vandaag verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
7 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziele was in hen overstelpt. Doch roepende tot de Heere in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten.
Psalm 107:5, 6
Niet vóórdat zij in de woestijn dwaalden; niet vóórdat zij bevonden dat hun weg eenzaam was; niet vóórdat zij een stad vonden om in te wonen; niet vóórdat hun ziel van honger en dorst bezweek, werd er een roepen gehoord. Misschien was er nu en dan een gebed, een verlangen, een flauwe wens, een zucht of een gesteun; maar dat was niet genoeg. Er was iets meer nodig om de tedere barmhartigheid op te wekken in de boezem van het medelijdende Hoofd der Kerk. Een roepen moest er komen: een roepen van smart, een roepen van angst der ziel, een roepen door een zware last uit het hart geperst.
En een roepen geeft behoefte, dringende behoefte te kennen; een bezwijken, zo er geen antwoord komt. Het is de adem ener ziel die verlangt eeuwige kracht in het geweten te ontvangen, of zonder deze te bezwijken. Het is dat verheven gevoel in het hart, dat er geen andere toevlucht is dan God. De Heere brengt al Zijn volk daarheen, dat het geen andere toevlucht heeft dan Hem. Vrienden, raadslieden, kennissen: zij mogen medelijden gevoelen, maar zij kunnen niet helpen. Er is geen toevlucht, geen schuilplaats, geen wijkplaats, geen woning waarheen zij kunnen vlieden, dan in de Heere.
Zo zijn het de moeilijkheden die ons met God persoonlijk in aanraking brengen. Zij verdrijven die halve godsvrucht die wij zo veel hebben; zij verdrijven die denkbeeldige ervaring en dorre belijdenis waarmede wij ons zo vaak vergenoegen. Zij verdrijven ze gelijk een hevige noordenwind de nevelen verdrijft, en zij brengen de mens op zulk een verheven plaats, dat hij omgang met God behoeft om hem te steunen en hem uit zijn moeilijkheden te verlossen; en zo een mens niet zo ver door zijn moeilijkheden gebracht wordt, hebben zij hem geen goed gedaan. Maar welk een genade is het als er een roepen is! En als de Heere in de moeilijkheden een roepen zendt, dan zal Hij ook op Zijn tijd en in Zijn weg uitredding schenken.
’k Bekend’, o Heer, aan U oprecht mijn zonden,
’k verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden,
maar ik beleed na ernstig overleg
mijn boze daân: Gij naamt die gunstig weg.
Ps. 32:3
Aan de lezer…
Hier is een woord voor wie soms niet meer kan bidden dan een flauwe wens, een zucht of een gesteun. Vreest u dat zulk een gebed niet genoeg is? De Heere laat Zijn volk soms dwalen in een eenzame weg en hongerig en dorstig worden, totdat hun ziel in hen overstelpt is. Niet om hen te kwellen, maar opdat er een roepen zou komen, een roepen uit angst der ziel, door een zware last uit het hart geperst.
Verdrijven uw moeilijkheden uw halve godsvrucht en dorre belijdenis, gelijk een hevige noordenwind de nevelen? Dan doen zij u goed, want zij brengen u met God persoonlijk in aanraking. Vrienden kunnen medelijden hebben, maar niet helpen; er is geen schuilplaats dan in de Heere. Welk een genade is het als er een roepen is! Want Die het roepen zendt, zal ook op Zijn tijd en in Zijn weg uitredding schenken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziele was in hen overstelpt. Doch roepende tot de Heere in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten.
Psalm 107:5, 6
Niet voordat zij in de woestijn dwaalden, niet voordat zij merkten dat hun weg eenzaam was, niet voordat zij een stad vonden om in te wonen, niet voordat hun ziel van honger en dorst bezweek, werd er een roepen gehoord. Misschien was er nu en dan een gebed, een verlangen, een vage wens, een zucht of een kreun; maar dat was niet genoeg. Er was meer nodig om de tedere barmhartigheid op te wekken in het hart van het medelijdende Hoofd van de Kerk. Er moest een roepen komen: een roepen van smart, een roepen uit zielsangst, een roepen dat door een zware last uit het hart werd geperst.
Een roepen maakt behoefte bekend, dringende behoefte, en een bezwijken als er geen antwoord komt. Het is de adem van een ziel die verlangt eeuwige kracht in het geweten te ontvangen, of anders zonder die kracht bezwijkt. Het is dat verheven besef in het hart dat er geen andere toevlucht is dan God. De Heere brengt heel Zijn volk zover dat het geen andere toevlucht heeft dan Hem. Vrienden, raadgevers, kennissen: zij mogen medelijden voelen, maar zij kunnen niet helpen. Er is geen toevlucht, geen schuilplaats, geen wijkplaats, geen woning waarheen zij kunnen vluchten, dan in de Heere.
Zo zijn het de moeilijkheden die ons persoonlijk met God in aanraking brengen. Zij verdrijven die halve godsvrucht waarvan wij zoveel hebben; zij verdrijven die ingebeelde bevinding en dorre belijdenis waarmee wij ons zo vaak tevredenstellen. Zij verdrijven ze zoals een hevige noordenwind de nevel verdrijft, en zij brengen de mens op zo’n verheven plaats dat hij omgang met God nodig heeft om hem te steunen en uit zijn moeilijkheden te verlossen. Als een mens niet zover door zijn moeilijkheden gebracht wordt, hebben zij hem geen goed gedaan. Maar wat een genade is het als er een roepen is! En als de Heere in de moeilijkheden een roepen zendt, zal Hij ook op Zijn tijd en op Zijn manier uitredding schenken.
’k Bekend’, o Heer, aan U oprecht mijn zonden,
’k verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden,
maar ik beleed na ernstig overleg
mijn boze daân: Gij naamt die gunstig weg.
Ps. 32:3
Aan de lezer…
Hier is een woord voor wie soms niet meer kan bidden dan een vage wens, een zucht of een kreun. Vreest u dat zo’n gebed niet genoeg is? De Heere laat Zijn volk soms dwalen op een eenzame weg en hongerig en dorstig worden, totdat hun ziel in hen overstelpt is. Niet om hen te kwellen, maar zodat er een roepen zou komen, een roepen uit zielsangst, door een zware last uit het hart geperst.
Verdrijven uw moeilijkheden uw halve godsvrucht en dorre belijdenis, zoals een hevige noordenwind de nevel verdrijft? Dan doen zij u goed, want zij brengen u persoonlijk met God in aanraking. Vrienden kunnen medelijden hebben, maar niet helpen; er is geen schuilplaats dan in de Heere. Wat een genade is het als er een roepen is! Want Hij Die het roepen zendt, zal ook op Zijn tijd en op Zijn manier uitredding schenken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
They wandered in the wilderness in a solitary way; they found no city to dwell in. Hungry and thirsty, their soul fainted in them. Then they cried unto the Lord in their trouble, and He delivered them out of their distresses.
Psalm 107:4-6
Until they wandered in the wilderness—until they felt it to be a solitary way, until they found no city to dwell in, until hungry and thirsty their soul fainted in them—there was no cry. There might have been prayer, a desire, a feeble wish, and now and then a sigh or a groan. But this was not enough. Something more was needed to draw forth loving-kindness out of the bosom of the compassionate Head of the Church. A cry was needed—a cry of distress, a cry of soul trouble, a cry forced out of their hearts by heavy burdens. And a cry implies necessity, urgent need, a perishing without an answer to the cry. It is the breath of a soul bent upon having eternal realities brought into the conscience, or perishing without them. It is this solemn feeling in the heart that there is no other refuge but God.
The Lord brings all His people here—to have no other refuge but Himself. Friends, counselors, acquaintance—these may sympathize, but they cannot afford relief. There is no refuge, nor shelter, nor harbor, nor home into which they can fly, except the Lord.
Thus troubles force us to deal with God in a personal manner. They chase away that half-hearted religion of which we have so much; and they drive out that notional experience and dry profession that we are so often satisfied with. They chase them away as a strong north wind chases away the mists; and they bring a man to this solemn spot that he must have communications from God to support him under, and bring him out of his trouble; and if a man is not brought to this point by his troubles, they have done him no good. But what a mercy it is when there is a cry! and when the Lord sends a cry in the trouble, He is sure in His own time and way to send deliverance out of it.
To the reader…
Here is a word for you if at times you can pray no more than a faint wish, a sigh or a groan. Do you fear that such a prayer is not enough? The Lord sometimes lets His people wander in a solitary way and grow hungry and thirsty, until their soul faints in them. Not to torment them, but so that there might be a cry, a cry of soul trouble, forced out of the heart by a heavy burden.
Do your troubles chase away your half-hearted religion and dry profession, as a strong north wind chases away the mist? Then they are doing you good, for they bring you to deal with God in a personal way. Friends may sympathize, but they cannot help; there is no refuge but in the Lord. What a mercy it is when there is a cry! For He Who sends the cry will also, in His own time and way, send deliverance.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Anduvieron perdidos por el desierto, por la soledad sin camino, no hallando ciudad de población. Hambrientos y sedientos, su alma desfallecía en ellos. Habiendo empero clamado a Jehová en su angustia, librólos de sus aflicciones.
Salmo 107:4-6
Hasta que anduvieron perdidos por el desierto, hasta que lo sintieron como un camino solitario, hasta que no hallaron ciudad de población, hasta que, hambrientos y sedientos, su alma desfallecía en ellos, no hubo clamor. Pudo haber oración, un deseo, un débil anhelo, y de vez en cuando un suspiro o un gemido. Pero esto no bastaba. Se necesitaba algo más para sacar la misericordia del seno de la compasiva Cabeza de la Iglesia. Se necesitaba un clamor: un clamor de angustia, un clamor de aflicción del alma, un clamor arrancado de su corazón por cargas pesadas. Y un clamor implica necesidad, necesidad urgente, un perecer si no hay respuesta al clamor. Es el aliento de un alma resuelta a que las realidades eternas sean traídas a la conciencia, o a perecer sin ellas. Es este sentimiento solemne en el corazón de que no hay otro refugio sino Dios.
El Señor trae a todo Su pueblo aquí: a no tener otro refugio sino Él mismo. Amigos, consejeros, conocidos: estos pueden compadecerse, pero no pueden dar alivio. No hay refugio, ni abrigo, ni puerto, ni hogar al que puedan huir, excepto el Señor.
Así las aflicciones nos obligan a tratar con Dios de manera personal. Ahuyentan esa religión tibia de la que tenemos tanta; y echan fuera esa experiencia teórica y esa profesión seca con las que tan a menudo nos contentamos. Las ahuyentan como un fuerte viento del norte ahuyenta las nieblas; y llevan al hombre a este lugar solemne: que tiene que recibir comunicaciones de Dios que le sostengan en su aflicción y le saquen de ella; y si un hombre no es llevado a este punto por sus aflicciones, no le han hecho ningún bien. ¡Pero qué misericordia es cuando hay un clamor! Y cuando el Señor envía un clamor en la aflicción, ciertamente enviará, a Su tiempo y a Su manera, la liberación de ella.
Al lector…
Aquí hay una palabra para usted si a veces no puede orar más que con un débil anhelo, un suspiro o un gemido. ¿Teme que tal oración no baste? El Señor a veces deja que Su pueblo ande perdido por un camino solitario y tenga hambre y sed, hasta que su alma desfallece en ellos. No para atormentarlos, sino para que haya un clamor, un clamor de aflicción del alma, arrancado del corazón por una carga pesada.
¿Ahuyentan sus aflicciones su religión tibia y su profesión seca, como un fuerte viento del norte ahuyenta la niebla? Entonces le están haciendo bien, porque le llevan a tratar con Dios de manera personal. Los amigos pueden compadecerse, pero no pueden ayudar; no hay refugio sino en el Señor. ¡Qué misericordia es cuando hay un clamor! Porque Aquel que envía el clamor enviará también, a Su tiempo y a Su manera, la liberación.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Die Koning verhore ons
O HEERE! behoud; die Koning verhore ons, ten dage van ons roepen.
Psalm 20:10
Er is niet alleen de schuld en het schuldgevoel, maar ook de kracht van de zonde, die elke ziel voelt. Wat is de zonde krachtig! Het is zoiets als een diepe en snelle rivier: hoe dieper de rivier, des te sneller de stroming. We kennen de diepte van de stroom pas als we er bijna in verdrinken, en we kennen de sterkte van de stroming pas als we erdoor worden meegesleurd; het is geen kabbelend beekje, maar een diepe, snelle stroom. Aanvankelijk weten we echter niet hoe krachtig hij is.
We hebben net zomin de kracht om hem te weerstaan, tenzij God ons in Zijn genade sterker maakt, als het distelpluis de wind kan weerstaan. Net zoals een reus een kind in zijn armen kan wegdragen, of zoals een leeuw een lammetje uit de kudde grijpt, of zoals een tijger ervandoor gaat met een kalf, zo worden wij onmiddellijk door de zonde meegesleurd, tenzij God ons in onze ziel de kracht geeft om hem te weerstaan. Wie, die iets weet van de werkingen van de zonde in de vleselijke geest, beseft niet dat het verachtelijke hart ons in een tel meesleurt in de zonde, tenzij God het in Zijn genade verhindert? Dit is nu een van de pijnlijkste dingen die een kind Gods kan meemaken. De schuld en de kracht van de zonde werken samen.
De zonde sleurt ons eerst mee met zijn kracht, en vervolgens voelen we hem in het schuldgevoel dat hij veroorzaakt. Welnu, een kind Gods dat door de zonde is meegesleurd (ik bedoel geen openlijke, boosaardige, schandelijke daden, maar de alledaagse werking van zijn hart), zal soms zuchtend en in tranen naar de Heere gaan en Hem heftig smeken hem te verlossen van de kracht van de zonde, door Zijn vrees in zijn hart te brengen, door zijn geweten gevoelig te maken. En de Heere antwoordt hier soms op door een verborgen kracht in de ziel in te blazen, waardoor Hij hem van het kwaad afhoudt; soms door een verzoeking af te breken, zodat het niet langer een verzoeking is; soms door hem in bedwang te houden door Zijn voorzienigheid; en soms door hem tegen te houden door Zijn genade.
Lezen: Psalm 142
Aan de lezer…
Hoe groot is de kracht van de zonde, als u die eenmaal hebt leren kennen! Niet in openlijke, schandelijke daden misschien, maar in de alledaagse werking van uw hart, dat u in een tel meesleurt, zoals een diepe, snelle stroom wegvoert wat erin valt. U dacht eens dat het een kabbelend beekje was, en nu weet u beter. U hebt even weinig kracht om hem te weerstaan als het distelpluis de wind, en daarna drukt de schuld op u die hij achterlaat.
Wanhoop dan niet, maar ga zuchtend en in tranen tot de Heere en smeek Hem dat Hij u verlosse. Hij heeft vele wegen om Zijn volk te behouden: soms blaast Hij een verborgen kracht in de ziel, soms breekt Hij de verzoeking af, soms houdt Hij u in bedwang door Zijn voorzienigheid, en soms houdt Hij u tegen door Zijn genade. Roep dan: „O HEERE! behoud”, en wacht op Hem; die Koning verhoort ten dage van ons roepen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O HEERE! behoud; die Koning verhore ons, ten dage van ons roepen.
Psalm 20:10
Er is niet alleen de schuld en het schuldgevoel, maar ook de kracht van de zonde, die elke ziel voelt. Wat is de zonde krachtig! Zij is als een diepe en snelle rivier: hoe dieper de rivier, hoe sneller de stroming. We kennen de diepte van de stroom pas als we er bijna in verdrinken, en we kennen de kracht van de stroming pas als we erdoor worden meegesleurd. Het is geen kabbelend beekje, maar een diepe, snelle stroom. Toch weten we eerst niet hoe krachtig hij is.
Wij hebben net zo weinig kracht om hem te weerstaan, tenzij God ons in Zijn genade sterkt, als het distelpluis de wind kan weerstaan. Zoals een reus een kind in zijn armen kan wegdragen, of een leeuw een lammetje uit de kudde grijpt, of een tijger er met een kalf vandoor gaat, zo worden wij direct door de zonde meegesleurd, tenzij God ons in onze ziel de kracht geeft om haar te weerstaan. Wie die iets weet van de werkingen van de zonde in de vleselijke geest, beseft niet dat het verachtelijke hart ons in een oogwenk in de zonde meesleurt, tenzij God het in Zijn genade verhindert? Dit is een van de pijnlijkste dingen die een kind van God kan meemaken. De schuld en de kracht van de zonde werken samen.
De zonde sleurt ons eerst mee door haar kracht, en daarna voelen we haar in de schuld die zij veroorzaakt. Welnu, een kind van God dat door de zonde is meegesleurd (ik bedoel geen openlijke, boosaardige, schandelijke daden, maar de alledaagse werking van zijn hart), zal soms zuchtend en in tranen naar de Heere gaan. Dan smeekt hij Hem dringend om hem te verlossen van de kracht van de zonde, door Zijn vrees in zijn hart te leggen en zijn geweten teer te maken.
En de Heere antwoordt daar soms op door een verborgen kracht in de ziel te blazen, waardoor Hij hem van het kwaad afhoudt; soms door een verzoeking af te breken, zodat het geen verzoeking meer is; soms door hem in bedwang te houden door Zijn voorzienigheid; en soms door hem tegen te houden door Zijn genade.
Lezen: Psalm 142
Aan de lezer…
Hoe groot is de kracht van de zonde, als u die eenmaal hebt leren kennen! Niet in openlijke, schandelijke daden misschien, maar in de alledaagse werking van uw hart, dat u in een oogwenk meesleurt, zoals een diepe, snelle stroom wegvoert wat erin valt. U dacht eens dat het een kabbelend beekje was, en nu weet u beter. U hebt net zo weinig kracht om de zonde te weerstaan als het distelpluis de wind, en daarna drukt de schuld op u die zij achterlaat.
Wanhoop dan niet, maar ga zuchtend en in tranen naar de Heere en smeek Hem u te verlossen. Hij heeft vele wegen om Zijn volk te behouden: soms blaast Hij een verborgen kracht in de ziel, soms breekt Hij de verzoeking af, soms houdt Hij u in bedwang door Zijn voorzienigheid, en soms houdt Hij u tegen door Zijn genade. Roep dan: „O HEERE! behoud”, en wacht op Hem; die Koning verhoort ten dage van ons roepen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Save, LORD: let the king hear us when we call.
Psalm 20:9
There is not only the guilt and the sense of guilt, but also the power of sin, which every soul feels. How powerful sin is! It is like a deep and rapid river: the deeper the river, the swifter the current. We do not know the depth of the stream until we are almost drowned in it, and we do not know the strength of the current until we are swept away by it. It is no babbling brook, but a deep, rapid stream. Yet at first we do not know how powerful it is.
We have as little strength to resist it, unless God graciously strengthens us, as thistledown has to resist the wind. As a giant can carry off a child in his arms, or a lion seizes a lamb out of the flock, or a tiger makes off with a calf, so we are carried away by sin at once, unless God gives us strength in our soul to resist it. Who that knows anything of the workings of sin in the carnal mind does not feel that the vile heart will carry us into sin in a moment, unless God in His grace prevents it? This is one of the most painful things a child of God can pass through.
The guilt and the power of sin work together. Sin first carries us away by its power, and afterwards we feel it in the guilt it causes. Now, a child of God who has been carried away by sin (I do not mean open, wicked, shameful acts, but the daily workings of his heart) will sometimes go to the Lord sighing and in tears. Then he earnestly begs Him to deliver him from the power of sin, by putting His fear into his heart and making his conscience tender.
And the Lord sometimes answers this by breathing a secret strength into the soul, by which He keeps him from evil; sometimes by breaking off a temptation, so that it is a temptation no longer; sometimes by holding him in check by His providence; and sometimes by restraining him by His grace.
Reading: Psalm 142
To the reader…
How great is the power of sin, once you have come to know it! Not in open, shameful acts perhaps, but in the daily workings of your heart, which carries you away in a moment, as a deep, rapid stream sweeps off whatever falls into it. You once thought it was a babbling brook, and now you know better. You have as little strength to resist sin as thistledown has to resist the wind, and afterwards the guilt it leaves behind presses upon you.
Do not despair, then, but go to the Lord sighing and in tears, and beg Him to deliver you. He has many ways of saving His people: sometimes He breathes a secret strength into the soul, sometimes He breaks off the temptation, sometimes He holds you in check by His providence, and sometimes He restrains you by His grace. Cry, then, “Save, LORD,” and wait upon Him; that King hears us when we call.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Salva, Jehová: que el Rey nos oiga el día que Le invocáremos.
Salmo 20:9
No solo está la culpa y el sentir de culpa, sino también el poder del pecado, que toda alma siente. ¡Qué poderoso es el pecado! Es como un río hondo y rápido: cuanto más hondo el río, más veloz la corriente. No conocemos la hondura de la corriente hasta que casi nos ahogamos en ella, y no conocemos la fuerza de la corriente hasta que somos arrastrados por ella. No es un arroyo que murmura, sino una corriente honda y rápida. Sin embargo, al principio no sabemos cuán poderoso es.
Tenemos tan poca fuerza para resistirlo, a menos que Dios nos fortalezca misericordiosamente, como el vilano de un cardo para resistir el viento. Como un gigante puede llevarse a un niño en sus brazos, o un león arrebata un cordero del rebaño, o un tigre se lleva un becerro, así somos arrastrados por el pecado en un instante, a menos que Dios nos dé fuerza en nuestra alma para resistirlo. ¿Quién que sepa algo de las obras del pecado en la mente carnal no siente que el vil corazón nos llevará al pecado en un momento, a menos que Dios en Su gracia lo impida? Esta es una de las cosas más dolorosas por las que puede pasar un hijo de Dios.
La culpa y el poder del pecado obran juntos. El pecado primero nos arrastra por su poder, y después lo sentimos en la culpa que causa. Ahora bien, un hijo de Dios que ha sido arrastrado por el pecado (no me refiero a actos abiertos, malvados y vergonzosos, sino a las obras diarias de su corazón) irá a veces al Señor suspirando y con lágrimas. Entonces le ruega con fervor que le libre del poder del pecado, poniendo Su temor en su corazón y haciendo tierna su conciencia.
Y el Señor responde a esto a veces infundiendo una fuerza secreta en el alma, por la cual le guarda del mal; a veces cortando una tentación, de modo que ya no es tentación; a veces conteniéndole por Su providencia; y a veces refrenándole por Su gracia.
Lectura: Salmo 142
Al lector…
¡Qué grande es el poder del pecado, una vez que se ha llegado a conocerlo! Quizá no en actos abiertos y vergonzosos, sino en las obras diarias de su corazón, que le arrastra en un momento, como una corriente honda y rápida se lleva todo lo que cae en ella. Usted pensaba una vez que era un arroyo que murmura, y ahora sabe que no es así. Tiene tan poca fuerza para resistir el pecado como el vilano de un cardo para resistir el viento, y después le oprime la culpa que deja tras de sí.
No se desespere, pues, sino vaya al Señor suspirando y con lágrimas, y ruéguele que le libre. Él tiene muchas maneras de salvar a Su pueblo: a veces infunde una fuerza secreta en el alma, a veces corta la tentación, a veces le contiene por Su providencia, y a veces le refrena por Su gracia. Clame, pues: “Salva, Jehová”, y espere en Él; ese Rey nos oye cuando Le invocamos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Simon Petrus, een dienstknecht en apostel van Jezus Christus, aan degenen die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben.
2 Petrus 1:1
Wat een heerlijke gedachte is het, dat indien gij en ik een greintje waar geloof bezitten, wij dezelfde dierbare genade in onze harten hebben die in de harten van al de heiligen Gods was, van Abel, de eerste martelaar, af, en in al de heiligen van het Oude Testament, in al de profeten en martelaren en dienstknechten en apostelen van God. En deze genade zal zijn in de boezem van iedere heilige tot aan het einde der dagen. Er is maar één geloof, gelijk er is één God, één Heere, één doop; en het is door dit dierbaar geloof te bezitten, dat de gehele kerk van God tezamen verenigd is in één heerlijk lichaam, waarvan de Heere Jezus Christus het herrezen Hoofd is.
Gij moogt uzelf arm en nooddruftig gevoelen, want het geloof geeft ons onze armoede en nooddruft te verstaan; gij moogt uzelf de minste blik van Gods vriendelijk aangezicht onwaardig achten; maar als de gezegende Geest een greintje van het levend geloof in uw ziel geschonken heeft, dan staat gij op éénzelfde plaats met de heiligen, apostelen, profeten en martelaren, en zijt gij evenzeer aangenaam in de Geliefde, evenzeer door God bemind en een lid van Christus’ verborgen lichaam, als wanneer gij de apostel Petrus, Paulus, Enoch, Abel, Jesaja of één der andere profeten waart.
Aan de lezer…
Kent u dat? U voelt zich zo arm en nooddruftig dat u niet durft te geloven dat u bij Gods volk hoort. Acht u uzelf de minste blik van Zijn vriendelijk aangezicht onwaardig? Bedenk dan dat juist het geloof u uw armoede en nooddruft doet verstaan. Wie zijn armoede leert kennen, ontvangt daarin geen teken van verwerping, maar een kenmerk van het werk des Geestes.
Al is het maar een greintje van het levend geloof, het is hetzelfde dierbare geloof dat in Abel was, in de profeten en in de apostelen. Het ziet niet op uzelf, maar op Hem Die het herrezen Hoofd is van Zijn ene lichaam. Hebt u dat geloof, al is het nog zo zwak, dan bent u in Hem even aangenaam en even bemind als de grootste der heiligen. Houd u dan vast aan de Geliefde, in Wie u aangenaam gemaakt bent.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Simon Petrus, een dienstknecht en apostel van Jezus Christus, aan degenen die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben.
2 Petrus 1:1
Wat een heerlijke gedachte is het dat, als u en ik een greintje waar geloof bezitten, wij dezelfde dierbare genade in ons hart hebben die in het hart van alle heiligen van God was: vanaf Abel, de eerste martelaar, in alle heiligen van het Oude Testament, in alle profeten en martelaren en dienstknechten en apostelen van God. En deze genade zal in het hart van iedere heilige zijn tot aan het einde der dagen. Er is maar één geloof, zoals er één God, één Heere en één doop is. En doordat zij dit dierbare geloof bezit, is de hele kerk van God samen verenigd in één heerlijk lichaam, waarvan de Heere Jezus Christus het opgestane Hoofd is.
U mag zich arm en nooddruftig voelen, want het geloof leert ons onze armoede en nooddruft verstaan. U mag uzelf de minste blik van Gods vriendelijk aangezicht onwaardig achten. Maar als de gezegende Geest een greintje levend geloof in uw ziel geschonken heeft, dan staat u op dezelfde plaats als de heiligen, apostelen, profeten en martelaren. Dan bent u even aangenaam in de Geliefde, even bemind door God en evengoed een lid van Christus’ verborgen lichaam als wanneer u de apostel Petrus of Paulus was, of Henoch, Abel, Jesaja of een van de andere profeten.
Aan de lezer…
Kent u dat? U voelt zich zo arm en nooddruftig dat u niet durft te geloven dat u bij Gods volk hoort. Acht u uzelf de minste blik van Zijn vriendelijk aangezicht onwaardig? Bedenk dan dat juist het geloof u uw armoede en nooddruft leert verstaan. Wie zijn armoede leert kennen, ontvangt daarin geen teken van verwerping, maar een kenmerk van het werk van de Geest.
Al is het maar een greintje levend geloof, het is hetzelfde dierbare geloof dat in Abel was, in de profeten en in de apostelen. Het ziet niet op uzelf, maar op Hem Die het opgestane Hoofd is van Zijn ene lichaam. Hebt u dat geloof, al is het nog zo zwak, dan bent u in Hem even aangenaam en even bemind als de grootste van de heiligen. Houd u dan vast aan de Geliefde, in Wie u aangenaam gemaakt bent.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Simon Peter, a servant and an apostle of Jesus Christ, to them that have obtained like precious faith with us.”
2 Peter 1:1
What a thought it is, that if you and I possess one grain of living faith, the same precious grace is in our hearts that was in the hearts of all the saints of God, from Abel the first martyr, in all the saints of the Old Testament, in all the prophets, and martyrs, and servants and apostles of God; and will exist in the bosom of every saint down to the remotest period of time. There is but “one faith,” as there is “one God, one Lord, and one baptism;” and it is by the possession of this “like precious faith” that all the family of God are knit together into one glorious body, of which the Lord Jesus Christ is the risen Head.
You, in yourself, may be very poor and needy, for faith makes us to feel our poverty and need; you may think and feel yourself unworthy of the least notice of God’s favoring eye; but if the blessed Spirit has raised up one grain of living faith in your soul, you stand on the same holy platform with saints, apostles, prophets, and martyrs, and you are as much “accepted in the Beloved,” as much loved of God, and as much a member of the mystical body of Christ, as though you were the Apostle Peter, Paul, Enoch, Abel, Isaiah, or any of the prophets.
To the reader…
Do you know this? You feel so poor and needy that you dare not believe you belong to God’s people. Do you count yourself unworthy of the least glance of His kind face? Then remember that it is faith itself that teaches you to understand your poverty and need. Whoever learns to know his poverty receives in it no sign of rejection, but a mark of the work of the Spirit.
Even if it is only a grain of living faith, it is the same precious faith that was in Abel, in the prophets and in the apostles. It does not look to yourself, but to Him Who is the risen Head of His one body. If you have that faith, however weak it may be, then in Him you are as accepted and as beloved as the greatest of the saints. Hold fast, then, to the Beloved, in Whom you have been made accepted.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Simón Pedro, siervo y apóstol de Jesucristo, a los que habéis alcanzado fe igualmente preciosa con nosotros.”
2 Pedro 1:1
¡Qué pensamiento es este: que si usted y yo poseemos un solo grano de fe viva, la misma gracia preciosa está en nuestro corazón que estuvo en el corazón de todos los santos de Dios, desde Abel, el primer mártir; en todos los santos del Antiguo Testamento, en todos los profetas, y mártires, y siervos y apóstoles de Dios; y que existirá en el pecho de cada santo hasta el período más remoto del tiempo! No hay sino “una fe”, como hay “un Dios, un Señor, un bautismo”; y es por la posesión de esta “fe igualmente preciosa” que toda la familia de Dios queda unida en un solo cuerpo glorioso, del cual el Señor Jesucristo es la Cabeza resucitada.
Usted, en sí mismo, puede ser muy pobre y necesitado, porque la fe nos hace sentir nuestra pobreza y necesidad; puede pensar y sentir que es indigno de la menor atención del ojo favorable de Dios; pero si el bendito Espíritu ha levantado un solo grano de fe viva en su alma, usted está sobre la misma santa plataforma que los santos, apóstoles, profetas y mártires, y es tan “acepto en el Amado”, tan amado de Dios y tan miembro del cuerpo místico de Cristo, como si fuera el apóstol Pedro, Pablo, Enoc, Abel, Isaías o cualquiera de los profetas.
Al lector…
¿Conoce usted esto? Se siente tan pobre y necesitado que no se atreve a creer que pertenece al pueblo de Dios. ¿Se tiene por indigno de la menor mirada de Su rostro bondadoso? Recuerde entonces que es la fe misma la que le enseña a entender su pobreza y necesidad. Quien aprende a conocer su pobreza no recibe en ello una señal de rechazo, sino una señal de la obra del Espíritu.
Aunque sea solo un grano de fe viva, es la misma fe preciosa que hubo en Abel, en los profetas y en los apóstoles. No mira a uno mismo, sino a Aquel que es la Cabeza resucitada de Su único cuerpo. Si usted tiene esa fe, por débil que sea, entonces en Él es tan acepto y tan amado como el mayor de los santos. Aférrese, pues, al Amado, en Quien ha sido hecho acepto.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl