De HEERE maakt arm en maakt rijk.
1 Samuël 2:7
De heiligen worden „arm” genoemd. Maar wat betekent het arm te zijn, en wie zijn zij die met die term worden aangeduid? Onder „de armen”, letterlijk, verstaan we gewoonlijk degenen die totaal verstoken zijn van alles wat de wereld als rijkdommen beschouwt. Een arm mens, in geestelijke zin, is iemand die het gevoel heeft te zijn verstoken van de ware rijkdommen, van het wezen van het evangelie, van de vruchten en genaden van de gezegende Geest, kortom, van alles wat God en Zijn kinderen als de enige kostbare en duurzame schat beschouwen.
Maar in deze toestand van gevoelde armoede kan niemand wegzakken door enige macht of natuurlijke wil. Dit is het werk van de Heere aan het geweten, zoals we lezen: „De HEERE maakt arm.” Iemand kan proberen zichzelf arm te maken vanuit de kracht van bepaalde overtuigingen in het geweten, zoals de papist die het boetekleed aantrekt. Ik geloof echter dat wat hij met de ene hand weggooit, hij met de andere zal oprapen.
Stoffelijke armoede is iets zeer pijnlijks en moeilijks voor het vlees, maar geestelijke armoede is nog veel zwaarder en pijnlijker voor de geest. Want stoffelijke armoede duurt meestal maar een paar jaar, maar geestelijke armoede, indien onverzacht (ofschoon de Heere het nooit onverzacht laat), dreigt slechts het begin van de eeuwige dood te zijn. Zodat geestelijke armoede veel drukkender, zwaarder en verontrustender voor iemands geest is dan stoffelijke armoede voor iemands vlees kan zijn.
Arm te zijn is dus te ervaren dat men verstoken is van al het geestelijk goede. De Heere zalft de ogen van Zijn tot leven gewekte kinderen, zodat ze zien wat ware religie is. Hij toont hun dat de ware rijkdommen, zonder welke alles armoede en gebrek is, bestaan in de geopenbaarde gunst Gods, in het werk van de Geest aan het hart, zodat de liefde en het bloed van Jezus worden geopenbaard, in het persoonlijke bezit van de vruchten en genaden die bezield zijn door de Geest, en in het zichtbare genieten van alles wat iemand heilig, gezegend en gelukkig kan maken.
Lezen: 1 Samuël 2:1-10
Aan de lezer…
Misschien voelt u zich arm, verstoken van alles wat uw ziel werkelijk rijk zou maken. Ziet u in uzelf geen vruchten en genaden, en lijkt het of het wezen van het evangelie aan u voorbijgaat? Schrik dan niet te zeer. Zulk een armoede kan niemand zichzelf aandoen; het is het werk van de Heere aan het geweten. „De HEERE maakt arm”, en wat Hij doet, doet Hij niet tevergeefs.
Want Dezelfde Die arm maakt, maakt ook rijk. Hij zalft de ogen van Zijn kinderen, opdat zij zien waar de ware rijkdom ligt: in Zijn geopenbaarde gunst, in de liefde en het bloed van Jezus, aan het hart bekendgemaakt door de Geest. Uw armoede is zwaar, maar de Heere laat haar nooit onverzacht. Houd dan aan bij Hem, met lege handen, want juist de armen zijn het die Hij met Zijn schat vervult.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De HEERE maakt arm en maakt rijk.
1 Samuël 2:7
De heiligen worden „arm” genoemd. Maar wat betekent het om arm te zijn, en wie worden met die term aangeduid? Onder „de armen” in letterlijke zin verstaan we gewoonlijk mensen die totaal verstoken zijn van alles wat de wereld als rijkdom beschouwt. Een arm mens in geestelijke zin is iemand die voelt dat hij verstoken is van de ware rijkdom: van het wezen van het evangelie, van de vruchten en genaden van de gezegende Geest, kortom, van alles wat God en Zijn kinderen als de enige kostbare en blijvende schat beschouwen.
Maar in deze toestand van gevoelde armoede kan niemand terechtkomen door eigen macht of natuurlijke wil. Het is het werk van de Heere aan het geweten, zoals we lezen: „De HEERE maakt arm.” Iemand kan proberen zichzelf arm te maken onder de druk van bepaalde overtuigingen in het geweten, zoals de rooms-katholiek die het boetekleed aantrekt. Ik geloof echter dat hij wat hij met de ene hand weggooit, met de andere weer zal oprapen.
Stoffelijke armoede is iets heel pijnlijks en moeilijks voor het vlees, maar geestelijke armoede is nog veel zwaarder en pijnlijker voor de geest. Want stoffelijke armoede duurt meestal maar een paar jaar, maar geestelijke armoede dreigt, als zij niet verzacht wordt (hoewel de Heere haar nooit onverzacht laat), slechts het begin van de eeuwige dood te zijn. Daarom is geestelijke armoede voor iemands geest veel drukkender, zwaarder en verontrustender dan stoffelijke armoede voor iemands vlees kan zijn.
Arm zijn is dus ervaren dat men verstoken is van al het geestelijk goede. De Heere zalft de ogen van Zijn levend gemaakte kinderen, zodat ze zien wat ware godsdienst is. Hij toont hun waarin de ware rijkdom bestaat, zonder welke alles armoede en gebrek is. Die rijkdom bestaat in de geopenbaarde gunst van God; in het werk van de Geest aan het hart, waardoor de liefde en het bloed van Jezus geopenbaard worden; in het persoonlijke bezit van de vruchten en genaden die door de Geest bezield zijn; en in het merkbare genieten van alles wat iemand heilig, gezegend en gelukkig kan maken.
Lezen: 1 Samuël 2:1-10
Aan de lezer…
Misschien voelt u zich arm, verstoken van alles wat uw ziel werkelijk rijk zou maken. Ziet u in uzelf geen vruchten en genaden, en lijkt het alsof het wezen van het evangelie aan u voorbijgaat? Schrik dan niet te zeer. Zo’n armoede kan niemand zichzelf aandoen; het is het werk van de Heere aan het geweten. „De HEERE maakt arm”, en wat Hij doet, doet Hij niet tevergeefs.
Want Dezelfde Die arm maakt, maakt ook rijk. Hij zalft de ogen van Zijn kinderen, zodat zij zien waar de ware rijkdom ligt: in Zijn geopenbaarde gunst, in de liefde en het bloed van Jezus, door de Geest aan het hart bekendgemaakt. Uw armoede is zwaar, maar de Heere laat haar nooit onverzacht. Blijf dan bij Hem aanhouden, met lege handen, want juist de armen zijn het die Hij met Zijn schat vervult.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD maketh poor, and maketh rich.
1 Samuel 2:7
The saints are called “poor.” But what is it to be poor, and who are meant by that term? By “the poor” in a literal sense we usually understand those who are wholly destitute of all that the world counts riches. A poor man in a spiritual sense is one who feels himself destitute of the true riches: of the substance of the gospel, of the fruits and graces of the blessed Spirit, in short, of all that God and His children regard as the only precious and enduring treasure.
But into this state of felt poverty no man can come by his own power or natural will. It is the work of the Lord upon the conscience, as we read, “The LORD maketh poor.” A man may try to make himself poor under the pressure of certain convictions in his conscience, like the Roman Catholic who puts on sackcloth. I believe, however, that what he throws away with one hand he will pick up again with the other.
Temporal poverty is a very painful and trying thing to the flesh, but spiritual poverty is still far heavier and more painful to the spirit. For temporal poverty usually lasts but a few years, but spiritual poverty, if not relieved (though the Lord never leaves it unrelieved), threatens to be but the beginning of eternal death. Therefore spiritual poverty is far more oppressive, heavy and distressing to a man’s spirit than temporal poverty can be to his flesh.
To be poor, then, is to feel oneself destitute of all spiritual good. The Lord anoints the eyes of His quickened children, so that they see what true religion is. He shows them in what the true riches consist, without which all is poverty and want. Those riches consist in the manifested favour of God; in the work of the Spirit upon the heart, whereby the love and blood of Jesus are revealed; in the personal possession of the fruits and graces breathed in by the Spirit; and in the sensible enjoyment of all that can make a man holy, blessed and happy.
Reading: 1 Samuel 2:1-10
To the reader…
Perhaps you feel poor, destitute of all that would make your soul truly rich. Do you see no fruits and graces in yourself, and does it seem as though the substance of the gospel passes you by? Then do not be too much alarmed. No one can bring such poverty upon himself; it is the work of the Lord upon the conscience. “The LORD maketh poor,” and what He does He does not do in vain.
For the same One Who makes poor also makes rich. He anoints the eyes of His children, so that they see where the true riches lie: in His manifested favour, in the love and blood of Jesus, made known to the heart by the Spirit. Your poverty is heavy, but the Lord never leaves it unrelieved. Keep pressing on with Him, then, with empty hands, for it is just the poor whom He fills with His treasure.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Jehová empobrece, y Él enriquece.
1 Samuel 2:7
Los santos son llamados “pobres”. Pero ¿qué es ser pobre, y a quiénes se refiere ese término? Por “los pobres” en sentido literal solemos entender a los que carecen por completo de todo lo que el mundo considera riquezas. Un hombre pobre en sentido espiritual es uno que se siente desprovisto de las verdaderas riquezas: de la sustancia del evangelio, de los frutos y gracias del bendito Espíritu; en suma, de todo lo que Dios y Sus hijos tienen por el único tesoro precioso y duradero.
Pero a este estado de pobreza sentida ningún hombre puede llegar por su propio poder o voluntad natural. Es la obra del Señor en la conciencia, como leemos: “Jehová empobrece”. Un hombre puede intentar hacerse pobre bajo la presión de ciertas convicciones en su conciencia, como el católico romano que se viste de cilicio. Creo, sin embargo, que lo que arroja con una mano lo volverá a recoger con la otra.
La pobreza temporal es algo muy doloroso y penoso para la carne, pero la pobreza espiritual es todavía mucho más pesada y dolorosa para el espíritu. Porque la pobreza temporal suele durar solo unos pocos años, pero la pobreza espiritual, si no es socorrida (aunque el Señor nunca la deja sin socorro), amenaza con ser solo el comienzo de la muerte eterna. Por eso la pobreza espiritual es mucho más opresiva, pesada y angustiosa para el espíritu de un hombre que lo que la pobreza temporal puede ser para su carne.
Ser pobre, pues, es sentirse desprovisto de todo bien espiritual. El Señor unge los ojos de Sus hijos vivificados, de modo que ven lo que es la verdadera religión. Les muestra en qué consisten las verdaderas riquezas, sin las cuales todo es pobreza y necesidad. Esas riquezas consisten en el favor manifestado de Dios; en la obra del Espíritu en el corazón, por la cual se revelan el amor y la sangre de Jesús; en la posesión personal de los frutos y gracias infundidos por el Espíritu; y en el goce sensible de todo lo que puede hacer a un hombre santo, bienaventurado y feliz.
Lectura: 1 Samuel 2:1-10
Al lector…
Quizá usted se siente pobre, desprovisto de todo lo que haría a su alma verdaderamente rica. ¿No ve frutos ni gracias en sí mismo, y le parece que la sustancia del evangelio pasa de largo junto a usted? Entonces no se alarme demasiado. Nadie puede traer sobre sí tal pobreza; es la obra del Señor en la conciencia. “Jehová empobrece”, y lo que Él hace no lo hace en vano.
Porque el mismo que empobrece también enriquece. Él unge los ojos de Sus hijos, de modo que ven dónde están las verdaderas riquezas: en Su favor manifestado, en el amor y la sangre de Jesús, dados a conocer al corazón por el Espíritu. Su pobreza es pesada, pero el Señor nunca la deja sin socorro. Siga, pues, acudiendo a Él con las manos vacías, porque precisamente a los pobres es a quienes Él llena con Su tesoro.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl