6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want gij hebt lijdzaamheid van node; opdat gij, de wil Gods gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen.
Hebreeën 10:36
Waarom heeft men lijdzaamheid nodig? Omdat wij verzekerd zijn vele beproevingen te hebben, indien wij tot ’s Heeren volk behoren. De Heere zendt ons droefheid, opdat Hij ons de genade des gedulds geve om haar te verdragen. Maar o, welk een weerspannig hart dragen wij in onze boezem om! Welk een weerspannigheid, ontevredenheid en eigenzinnigheid woont niet in ons! Hoe spoedig is onze drift opgewekt en onze prikkelbare geest ontstemd door de minste kleinigheid! Hoe weinig geduld hebben wij onder de beproevingen die God goed acht ons te zenden!
Zo leren wij onze behoefte aan lijdzaamheid kennen, en dat is geen vrucht, geteeld op de bodem van onze eigen natuur. De behoefte eraan doet de ziel haar najagen; en als de Heere onderwerping geeft aan Zijn wil, en Zijn kinderen in staat stelt te zien hoe weldadig die beproevingen voor hun ziel zijn, en hoe zij zonder deze zware last in de wereld zouden zijn meegevoerd, kunnen zij Zijn genadige hand in deze beproevingen opmerken. Door zich dus somtijds ontevreden en weerspannig te gevoelen en hun behoefte aan lijdzaamheid te kennen, en somtijds zich onderworpen te gevoelen en daarvan de liefelijkheid te smaken, zien zij welk een grote genade lijdzaamheid is.
Er is bijna geen genade die wij dagelijks meer nodig hebben. Wij hebben haar nodig jegens God, als Hij onze plannen verijdelt, onze wensen niet vervult en, in plaats van ons te tonen waarom Hij ons bezoekt, Zich achter dikke wolken verbergt, door welke noch geloof noch gebed kunnen heendringen. Wij hebben lijdzaamheid nodig met elkander; met de wereld; met onze betrekkingen in het leven; met de gemeente Gods. En welk een genade is het, onder deze scherpe beproevingen lijdzaamheid te bezitten, en zo het voorbeeld van onze gezegende Heere te volgen, „Die, wanneer men Hem schold, niet wederschold; wanneer Hij leed, niet dreigde, maar alles overgaf aan Hem, Die rechtvaardiglijk oordeelt.”
’t Is goed voor mij, verdrukt te zijn geweest,
opdat ik dus Uw godd’lijk recht zou leren;
sinds heeft mijn hart voor hovaardij gevreesd.
Ai, doe mij steeds Uw wil als heilig eren!
Ver boven goud en zilver en wat meest
de mens bekoort, zal ik Uw wet waarderen.
Ps. 119:36
Aan de lezer…
Soms moet u ervaren hoe spoedig uw drift is opgewekt en hoe weinig geduld u hebt, wanneer de Heere uw plannen verijdelt en Zich achter dikke wolken verbergt. Schrik daar niet zo van alsof het een vreemde zaak was. Lijdzaamheid groeit niet op de bodem van onze eigen natuur; daarom zendt de Heere de beproeving, opdat u uw behoefte eraan zou leren kennen en haar bij Hem zou zoeken.
Zie dan op Hem, Die, wanneer men Hem schold, niet wederschold, en alles overgaf aan Hem, Die rechtvaardiglijk oordeelt. Wat Hij volmaakt deed, kan Hij in een weerspannig hart werken. En wanneer u eens zien mag hoe weldadig de last was, hoe hij u bewaarde voor het meegevoerd worden door de wereld, zult u met de psalmdichter zeggen dat het goed voor u is geweest verdrukt te zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want gij hebt lijdzaamheid van node; opdat gij, de wil Gods gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen.
Hebreeën 10:36
Waarom hebben wij lijdzaamheid nodig? Omdat wij er zeker van kunnen zijn dat wij veel beproevingen zullen hebben als wij tot het volk van de Heere behoren. De Heere zendt ons droefheid om ons de genade van het geduld te geven om haar te dragen. Maar o, wat een weerspannig hart dragen wij in onze boezem mee! Hoeveel weerspannigheid, ontevredenheid en eigenzinnigheid woont er niet in ons! Hoe snel wordt onze drift gewekt en raakt onze prikkelbare geest ontstemd door de kleinste kleinigheid! Hoe weinig geduld hebben wij onder de beproevingen die God goed vindt ons te zenden!
Zo leren wij onze behoefte aan lijdzaamheid kennen, en die is geen vrucht die op de bodem van onze eigen natuur groeit. De behoefte eraan doet de ziel haar najagen. En wanneer de Heere onderwerping aan Zijn wil geeft, en Zijn kinderen in staat stelt te zien hoe weldadig die beproevingen voor hun ziel zijn, en hoe zij zonder die zware last door de wereld zouden zijn meegesleept, dan kunnen zij Zijn genadige hand in die beproevingen opmerken. Doordat zij zich soms ontevreden en weerspannig voelen en hun behoefte aan lijdzaamheid kennen, en zich op andere momenten onderworpen voelen en de lieflijkheid daarvan smaken, zien zij wat een grote genade lijdzaamheid is.
Er is bijna geen genade die wij dagelijks meer nodig hebben. Wij hebben haar nodig tegenover God, wanneer Hij onze plannen verijdelt en onze wensen niet vervult, en wanneer Hij Zich, in plaats van ons te tonen waarom Hij ons bezoekt, verbergt achter dikke wolken waar geloof noch gebed doorheen kunnen dringen. Wij hebben lijdzaamheid nodig met elkaar, met de wereld, met onze relaties in het leven, met de gemeente van God. En wat een genade is het om onder deze scherpe beproevingen lijdzaamheid te bezitten, en zo het voorbeeld te volgen van onze gezegende Heere, „Die, wanneer men Hem schold, niet wederschold; wanneer Hij leed, niet dreigde, maar alles overgaf aan Hem, Die rechtvaardiglijk oordeelt.”
’t Is goed voor mij, verdrukt te zijn geweest,
opdat ik dus Uw godd’lijk recht zou leren;
sinds heeft mijn hart voor hovaardij gevreesd.
Ai, doe mij steeds Uw wil als heilig eren!
Ver boven goud en zilver en wat meest
de mens bekoort, zal ik Uw wet waarderen.
Ps. 119:36
Aan de lezer…
Soms moet u ervaren hoe snel uw drift gewekt wordt en hoe weinig geduld u hebt, wanneer de Heere uw plannen verijdelt en Zich achter dikke wolken verbergt. Schrik daar niet van alsof het iets vreemds was. Lijdzaamheid groeit niet op de bodem van onze eigen natuur. Daarom zendt de Heere de beproeving, zodat u uw behoefte eraan leert kennen en haar bij Hem zoekt.
Zie dan op Hem Die, wanneer men Hem schold, niet wederschold, en alles overgaf aan Hem Die rechtvaardiglijk oordeelt. Wat Hij volmaakt deed, kan Hij ook in een weerspannig hart werken. En wanneer u eens mag zien hoe weldadig de last was, en hoe hij u ervoor bewaarde door de wereld meegesleept te worden, zult u met de psalmdichter zeggen dat het goed voor u is geweest verdrukt te zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For ye have need of patience, that, after ye have done the will of God, ye might receive the promise.
Hebrews 10:36
Why is patience needed? Because if we are the Lord’s people, we are sure to have many trials. The Lord sends us afflictions that He may give us the grace of patience to bear them. But O, what a rebellious heart do we carry in our bosom! What perverseness, peevishness, and self-will dwell in us! How soon our temper is stirred up, and our irritable minds roused in a moment by the smallest trifle! How little patience have we under the trials that God sees fit to lay upon us!
We thus learn our need of patience, and that it is not a fruit of nature’s soil. The lack of it makes the soul follow after it; and when the Lord does give submission to His will, and enables His children to see how profitable these trials are for their souls, and how, but for this heavy ballast, they would certainly have been carried away into the world, they can see His merciful hand in their heavy afflictions.
Thus sometimes by feeling peevish and rebellious, and thus knowing their need of patience; and sometimes by feeling submissive, and enjoying the sweetness of it, they see what a blessed grace patience is. Scarcely any grace do we more daily need. We need it toward God, when He crosses us in our schemes, thwarts us in our desires, and instead of showing why He afflicts us, hides Himself behind a thick cloud that neither faith nor prayer can pierce through.
We need patience with each other, with the world, with our relations in life, and with the Church of God. We need patience when anything is said or done to hurt our minds, wound our feelings, irritate our tempers, and stir us up to revenge. And what a mercy it is, under these sharp trials, to have patience, and thus follow the example of the blessed Lord, “Who, when He was reviled, reviled not again; when He suffered, He threatened not, but committed Himself to Him Who judges righteously.”
To the reader…
Sometimes you have to find out how quickly your temper is stirred and how little patience you have, when the Lord crosses your plans and hides Himself behind thick clouds. Do not be alarmed at that as though it were something strange. Patience does not grow in the soil of our own nature. That is why the Lord sends the trial, so that you learn your need of it and seek it from Him.
Look, then, to Him Who, when He was reviled, reviled not again, but committed Himself to Him that judgeth righteously. What He did perfectly, He can also work in a rebellious heart. And when one day you are allowed to see how profitable the burden was, and how it kept you from being carried away by the world, you will say with the psalmist that it was good for you to have been afflicted.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque os es necesaria la paciencia; para que, habiendo hecho la voluntad de Dios, obtengáis la promesa.
Hebreos 10:36
¿Por qué es necesaria la paciencia? Porque, si somos del pueblo del Señor, con seguridad tendremos muchas pruebas. El Señor nos envía aflicciones para darnos la gracia de la paciencia para soportarlas. Pero ¡oh, qué corazón rebelde llevamos en el pecho! ¡Qué perversidad, qué mal humor y qué obstinación habitan en nosotros! ¡Qué pronto se altera nuestro genio, y nuestra mente irritable se agita en un instante por la menor nimiedad! ¡Qué poca paciencia tenemos bajo las pruebas que Dios tiene a bien poner sobre nosotros!
Así aprendemos nuestra necesidad de paciencia, y que esta no es fruto del suelo de la naturaleza. Su falta hace que el alma la persiga; y cuando el Señor da sumisión a Su voluntad, y capacita a Sus hijos para ver cuán provechosas son estas pruebas para su alma, y cómo, de no ser por este pesado lastre, ciertamente habrían sido arrastrados al mundo, pueden ver Su mano misericordiosa en sus pesadas aflicciones.
Así, a veces sintiéndose malhumorados y rebeldes, y conociendo de este modo su necesidad de paciencia; y a veces sintiéndose sumisos y gozando de su dulzura, ven qué gracia tan bendita es la paciencia. Casi no hay gracia que necesitemos más cada día. La necesitamos para con Dios, cuando Él se cruza en nuestros planes, frustra nuestros deseos, y en vez de mostrar por qué nos aflige, se esconde detrás de una nube espesa que ni la fe ni la oración pueden traspasar.
Necesitamos paciencia unos con otros, con el mundo, con nuestros parientes y relaciones en la vida, y con la Iglesia de Dios. Necesitamos paciencia cuando se dice o se hace algo que lastima nuestra mente, hiere nuestros sentimientos, irrita nuestro genio y nos incita a la venganza. ¡Y qué misericordia es, bajo estas pruebas agudas, tener paciencia, y seguir así el ejemplo del bendito Señor, “quien cuando Le maldecían no retornaba maldición: cuando padecía, no amenazaba, sino remitía la causa al que juzga justamente”!
Al lector…
A veces tiene usted que descubrir qué pronto se altera su genio y qué poca paciencia tiene, cuando el Señor se cruza en sus planes y se esconde detrás de nubes espesas. No se alarme por ello como si fuera algo extraño. La paciencia no crece en el suelo de nuestra propia naturaleza. Por eso el Señor envía la prueba, para que usted aprenda su necesidad de ella y la busque en Él.
Mire, pues, a Aquel que, cuando Le maldecían, no retornaba maldición, sino que remitía la causa al que juzga justamente. Lo que Él hizo perfectamente, también puede obrarlo en un corazón rebelde. Y cuando un día se le conceda ver cuán provechosa fue la carga, y cómo le guardó de ser arrastrado por el mundo, dirá con el salmista que bueno le fue haber sido humillado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Evangelische voorschriften
Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.
Markus 9:24
God heeft ons voorschriften gegeven, en wij zouden ze graag willen gehoorzamen. We zien er schoonheid en zaligheid in. We bewonderen ze en zouden graag ons leven ernaar richten. We durven ze niet terzijde te schuiven. Integendeel, we nemen aan dat ze een wezenlijk deel van Gods Woord uitmaken, en zien er soms grote schoonheid in, en een even grote noodzaak en even echt belang als in de beloften.
Maar we zijn even onmachtig het voorschrift geestelijk na te leven als we onmachtig zijn de belofte geestelijk te geloven, tenzij de Heere in ons „beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen” (Fil. 2:13) werkt. De belofte maakt deel uit van Gods Woord, maar we hebben het geloof nodig om haar te geloven. Het voorschrift maakt deel uit van Gods Woord, maar we hebben het geloof nodig om het na te leven. God werkt in ons om de belofte te geloven; God werkt in ons om het voorschrift na te leven.
„Hebt uw vijanden lief,” luidt het voorschrift. „Als iemand u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe.” Kan ik deze beide dingen doen? Niet geestelijk, behalve in zoverre het geloof in mijn hart is aangebracht. Ik kan het naar de letter doen, of schijnheilig. Maar het voorschrift wordt slechts echt nageleefd als de Geest, Die het heeft gegeven, in ons werkt om het vanuit het hart te gehoorzamen en het vanuit geestelijke beweegredenen, onder goddelijke aandrang, uit te voeren, niet slechts naar de letter, maar naar de geest en in waarheid.
Het „werk des geloofs” is tegen ongeloof te vechten. Maar hoe kan ik tegen ongeloof vechten als ik geen geloof heb, en tenzij God „het werk des geloofs met kracht” uitvoert? Het „werk des geloofs” is ook nodig om de zonde te overwinnen, het vlees met zijn verlangens en vleselijke begeerten te beteugelen, de oude mens af te leggen en de nieuwe aan te doen. Maar het moet „het werk des geloofs met kracht” zijn, want God moet dat werk in mij uitvoeren, als ik doeltreffend wil vechten. Hij Zelf moet mij het zwaard aangeven, mijn handen leren strijden en mijn vingers vechten.
Het is daarom „het werk des geloofs” om het vlees, met de bewegingen en begeerten, te kruisigen. Dit kan echter alleen gebeuren als het geloof met kracht in het hart komt. De oude mens kan alleen worden afgelegd en de nieuwe aangedaan door de openbaringen van de liefde en barmhartigheid van God aan de ziel. Als ik mezelf veracht, moet dit gebeuren door mijn geweten dat teder is geworden in godsvrucht. Als ik de Heere Jezus Christus liefheb, moet dit gebeuren door Zijn liefde die in mijn hart wordt uitgestort.
Lezen: 2 Thessalonicenzen 1
Aan de lezer…
Bestreden ziel, bemint u de geboden des Heeren en ziet u er schoonheid in, maar ontdekt u telkens weer dat u ze niet kunt doen zoals u zou willen? U wilt uw vijanden liefhebben, en uw hart blijft koud; u wilt het vlees kruisigen, en het leeft weer op. Dat is een smartelijke ontdekking, maar geen vreemde. Wij zijn even onmachtig het voorschrift na te leven als de belofte te geloven.
Maar Hij, Die het gebod gaf, werkt ook het willen en het werken naar Zijn welbehagen. Hij Zelf moet u het zwaard aangeven en uw handen leren strijden. Werp u dan niet terneer onder uw onmacht, en grijp ook niet naar een uitwendige gehoorzaamheid naar de letter alleen. Breng uw ongelovig en onwillig hart bij Hem en zeg: „Heere, kom mij te hulp.” Wanneer Zijn liefde in uw hart wordt uitgestort, wordt het gebod u geen last meer, maar een lust.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.
Markus 9:24
God heeft ons voorschriften gegeven, en wij zouden ze graag gehoorzamen. We zien er schoonheid en zaligheid in. We bewonderen ze en zouden ons leven er graag naar richten. We durven ze niet terzijde te schuiven. Integendeel, we aanvaarden dat ze een wezenlijk deel van Gods Woord vormen. Soms zien we er grote schoonheid in, en een even grote noodzaak en een even werkelijk belang als in de beloften.
Maar we zijn even onmachtig om het voorschrift geestelijk na te leven als om de belofte geestelijk te geloven, tenzij de Heere in ons werkt „beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen” (Fil. 2:13). De belofte maakt deel uit van Gods Woord, maar we hebben het geloof nodig om haar te geloven. Het voorschrift maakt deel uit van Gods Woord, maar we hebben het geloof nodig om het na te leven. God werkt in ons om de belofte te geloven; God werkt in ons om het voorschrift na te leven.
„Hebt uw vijanden lief,” luidt het voorschrift. „Als iemand u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe.” Kan ik deze beide dingen doen? Niet geestelijk, behalve voor zover het geloof in mijn hart is gewerkt. Ik kan het naar de letter doen, of schijnheilig. Maar het voorschrift wordt pas werkelijk nageleefd wanneer de Geest, Die het heeft gegeven, in ons werkt om het van harte te gehoorzamen. Dan wordt het vanuit geestelijke beweegredenen, onder goddelijke aandrang, uitgevoerd, niet alleen naar de letter, maar naar de geest en in waarheid.
Het „werk des geloofs” is tegen het ongeloof te vechten. Maar hoe kan ik tegen het ongeloof vechten als ik geen geloof heb, en tenzij God „het werk des geloofs met kracht” uitvoert? Het „werk des geloofs” is ook nodig om de zonde te overwinnen, het vlees met zijn verlangens en vleselijke begeerten te beteugelen, de oude mens af te leggen en de nieuwe aan te doen. Maar het moet „het werk des geloofs met kracht” zijn, want als ik doeltreffend wil vechten, moet God dat werk in mij uitvoeren. Hij Zelf moet mij het zwaard aangeven, mijn handen leren strijden en mijn vingers vechten.
Het is daarom „het werk des geloofs” om het vlees met zijn bewegingen en begeerten te kruisigen. Dat kan echter alleen gebeuren wanneer het geloof met kracht in het hart komt. De oude mens kan alleen worden afgelegd en de nieuwe aangedaan door de openbaringen van Gods liefde en barmhartigheid aan de ziel. Als ik mijzelf veracht, moet dat komen doordat mijn geweten teder is geworden in godsvrucht. Als ik de Heere Jezus Christus liefheb, moet dat komen doordat Zijn liefde in mijn hart wordt uitgestort.
Lezen: 2 Thessalonicenzen 1
Aan de lezer…
Bestreden ziel, hebt u de geboden van de Heere lief en ziet u er schoonheid in, maar ontdekt u telkens weer dat u ze niet kunt doen zoals u zou willen? U wilt uw vijanden liefhebben, en uw hart blijft koud; u wilt het vlees kruisigen, en het leeft weer op. Dat is een smartelijke ontdekking, maar geen vreemde. Wij zijn even onmachtig om het voorschrift na te leven als om de belofte te geloven.
Maar Hij, Die het gebod gaf, werkt ook het willen en het werken naar Zijn welbehagen. Hij Zelf moet u het zwaard aangeven en uw handen leren strijden. Laat u dan niet terneerdrukken door uw onmacht, en grijp ook niet naar een uiterlijke gehoorzaamheid naar de letter alleen. Breng uw ongelovig en onwillig hart bij Hem en zeg: „Heere, kom mij te hulp.” Wanneer Zijn liefde in uw hart wordt uitgestort, wordt het gebod u geen last meer, maar een lust.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Lord, I believe; help Thou mine unbelief.
Mark 9:24
God has given us precepts, and we would gladly obey them. We see beauty and blessedness in them. We admire them and would gladly order our life by them. We dare not set them aside. On the contrary, we accept that they form an essential part of God’s Word. Sometimes we see great beauty in them, and as great a necessity and as real an importance as in the promises.
But we are as powerless to perform the precept spiritually as to believe the promise spiritually, unless the Lord works in us “both to will and to do of His good pleasure” (Phil. 2:13). The promise is part of God’s Word, but we need faith to believe it. The precept is part of God’s Word, but we need faith to perform it. God works in us to believe the promise; God works in us to perform the precept.
“Love your enemies,” runs the precept. “Whosoever shall smite thee on thy right cheek, turn to him the other also.” Can I do these two things? Not spiritually, except so far as faith is wrought in my heart. I can do them in the letter, or hypocritically. But the precept is only truly performed when the Spirit, Who gave it, works in us to obey it from the heart. Then it is carried out from spiritual motives, under divine constraint, not only in the letter, but in the spirit and in truth.
The “work of faith” is to fight against unbelief. But how can I fight against unbelief if I have no faith, and unless God fulfils “the work of faith with power”? The “work of faith” is also needed to overcome sin, to restrain the flesh with its affections and fleshly lusts, to put off the old man and to put on the new. But it must be “the work of faith with power”, for if I am to fight effectually, God must carry out that work in me. He Himself must hand me the sword, teach my hands to war and my fingers to fight.
It is therefore “the work of faith” to crucify the flesh with its motions and lusts. That can only be done, however, when faith comes with power into the heart. The old man can only be put off and the new man put on by the manifestations of God’s love and mercy to the soul. If I abhor myself, it must be because my conscience has been made tender in godly fear. If I love the Lord Jesus Christ, it must be because His love is shed abroad in my heart.
Reading: 2 Thessalonians 1
To the reader…
Tried soul, do you love the commandments of the Lord and see beauty in them, but discover again and again that you cannot do them as you would? You want to love your enemies, and your heart remains cold; you want to crucify the flesh, and it revives again. That is a painful discovery, but not a strange one. We are as powerless to perform the precept as to believe the promise.
But He Who gave the commandment also works the willing and the doing of His good pleasure. He Himself must hand you the sword and teach your hands to war. Do not let your helplessness cast you down, then, and do not grasp at an outward obedience to the letter alone. Bring your unbelieving and unwilling heart to Him and say, “Lord, help me.” When His love is shed abroad in your heart, the commandment is no longer a burden to you, but a delight.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Señor, creo; ayuda mi incredulidad.
Marcos 9:24
Dios nos ha dado preceptos, y con gusto los obedeceríamos. Vemos en ellos hermosura y bienaventuranza. Los admiramos y con gusto ordenaríamos nuestra vida conforme a ellos. No nos atrevemos a dejarlos a un lado. Al contrario, aceptamos que forman una parte esencial de la Palabra de Dios. A veces vemos en ellos gran hermosura, y una necesidad tan grande y una importancia tan real como en las promesas.
Pero somos tan impotentes para cumplir espiritualmente el precepto como para creer espiritualmente la promesa, a menos que el Señor obre en nosotros “así el querer como el hacer, por Su buena voluntad” (Filipenses 2:13). La promesa es parte de la Palabra de Dios, pero necesitamos fe para creerla. El precepto es parte de la Palabra de Dios, pero necesitamos fe para cumplirlo. Dios obra en nosotros para creer la promesa; Dios obra en nosotros para cumplir el precepto.
“Amad a vuestros enemigos”, dice el precepto. “A cualquiera que te hiriere en tu mejilla diestra, vuélvele también la otra.” ¿Puedo hacer estas dos cosas? No espiritualmente, sino en la medida en que la fe es obrada en mi corazón. Puedo hacerlas en la letra, o hipócritamente. Pero el precepto solo se cumple de veras cuando el Espíritu, que lo dio, obra en nosotros para obedecerlo de corazón. Entonces se lleva a cabo por motivos espirituales, bajo un constreñimiento divino, no solo en la letra, sino en espíritu y en verdad.
La “obra de fe” es luchar contra la incredulidad. Pero ¿cómo puedo luchar contra la incredulidad si no tengo fe, y a menos que Dios cumpla “la obra de fe con potencia”? La “obra de fe” se necesita también para vencer el pecado, para refrenar la carne con sus afectos y concupiscencias carnales, para despojarse del viejo hombre y vestirse del nuevo. Pero debe ser “la obra de fe con potencia”, porque si he de luchar eficazmente, Dios debe llevar a cabo esa obra en mí. Él mismo debe darme la espada, enseñar mis manos para la guerra y mis dedos para la batalla.
Es, por tanto, “obra de fe” crucificar la carne con sus movimientos y concupiscencias. Eso solo puede hacerse, sin embargo, cuando la fe viene con poder al corazón. El viejo hombre solo puede ser despojado y el nuevo hombre vestido por las manifestaciones del amor y la misericordia de Dios al alma. Si me aborrezco a mí mismo, debe ser porque mi conciencia ha sido hecha tierna en el temor piadoso. Si amo al Señor Jesucristo, debe ser porque Su amor ha sido derramado en mi corazón.
Lectura: 2 Tesalonicenses 1
Al lector…
Alma probada, ¿ama usted los mandamientos del Señor y ve hermosura en ellos, pero descubre una y otra vez que no puede cumplirlos como quisiera? Quiere amar a sus enemigos, y su corazón sigue frío; quiere crucificar la carne, y esta revive de nuevo. Es un descubrimiento doloroso, pero no extraño. Somos tan impotentes para cumplir el precepto como para creer la promesa.
Pero Aquel que dio el mandamiento obra también el querer y el hacer por Su buena voluntad. Él mismo debe darle la espada y enseñar sus manos para la guerra. No deje, pues, que su impotencia le abata, ni se aferre a una obediencia exterior solo a la letra. Lleve a Él su corazón incrédulo y reacio y diga: “Señor, ayúdame.” Cuando Su amor sea derramado en su corazón, el mandamiento ya no será para usted una carga, sino un deleite.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
1 Petrus 1:2
Wanneer wij zien en gevoelen dat wij elk ogenblik van ons leven genade nodig hebben, dan bemerken wij dadelijk een schoonheid in hetgeen waarom wij vragen; een buitengewone schoonheid. Wij kunnen de lengte van een straat niet afleggen zonder te zondigen. Ons vleselijk gemoed, onze ijdele inbeeldingen staan op de uitkijk om kwaad te doen. Alle toegangen van ons hart staan ervoor open, en wij loeren, als een Arabier in de woestijn of gelijk een op roof uitzijnde nachtdief, op elke gelegenheid om in het openbaar of in het geheim te plunderen. Inderdaad, met onze gevallen natuur zondigen wij bij elke ademtocht, tenzij wij weerhouden en beïnvloed worden door genade.
Wij hebben derhalve genade voor genade nodig, of, volgens de woorden van onze tekst, dat de genade vermenigvuldigd worde in verhouding tot ons zondigen. Moet ik zeggen: in verhouding? Neen, zelfs indien de zonde de overhand neemt, gelijk wij tot onze schaamte en smart weten, hebben wij nodig dat de genade meer overvloedig worde. Wanneer het water laag afebt, komen de modder en het slijk boven; evenzo is het in het geestelijk leven: dan komt het vuil der zonde openbaar, en dan hebben wij het springtij der genade nodig, opdat het slijk en vuil verdreven worde in de diepte van de oceaan, en de zonde, gezocht zijnde, niet meer gevonden worde.
Zo behoeven wij genade, vrije genade, dagelijkse genade, genade des morgens en elk ogenblik, in het toekomende en al onze dagen; genezende, verlevendigende, herstellende, reddende, heiligende genade. Wij hebben vermenigvuldigende genade nodig tegenover al onze ellende, zonde en onophoudelijke afwijkingen. Wij hebben genade nodig om te geloven, genade om te hopen, genade om lief te hebben, genade om te strijden en genade om te overwinnen; genade om staande te blijven, genade om te leven en genade om te sterven. Elk ogenblik van ons leven hebben wij onderhoudende, bewarende en wederhoudende genade nodig; want het is zoals een goed man eens zei: „Indien de Heere ons voor een ogenblik loslaat, laat Hij ons voor dat ogenblik te lang los.”
Maar bij de genade voegt de apostel „vrede”. De zonde verbreekt onze vrede en brengt onze ziel op een afstand van God. Ook beproevingen en verzoekingen, zonden en smarten komen ons elke dag tegen om onze rust te verstoren. Wij hebben dan evenzeer nodig dat de vrede vermenigvuldigd worde als de genade. Vrede gelijk een rivier die altijd stroomt; vrede gelijk de zee, waarvan het getij, alhoewel het ebt, nochtans hoger klimt dan het valt.
Wij hebben ook de vrede nodig om onze harten in de waarheid en in de liefde daarvan te bevestigen, opdat wij bewaard zouden worden van met allerlei wind van leer te worden omgevoerd. Wij worden menigmaal gevangen in de listige strikken des duivels, en wij hebben nodig dat de vrede in onze ziel hersteld worde. Wanneer zij dan treurig verbroken ligt en de zonde ons met schuld en verwarring vervult, dan behoeven wij de vrede om al deze wonden te helen en onze zielen krachtiglijk te bevestigen in het Evangelie des vredes. En wanneer wij geroepen zullen worden om de donkere vallei van de schaduw des doods in te treden, hoezeer zullen wij dan nodig hebben dat de vrede vermenigvuldigd worde, opdat wij geen kwaad zouden behoeven te vrezen en ondervinden dat de vertroostende stok en de ondersteunende staf ons geschonken zijn!
Zo kunnen wij dus nooit te veel genade en te veel vrede hebben. Hoe meer wij van de zonde kennen, hoe meer wij de genade zullen behoeven; en hoe meer wij kennen van kommer en verdriet, hoe meer wij de vrede zullen nodig hebben en waarderen.
Aan de lezer…
Het kan gebeuren dat u geen straat kunt doorgaan zonder te zondigen. Komt bij laag water het slijk van uw hart weer boven, zodat u zich schaamt voor wat u in uzelf ziet? Laat dat u niet van de genade wegdrijven, maar er juist naar doen hongeren. Hoe meer u van de zonde kent, hoe meer u de genade zult behoeven; en daarom wordt u toegebeden dat zij vermenigvuldigd worde: genade voor genade, genade des morgens en elk ogenblik.
Ligt uw vrede treurig verbroken, en vervult de schuld u met verwarring? Dan behoeft u niet een vrede die u zelf maakt, maar die als een rivier uit Hem toestroomt en de wonden heelt. Vraag er dan om, telkens opnieuw, voor vandaag en voor de dag dat u de donkere vallei moet ingaan. U kunt nooit te veel genade en te veel vrede hebben; vraag dan niet karig, maar vraag dat zij u vermenigvuldigd worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
1 Petrus 1:2
Wanneer wij zien en voelen dat wij elk ogenblik van ons leven genade nodig hebben, dan merken wij meteen een schoonheid op in datgene waarom wij vragen, een buitengewone schoonheid. Wij kunnen nog niet de lengte van een straat afleggen zonder te zondigen. Ons vleselijk gemoed en onze ijdele verbeelding staan op de uitkijk om kwaad te doen. Alle toegangen van ons hart staan ervoor open, en als een Arabier in de woestijn of als een nachtdief op rooftocht loeren wij op elke gelegenheid om openlijk of in het geheim te plunderen. Inderdaad, met onze gevallen natuur zondigen wij bij elke ademtocht, tenzij wij door genade worden weerhouden en beïnvloed.
Daarom hebben wij genade voor genade nodig, of, met de woorden van onze tekst, dat de genade vermenigvuldigd wordt in verhouding tot ons zondigen. Moet ik zeggen: in verhouding? Nee, zelfs wanneer de zonde de overhand krijgt, zoals wij tot onze schaamte en smart weten, hebben wij nodig dat de genade overvloediger wordt. Wanneer het water ver terugtrekt bij eb, komen de modder en het slijk boven. Zo is het ook in het geestelijk leven: dan wordt het vuil van de zonde zichtbaar, en dan hebben wij het springtij van de genade nodig, zodat het slijk en vuil weggevoerd wordt naar de diepte van de oceaan, en de zonde, als zij gezocht wordt, niet meer gevonden wordt.
Zo hebben wij genade nodig, vrije genade, dagelijkse genade, genade in de morgen en elk ogenblik, in de toekomst en al onze dagen: genezende, verlevendigende, herstellende, reddende, heiligende genade. Wij hebben vermenigvuldigde genade nodig tegenover al onze ellende, zonde en onophoudelijke afdwalingen. Wij hebben genade nodig om te geloven, genade om te hopen, genade om lief te hebben, genade om te strijden en genade om te overwinnen; genade om staande te blijven, genade om te leven en genade om te sterven. Elk ogenblik van ons leven hebben wij onderhoudende, bewarende en weerhoudende genade nodig. Want het is zoals een goed man eens zei: „Indien de Heere ons voor een ogenblik loslaat, laat Hij ons voor dat ogenblik te lang los.”
Maar bij de genade voegt de apostel „vrede”. De zonde verbreekt onze vrede en brengt onze ziel op afstand van God. Ook beproevingen en verzoekingen, zonden en smarten komen elke dag op ons af om onze rust te verstoren. Wij hebben het dus evenzeer nodig dat de vrede vermenigvuldigd wordt als de genade. Vrede als een rivier die altijd stroomt; vrede als de zee, waarvan het getij, hoewel het ebt, toch hoger stijgt dan het zakt.
Wij hebben de vrede ook nodig om onze harten te bevestigen in de waarheid en in de liefde tot de waarheid, zodat wij bewaard worden voor het omgevoerd worden met allerlei wind van leer. Wij raken vaak verstrikt in de listige strikken van de duivel, en dan hebben wij nodig dat de vrede in onze ziel hersteld wordt. Wanneer die vrede droevig verbroken ligt en de zonde ons met schuld en verwarring vervult, dan hebben wij de vrede nodig om al deze wonden te helen en onze zielen krachtig te bevestigen in het Evangelie van de vrede. En wanneer wij geroepen worden om het donkere dal van de schaduw des doods binnen te gaan, hoezeer zullen wij dan nodig hebben dat de vrede vermenigvuldigd wordt, zodat wij geen kwaad hoeven te vrezen en ervaren dat de troostende stok en de ondersteunende staf ons geschonken zijn!
Zo kunnen wij dus nooit te veel genade en te veel vrede hebben. Hoe meer wij van de zonde kennen, hoe meer wij de genade nodig zullen hebben; en hoe meer wij kennen van zorg en verdriet, hoe meer wij de vrede nodig zullen hebben en waarderen.
Aan de lezer…
Het kan gebeuren dat u geen straat kunt doorlopen zonder te zondigen. Komt bij laag water het slijk van uw hart weer boven, zodat u zich schaamt voor wat u in uzelf ziet? Laat dat u niet van de genade wegdrijven, maar u er juist naar doen hongeren. Hoe meer u van de zonde kent, hoe meer u de genade nodig zult hebben; en daarom wordt u toegebeden dat zij vermenigvuldigd wordt: genade voor genade, genade in de morgen en elk ogenblik.
Ligt uw vrede droevig verbroken, en vervult de schuld u met verwarring? Dan hebt u niet een vrede nodig die u zelf maakt, maar een vrede die als een rivier uit Hem toestroomt en de wonden heelt. Vraag er dan om, telkens opnieuw, voor vandaag en voor de dag dat u het donkere dal moet ingaan. U kunt nooit te veel genade en te veel vrede hebben; vraag dan niet karig, maar vraag dat zij u vermenigvuldigd worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Grace unto you, and peace, be multiplied.
1 Peter 1:2
When we see and feel how we need GRACE every moment of our lives, we at once perceive a beauty in the blessing thus asked for in an abundant, overflowing measure. We cannot walk the length of the street without sin. Our carnal minds, our vain imaginations, are all on the lookout for evil. Sin presents itself at every avenue, and lurks like the Arab in the wilderness, or the prowling night thief for every opportunity of open or secret plunder. In fact, in ourselves, in our fallen nature, except as restrained and influenced by grace, we sin with well-nigh every breath that we draw.
We need, therefore, grace upon grace, or, in the words of the text, grace to be “multiplied” in proportion to our sins. Shall I say in proportion? No, if sin abounds, as to our shame and sorrow we know it does, we need grace to much more abound. When the deep tide of sin flows in with the mud and mire, we need the spring tide of grace to flow higher still, to carry out the slime and filth into the depths of the ocean, so that when sought for they may no more be found.
Thus we need grace, free grace; grace today, grace tomorrow, grace this moment, grace the next, grace all the day long; healing, reviving, restoring, saving, sanctifying; and all this multiplied by all our needs and woes, sins, slips and falls, unceasing and aggravated backslidings. We need grace to believe, grace to hope, grace to love, grace to fight, and grace to conquer; grace to stand, grace to live, and grace to die. Every moment of our lives we need keeping, supporting, holding, and withholding grace; for, as a good man has said, “If the Lord leaves us for one moment, He leaves us that one moment too long.”
But to “grace” the Apostle adds “PEACE.” Sin breaks our peace, and sets our souls at a distance from God; trials, also, and temptations, sins and sorrows, occur every day to mar our rest; so we need peace to be multiplied as well as grace. Peace like a river, of which the stream is ever flowing; peace like the sea, of which the tides, if they do ebb, yet rise higher than they fall. We need peace, also, to establish our hearts in the truth, and in the love of it, so as to prevent our being carried about with every wind of doctrine. We are often entangled in the wily snares of Satan, and we need peace to be restored to our soul. When it is thus sadly broken, and sin has filled us with guilt and terror, we need peace to come and heal all those wounds, and establish our souls firmly in the gospel of peace.
And when we shall be called upon to enter the dark valley of the shadow of death, how then we shall need “peace to be multiplied,” that we may fear no evil, but find the comforting staff and supporting rod. Thus we never can have too much grace or too much peace. The more we know of sin the more shall we need grace, and the more we know of sorrow the more we shall need peace.
To the reader…
It can happen that you cannot walk the length of a street without sinning. When the tide is low, does the mire of your heart come up again, so that you are ashamed of what you see in yourself? Do not let that drive you away from grace, but rather make you hunger for it. The more you know of sin, the more you will need grace; and that is why the prayer is made for you that it may be multiplied: grace upon grace, grace in the morning and every moment.
Is your peace sadly broken, and does guilt fill you with confusion? Then you do not need a peace you make yourself, but a peace that flows to you like a river from Him and heals the wounds. Ask for it, then, again and again, for today and for the day you must enter the dark valley. You can never have too much grace or too much peace; so do not ask sparingly, but ask that they may be multiplied to you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Gracia y paz os sea multiplicada.
1 Pedro 1:2
Cuando vemos y sentimos cuánto necesitamos la GRACIA en cada momento de nuestra vida, percibimos enseguida una belleza en la bendición que aquí se pide en medida abundante y rebosante. No podemos recorrer el largo de una calle sin pecar. Nuestras mentes carnales, nuestras vanas imaginaciones, están todas al acecho del mal. El pecado se presenta en cada camino, y acecha como el árabe en el desierto, o como el ladrón nocturno que merodea, en busca de toda ocasión de saqueo abierto o secreto. De hecho, en nosotros mismos, en nuestra naturaleza caída, salvo en cuanto somos refrenados e influidos por la gracia, pecamos casi con cada aliento que tomamos.
Necesitamos, pues, gracia sobre gracia; o, en las palabras del texto, que la gracia sea “multiplicada” en proporción a nuestros pecados. ¿Diré en proporción? No; si el pecado abunda, como para nuestra vergüenza y dolor sabemos que abunda, necesitamos que la gracia sobreabunde mucho más. Cuando la honda marea del pecado entra con el lodo y el cieno, necesitamos que la marea viva de la gracia suba más alto todavía, para llevarse el fango y la inmundicia a las profundidades del océano, de modo que, cuando se busquen, no se hallen más.
Así necesitamos gracia, gracia gratuita; gracia hoy, gracia mañana, gracia en este momento, gracia en el siguiente, gracia todo el día; gracia que sana, que reaviva, que restaura, que salva, que santifica; y todo esto multiplicado por todas nuestras necesidades y ayes, pecados, tropiezos y caídas, por nuestras incesantes y agravadas rebeliones. Necesitamos gracia para creer, gracia para esperar, gracia para amar, gracia para pelear y gracia para vencer; gracia para estar firmes, gracia para vivir y gracia para morir. En cada momento de nuestra vida necesitamos gracia que nos guarde, nos sostenga, nos retenga y nos refrene; porque, como dijo un hombre piadoso: “Si el Señor nos deja un solo momento, nos deja ese momento demasiado tiempo.”
Pero a la “gracia” el Apóstol añade “PAZ.” El pecado rompe nuestra paz y aleja nuestras almas de Dios; también las pruebas y las tentaciones, los pecados y los dolores, se presentan cada día para estropear nuestro reposo; así que necesitamos que la paz sea multiplicada tanto como la gracia. Paz como un río, cuya corriente siempre fluye; paz como el mar, cuyas mareas, aunque bajen, suben más alto de lo que bajan. Necesitamos paz también para afirmar nuestros corazones en la verdad y en el amor de ella, para no ser llevados por doquiera de todo viento de doctrina. A menudo nos enredamos en los astutos lazos de Satanás, y necesitamos que la paz sea restaurada a nuestra alma. Cuando está así tristemente rota, y el pecado nos ha llenado de culpa y terror, necesitamos que la paz venga a sanar todas esas heridas y a afirmar nuestras almas firmemente en el evangelio de la paz.
Y cuando seamos llamados a entrar en el oscuro valle de sombra de muerte, ¡cómo necesitaremos entonces que “la paz sea multiplicada,” para no temer mal alguno, sino hallar el cayado que consuela y la vara que sostiene! Así nunca podemos tener demasiada gracia ni demasiada paz. Cuanto más conozcamos del pecado, más necesitaremos la gracia; y cuanto más conozcamos del dolor, más necesitaremos la paz.
Al lector…
Puede suceder que usted no pueda recorrer el largo de una calle sin pecar. Cuando baja la marea, ¿vuelve a aparecer el cieno de su corazón, de modo que se avergüenza de lo que ve en sí mismo? No deje que eso le aparte de la gracia, sino más bien que le haga tener hambre de ella. Cuanto más conozca del pecado, más necesitará la gracia; y por eso se ora por usted para que le sea multiplicada: gracia sobre gracia, gracia por la mañana y en cada momento.
¿Está su paz tristemente rota, y le llena la culpa de confusión? Entonces no necesita una paz que usted mismo fabrique, sino una paz que fluya hacia usted como un río desde Él y sane las heridas. Pídala, pues, una y otra vez, para hoy y para el día en que tenga que entrar en el oscuro valle. Nunca puede tener demasiada gracia ni demasiada paz; así que no pida con escasez, sino pida que le sean multiplicadas.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl