6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de mens Christus Jezus.
1 Timotheüs 2:5
Dat Hij God is, is de enige grondslag waarop Hij zaligheid heeft aangebracht; want het is Zijn eeuwige Godheid die kracht, werking en waardigheid geeft aan alles wat Hij als mens voor Zijn uitverkoren volk deed en leed. Indien Hij niet God was, God en mens in één heerlijk Persoon, welke hoop zou er dan zijn voor onze schuldige zielen? Zou Zijn bloed voor onze zonden kunnen boeten, zo de Godheid er geen kracht aan gaf? Kan Zijn rechtvaardigheid ons rechtvaardig maken, zo de Godheid geen verdienste en waarde schonk aan alles wat Zijn mensheid gedaan en geleden heeft? Kon Zijn liefhebbend hart medelijden met ons hebben en ons bevrijden, zo Hij niet „als God over alles” alles zag en wist wat er in ons omgaat, en niet alle macht, zowel als alle medelijden had, om voor ons tussenbeide te treden?
Wij zijn gedurig in omstandigheden waarin geen mens ons van nut kan zijn en waarin wij onszelf niet kunnen helpen of verlossen; wij dwalen als schapen en kunnen de weg naar de schaapskooi niet vinden; wij zwerven gedurig afgoden na en houwen ons „gebroken waterbakken” uit en kunnen niet terugkeren tot de „Fontein van levend water”. Hoe welkom en hoe zoet is het dan voor hen die zo beproefd worden, te zien dat er een genadige Immanuël aan de rechterhand des Vaders is, Wiens hart vol is van liefde en Wiens ingewanden rommelen van mededogen; Die Zijn bloed heeft gestort, opdat zij mochten leven; Die een heerlijke rechtvaardigmaking heeft gewrocht en in staat is allen die door Hem tot God komen, te zaligen.
God is een toevlucht voor de zijnen,
hun sterkt’, als zij door droefheid kwijnen;
zij werden steeds zijn hulp gewaar
in zielsbenauwdheid, in gevaar.
Dies zal geen vrees ons doen bezwijken,
schoon d’aard uit hare plaats mocht wijken,
schoon ’t hoogst gebergt’ uit zijne steê
verzet werd in het hart der zee.
Ps. 46:1
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u in een omstandigheid bent waarin geen mens u van nut kan zijn en waarin u uzelf niet kunt helpen. Bent u als een schaap dat de weg naar de kooi niet meer vindt, of hebt u uzelf weer gebroken waterbakken uitgehouwen en kunt u niet terug tot de Fontein van levend water? Dan is er voor u dit woord: er is één Middelaar Gods en der mensen.
En deze Middelaar is God en mens in één heerlijk Persoon. Daarom heeft Zijn bloed kracht om te boeten, en daarom ziet en weet Hij alles wat er in u omgaat. Aan de rechterhand des Vaders is een genadige Immanuël, Wiens hart vol is van liefde en Wiens ingewanden rommelen van mededogen. Hij heeft macht en medelijden beide, en Hij is in staat allen die door Hem tot God komen, te zaligen. Kom dan, juist zoals u bent.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de mens Christus Jezus.
1 Timotheüs 2:5
Dat Hij God is, is de enige grondslag waarop Hij de zaligheid tot stand heeft gebracht. Want het is Zijn eeuwige Godheid die kracht, werking en waardigheid geeft aan alles wat Hij als mens voor Zijn uitverkoren volk deed en leed. Als Hij niet God was, God en mens in één heerlijke Persoon, welke hoop zou er dan zijn voor onze schuldige zielen? Zou Zijn bloed voor onze zonden kunnen boeten als de Godheid er geen kracht aan gaf? Kan Zijn gerechtigheid ons rechtvaardig maken als de Godheid geen verdienste en waarde schonk aan alles wat Zijn mensheid gedaan en geleden heeft? Zou Zijn liefhebbende hart medelijden met ons kunnen hebben en ons kunnen bevrijden, als Hij niet „als God over alles” alles zag en wist wat er in ons omgaat, en niet alle macht en ook alle medelijden had om voor ons tussenbeide te komen?
We komen voortdurend in omstandigheden waarin geen mens ons van nut kan zijn en waarin we onszelf niet kunnen helpen of verlossen. We dwalen als schapen en kunnen de weg naar de schaapskooi niet vinden. We lopen voortdurend afgoden achterna, houwen onszelf „gebroken waterbakken” uit en kunnen niet terugkeren naar de „Fontein van levend water”. Hoe welkom en hoe zoet is het dan voor wie zo beproefd worden, te zien dat er een genadige Immanuël aan de rechterhand van de Vader is. Zijn hart is vol liefde en Zijn ingewanden rommelen van ontferming. Hij heeft Zijn bloed gestort, opdat zij zouden leven. Hij heeft een heerlijke rechtvaardigmaking teweeggebracht en is in staat allen die door Hem tot God komen, zalig te maken.
God is een toevlucht voor de zijnen,
hun sterkt’, als zij door droefheid kwijnen;
zij werden steeds zijn hulp gewaar
in zielsbenauwdheid, in gevaar.
Dies zal geen vrees ons doen bezwijken,
schoon d’aard uit hare plaats mocht wijken,
schoon ’t hoogst gebergt’ uit zijne steê
verzet werd in het hart der zee.
Ps. 46:1
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u in omstandigheden verkeert waarin geen mens u van nut kan zijn en waarin u uzelf niet kunt helpen. Bent u als een schaap dat de weg naar de kooi niet meer vindt? Of hebt u uzelf weer gebroken waterbakken uitgehouwen en kunt u niet terug naar de Fontein van levend water? Dan is dit woord voor u: er is één Middelaar Gods en der mensen.
En deze Middelaar is God en mens in één heerlijke Persoon. Daarom heeft Zijn bloed kracht om te boeten, en daarom ziet en weet Hij alles wat er in u omgaat. Aan de rechterhand van de Vader is een genadige Immanuël, Wiens hart vol liefde is en Wiens ingewanden rommelen van ontferming. Hij heeft zowel macht als medelijden, en Hij is in staat allen die door Hem tot God komen, zalig te maken. Kom dan, juist zoals u bent.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For there is one God, and one Mediator between God and men, the man Christ Jesus.
1 Timothy 2:5
That He is God, is the very foundation of His salvation; for it is His eternal Godhead that gives virtue, efficacy, and dignity to all that as man He did and suffered for His chosen people. If He were not God, God and man in one glorious Person, what hope would there be for our guilty souls? Could His blood atone for our sins, unless Deity gave it efficacy? Could His righteousness justify our persons, unless Deity imparted merit and value to all the doings and sufferings of His humanity? Could His loving heart sympathize with and deliver us, unless “as God over all,” He saw and knew all that passes within us, and had all power, as well as all compassion, to exert on our behalf?
We are continually in circumstances where no man can do us the least good, and where we cannot help or deliver ourselves; we are in snares, and cannot break them; we are in temptations, and cannot deliver ourselves out of them; we are in trouble, and cannot comfort ourselves; are wandering sheep, and cannot find the way back to the fold; we are continually roving after idols, and hewing out “broken cisterns,” and cannot return to “the fountain of living waters.”
How suitable, then, and sweet it is, to those who are thus exercised, to see that there is a gracious Immanuel at the right hand of the Father, Whose heart is filled with love, and Whose affections move with compassion; Who has shed His own precious blood that they might live; Who has wrought out a glorious righteousness, and “is able to save unto the uttermost all who come unto God by Him.”
To the reader…
There are times when you are in circumstances where no one can be of any use to you and where you cannot help yourself. Are you like a sheep that can no longer find the way back to the fold? Or have you once again hewn out broken cisterns for yourself, and can you not return to the Fountain of living waters? Then this word is for you: there is one Mediator between God and men.
And this Mediator is God and man in one glorious Person. That is why His blood has power to atone, and that is why He sees and knows everything that goes on within you. At the right hand of the Father is a gracious Immanuel, Whose heart is full of love and Whose heart yearns with compassion. He has both power and pity, and He is able to save all who come unto God by Him. Come, then, just as you are.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque hay un Dios, asimismo un Mediador entre Dios y los hombres, Jesucristo hombre.
1 Timoteo 2:5
Que Él es Dios es el fundamento mismo de Su salvación; porque es Su Deidad eterna la que da virtud, eficacia y dignidad a todo lo que como hombre hizo y padeció por Su pueblo escogido. Si Él no fuera Dios, Dios y hombre en una gloriosa Persona, ¿qué esperanza habría para nuestras almas culpables? ¿Podría Su sangre expiar nuestros pecados, si la Deidad no le diera eficacia? ¿Podría Su justicia justificar nuestras personas, si la Deidad no impartiera mérito y valor a todo lo que Su humanidad hizo y padeció? ¿Podría Su corazón amoroso compadecerse de nosotros y librarnos, si, como “Dios sobre todas las cosas”, no viera y conociera todo lo que pasa dentro de nosotros, y no tuviera todo el poder, así como toda la compasión, para ejercerlos a nuestro favor?
Estamos continuamente en circunstancias en las que ningún hombre puede hacernos el menor bien, y en las que no podemos ayudarnos ni librarnos a nosotros mismos; estamos en lazos, y no podemos romperlos; estamos en tentaciones, y no podemos librarnos de ellas; estamos en angustia, y no podemos consolarnos; somos ovejas descarriadas, y no podemos hallar el camino de vuelta al redil; andamos continuamente vagando tras ídolos y cavando “cisternas rotas”, y no podemos volver a “la fuente de agua viva”.
¡Cuán conveniente y dulce es, pues, para los que así están ejercitados, ver que hay un Emmanuel lleno de gracia a la diestra del Padre, cuyo corazón está lleno de amor y cuyas entrañas se conmueven de compasión; que ha derramado Su propia preciosa sangre para que ellos vivan; que ha obrado una justicia gloriosa, y “puede también salvar eternamente a los que por Él se allegan a Dios”!
Al lector…
Hay momentos en que usted se halla en circunstancias en las que nadie puede serle de ningún provecho y en las que no puede ayudarse a sí mismo. ¿Es como una oveja que ya no puede hallar el camino de vuelta al redil? ¿O ha vuelto a cavarse cisternas rotas, y no puede volver a la Fuente de agua viva? Entonces esta palabra es para usted: hay un Mediador entre Dios y los hombres.
Y este Mediador es Dios y hombre en una gloriosa Persona. Por eso Su sangre tiene poder para expiar, y por eso Él ve y conoce todo lo que pasa dentro de usted. A la diestra del Padre hay un Emmanuel lleno de gracia, cuyo corazón está lleno de amor y cuyas entrañas se conmueven de compasión. Él tiene a la vez poder y piedad, y puede salvar a todos los que por Él se allegan a Dios. Venga, pues, tal como es.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Bevinding
De HEERE maakt arm en maakt rijk.
1 Samuël 2:7
De heiligen worden „arm” genoemd. Maar wat betekent het arm te zijn, en wie zijn zij die met die term worden aangeduid? Onder „de armen”, letterlijk, verstaan we gewoonlijk degenen die totaal verstoken zijn van alles wat de wereld als rijkdommen beschouwt. Een arm mens, in geestelijke zin, is iemand die het gevoel heeft te zijn verstoken van de ware rijkdommen, van het wezen van het evangelie, van de vruchten en genaden van de gezegende Geest, kortom, van alles wat God en Zijn kinderen als de enige kostbare en duurzame schat beschouwen.
Maar in deze toestand van gevoelde armoede kan niemand wegzakken door enige macht of natuurlijke wil. Dit is het werk van de Heere aan het geweten, zoals we lezen: „De HEERE maakt arm.” Iemand kan proberen zichzelf arm te maken vanuit de kracht van bepaalde overtuigingen in het geweten, zoals de papist die het boetekleed aantrekt. Ik geloof echter dat wat hij met de ene hand weggooit, hij met de andere zal oprapen.
Stoffelijke armoede is iets zeer pijnlijks en moeilijks voor het vlees, maar geestelijke armoede is nog veel zwaarder en pijnlijker voor de geest. Want stoffelijke armoede duurt meestal maar een paar jaar, maar geestelijke armoede, indien onverzacht (ofschoon de Heere het nooit onverzacht laat), dreigt slechts het begin van de eeuwige dood te zijn. Zodat geestelijke armoede veel drukkender, zwaarder en verontrustender voor iemands geest is dan stoffelijke armoede voor iemands vlees kan zijn.
Arm te zijn is dus te ervaren dat men verstoken is van al het geestelijk goede. De Heere zalft de ogen van Zijn tot leven gewekte kinderen, zodat ze zien wat ware religie is. Hij toont hun dat de ware rijkdommen, zonder welke alles armoede en gebrek is, bestaan in de geopenbaarde gunst Gods, in het werk van de Geest aan het hart, zodat de liefde en het bloed van Jezus worden geopenbaard, in het persoonlijke bezit van de vruchten en genaden die bezield zijn door de Geest, en in het zichtbare genieten van alles wat iemand heilig, gezegend en gelukkig kan maken.
Lezen: 1 Samuël 2:1-10
Aan de lezer…
Misschien voelt u zich arm, verstoken van alles wat uw ziel werkelijk rijk zou maken. Ziet u in uzelf geen vruchten en genaden, en lijkt het of het wezen van het evangelie aan u voorbijgaat? Schrik dan niet te zeer. Zulk een armoede kan niemand zichzelf aandoen; het is het werk van de Heere aan het geweten. „De HEERE maakt arm”, en wat Hij doet, doet Hij niet tevergeefs.
Want Dezelfde Die arm maakt, maakt ook rijk. Hij zalft de ogen van Zijn kinderen, opdat zij zien waar de ware rijkdom ligt: in Zijn geopenbaarde gunst, in de liefde en het bloed van Jezus, aan het hart bekendgemaakt door de Geest. Uw armoede is zwaar, maar de Heere laat haar nooit onverzacht. Houd dan aan bij Hem, met lege handen, want juist de armen zijn het die Hij met Zijn schat vervult.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De HEERE maakt arm en maakt rijk.
1 Samuël 2:7
De heiligen worden „arm” genoemd. Maar wat betekent het om arm te zijn, en wie worden met die term aangeduid? Onder „de armen” in letterlijke zin verstaan we gewoonlijk mensen die totaal verstoken zijn van alles wat de wereld als rijkdom beschouwt. Een arm mens in geestelijke zin is iemand die voelt dat hij verstoken is van de ware rijkdom: van het wezen van het evangelie, van de vruchten en genaden van de gezegende Geest, kortom, van alles wat God en Zijn kinderen als de enige kostbare en blijvende schat beschouwen.
Maar in deze toestand van gevoelde armoede kan niemand terechtkomen door eigen macht of natuurlijke wil. Het is het werk van de Heere aan het geweten, zoals we lezen: „De HEERE maakt arm.” Iemand kan proberen zichzelf arm te maken onder de druk van bepaalde overtuigingen in het geweten, zoals de rooms-katholiek die het boetekleed aantrekt. Ik geloof echter dat hij wat hij met de ene hand weggooit, met de andere weer zal oprapen.
Stoffelijke armoede is iets heel pijnlijks en moeilijks voor het vlees, maar geestelijke armoede is nog veel zwaarder en pijnlijker voor de geest. Want stoffelijke armoede duurt meestal maar een paar jaar, maar geestelijke armoede dreigt, als zij niet verzacht wordt (hoewel de Heere haar nooit onverzacht laat), slechts het begin van de eeuwige dood te zijn. Daarom is geestelijke armoede voor iemands geest veel drukkender, zwaarder en verontrustender dan stoffelijke armoede voor iemands vlees kan zijn.
Arm zijn is dus ervaren dat men verstoken is van al het geestelijk goede. De Heere zalft de ogen van Zijn levend gemaakte kinderen, zodat ze zien wat ware godsdienst is. Hij toont hun waarin de ware rijkdom bestaat, zonder welke alles armoede en gebrek is. Die rijkdom bestaat in de geopenbaarde gunst van God; in het werk van de Geest aan het hart, waardoor de liefde en het bloed van Jezus geopenbaard worden; in het persoonlijke bezit van de vruchten en genaden die door de Geest bezield zijn; en in het merkbare genieten van alles wat iemand heilig, gezegend en gelukkig kan maken.
Lezen: 1 Samuël 2:1-10
Aan de lezer…
Misschien voelt u zich arm, verstoken van alles wat uw ziel werkelijk rijk zou maken. Ziet u in uzelf geen vruchten en genaden, en lijkt het alsof het wezen van het evangelie aan u voorbijgaat? Schrik dan niet te zeer. Zo’n armoede kan niemand zichzelf aandoen; het is het werk van de Heere aan het geweten. „De HEERE maakt arm”, en wat Hij doet, doet Hij niet tevergeefs.
Want Dezelfde Die arm maakt, maakt ook rijk. Hij zalft de ogen van Zijn kinderen, zodat zij zien waar de ware rijkdom ligt: in Zijn geopenbaarde gunst, in de liefde en het bloed van Jezus, door de Geest aan het hart bekendgemaakt. Uw armoede is zwaar, maar de Heere laat haar nooit onverzacht. Blijf dan bij Hem aanhouden, met lege handen, want juist de armen zijn het die Hij met Zijn schat vervult.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD maketh poor, and maketh rich.
1 Samuel 2:7
The saints are called “poor.” But what is it to be poor, and who are meant by that term? By “the poor” in a literal sense we usually understand those who are wholly destitute of all that the world counts riches. A poor man in a spiritual sense is one who feels himself destitute of the true riches: of the substance of the gospel, of the fruits and graces of the blessed Spirit, in short, of all that God and His children regard as the only precious and enduring treasure.
But into this state of felt poverty no man can come by his own power or natural will. It is the work of the Lord upon the conscience, as we read, “The LORD maketh poor.” A man may try to make himself poor under the pressure of certain convictions in his conscience, like the Roman Catholic who puts on sackcloth. I believe, however, that what he throws away with one hand he will pick up again with the other.
Temporal poverty is a very painful and trying thing to the flesh, but spiritual poverty is still far heavier and more painful to the spirit. For temporal poverty usually lasts but a few years, but spiritual poverty, if not relieved (though the Lord never leaves it unrelieved), threatens to be but the beginning of eternal death. Therefore spiritual poverty is far more oppressive, heavy and distressing to a man’s spirit than temporal poverty can be to his flesh.
To be poor, then, is to feel oneself destitute of all spiritual good. The Lord anoints the eyes of His quickened children, so that they see what true religion is. He shows them in what the true riches consist, without which all is poverty and want. Those riches consist in the manifested favour of God; in the work of the Spirit upon the heart, whereby the love and blood of Jesus are revealed; in the personal possession of the fruits and graces breathed in by the Spirit; and in the sensible enjoyment of all that can make a man holy, blessed and happy.
Reading: 1 Samuel 2:1-10
To the reader…
Perhaps you feel poor, destitute of all that would make your soul truly rich. Do you see no fruits and graces in yourself, and does it seem as though the substance of the gospel passes you by? Then do not be too much alarmed. No one can bring such poverty upon himself; it is the work of the Lord upon the conscience. “The LORD maketh poor,” and what He does He does not do in vain.
For the same One Who makes poor also makes rich. He anoints the eyes of His children, so that they see where the true riches lie: in His manifested favour, in the love and blood of Jesus, made known to the heart by the Spirit. Your poverty is heavy, but the Lord never leaves it unrelieved. Keep pressing on with Him, then, with empty hands, for it is just the poor whom He fills with His treasure.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Jehová empobrece, y Él enriquece.
1 Samuel 2:7
Los santos son llamados “pobres”. Pero ¿qué es ser pobre, y a quiénes se refiere ese término? Por “los pobres” en sentido literal solemos entender a los que carecen por completo de todo lo que el mundo considera riquezas. Un hombre pobre en sentido espiritual es uno que se siente desprovisto de las verdaderas riquezas: de la sustancia del evangelio, de los frutos y gracias del bendito Espíritu; en suma, de todo lo que Dios y Sus hijos tienen por el único tesoro precioso y duradero.
Pero a este estado de pobreza sentida ningún hombre puede llegar por su propio poder o voluntad natural. Es la obra del Señor en la conciencia, como leemos: “Jehová empobrece”. Un hombre puede intentar hacerse pobre bajo la presión de ciertas convicciones en su conciencia, como el católico romano que se viste de cilicio. Creo, sin embargo, que lo que arroja con una mano lo volverá a recoger con la otra.
La pobreza temporal es algo muy doloroso y penoso para la carne, pero la pobreza espiritual es todavía mucho más pesada y dolorosa para el espíritu. Porque la pobreza temporal suele durar solo unos pocos años, pero la pobreza espiritual, si no es socorrida (aunque el Señor nunca la deja sin socorro), amenaza con ser solo el comienzo de la muerte eterna. Por eso la pobreza espiritual es mucho más opresiva, pesada y angustiosa para el espíritu de un hombre que lo que la pobreza temporal puede ser para su carne.
Ser pobre, pues, es sentirse desprovisto de todo bien espiritual. El Señor unge los ojos de Sus hijos vivificados, de modo que ven lo que es la verdadera religión. Les muestra en qué consisten las verdaderas riquezas, sin las cuales todo es pobreza y necesidad. Esas riquezas consisten en el favor manifestado de Dios; en la obra del Espíritu en el corazón, por la cual se revelan el amor y la sangre de Jesús; en la posesión personal de los frutos y gracias infundidos por el Espíritu; y en el goce sensible de todo lo que puede hacer a un hombre santo, bienaventurado y feliz.
Lectura: 1 Samuel 2:1-10
Al lector…
Quizá usted se siente pobre, desprovisto de todo lo que haría a su alma verdaderamente rica. ¿No ve frutos ni gracias en sí mismo, y le parece que la sustancia del evangelio pasa de largo junto a usted? Entonces no se alarme demasiado. Nadie puede traer sobre sí tal pobreza; es la obra del Señor en la conciencia. “Jehová empobrece”, y lo que Él hace no lo hace en vano.
Porque el mismo que empobrece también enriquece. Él unge los ojos de Sus hijos, de modo que ven dónde están las verdaderas riquezas: en Su favor manifestado, en el amor y la sangre de Jesús, dados a conocer al corazón por el Espíritu. Su pobreza es pesada, pero el Señor nunca la deja sin socorro. Siga, pues, acudiendo a Él con las manos vacías, porque precisamente a los pobres es a quienes Él llena con Su tesoro.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten; en zie of bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij op de eeuwige weg.
Psalm 139:23, 24
Het volk van God kan zijn godsdienst niet oefenen op krediet; het kan niet tevreden zijn met de goedkeuring van deze of die goede man. Het moet een godsdienst hebben, door God Zelf gewrocht. Ten opzichte van zijn godsdienst wordt het dikwijls in het onderzoek gebracht, waar het vandaan komt. Bevindt gij het niet alzo en kost het u niet menig onderzoek? Wanneer gij bijvoorbeeld terneergeslagen zijt, komt gij in het onderzoek of dit wel spruit uit een heilige droefheid over de zonde.
Indien gij vertroost wordt, kunt gij die troost niet aannemen; zij moet een doorslag vinden in de schaal des Evangelies. Ontmoet gij uitreddingen in de weg der voorzienigheid, gij kunt ze niet achten als zo vele bewijzen dat het wel is met uw ziel. Zo moet gij elke stap die gij doet, wel onderzoeken en wegen, of het van God is. De dode belijders, de huichelaars in Sion, beproeven hun godsdienst nooit en wegen hem niet op deze wijze. Zij kennen van de inwendige beproevingen niets.
Zij nemen alles voor goed aan en nestelen zich onder de vleugelen van deze of gene goede man; en wordt door sommige leraars hun stempel op hun godsdienst afgedrukt, zij wandelen vergenoegd henen. Maar het volk van God moet zijn bewijzen van God Zelf hebben; en zij zullen dikwijls zichzelf onderzoeken of dat werk in hun ziel in de ure der beproeving wel stand zal houden. En indien het de Heere behaagt op hun geschrei in hun ziel te verschijnen en klare bewijzen te schenken dat het werk in hun ziel van boven is, dan wordt hun hart vervuld met dankbaarheid, de dingen van de tijd geraken op de achtergrond en hun genegenheden worden opgewekt om uit te gaan tot die gezegende Fontein, waaruit zij zijn neergekomen. Zo zijn de zaken die tegen hen schenen te zijn, juist te hunnen nutte, en zij trekken hun zoetste vertroostingen uit hun zwaarste verdrukkingen.
Zij zouden hun beproevingsweg met al het bittere daaraan verbonden niet gaarne verwisselen voor de met bloemen bezaaide weg waarop zij duizenden zien wandelen, wetende dat een godsdienst zonder beproevingen en verzoekingen de ziel zal leiden in het onuitblusselijk vuur. Zo bevinden zij bij ogenblikken dat er uit hun beproevingen nog iets goeds voortkomt, en willen zij liever al hun dagen beproefd en gelouterd worden en dragen hetgeen de Heere hun oplegt, dan te wandelen op de weg die iemand recht schijnt, maar waarvan het einde is het eeuwig verderf. Zij verkiezen liever te wandelen onder de kastijdende hand Gods, die hun een onderwijs is dat zij kinderen zijn en geen bastaards, dan te wandelen in een weg die het vlees bemint, doch waarvan het einde is de eeuwige rampzaligheid.
Aan de lezer…
Kost het u ook menig onderzoek, lezer, of uw godsdienst wel van God is? Kunt u uw troost niet zomaar aannemen en weegt u elke stap, bevreesd dat het alles maar van uzelf zou zijn? Dan bidt u, misschien zonder het te weten, met de psalmist: „Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart.” De dode belijder kent zulk een onderzoek niet; hij wandelt vergenoegd henen op het woord van een goede man.
Wees dan niet bevreesd voor de bange vragen, maar breng ze tot de Heere. Het behaagt Hem dikwijls op het geschrei der ziel te verschijnen en klare bewijzen te schenken dat het werk van boven is. Dan wijken de dingen van de tijd, en het hart gaat uit tot die gezegende Fontein. Zo worden uw zwaarste verdrukkingen een bron van zoete vertroosting, en de kastijdende hand Gods een onderwijs dat u een kind bent en geen bastaard.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten; en zie of bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij op de eeuwige weg.
Psalm 139:23, 24
Het volk van God kan zijn godsdienst niet op krediet beoefenen; het kan niet tevreden zijn met de goedkeuring van deze of gene goede man. Het moet een godsdienst hebben die door God Zelf gewerkt is. Wat zijn godsdienst betreft, wordt het vaak tot onderzoek gebracht naar de vraag waar die vandaan komt. Ervaart u het niet zo, en kost het u niet menig onderzoek? Wanneer u bijvoorbeeld terneergeslagen bent, gaat u onderzoeken of dat wel voortkomt uit een heilige droefheid over de zonde.
Als u vertroost wordt, kunt u die troost niet zomaar aannemen; zij moet doorslaan in de weegschaal van het Evangelie. Ontmoet u uitreddingen op de weg van de voorzienigheid, dan kunt u die niet beschouwen als zoveel bewijzen dat het goed is met uw ziel. Zo moet u elke stap die u zet, goed onderzoeken en wegen, of hij wel van God is. De dode belijders, de huichelaars in Sion, beproeven hun godsdienst nooit en wegen hem niet op die manier. Zij weten niets van de innerlijke beproevingen.
Zij nemen alles voor goed aan en nestelen zich onder de vleugels van deze of gene goede man; en als sommige leraars hun stempel op hun godsdienst drukken, gaan zij tevreden verder. Maar het volk van God moet zijn bewijzen van God Zelf hebben, en zij zullen zichzelf vaak onderzoeken of dat werk in hun ziel in het uur van de beproeving wel stand zal houden. En als het de Heere behaagt op hun geroep in hun ziel te verschijnen en duidelijke bewijzen te schenken dat het werk in hun ziel van boven is, dan wordt hun hart vervuld met dankbaarheid. De dingen van de tijd raken dan op de achtergrond, en hun genegenheden worden opgewekt om uit te gaan naar die gezegende Fontein waaruit zij zijn neergekomen. Zo zijn de dingen die tegen hen leken te zijn, juist tot hun nut, en halen zij hun zoetste vertroostingen uit hun zwaarste verdrukkingen.
Zij zouden hun weg van beproeving, met al het bittere dat daaraan verbonden is, niet graag inruilen voor de met bloemen bezaaide weg waarop zij duizenden zien wandelen. Want zij weten dat een godsdienst zonder beproevingen en verzoekingen de ziel in het onuitblusbare vuur zal leiden. Zo ervaren zij op sommige ogenblikken dat er uit hun beproevingen toch iets goeds voortkomt. Dan willen zij liever al hun dagen beproefd en gelouterd worden en dragen wat de Heere hun oplegt, dan te wandelen op de weg die iemand recht lijkt, maar waarvan het einde het eeuwig verderf is. Zij kiezen liever te wandelen onder de kastijdende hand van God, die hun leert dat zij kinderen zijn en geen bastaards, dan te wandelen op een weg die het vlees liefheeft, maar waarvan het einde de eeuwige rampzaligheid is.
Aan de lezer…
Kost het u ook menig onderzoek, lezer, of uw godsdienst wel van God is? Kunt u uw troost niet zomaar aannemen en weegt u elke stap, bang dat het allemaal maar van uzelf zou zijn? Dan bidt u, misschien zonder het te weten, met de psalmist: „Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart.” De dode belijder kent zo’n onderzoek niet; hij gaat tevreden verder op het woord van een goede man.
Wees dan niet bang voor de bange vragen, maar breng ze bij de Heere. Het behaagt Hem vaak op het geroep van de ziel te verschijnen en duidelijke bewijzen te schenken dat het werk van boven is. Dan wijken de dingen van de tijd, en het hart gaat uit naar die gezegende Fontein. Zo worden uw zwaarste verdrukkingen een bron van zoete vertroosting, en de kastijdende hand van God een les dat u een kind bent en geen bastaard.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Search me, O God, and know my heart: try me, and know my thoughts: and see if there be any wicked way in me, and lead me in the way everlasting.”
Psalm 139:23, 24
The people of God cannot take their religion upon credit; they cannot be satisfied with the endorsement of this or that good man. They must have it wrought by God Himself. They are often exercised as to whence their religion came. Do you not find it so, and that it costs you many exercises? If, for instance, you are cast down, you are exercised whether it springs from godly sorrow for sin. If you are comforted, you cannot take the comfort for granted; you must have it weighed up in the gospel balance. If you meet with providential deliverances, you cannot take them as so many certain evidences that all is right with your soul. So that every step you take you have to examine, and weigh it whether it be of God.
The dead professors, the hypocrites in Zion never have their religion tried and weighed up in this way. They know nothing of these inward exercises. They take things for granted; they nestle under some good man’s wing, or get their religion endorsed by some minister, and are satisfied.
But the people of God must have testimonies from the Lord Himself; and they will often be sharply exercised whether they have that work in their souls which will stand in the trying hour. And if in answer to their cries the Lord is pleased to shine into their souls, and raise up clear tokens that it is from heaven, it fills their hearts with gratitude, sinks the things of time and sense, and lifts up their affections to that blessed fountain whence these testimonies came down. Thus those very things which seem against them are for them, and they derive their sweetest consolations out of their heaviest afflictions. They would not change their trying path, with all its bitter things, for the smooth flowery path in which they see thousands walk, knowing that a religion without trials and temptations will only lead the soul down into a never-ending hell.
Thus at times they can feel good spring out of their exercises, and would rather be all their days a tempted, tried people, and bear those things which God inflicts, than walk in a path which seems right in the eyes of a man, and at the end find eternal destruction. They would rather have those chastisements which prove they are children and not bastards, than walk in a flesh-pleasing way of which the end is eternal damnation.
To the reader…
Does it cost you, too, many an exercise, reader, whether your religion is truly of God? Can you not simply take your comfort for granted, and do you weigh every step, afraid that it may all be only of yourself? Then you are praying, perhaps without knowing it, with the psalmist: “Search me, O God, and know my heart.” The dead professor knows nothing of such searching; he goes on contentedly on the word of some good man.
Do not be afraid, then, of the anxious questions, but bring them to the Lord. It often pleases Him to appear at the cry of the soul and to give clear tokens that the work is from above. Then the things of time give way, and the heart goes out to that blessed Fountain. So your heaviest afflictions become a source of sweet consolation, and the chastening hand of God a lesson that you are a child and not a bastard.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Examíname, oh Dios, y conoce mi corazón: pruébame y conoce mis pensamientos: y ve si hay en mí camino de perversidad, y guíame en el camino eterno.”
Salmo 139:23, 24
El pueblo de Dios no puede tomar su religión a crédito; no puede contentarse con el aval de este o aquel hombre bueno. Tiene que tenerla obrada por Dios mismo. A menudo está ejercitado en cuanto a de dónde vino su religión. ¿No lo halla usted así, y que ello le cuesta muchos ejercicios? Si, por ejemplo, está abatido, se pregunta con ansiedad si ello brota de una tristeza según Dios por el pecado. Si es consolado, no puede dar el consuelo por sentado; tiene que pesarlo en la balanza del evangelio. Si experimenta liberaciones providenciales, no puede tomarlas como otras tantas pruebas ciertas de que todo está bien con su alma. De modo que cada paso que da tiene que examinarlo y pesarlo, para ver si es de Dios.
Los profesantes muertos, los hipócritas en Sión, nunca tienen su religión probada y pesada de esta manera. No saben nada de estos ejercicios interiores. Dan las cosas por sentadas; se acurrucan bajo el ala de algún hombre bueno, o consiguen que algún ministro avale su religión, y quedan satisfechos.
Pero el pueblo de Dios tiene que tener testimonios del Señor mismo; y a menudo estarán duramente ejercitados sobre si tienen en sus almas aquella obra que permanecerá en la hora de la prueba. Y si, en respuesta a sus clamores, al Señor le place resplandecer en sus almas y levantar señales claras de que es del cielo, ello llena sus corazones de gratitud, hace hundirse las cosas del tiempo y de los sentidos, y eleva sus afectos a aquella bendita fuente de donde descendieron estos testimonios. Así, aquellas mismas cosas que parecen estar contra ellos están a su favor, y sacan sus más dulces consolaciones de sus más pesadas aflicciones. No cambiarían su senda de prueba, con todas sus cosas amargas, por la senda llana y florida por la que ven andar a miles, sabiendo que una religión sin pruebas ni tentaciones solo llevará al alma a un infierno sin fin.
Así, a veces pueden sentir que de sus ejercicios brota el bien, y preferirían ser todos sus días un pueblo tentado y probado, y llevar lo que Dios inflige, antes que andar por un camino que parece derecho a los ojos del hombre y hallar al final la destrucción eterna. Preferirían tener aquellos castigos que prueban que son hijos y no bastardos, antes que andar por un camino que agrada a la carne y cuyo fin es la condenación eterna.
Al lector…
¿Le cuesta también a usted, lector, muchos ejercicios saber si su religión es de veras de Dios? ¿No puede simplemente dar por sentado su consuelo, y pesa cada paso, temiendo que todo sea solo de usted mismo? Entonces está orando, quizá sin saberlo, con el salmista: “Examíname, oh Dios, y conoce mi corazón.” El profesante muerto no sabe nada de tal escudriñamiento; sigue tranquilo con la palabra de algún hombre bueno.
No tema, pues, las preguntas ansiosas, sino llévelas al Señor. A menudo Le place aparecer ante el clamor del alma y dar señales claras de que la obra es de lo alto. Entonces las cosas del tiempo ceden, y el corazón se dirige a aquella bendita Fuente. Así sus más pesadas aflicciones llegan a ser una fuente de dulce consolación, y la mano que castiga de Dios, una lección de que usted es hijo y no bastardo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl