer zal breken, maar het, als het Hem behaagt, heel genadig zal opbinden.
Lezen: Hooglied 5
Aan de lezer…
Voelt u zich vandaag een geknakt riet, lezer? Geknakt door bezoeking, door verzoeking, door schuld, door de aanvallen van de vijand; op het punt om alle hoop op te geven? Dan is dit woord voor u geschreven. U verdient het misschien om gebroken te worden, en daarom vreest u het ook. Maar de Heere behandelt u niet naar uw verdiensten en niet naar uw angsten.
Hij breekt niet, Hij bindt op. Toen anderen een roepende vrouw wilden wegsturen, wees Hij haar niet af, maar verbond Hij haar met Zijn genade. Hij is in alle dingen verzocht geweest, net als wij, maar zonder zonde; daarom kan Hij medelijden hebben met onze zwakheden. Eén woord, één blik, één aanraking van Hem kan de hangende stengel in een ogenblik oprichten. Breng uw geknakte ziel dan bij Hem; Hij zal haar nooit of te nimmer breken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
A bruised reed shall He not break, and the smoking flax shall He not quench.
Isaiah 42:3
How graciously, how tenderly and gently the Redeemer deals with this fearful, tried member of His body! He does not deal with it according to its deserts, nor according to its fears. The “bruised reed” deserves to be broken again and again, and it fears that too, because it deserves it. But the gracious, tender-hearted Redeemer certainly does not break it; He binds it up. And how He can bind up the “bruised reed” in a single moment! By one word, one look, one touch, one smile He can raise the drooping stem in the twinkling of an eye. That is His blessed office.
The disciples would have broken the wounded Syrophenician woman when they said, “Send her away; for she crieth after us” (Matthew 15:23). But their heavenly Master did not. That was not how He dealt with her. His holiness, His purity, His hatred of sin and His zeal for His Father’s honour might all have given Him occasion to break her. But by His grace, mercy, compassion and love He binds her up.
Perhaps you feel yourself to be a poor “bruised reed”: bruised by afflictions, by temptations, by guilt, by the devil; on the point of fainting, of giving up all hope, of pining away and dying. O remember – and may the Lord never let us forget it – that this blessed Man of sorrows “was in all points tempted like as we are, yet without sin.” Because He can be “touched with the feeling of our infirmities” (Hebrews 4:15), He can sympathise with us and come to our help, and therefore He will never, never break a “bruised reed.” When our poor soul is bruised by affliction, by temptation, by fear and doubt, by the suggestions of the devil, we may comfort ourselves with the thought that the gracious and tender-hearted Redeemer will never, never break that “bruised reed,” but will, when it pleases Him, most graciously bind it up.
Reading: Song of Solomon 5
To the reader…
Do you feel today like a bruised reed, reader? Bruised by affliction, by temptation, by guilt, by the assaults of the enemy; on the point of giving up all hope? Then this word was written for you. Perhaps you deserve to be broken, and that is why you fear it. But the Lord does not deal with you according to your deserts, nor according to your fears.
He does not break; He binds up. When others wanted to send a crying woman away, He did not turn her away, but bound her up with His grace. He was in all points tempted like as we are, yet without sin; that is why He can be touched with the feeling of our infirmities. One word, one look, one touch from Him can raise the drooping stem in a moment. Bring your bruised soul to Him, then; He will never, never break it.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
No quebrará la caña cascada, ni apagará el pábilo que humeare.
Isaías 42:3
¡Con qué gracia, con qué ternura y mansedumbre trata el Redentor a este miembro temeroso y probado de Su cuerpo! No lo trata conforme a lo que merece, ni conforme a sus temores. La “caña cascada” merece ser quebrada una y otra vez, y también lo teme, porque lo merece. Pero el Redentor lleno de gracia y de tierno corazón ciertamente no la quiebra; la venda. ¡Y cómo puede vendar la “caña cascada” en un solo momento! Con una palabra, una mirada, un toque, una sonrisa puede levantar el tallo abatido en un abrir y cerrar de ojos. Ese es Su bendito oficio.
Los discípulos habrían quebrado a la herida mujer sirofenicia cuando dijeron: “Despáchala, pues da voces tras nosotros” (Mateo 15:23). Pero su Maestro celestial no lo hizo. No era así como Él la trataba. Su santidad, Su pureza, Su aborrecimiento del pecado y Su celo por la honra de Su Padre podrían haberle dado ocasión de quebrarla. Pero por Su gracia, misericordia, compasión y amor, Él la venda.
Quizá usted se siente una pobre “caña cascada”: cascada por aflicciones, por tentaciones, por culpa, por el diablo; a punto de desmayar, de abandonar toda esperanza, de consumirse y morir. Oh, recuerde, y que el Señor nunca nos permita olvidarlo, que este bendito Varón de dolores fue “tentado en todo según nuestra semejanza, pero sin pecado”. Porque Él puede “compadecerse de nuestras flaquezas” (Hebreos 4:15), puede simpatizar con nosotros y venir en nuestra ayuda, y por eso nunca, nunca quebrará una “caña cascada”. Cuando nuestra pobre alma es cascada por la aflicción, por la tentación, por el temor y la duda, por las sugestiones del diablo, podemos consolarnos con el pensamiento de que el Redentor lleno de gracia y de tierno corazón nunca, nunca quebrará esa “caña cascada”, sino que, cuando le plazca, la vendará con toda gracia.
Lectura: Cantares 5
Al lector…
¿Se siente usted hoy como una caña cascada, lector? ¿Cascada por la aflicción, por la tentación, por la culpa, por los asaltos del enemigo; a punto de abandonar toda esperanza? Entonces esta palabra fue escrita para usted. Quizá merece ser quebrado, y por eso lo teme. Pero el Señor no le trata conforme a lo que merece, ni conforme a sus temores.
Él no quiebra; Él venda. Cuando otros querían despachar a una mujer que clamaba, Él no la rechazó, sino que la vendó con Su gracia. Él fue tentado en todo según nuestra semejanza, pero sin pecado; por eso puede compadecerse de nuestras flaquezas. Una palabra, una mirada, un toque de Él pueden levantar el tallo abatido en un momento. Traiga, pues, a Él su alma cascada; Él nunca, nunca la quebrará.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En aldaar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel.
Exodus 25:22
Nadat een kind van God iets genoten heeft van de goedertierenheid en barmhartigheid Gods, geopenbaard in het aangezicht van Zijn beminde Zoon, kan hij ’s Heeren goedertierenheid vergeten en afdwalen van deze uitgelezen Evangelieweiden en komen in een woeste, huilende wildernis, waar noch spijs, noch water is. En toch heeft hij, ofschoon hij halfdood is van gebrek, in zichzelf geen kracht om weder te keren. Maar wat heeft hem hoofdzakelijk in deze toestand gebracht? Het veronachtzamen van de troon der genade; en waar de Heere alleen daar Zijn volk ontmoet, moet er geleidelijk vervreemding van Hem optreden. Maar ter bestemder tijd komt de Heere Zijn omdolend schaap opzoeken, en de eerste plaats waar Hij het brengt, is tot de genadetroon, met belijdenis van zijn zonden en met het smeken om genade. Getrouw aan Zijn eigen Woord, wil de Heere hem daar bij vernieuwing ontmoeten.
En o, welk een ontmoeting! Een berouwhebbend afkerige en een vergevend God! O, welk een ontmoeting! Een schuldige afwijker, verdronken in zijn tranen, en een liefhebbend Vader, hem om de hals vallende en hem kussende! O, welk een ontmoeting voor een arm, zichzelf veroordelend zondaar, die niet te diep verootmoedigd kan zijn over zijn zonden, die nochtans overvloedige genade vindt voor zijn afkeringen, en de liefde Gods ontwaart, die door de wolken heenbreekt, gelijk de zon op een aprildag, wat zijn hart smelten doet in berouw en liefde.
Maar dit is niet alles. Het behaagt de Heere somtijds aan Zijn beminde volk de boosheden van hun hart te ontdekken en door Zijn Geest en genade eens het voorhangsel van hoogmoed en eigengerechtigheid, wat zo veel van ons eigen verderf bedekt, op te lichten en te doen zien wat er waarlijk in ons hart huist. Dat wil zeggen: de peilloze verdorvenheden die zich in onze verdorven natuur schuilhouden, met de vuilheid en dwaasheid en onbeschrijfelijke laagheid, in ons bestaan ingevlochten. Nu, dit alles bijeengenomen zou ons van de troon der genade afdrijven. „Kan God hier wonen?” zegt de ziel. „Kan ik de vreze Gods in mijn hart hebben, als er zulke gedachten en overleggingen mijn geest als overstromen en mij met het schuim van de hel schijnen te vervullen?”
En toch wordt de ziel van tijd tot tijd tot de troon der genade getrokken, om aldaar deze zonden te belijden, want zij kan en durft er niet vandaan te blijven. En ook is God Zijn Woord getrouw: „En aldaar zal Ik bij u komen.” Daar openbaart Hij bij vernieuwing een bewijs van Zijn genade en goedheid; en bij vernieuwing, wat ook de zondaar in zichzelf is, dat Hij getrouw blijft aan Zijn eigen belofte.
Aan de lezer…
Soms dwaalt een kind van God af. Bent u afgedwaald? Hebt u de troon der genade verwaarloosd en bevindt u zich nu in een woeste wildernis, waar noch spijs noch water is, zonder kracht om weder te keren? Of heeft de Heere u de boosheden van uw hart laten zien, zodat u met schrik vraagt: „Kan God hier wonen?” Dan durft u misschien niet meer te komen, omdat u uzelf zo zwart en schuldig ziet.
Hoor dan wat de Heere belooft: „En aldaar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel.” Daar, en nergens anders, wil Hij Zijn omdolend schaap ontmoeten. Kom dan met uw belijdenis, verdronken in uw tranen; Hij is de liefhebbende Vader, Die de afwijker om de hals valt. Wat u ook in uzelf bent, Hij blijft getrouw aan Zijn eigen Woord, en Zijn liefde kan door de wolken heenbreken en uw hart doen smelten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En aldaar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel.
Exodus 25:22
Nadat een kind van God iets genoten heeft van de goedertierenheid en barmhartigheid van God, geopenbaard in het aangezicht van Zijn geliefde Zoon, kan hij de goedertierenheid van de Heere vergeten. Hij kan afdwalen van die uitgelezen weiden van het Evangelie en terechtkomen in een woeste, huilende wildernis, waar spijs noch water is. En toch heeft hij, hoewel hij halfdood is van gebrek, in zichzelf geen kracht om terug te keren. Maar wat heeft hem vooral in deze toestand gebracht? Het verwaarlozen van de troon der genade. En omdat de Heere Zijn volk alleen daar ontmoet, moet er geleidelijk vervreemding van Hem ontstaan. Maar op de bestemde tijd komt de Heere Zijn dwalend schaap zoeken, en de eerste plaats waar Hij het heen brengt, is de troon der genade, met belijdenis van zijn zonden en met het smeken om genade. Trouw aan Zijn eigen Woord wil de Heere hem daar opnieuw ontmoeten.
En o, wat een ontmoeting! Een berouwvolle afkerige en een vergevend God! O, wat een ontmoeting! Een schuldige afwijker, verdronken in zijn tranen, en een liefhebbende Vader, Die hem om de hals valt en hem kust! O, wat een ontmoeting voor een arme, zichzelf veroordelende zondaar, die zich niet diep genoeg kan verootmoedigen over zijn zonden, en die toch overvloedige genade vindt voor zijn afkeringen. Hij ervaart de liefde van God, die als de zon op een aprildag door de wolken heenbreekt en zijn hart doet smelten in berouw en liefde.
Maar dit is niet alles. Het behaagt de Heere soms Zijn geliefde volk de boosheden van hun hart te ontdekken. Dan licht Hij door Zijn Geest en genade het voorhangsel van hoogmoed en eigengerechtigheid op, dat zoveel van ons eigen verderf bedekt, en laat Hij zien wat er werkelijk in ons hart huist. Dat wil zeggen: de peilloze verdorvenheden die zich in onze verdorven natuur schuilhouden, met de vuilheid, de dwaasheid en de onbeschrijfelijke laagheid die in ons bestaan zijn verweven. Dit alles bij elkaar zou ons van de troon der genade wegdrijven. „Kan God hier wonen?” zegt de ziel. „Kan ik de vreze Gods in mijn hart hebben, als er zulke gedachten en overleggingen mijn geest als overstromen en mij met het schuim van de hel schijnen te vervullen?”
En toch wordt de ziel van tijd tot tijd naar de troon der genade getrokken om daar deze zonden te belijden, want zij kan en durft er niet weg te blijven. En God is ook Zijn Woord trouw: „En aldaar zal Ik bij u komen.” Daar openbaart Hij opnieuw een bewijs van Zijn genade en goedheid; en daar toont Hij opnieuw dat Hij, wat de zondaar in zichzelf ook is, trouw blijft aan Zijn eigen belofte.
Aan de lezer…
Soms dwaalt een kind van God af. Bent u afgedwaald? Hebt u de troon der genade verwaarloosd en bevindt u zich nu in een woeste wildernis, waar spijs noch water is, zonder kracht om terug te keren? Of heeft de Heere u de boosheden van uw hart laten zien, zodat u met schrik vraagt: „Kan God hier wonen?” Dan durft u misschien niet meer te komen, omdat u uzelf zo zwart en schuldig ziet.
Hoor dan wat de Heere belooft: „En aldaar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel.” Daar, en nergens anders, wil Hij Zijn dwalend schaap ontmoeten. Kom dan met uw belijdenis, verdronken in uw tranen; Hij is de liefhebbende Vader, Die de afwijker om de hals valt. Wat u ook in uzelf bent, Hij blijft trouw aan Zijn eigen Woord, en Zijn liefde kan door de wolken heenbreken en uw hart doen smelten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And there I will meet with thee, and I will commune with thee from above the mercy seat.
Exodus 25:22
After a child of God has enjoyed something of the goodness and mercy of God revealed in the face of His dear Son, he may wander from his mercies, stray away from these choice gospel pastures, and get into a waste-howling wilderness, where there is neither food nor water; and yet, though half-starved for poverty, has in himself no power to return. But what has brought him for the most part into this state? Forgetfulness of the mercy seat; and as the Lord meets His people only there, a gradual estrangement from Him.
But in due time the Lord seeks out this wandering sheep, and the first place He brings him to is the mercy seat, confessing his sins and seeking mercy. Faithful to His own Word, once more the Lord meets him there; and O what a meeting! A penitent backslider and a forgiving God! O what a meeting! A guilty wretch drowned in tears, and a loving Father falling upon his neck and kissing him! O what a meeting for a poor, self-condemned wretch, who can never mourn too deeply over his sins, and yet finds grace super-abounding over all its aboundings, and the love of God bursting through the cloud, like the sun upon an April day, and melting his heart into contrition and love!
But this is not all. The Lord is pleased sometimes to show His dear people the evils of their heart, to remove by His Spirit and grace that veil of pride and self-righteousness which hides so much of sinful SELF from our eyes, and to discover what is really in us—the deep corruptions which lurk in our depraved nature, the filth and folly which is part and parcel of ourselves, the unutterable baseness and vileness so involved in our very being.
Now this in itself would drive us from the throne of grace. “Can God dwell here?” is the sinner’s feeling. “Can I be possessed of the fear of God when such thoughts and feelings overflow my mind, and seem to fill me as if with the very dregs of hell?” Yet still he is drawn from time to time to the throne of grace to confess these sins before the mercy seat, for he cannot, dare not, stay away from it; and again God is true to His Word—“There will I meet with you.” There once more He reveals a sense of His mercy and goodness, and once more shows that, whatever the sinner be in himself, He is faithful to His own promise.
To the reader…
Sometimes a child of God wanders away. Have you wandered? Have you neglected the throne of grace, and do you now find yourself in a waste, howling wilderness where there is neither food nor water, without strength to return? Or has the Lord shown you the evils of your heart, so that you ask with dread, “Can God dwell here?” Then perhaps you no longer dare to come, because you see yourself as so black and guilty.
Hear, then, what the Lord promises: “And there I will meet with thee, and I will commune with thee from above the mercy seat.” There, and nowhere else, He will meet His wandering sheep. Come, then, with your confession, drowned in your tears; He is the loving Father Who falls upon the backslider’s neck. Whatever you are in yourself, He remains faithful to His own Word, and His love can break through the clouds and melt your heart.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y de allí Me declararé a ti, y hablaré contigo de sobre el propiciatorio.
Éxodo 25:22
Después de que un hijo de Dios ha gozado algo de la bondad y la misericordia de Dios reveladas en el rostro de Su amado Hijo, puede apartarse de sus misericordias, extraviarse de estos escogidos pastos del evangelio y entrar en un desierto horrible y yermo, donde no hay comida ni agua; y sin embargo, aunque medio muerto de hambre por su pobreza, no tiene en sí mismo poder para volver. ¿Pero qué le ha llevado, en la mayoría de los casos, a este estado? El olvido del propiciatorio; y, puesto que el Señor se encuentra con Su pueblo solo allí, un gradual alejamiento de Él.
Pero a su debido tiempo el Señor busca a esta oveja descarriada, y el primer lugar al que la trae es el propiciatorio, confesando sus pecados y buscando misericordia. Fiel a Su propia Palabra, el Señor se encuentra allí otra vez con él; ¡y oh, qué encuentro! ¡Un descarriado arrepentido y un Dios que perdona! ¡Oh, qué encuentro! ¡Un miserable culpable anegado en lágrimas, y un Padre amoroso que se echa sobre su cuello y le besa! ¡Oh, qué encuentro para un pobre miserable que se condena a sí mismo, que nunca puede lamentarse demasiado hondo por sus pecados, y sin embargo halla la gracia sobreabundando por encima de toda la abundancia del pecado, y el amor de Dios rompiendo a través de la nube, como el sol en un día de abril, y derritiendo su corazón en contrición y amor!
Pero esto no es todo. Al Señor le place a veces mostrar a Su amado pueblo los males de su corazón, quitar por Su Espíritu y Su gracia ese velo de orgullo y justicia propia que esconde tanto del YO pecaminoso a nuestros ojos, y descubrir lo que realmente hay en nosotros: las profundas corrupciones que acechan en nuestra naturaleza depravada, la inmundicia y la necedad que son parte integrante de nosotros mismos, la indecible bajeza y vileza tan entretejidas en nuestro mismo ser.
Ahora bien, esto en sí mismo nos alejaría del trono de la gracia. “¿Puede Dios morar aquí?”, es el sentir del pecador. “¿Puedo yo poseer el temor de Dios cuando tales pensamientos y sentimientos inundan mi mente y parecen llenarme como de las mismas heces del infierno?” Y, sin embargo, de vez en cuando es atraído al trono de la gracia para confesar estos pecados ante el propiciatorio, porque no puede, no se atreve, a mantenerse lejos de él; y otra vez Dios es fiel a Su Palabra: “De allí Me declararé a ti.” Allí, una vez más, revela un sentir de Su misericordia y bondad, y una vez más muestra que, sea lo que sea el pecador en sí mismo, Él es fiel a Su propia promesa.
Al lector…
A veces un hijo de Dios se extravía. ¿Se ha extraviado usted? ¿Ha descuidado el trono de la gracia, y se encuentra ahora en un desierto horrible y yermo donde no hay comida ni agua, sin fuerzas para volver? ¿O le ha mostrado el Señor los males de su corazón, de modo que pregunta con temor: “¿Puede Dios morar aquí?” Entonces quizá ya no se atreva a venir, porque se ve tan negro y culpable.
Oiga, pues, lo que el Señor promete: “Y de allí Me declararé a ti, y hablaré contigo de sobre el propiciatorio.” Allí, y en ningún otro lugar, se encontrará con Su oveja descarriada. Venga, pues, con su confesión, anegado en sus lágrimas; Él es el Padre amoroso que se echa sobre el cuello del descarriado. Sea lo que sea usted en sí mismo, Él permanece fiel a Su propia Palabra, y Su amor puede romper a través de las nubes y derretir su corazón.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl