17 de febrero
En aldaar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel.
Exodus 25:22
Nadat een kind van God iets genoten heeft van de goedertierenheid en barmhartigheid Gods, geopenbaard in het aangezicht van Zijn beminde Zoon, kan hij ’s Heeren goedertierenheid vergeten en afdwalen van deze uitgelezen Evangelieweiden en komen in een woeste, huilende wildernis, waar noch spijs, noch water is. En toch heeft hij, ofschoon hij halfdood is van gebrek, in zichzelf geen kracht om weder te keren. Maar wat heeft hem hoofdzakelijk in deze toestand gebracht? Het veronachtzamen van de troon der genade; en waar de Heere alleen daar Zijn volk ontmoet, moet er geleidelijk vervreemding van Hem optreden. Maar ter bestemder tijd komt de Heere Zijn omdolend schaap opzoeken, en de eerste plaats waar Hij het brengt, is tot de genadetroon, met belijdenis van zijn zonden en met het smeken om genade. Getrouw aan Zijn eigen Woord, wil de Heere hem daar bij vernieuwing ontmoeten.
En o, welk een ontmoeting! Een berouwhebbend afkerige en een vergevend God! O, welk een ontmoeting! Een schuldige afwijker, verdronken in zijn tranen, en een liefhebbend Vader, hem om de hals vallende en hem kussende! O, welk een ontmoeting voor een arm, zichzelf veroordelend zondaar, die niet te diep verootmoedigd kan zijn over zijn zonden, die nochtans overvloedige genade vindt voor zijn afkeringen, en de liefde Gods ontwaart, die door de wolken heenbreekt, gelijk de zon op een aprildag, wat zijn hart smelten doet in berouw en liefde.
Maar dit is niet alles. Het behaagt de Heere somtijds aan Zijn beminde volk de boosheden van hun hart te ontdekken en door Zijn Geest en genade eens het voorhangsel van hoogmoed en eigengerechtigheid, wat zo veel van ons eigen verderf bedekt, op te lichten en te doen zien wat er waarlijk in ons hart huist. Dat wil zeggen: de peilloze verdorvenheden die zich in onze verdorven natuur schuilhouden, met de vuilheid en dwaasheid en onbeschrijfelijke laagheid, in ons bestaan ingevlochten. Nu, dit alles bijeengenomen zou ons van de troon der genade afdrijven. „Kan God hier wonen?” zegt de ziel. „Kan ik de vreze Gods in mijn hart hebben, als er zulke gedachten en overleggingen mijn geest als overstromen en mij met het schuim van de hel schijnen te vervullen?”
En toch wordt de ziel van tijd tot tijd tot de troon der genade getrokken, om aldaar deze zonden te belijden, want zij kan en durft er niet vandaan te blijven. En ook is God Zijn Woord getrouw: „En aldaar zal Ik bij u komen.” Daar openbaart Hij bij vernieuwing een bewijs van Zijn genade en goedheid; en bij vernieuwing, wat ook de zondaar in zichzelf is, dat Hij getrouw blijft aan Zijn eigen belofte.
Aan de lezer…
Soms dwaalt een kind van God af. Bent u afgedwaald? Hebt u de troon der genade verwaarloosd en bevindt u zich nu in een woeste wildernis, waar noch spijs noch water is, zonder kracht om weder te keren? Of heeft de Heere u de boosheden van uw hart laten zien, zodat u met schrik vraagt: „Kan God hier wonen?” Dan durft u misschien niet meer te komen, omdat u uzelf zo zwart en schuldig ziet.
Hoor dan wat de Heere belooft: „En aldaar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel.” Daar, en nergens anders, wil Hij Zijn omdolend schaap ontmoeten. Kom dan met uw belijdenis, verdronken in uw tranen; Hij is de liefhebbende Vader, Die de afwijker om de hals valt. Wat u ook in uzelf bent, Hij blijft getrouw aan Zijn eigen Woord, en Zijn liefde kan door de wolken heenbreken en uw hart doen smelten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En aldaar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel.
Exodus 25:22
Nadat een kind van God iets genoten heeft van de goedertierenheid en barmhartigheid van God, geopenbaard in het aangezicht van Zijn geliefde Zoon, kan hij de goedertierenheid van de Heere vergeten. Hij kan afdwalen van die uitgelezen weiden van het Evangelie en terechtkomen in een woeste, huilende wildernis, waar spijs noch water is. En toch heeft hij, hoewel hij halfdood is van gebrek, in zichzelf geen kracht om terug te keren. Maar wat heeft hem vooral in deze toestand gebracht? Het verwaarlozen van de troon der genade. En omdat de Heere Zijn volk alleen daar ontmoet, moet er geleidelijk vervreemding van Hem ontstaan. Maar op de bestemde tijd komt de Heere Zijn dwalend schaap zoeken, en de eerste plaats waar Hij het heen brengt, is de troon der genade, met belijdenis van zijn zonden en met het smeken om genade. Trouw aan Zijn eigen Woord wil de Heere hem daar opnieuw ontmoeten.
En o, wat een ontmoeting! Een berouwvolle afkerige en een vergevend God! O, wat een ontmoeting! Een schuldige afwijker, verdronken in zijn tranen, en een liefhebbende Vader, Die hem om de hals valt en hem kust! O, wat een ontmoeting voor een arme, zichzelf veroordelende zondaar, die zich niet diep genoeg kan verootmoedigen over zijn zonden, en die toch overvloedige genade vindt voor zijn afkeringen. Hij ervaart de liefde van God, die als de zon op een aprildag door de wolken heenbreekt en zijn hart doet smelten in berouw en liefde.
Maar dit is niet alles. Het behaagt de Heere soms Zijn geliefde volk de boosheden van hun hart te ontdekken. Dan licht Hij door Zijn Geest en genade het voorhangsel van hoogmoed en eigengerechtigheid op, dat zoveel van ons eigen verderf bedekt, en laat Hij zien wat er werkelijk in ons hart huist. Dat wil zeggen: de peilloze verdorvenheden die zich in onze verdorven natuur schuilhouden, met de vuilheid, de dwaasheid en de onbeschrijfelijke laagheid die in ons bestaan zijn verweven. Dit alles bij elkaar zou ons van de troon der genade wegdrijven. „Kan God hier wonen?” zegt de ziel. „Kan ik de vreze Gods in mijn hart hebben, als er zulke gedachten en overleggingen mijn geest als overstromen en mij met het schuim van de hel schijnen te vervullen?”
En toch wordt de ziel van tijd tot tijd naar de troon der genade getrokken om daar deze zonden te belijden, want zij kan en durft er niet weg te blijven. En God is ook Zijn Woord trouw: „En aldaar zal Ik bij u komen.” Daar openbaart Hij opnieuw een bewijs van Zijn genade en goedheid; en daar toont Hij opnieuw dat Hij, wat de zondaar in zichzelf ook is, trouw blijft aan Zijn eigen belofte.
Aan de lezer…
Soms dwaalt een kind van God af. Bent u afgedwaald? Hebt u de troon der genade verwaarloosd en bevindt u zich nu in een woeste wildernis, waar spijs noch water is, zonder kracht om terug te keren? Of heeft de Heere u de boosheden van uw hart laten zien, zodat u met schrik vraagt: „Kan God hier wonen?” Dan durft u misschien niet meer te komen, omdat u uzelf zo zwart en schuldig ziet.
Hoor dan wat de Heere belooft: „En aldaar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel.” Daar, en nergens anders, wil Hij Zijn dwalend schaap ontmoeten. Kom dan met uw belijdenis, verdronken in uw tranen; Hij is de liefhebbende Vader, Die de afwijker om de hals valt. Wat u ook in uzelf bent, Hij blijft trouw aan Zijn eigen Woord, en Zijn liefde kan door de wolken heenbreken en uw hart doen smelten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And there I will meet with thee, and I will commune with thee from above the mercy seat.
Exodus 25:22
After a child of God has enjoyed something of the goodness and mercy of God revealed in the face of His dear Son, he may wander from his mercies, stray away from these choice gospel pastures, and get into a waste-howling wilderness, where there is neither food nor water; and yet, though half-starved for poverty, has in himself no power to return. But what has brought him for the most part into this state? Forgetfulness of the mercy seat; and as the Lord meets His people only there, a gradual estrangement from Him.
But in due time the Lord seeks out this wandering sheep, and the first place He brings him to is the mercy seat, confessing his sins and seeking mercy. Faithful to His own Word, once more the Lord meets him there; and O what a meeting! A penitent backslider and a forgiving God! O what a meeting! A guilty wretch drowned in tears, and a loving Father falling upon his neck and kissing him! O what a meeting for a poor, self-condemned wretch, who can never mourn too deeply over his sins, and yet finds grace super-abounding over all its aboundings, and the love of God bursting through the cloud, like the sun upon an April day, and melting his heart into contrition and love!
But this is not all. The Lord is pleased sometimes to show His dear people the evils of their heart, to remove by His Spirit and grace that veil of pride and self-righteousness which hides so much of sinful SELF from our eyes, and to discover what is really in us—the deep corruptions which lurk in our depraved nature, the filth and folly which is part and parcel of ourselves, the unutterable baseness and vileness so involved in our very being.
Now this in itself would drive us from the throne of grace. “Can God dwell here?” is the sinner’s feeling. “Can I be possessed of the fear of God when such thoughts and feelings overflow my mind, and seem to fill me as if with the very dregs of hell?” Yet still he is drawn from time to time to the throne of grace to confess these sins before the mercy seat, for he cannot, dare not, stay away from it; and again God is true to His Word—“There will I meet with you.” There once more He reveals a sense of His mercy and goodness, and once more shows that, whatever the sinner be in himself, He is faithful to His own promise.
To the reader…
Sometimes a child of God wanders away. Have you wandered? Have you neglected the throne of grace, and do you now find yourself in a waste, howling wilderness where there is neither food nor water, without strength to return? Or has the Lord shown you the evils of your heart, so that you ask with dread, “Can God dwell here?” Then perhaps you no longer dare to come, because you see yourself as so black and guilty.
Hear, then, what the Lord promises: “And there I will meet with thee, and I will commune with thee from above the mercy seat.” There, and nowhere else, He will meet His wandering sheep. Come, then, with your confession, drowned in your tears; He is the loving Father Who falls upon the backslider’s neck. Whatever you are in yourself, He remains faithful to His own Word, and His love can break through the clouds and melt your heart.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y de allí Me declararé a ti, y hablaré contigo de sobre el propiciatorio.
Éxodo 25:22
Después de que un hijo de Dios ha gozado algo de la bondad y la misericordia de Dios reveladas en el rostro de Su amado Hijo, puede apartarse de sus misericordias, extraviarse de estos escogidos pastos del evangelio y entrar en un desierto horrible y yermo, donde no hay comida ni agua; y sin embargo, aunque medio muerto de hambre por su pobreza, no tiene en sí mismo poder para volver. ¿Pero qué le ha llevado, en la mayoría de los casos, a este estado? El olvido del propiciatorio; y, puesto que el Señor se encuentra con Su pueblo solo allí, un gradual alejamiento de Él.
Pero a su debido tiempo el Señor busca a esta oveja descarriada, y el primer lugar al que la trae es el propiciatorio, confesando sus pecados y buscando misericordia. Fiel a Su propia Palabra, el Señor se encuentra allí otra vez con él; ¡y oh, qué encuentro! ¡Un descarriado arrepentido y un Dios que perdona! ¡Oh, qué encuentro! ¡Un miserable culpable anegado en lágrimas, y un Padre amoroso que se echa sobre su cuello y le besa! ¡Oh, qué encuentro para un pobre miserable que se condena a sí mismo, que nunca puede lamentarse demasiado hondo por sus pecados, y sin embargo halla la gracia sobreabundando por encima de toda la abundancia del pecado, y el amor de Dios rompiendo a través de la nube, como el sol en un día de abril, y derritiendo su corazón en contrición y amor!
Pero esto no es todo. Al Señor le place a veces mostrar a Su amado pueblo los males de su corazón, quitar por Su Espíritu y Su gracia ese velo de orgullo y justicia propia que esconde tanto del YO pecaminoso a nuestros ojos, y descubrir lo que realmente hay en nosotros: las profundas corrupciones que acechan en nuestra naturaleza depravada, la inmundicia y la necedad que son parte integrante de nosotros mismos, la indecible bajeza y vileza tan entretejidas en nuestro mismo ser.
Ahora bien, esto en sí mismo nos alejaría del trono de la gracia. “¿Puede Dios morar aquí?”, es el sentir del pecador. “¿Puedo yo poseer el temor de Dios cuando tales pensamientos y sentimientos inundan mi mente y parecen llenarme como de las mismas heces del infierno?” Y, sin embargo, de vez en cuando es atraído al trono de la gracia para confesar estos pecados ante el propiciatorio, porque no puede, no se atreve, a mantenerse lejos de él; y otra vez Dios es fiel a Su Palabra: “De allí Me declararé a ti.” Allí, una vez más, revela un sentir de Su misericordia y bondad, y una vez más muestra que, sea lo que sea el pecador en sí mismo, Él es fiel a Su propia promesa.
Al lector…
A veces un hijo de Dios se extravía. ¿Se ha extraviado usted? ¿Ha descuidado el trono de la gracia, y se encuentra ahora en un desierto horrible y yermo donde no hay comida ni agua, sin fuerzas para volver? ¿O le ha mostrado el Señor los males de su corazón, de modo que pregunta con temor: “¿Puede Dios morar aquí?” Entonces quizá ya no se atreva a venir, porque se ve tan negro y culpable.
Oiga, pues, lo que el Señor promete: “Y de allí Me declararé a ti, y hablaré contigo de sobre el propiciatorio.” Allí, y en ningún otro lugar, se encontrará con Su oveja descarriada. Venga, pues, con su confesión, anegado en sus lágrimas; Él es el Padre amoroso que se echa sobre el cuello del descarriado. Sea lo que sea usted en sí mismo, Él permanece fiel a Su propia Palabra, y Su amor puede romper a través de las nubes y derretir su corazón.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl