November 17
Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziele was in hen overstelpt. Doch roepende tot de Heere in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten.
Psalm 107:5, 6
Niet vóórdat zij in de woestijn dwaalden; niet vóórdat zij bevonden dat hun weg eenzaam was; niet vóórdat zij een stad vonden om in te wonen; niet vóórdat hun ziel van honger en dorst bezweek, werd er een roepen gehoord. Misschien was er nu en dan een gebed, een verlangen, een flauwe wens, een zucht of een gesteun; maar dat was niet genoeg. Er was iets meer nodig om de tedere barmhartigheid op te wekken in de boezem van het medelijdende Hoofd der Kerk. Een roepen moest er komen: een roepen van smart, een roepen van angst der ziel, een roepen door een zware last uit het hart geperst.
En een roepen geeft behoefte, dringende behoefte te kennen; een bezwijken, zo er geen antwoord komt. Het is de adem ener ziel die verlangt eeuwige kracht in het geweten te ontvangen, of zonder deze te bezwijken. Het is dat verheven gevoel in het hart, dat er geen andere toevlucht is dan God. De Heere brengt al Zijn volk daarheen, dat het geen andere toevlucht heeft dan Hem. Vrienden, raadslieden, kennissen: zij mogen medelijden gevoelen, maar zij kunnen niet helpen. Er is geen toevlucht, geen schuilplaats, geen wijkplaats, geen woning waarheen zij kunnen vlieden, dan in de Heere.
Zo zijn het de moeilijkheden die ons met God persoonlijk in aanraking brengen. Zij verdrijven die halve godsvrucht die wij zo veel hebben; zij verdrijven die denkbeeldige ervaring en dorre belijdenis waarmede wij ons zo vaak vergenoegen. Zij verdrijven ze gelijk een hevige noordenwind de nevelen verdrijft, en zij brengen de mens op zulk een verheven plaats, dat hij omgang met God behoeft om hem te steunen en hem uit zijn moeilijkheden te verlossen; en zo een mens niet zo ver door zijn moeilijkheden gebracht wordt, hebben zij hem geen goed gedaan. Maar welk een genade is het als er een roepen is! En als de Heere in de moeilijkheden een roepen zendt, dan zal Hij ook op Zijn tijd en in Zijn weg uitredding schenken.
’k Bekend’, o Heer, aan U oprecht mijn zonden,
’k verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden,
maar ik beleed na ernstig overleg
mijn boze daân: Gij naamt die gunstig weg.
Ps. 32:3
Aan de lezer…
Hier is een woord voor wie soms niet meer kan bidden dan een flauwe wens, een zucht of een gesteun. Vreest u dat zulk een gebed niet genoeg is? De Heere laat Zijn volk soms dwalen in een eenzame weg en hongerig en dorstig worden, totdat hun ziel in hen overstelpt is. Niet om hen te kwellen, maar opdat er een roepen zou komen, een roepen uit angst der ziel, door een zware last uit het hart geperst.
Verdrijven uw moeilijkheden uw halve godsvrucht en dorre belijdenis, gelijk een hevige noordenwind de nevelen? Dan doen zij u goed, want zij brengen u met God persoonlijk in aanraking. Vrienden kunnen medelijden hebben, maar niet helpen; er is geen schuilplaats dan in de Heere. Welk een genade is het als er een roepen is! Want Die het roepen zendt, zal ook op Zijn tijd en in Zijn weg uitredding schenken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziele was in hen overstelpt. Doch roepende tot de Heere in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten.
Psalm 107:5, 6
Niet voordat zij in de woestijn dwaalden, niet voordat zij merkten dat hun weg eenzaam was, niet voordat zij een stad vonden om in te wonen, niet voordat hun ziel van honger en dorst bezweek, werd er een roepen gehoord. Misschien was er nu en dan een gebed, een verlangen, een vage wens, een zucht of een kreun; maar dat was niet genoeg. Er was meer nodig om de tedere barmhartigheid op te wekken in het hart van het medelijdende Hoofd van de Kerk. Er moest een roepen komen: een roepen van smart, een roepen uit zielsangst, een roepen dat door een zware last uit het hart werd geperst.
Een roepen maakt behoefte bekend, dringende behoefte, en een bezwijken als er geen antwoord komt. Het is de adem van een ziel die verlangt eeuwige kracht in het geweten te ontvangen, of anders zonder die kracht bezwijkt. Het is dat verheven besef in het hart dat er geen andere toevlucht is dan God. De Heere brengt heel Zijn volk zover dat het geen andere toevlucht heeft dan Hem. Vrienden, raadgevers, kennissen: zij mogen medelijden voelen, maar zij kunnen niet helpen. Er is geen toevlucht, geen schuilplaats, geen wijkplaats, geen woning waarheen zij kunnen vluchten, dan in de Heere.
Zo zijn het de moeilijkheden die ons persoonlijk met God in aanraking brengen. Zij verdrijven die halve godsvrucht waarvan wij zoveel hebben; zij verdrijven die ingebeelde bevinding en dorre belijdenis waarmee wij ons zo vaak tevredenstellen. Zij verdrijven ze zoals een hevige noordenwind de nevel verdrijft, en zij brengen de mens op zo’n verheven plaats dat hij omgang met God nodig heeft om hem te steunen en uit zijn moeilijkheden te verlossen. Als een mens niet zover door zijn moeilijkheden gebracht wordt, hebben zij hem geen goed gedaan. Maar wat een genade is het als er een roepen is! En als de Heere in de moeilijkheden een roepen zendt, zal Hij ook op Zijn tijd en op Zijn manier uitredding schenken.
’k Bekend’, o Heer, aan U oprecht mijn zonden,
’k verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden,
maar ik beleed na ernstig overleg
mijn boze daân: Gij naamt die gunstig weg.
Ps. 32:3
Aan de lezer…
Hier is een woord voor wie soms niet meer kan bidden dan een vage wens, een zucht of een kreun. Vreest u dat zo’n gebed niet genoeg is? De Heere laat Zijn volk soms dwalen op een eenzame weg en hongerig en dorstig worden, totdat hun ziel in hen overstelpt is. Niet om hen te kwellen, maar zodat er een roepen zou komen, een roepen uit zielsangst, door een zware last uit het hart geperst.
Verdrijven uw moeilijkheden uw halve godsvrucht en dorre belijdenis, zoals een hevige noordenwind de nevel verdrijft? Dan doen zij u goed, want zij brengen u persoonlijk met God in aanraking. Vrienden kunnen medelijden hebben, maar niet helpen; er is geen schuilplaats dan in de Heere. Wat een genade is het als er een roepen is! Want Hij Die het roepen zendt, zal ook op Zijn tijd en op Zijn manier uitredding schenken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
They wandered in the wilderness in a solitary way; they found no city to dwell in. Hungry and thirsty, their soul fainted in them. Then they cried unto the Lord in their trouble, and He delivered them out of their distresses.
Psalm 107:4-6
Until they wandered in the wilderness—until they felt it to be a solitary way, until they found no city to dwell in, until hungry and thirsty their soul fainted in them—there was no cry. There might have been prayer, a desire, a feeble wish, and now and then a sigh or a groan. But this was not enough. Something more was needed to draw forth loving-kindness out of the bosom of the compassionate Head of the Church. A cry was needed—a cry of distress, a cry of soul trouble, a cry forced out of their hearts by heavy burdens. And a cry implies necessity, urgent need, a perishing without an answer to the cry. It is the breath of a soul bent upon having eternal realities brought into the conscience, or perishing without them. It is this solemn feeling in the heart that there is no other refuge but God.
The Lord brings all His people here—to have no other refuge but Himself. Friends, counselors, acquaintance—these may sympathize, but they cannot afford relief. There is no refuge, nor shelter, nor harbor, nor home into which they can fly, except the Lord.
Thus troubles force us to deal with God in a personal manner. They chase away that half-hearted religion of which we have so much; and they drive out that notional experience and dry profession that we are so often satisfied with. They chase them away as a strong north wind chases away the mists; and they bring a man to this solemn spot that he must have communications from God to support him under, and bring him out of his trouble; and if a man is not brought to this point by his troubles, they have done him no good. But what a mercy it is when there is a cry! and when the Lord sends a cry in the trouble, He is sure in His own time and way to send deliverance out of it.
To the reader…
Here is a word for you if at times you can pray no more than a faint wish, a sigh or a groan. Do you fear that such a prayer is not enough? The Lord sometimes lets His people wander in a solitary way and grow hungry and thirsty, until their soul faints in them. Not to torment them, but so that there might be a cry, a cry of soul trouble, forced out of the heart by a heavy burden.
Do your troubles chase away your half-hearted religion and dry profession, as a strong north wind chases away the mist? Then they are doing you good, for they bring you to deal with God in a personal way. Friends may sympathize, but they cannot help; there is no refuge but in the Lord. What a mercy it is when there is a cry! For He Who sends the cry will also, in His own time and way, send deliverance.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Anduvieron perdidos por el desierto, por la soledad sin camino, no hallando ciudad de población. Hambrientos y sedientos, su alma desfallecía en ellos. Habiendo empero clamado a Jehová en su angustia, librólos de sus aflicciones.
Salmo 107:4-6
Hasta que anduvieron perdidos por el desierto, hasta que lo sintieron como un camino solitario, hasta que no hallaron ciudad de población, hasta que, hambrientos y sedientos, su alma desfallecía en ellos, no hubo clamor. Pudo haber oración, un deseo, un débil anhelo, y de vez en cuando un suspiro o un gemido. Pero esto no bastaba. Se necesitaba algo más para sacar la misericordia del seno de la compasiva Cabeza de la Iglesia. Se necesitaba un clamor: un clamor de angustia, un clamor de aflicción del alma, un clamor arrancado de su corazón por cargas pesadas. Y un clamor implica necesidad, necesidad urgente, un perecer si no hay respuesta al clamor. Es el aliento de un alma resuelta a que las realidades eternas sean traídas a la conciencia, o a perecer sin ellas. Es este sentimiento solemne en el corazón de que no hay otro refugio sino Dios.
El Señor trae a todo Su pueblo aquí: a no tener otro refugio sino Él mismo. Amigos, consejeros, conocidos: estos pueden compadecerse, pero no pueden dar alivio. No hay refugio, ni abrigo, ni puerto, ni hogar al que puedan huir, excepto el Señor.
Así las aflicciones nos obligan a tratar con Dios de manera personal. Ahuyentan esa religión tibia de la que tenemos tanta; y echan fuera esa experiencia teórica y esa profesión seca con las que tan a menudo nos contentamos. Las ahuyentan como un fuerte viento del norte ahuyenta las nieblas; y llevan al hombre a este lugar solemne: que tiene que recibir comunicaciones de Dios que le sostengan en su aflicción y le saquen de ella; y si un hombre no es llevado a este punto por sus aflicciones, no le han hecho ningún bien. ¡Pero qué misericordia es cuando hay un clamor! Y cuando el Señor envía un clamor en la aflicción, ciertamente enviará, a Su tiempo y a Su manera, la liberación de ella.
Al lector…
Aquí hay una palabra para usted si a veces no puede orar más que con un débil anhelo, un suspiro o un gemido. ¿Teme que tal oración no baste? El Señor a veces deja que Su pueblo ande perdido por un camino solitario y tenga hambre y sed, hasta que su alma desfallece en ellos. No para atormentarlos, sino para que haya un clamor, un clamor de aflicción del alma, arrancado del corazón por una carga pesada.
¿Ahuyentan sus aflicciones su religión tibia y su profesión seca, como un fuerte viento del norte ahuyenta la niebla? Entonces le están haciendo bien, porque le llevan a tratar con Dios de manera personal. Los amigos pueden compadecerse, pero no pueden ayudar; no hay refugio sino en el Señor. ¡Qué misericordia es cuando hay un clamor! Porque Aquel que envía el clamor enviará también, a Su tiempo y a Su manera, la liberación.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl