6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En die Man zal zijn als een Verberging tegen de wind, en een Schuilplaats tegen de vloed.
Jesaja 32:2
Wie is die Man? Behoef ik het te vragen? Is daarop geen antwoord in elk godvrezend hart? Het is de mens Christus Jezus, de Man Die Gods Zoon is. Hoe zalig is het een schriftuurlijk en geestelijk gezicht te hebben van de mensheid van de Heere Jezus Christus; Hem te zien, niet alleen als God, waarlijk God, één in geest, heerlijkheid en macht met de Vader en de Geest, maar ook als mens, in alles aan ons gelijk gemaakt, uitgenomen de zonde.
En hoe juist voegt die mensheid aan de Heere Jezus, als wij haar beschouwen in vereniging met Zijn heerlijke Godheid! Als mens leed Hij, als mens bloedde Hij, als mens stierf Hij, als mens staat Hij als Middelaar voor Zijn medemens tussen God en de mens; als mens heeft Hij voor menselijke ellende een liefhebbend, medelijdend hart; als mens gehoorzaamde Hij aan de Wet tot in alles; als mens droeg Hij al het lijden der mensheid, en zo werd Hij, onze Broeder, geboren voor tegenspoed, vlees van ons vlees en been van ons been; toch volmaakt rein, schuldeloos, onbezoedeld, afgescheiden van de zondaren, en nu hoger verheven dan de hoogste hemelen.
Maar welk een schoonheid, bevalligheid, heerlijkheid en gepastheid zien wij in de Man Christus Jezus, vóórdat Hij door de Heilige Geest aan de ziel is geopenbaard? Gene. Hij neemt de mensheid van Christus Jezus en toont die aan het oog des geloofs. En deze mensheid toont Hij niet louter als mensheid, maar als in vereniging met, en toch onderscheiden van, Zijn eeuwige Godheid.
O die gezegende Man! die Man van smarten; die lijdende, strijdende, gekruiste Man. Zie Hem aan het kruis bloedende voor uw zonden; en hef dan uw ogen op en zie Hem als dezelfde Man, gezeten aan de rechterhand Gods. Zo zag Stephanus’ stervend oog Hem, vóórdat hij in Zijn tegenwoordigheid verscheen: „Ziet, ik zie de hemelen geopend, en de Zoon des mensen staande ter rechterhand Gods” (Handelingen 7:56).
Eerlang gedenkt hieraan het wereldrond;
haast wendt het zich tot God met hart en mond.
Ps. 22:14
Aan de lezer…
Waait de wind u tegen, lezer, en dreigt de vloed u te overspoelen? Dan hebt u een Schuilplaats nodig die niet bezwijkt, en de profeet wijst u op een Man. Geen gewoon mens, maar de mens Christus Jezus, Die Gods Zoon is. Als mens heeft Hij geleden, gebloed en is Hij gestorven; als mens heeft Hij een liefhebbend, medelijdend hart voor menselijke ellende. Hij weet wat beproeving is, want Hij werd geboren voor tegenspoed.
Daarom kunt u met uw nood tot Hem gaan zonder te vrezen dat Hij u niet zal verstaan. Vraag of de Heilige Geest Hem aan uw ziel wil tonen, want zonder dat ziet u geen schoonheid in Hem. Zie Hem aan het kruis, bloedend voor uw zonden, en hef dan uw ogen op: dezelfde Man zit nu aan de rechterhand Gods. Bij Hem is een veilige Verberging, ook voor u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En die Man zal zijn als een Verberging tegen de wind, en een Schuilplaats tegen de vloed.
Jesaja 32:2
Wie is die Man? Moet ik dat nog vragen? Is daar niet in elk godvrezend hart een antwoord op? Het is de mens Christus Jezus, de Man Die Gods Zoon is. Hoe zalig is het om een schriftuurlijk en geestelijk gezicht te hebben op de mensheid van de Heere Jezus Christus! Hem te zien niet alleen als God, waarachtig God, één in wezen, heerlijkheid en macht met de Vader en de Geest, maar ook als mens, in alles aan ons gelijk gemaakt, uitgenomen de zonde.
En hoe goed past die mensheid bij de Heere Jezus, als wij haar zien in vereniging met Zijn heerlijke Godheid! Als mens leed Hij, als mens bloedde Hij, als mens stierf Hij. Als mens staat Hij als Middelaar voor Zijn medemens tussen God en de mens. Als mens heeft Hij een liefhebbend, medelijdend hart voor menselijke ellende. Als mens gehoorzaamde Hij de Wet in alles. Als mens droeg Hij al het lijden van de mensheid, en zo werd Hij onze Broeder, geboren voor tegenspoed, vlees van ons vlees en been van ons been. Toch is Hij volmaakt rein, schuldeloos, onbezoedeld, afgescheiden van de zondaren, en nu hoger verheven dan de hoogste hemelen.
Maar wat voor schoonheid, bevalligheid, heerlijkheid en gepastheid zien wij in de Man Christus Jezus voordat Hij door de Heilige Geest aan de ziel geopenbaard is? Geen enkele. De Geest neemt de mensheid van Christus Jezus en toont die aan het oog van het geloof. En Hij toont deze mensheid niet als louter mensheid, maar als verenigd met, en toch onderscheiden van, Zijn eeuwige Godheid.
O, die gezegende Man! Die Man van smarten, die lijdende, strijdende, gekruisigde Man! Zie Hem aan het kruis, bloedend voor uw zonden; en hef dan uw ogen op en zie Hem als dezelfde Man, gezeten aan de rechterhand van God. Zo zag het stervende oog van Stefanus Hem, voordat hij in Zijn tegenwoordigheid verscheen: „Ziet, ik zie de hemelen geopend, en de Zoon des mensen staande ter rechterhand Gods” (Handelingen 7:56).
Eerlang gedenkt hieraan het wereldrond;
haast wendt het zich tot God met hart en mond.
Ps. 22:14
Aan de lezer…
Waait de wind u tegen, lezer, en dreigt de vloed u te overspoelen? Dan hebt u een Schuilplaats nodig die niet bezwijkt, en de profeet wijst u op een Man. Geen gewoon mens, maar de mens Christus Jezus, Die Gods Zoon is. Als mens heeft Hij geleden, gebloed en is Hij gestorven; als mens heeft Hij een liefhebbend, medelijdend hart voor menselijke ellende. Hij weet wat beproeving is, want Hij werd geboren voor tegenspoed.
Daarom kunt u met uw nood tot Hem gaan, zonder te vrezen dat Hij u niet zal begrijpen. Vraag of de Heilige Geest Hem aan uw ziel wil tonen, want zonder dat ziet u geen schoonheid in Hem. Zie Hem aan het kruis, bloedend voor uw zonden, en hef dan uw ogen op: dezelfde Man zit nu aan de rechterhand van God. Bij Hem is een veilige Verberging, ook voor u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And a man shall be as an hiding place from the wind, and a covert from the tempest.
Isaiah 32:2
Who is this man? Need I ask the question? Is there not a response in every God-fearing breast? It is the man Christ Jesus–the man who is God’s fellow. How blessed it is to have a scriptural and spiritual view of the humanity of the Lord Jesus Christ, to see Him not merely as God, truly essential God, one in essence, glory, and power with the Father and the blessed Spirit, but also man, made in all things like unto us, sin only excepted.
And what a suitability there is in the humanity of the Lord Jesus, when we view it in union with this glorious Deity! As man He suffered, as man He bled, as man He died, as man He stands a Mediator for His fellow men between God and man; as man, He has an affectionate, compassionate, sympathizing heart for human distress; as man, He obeyed the law in every particular; as man, He bore all the sufferings of humanity, and thus became the Brother born for adversity, flesh of our flesh, and bone of our bone; yet perfectly pure, harmless, undefiled, separate from sinners, and now exalted higher than the heavens.
But what beauty, grace, glory, and suitability do we see in the man Christ Jesus, until He is revealed to the soul by the blessed Spirit? None! It is the Spirit Who takes the humanity of Christ Jesus and shows it to the eye of faith. And this humanity He shows not as mere humanity, but as in union with, though distinct from, His eternal Deity. O this blessed man!–this man of sorrows; this suffering, agonizing, crucified man. View Him on the cross, bleeding for your sins; and then lift up your eyes and see Him as the same man at the right hand of God. This was Stephen’s dying sight just before he passed into His presence–“Behold, I see the heavens opened, and the Son of man standing on the right hand of God” (Acts 7:56).
To the reader…
Is the wind against you, and does the flood threaten to overwhelm you? Then you need a hiding place that will not give way, and the prophet points you to a Man. Not an ordinary man, but the man Christ Jesus, Who is the Son of God. As man He suffered, bled and died; as man He has a loving, compassionate heart for human distress. He knows what trouble is, for He was born for adversity.
That is why you can go to Him with your need, without fearing that He will not understand you. Ask that the Holy Spirit would show Him to your soul, for without that you see no beauty in Him. See Him on the cross, bleeding for your sins, and then lift up your eyes: the same Man now sits at the right hand of God. With Him there is a safe hiding place, for you as well.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y será aquel varón como escondedero contra el viento, y como acogida contra el turbión.
Isaías 32:2
¿Quién es este varón? ¿Necesito hacer la pregunta? ¿No hay una respuesta en todo pecho temeroso de Dios? Es el hombre Cristo Jesús, el hombre que es compañero de Dios. ¡Cuán bendito es tener una visión bíblica y espiritual de la humanidad del Señor Jesucristo, verle no solo como Dios, verdadero Dios esencial, uno en esencia, gloria y poder con el Padre y el bendito Espíritu, sino también como hombre, hecho en todo semejante a nosotros, excepto en el pecado!
¡Y qué idoneidad hay en la humanidad del Señor Jesús, cuando la contemplamos en unión con esta gloriosa Deidad! Como hombre sufrió, como hombre sangró, como hombre murió, como hombre está como Mediador por Sus semejantes entre Dios y los hombres; como hombre tiene un corazón afectuoso, compasivo y comprensivo para la angustia humana; como hombre obedeció la ley en cada detalle; como hombre llevó todos los sufrimientos de la humanidad, y así llegó a ser el Hermano nacido para la angustia, carne de nuestra carne y hueso de nuestros huesos; y sin embargo perfectamente puro, inocente, sin mancha, apartado de los pecadores, y ahora hecho más sublime que los cielos.
Pero ¿qué hermosura, gracia, gloria e idoneidad vemos en el hombre Cristo Jesús, hasta que el bendito Espíritu Lo revela al alma? ¡Ninguna! Es el Espíritu Quien toma la humanidad de Cristo Jesús y la muestra al ojo de la fe. Y esta humanidad no la muestra como mera humanidad, sino en unión con Su eterna Deidad, aunque distinta de ella. ¡Oh este bendito hombre!, este varón de dolores; este hombre que sufrió, agonizó y fue crucificado. Contémplelo en la cruz, sangrando por sus pecados; y luego alce sus ojos y véalo como el mismo hombre a la diestra de Dios. Esta fue la visión de Esteban al morir, justo antes de pasar a Su presencia: “He aquí, veo los cielos abiertos, y al Hijo del hombre que está a la diestra de Dios” (Hechos 7:56).
Al lector…
¿Tiene usted el viento en contra, y amenaza la avenida con anegarle? Entonces necesita un escondedero que no ceda, y el profeta le señala a un Hombre. No un hombre cualquiera, sino el hombre Cristo Jesús, Quien es el Hijo de Dios. Como hombre sufrió, sangró y murió; como hombre tiene un corazón amoroso y compasivo para la angustia humana. Él sabe lo que es la aflicción, porque nació para la angustia.
Por eso puede usted ir a Él con su necesidad, sin temer que no le comprenda. Pida que el Espíritu Santo Lo muestre a su alma, porque sin eso no ve hermosura en Él. Véalo en la cruz, sangrando por sus pecados, y luego alce los ojos: el mismo Hombre está ahora sentado a la diestra de Dios. En Él hay un escondedero seguro, también para usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Die overwint
Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.
Openbaring 3:21
Elk kind van God wordt omringd door een menigte vijanden vanbinnen en vanbuiten, die, tenzij ze voor hem en door hem worden overwonnen, bijna zeker hem zullen overwinnen. Neutraliteit bestaat niet in deze oorlog; het is een gevecht op leven en dood, voor een zekere overwinning of een zekere nederlaag. Alle beloften worden gedaan aan degene die overwint (Op. 3:12), en de heerlijkste van alle: „Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon” (Op. 3:21). Maar overwonnen worden betekent verloren zijn, voor eeuwig verloren, en te sterven onder de toorn Gods. Hoe moeten we dus anders overwinnen dan door het geloof in ons opgestane Hoofd, dan door een beroep te doen op onze gekroonde Koning om onze strijden te voeren, Die moet heersen tot Hij alle vijanden heeft verslagen?
Als we tot Jezus behoren en wandelen in gehoorzaamheid aan Zijn wil en woord, zullen we zeker vele uiterlijke vijanden hebben: „En ook allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden” (2 Tim. 3:12). Maar laat het gebeuren, het kan ons niet echt kwaad doen, want „wie is het, die u kwaad doen zal, indien gij navolgers zijt van het goede?” (1 Petr. 3:13). Er zijn veel talrijkere en machtigere vijanden vanbinnen dan vijanden vanbuiten. En van hen kunnen we waarlijk met het oude Juda zeggen, in aanwezigheid van de gevechtsklare menigte: „O, onze God, zult Gij geen recht tegen hen oefenen? want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt, en wij weten niet, wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U” (2 Kron. 20:12).
En goed is het, als we kunnen opkijken in geloof en gebed naar de gezegende Heere als ons opgestane Hoofd en gekroonde Koning, en vanuit een gelovige blik op Zijn weergaloze genade en almachtige kracht, klaar om ten behoeve van ons te worden uitgestoken, kunnen zeggen: „Onze ogen zijn op U.” Als we de macht van de zonde, de tirannie van onze lage begeerten en hartstochten, en datgene waartoe onze natuur in staat is als zij kan doen wat zij wil, voelen, hoe zoet en geschikt is dan de belofte: „Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen” (Micha 7:19).
Lezen: Openbaringen 3:14-21
Aan de lezer…
Wanneer u de macht van de vijanden in uw eigen hart voelt, de zonde die heerst, de lage begeerten die u willen meeslepen, en een natuur die tot alles in staat is als zij haar gang mag gaan, dan weet u waarover dit woord spreekt. In deze strijd is er geen neutraliteit; het gaat om leven of dood. En misschien moet u eerlijk erkennen dat u er geen enkele kracht tegen hebt.
Zeg het dan maar met het oude Juda: „In ons is geen kracht tegen deze grote menigte, en wij weten niet wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U.” Dat is geen nederlaag, maar de enige weg tot overwinning. Uw opgestane Hoofd en gekroonde Koning voert de strijd, en Hij zal heersen tot Hij alle vijanden verslagen heeft. Hij zal Zich uwer weder ontfermen en uw ongerechtigheden dempen, en Hij belooft de overwinnaar een plaats bij Hem op Zijn troon.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.
Openbaring 3:21
Elk kind van God is omringd door een menigte vijanden van binnen en van buiten. Als die niet voor hem en door hem overwonnen worden, zullen zij hem vrijwel zeker overwinnen. In deze oorlog bestaat geen neutraliteit; het is een strijd op leven en dood, met een zekere overwinning of een zekere nederlaag. Alle beloften worden gedaan aan hem die overwint (Op. 3:12), en de heerlijkste van alle is: „Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon” (Op. 3:21). Maar overwonnen worden betekent verloren zijn, voor eeuwig verloren, en sterven onder de toorn van God. Hoe moeten we dan anders overwinnen dan door het geloof in ons opgestane Hoofd, door een beroep te doen op onze gekroonde Koning om onze strijd te voeren, Hij Die moet heersen totdat Hij alle vijanden verslagen heeft?
Als we Jezus toebehoren en in gehoorzaamheid aan Zijn wil en woord wandelen, zullen we zeker veel vijanden van buiten hebben: „En ook allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden” (2 Tim. 3:12). Maar laat het maar gebeuren; het kan ons niet werkelijk kwaad doen, want „wie is het, die u kwaad doen zal, indien gij navolgers zijt van het goede?” (1 Petr. 3:13). Er zijn veel talrijker en machtiger vijanden van binnen dan van buiten. Over hen kunnen we werkelijk met het Juda van ouds zeggen, tegenover de gevechtsklare menigte: „O, onze God, zult Gij geen recht tegen hen oefenen? want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt, en wij weten niet, wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U” (2 Kron. 20:12).
En het is goed als we in geloof en gebed kunnen opzien naar de gezegende Heere als ons opgestane Hoofd en gekroonde Koning. Het is goed als we, met een gelovige blik op Zijn weergaloze genade en almachtige kracht, die bereid is zich voor ons uit te strekken, kunnen zeggen: „Onze ogen zijn op U.” Wanneer we de macht van de zonde voelen, de tirannie van onze lage begeerten en hartstochten, en dat waartoe onze natuur in staat is als zij haar gang kan gaan, hoe zoet en passend is dan de belofte: „Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen” (Micha 7:19).
Lezen: Openbaring 3:14-21
Aan de lezer…
Wanneer u de macht van de vijanden in uw eigen hart voelt, de zonde die heerst, de lage begeerten die u willen meeslepen, en een natuur die tot alles in staat is als zij haar gang mag gaan, dan weet u waarover dit woord spreekt. In deze strijd is er geen neutraliteit; het gaat om leven of dood. En misschien moet u eerlijk erkennen dat u er geen enkele kracht tegen hebt.
Zeg het dan met het Juda van ouds: „In ons is geen kracht tegen deze grote menigte, en wij weten niet wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U.” Dat is geen nederlaag, maar de enige weg tot overwinning. Uw opgestane Hoofd en gekroonde Koning voert de strijd, en Hij zal heersen totdat Hij alle vijanden verslagen heeft. Hij zal Zich weer over u ontfermen en uw ongerechtigheden dempen, en Hij belooft de overwinnaar een plaats bij Hem op Zijn troon.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
To him that overcometh will I grant to sit with Me in My throne, even as I also overcame, and am set down with My Father in His throne.
Revelation 3:21
Every child of God is surrounded by a host of enemies within and without. If these are not overcome for him and by him, they will almost certainly overcome him. In this war there is no neutrality; it is a struggle of life and death, with certain victory or certain defeat. All the promises are made to him that overcometh (Rev. 3:12), and the most glorious of all is, “To him that overcometh will I grant to sit with Me in My throne, even as I also overcame, and am set down with My Father in His throne” (Rev. 3:21). But to be overcome is to be lost, lost for ever, and to die under the wrath of God. How, then, are we to overcome except by faith in our risen Head, by appealing to our crowned King to fight our battles, He Who must reign till He hath put all enemies under His feet?
If we belong to Jesus and walk in obedience to His will and word, we shall certainly have many enemies without: “Yea, and all that will live godly in Christ Jesus shall suffer persecution” (2 Tim. 3:12). But let it come; it cannot really harm us, for “who is he that will harm you, if ye be followers of that which is good?” (1 Peter 3:13). There are far more numerous and mighty enemies within than without. Of them we may truly say with Judah of old, in the face of the host arrayed for battle, “O our God, wilt Thou not judge them? for we have no might against this great company that cometh against us; neither know we what to do: but our eyes are upon Thee” (2 Chron. 20:12).
And it is well if we can look up in faith and prayer to the blessed Lord as our risen Head and crowned King. It is well if, with a believing view of His matchless grace and almighty power, ready to be put forth on our behalf, we can say, “Our eyes are upon Thee.” When we feel the power of sin, the tyranny of our base lusts and passions, and what our nature is capable of when left to itself, how sweet and suitable then is the promise, “He will turn again, He will have compassion upon us; He will subdue our iniquities” (Micah 7:19).
Reading: Revelation 3:14-21
To the reader…
When you feel the power of the enemies in your own heart, the sin that reigns, the base lusts that would carry you away, and a nature capable of anything when left to itself, then you know what this word is speaking of. In this struggle there is no neutrality; it is a matter of life or death. And perhaps you must honestly admit that you have no strength at all against it.
Then say it with Judah of old: “We have no might against this great company, neither know we what to do: but our eyes are upon Thee.” That is no defeat, but the only way to victory. Your risen Head and crowned King fights the battle, and He will reign till all enemies are put under His feet. He will turn again and have compassion upon you and subdue your iniquities, and He promises the one who overcomes a place with Him on His throne.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Al que venciere, Yo le daré que se siente conmigo en Mi trono; así como Yo he vencido, y me he sentado con Mi Padre en Su trono.
Apocalipsis 3:21
Todo hijo de Dios está rodeado de una hueste de enemigos por dentro y por fuera. Si estos no son vencidos por él y para él, es casi seguro que le vencerán a él. En esta guerra no hay neutralidad; es una lucha de vida o muerte, con victoria segura o derrota segura. Todas las promesas se hacen al que venciere (Apoc. 3:12), y la más gloriosa de todas es: “Al que venciere, Yo le daré que se siente conmigo en Mi trono; así como Yo he vencido, y me he sentado con Mi Padre en Su trono” (Apoc. 3:21). Pero ser vencido es estar perdido, perdido para siempre, y morir bajo la ira de Dios. ¿Cómo, pues, hemos de vencer sino por la fe en nuestra Cabeza resucitada, apelando a nuestro Rey coronado para que pelee nuestras batallas, Él, que es necesario que reine hasta poner a todos Sus enemigos debajo de Sus pies?
Si pertenecemos a Jesús y andamos en obediencia a Su voluntad y a Su palabra, ciertamente tendremos muchos enemigos por fuera: “Y también todos los que quieren vivir píamente en Cristo Jesús, padecerán persecución” (2 Tim. 3:12). Pero que venga; en realidad no puede dañarnos, porque “¿quién es aquel que os podrá dañar, si vosotros seguís el bien?” (1 Pedro 3:13). Hay enemigos mucho más numerosos y poderosos por dentro que por fuera. De ellos podemos decir verdaderamente con Judá de antaño, frente a la hueste dispuesta para la batalla: “¡Oh Dios nuestro! ¿no los juzgarás Tú? porque en nosotros no hay fuerza contra tan grande multitud que viene contra nosotros: no sabemos lo que hemos de hacer, mas a Ti volvemos nuestros ojos” (2 Crón. 20:12).
Y bueno es si podemos alzar la mirada en fe y oración al bendito Señor como nuestra Cabeza resucitada y nuestro Rey coronado. Bueno es si, con una visión creyente de Su gracia sin igual y de Su poder omnipotente, dispuesto a ejercerse a nuestro favor, podemos decir: “A Ti volvemos nuestros ojos”. Cuando sentimos el poder del pecado, la tiranía de nuestras bajas concupiscencias y pasiones, y de lo que nuestra naturaleza es capaz cuando se la deja a sí misma, ¡qué dulce y adecuada es entonces la promesa: “Él tornará, Él tendrá misericordia de nosotros; Él sujetará nuestras iniquidades” (Miqueas 7:19)!
Lectura: Apocalipsis 3:14-21
Al lector…
Cuando siente el poder de los enemigos en su propio corazón, el pecado que reina, las bajas concupiscencias que quisieran arrastrarle, y una naturaleza capaz de cualquier cosa cuando se la deja a sí misma, entonces sabe de qué habla esta palabra. En esta lucha no hay neutralidad; es cuestión de vida o muerte. Y quizá deba admitir con sinceridad que no tiene fuerza alguna contra ello.
Entonces dígalo con Judá de antaño: “En nosotros no hay fuerza contra tan grande multitud; no sabemos lo que hemos de hacer, mas a Ti volvemos nuestros ojos”. Eso no es una derrota, sino el único camino a la victoria. Su Cabeza resucitada y Rey coronado pelea la batalla, y reinará hasta que todos los enemigos sean puestos debajo de Sus pies. Él tornará y tendrá misericordia de usted y sujetará sus iniquidades, y promete al que venciere un lugar con Él en Su trono.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Op Welke het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heere.
Efeze 2:21
Het lichaam van Christus is voor het tegenwoordige verspreid; laat ik mogen zeggen, nog verdeeld. Er zijn leden van het verborgen lichaam nu voor de troon; het zijn de geesten der volmaakt rechtvaardigen. Anderen zijn nog in de woestijn; anderen nog in de wereld, dood in de zonden en in de misdaden, nog niet door genade geroepen, ontbloot van de Geest; anderen zijn nog niet geboren, zijn nog verborgen in de baarmoeder van de tijd. Maar de aarde is het toneel waarop al de leden van tijd tot tijd in een levende, openbare vereniging gebracht worden met hun levend Hoofd.
Toen ik als jongen te Londen op school ging, werd de Waterloobrug gebouwd, en mijn speelmakkers en ik hadden de gewoonte somtijds te gaan naar wat toen het „Steenveld” genoemd werd. Het was aan de andere kant van het water en daar werden de stenen, waaruit de Waterloobrug bestaat, gefatsoeneerd en gebeiteld. Elk spoor van dit veld is nu verdwenen en de plaats zelf is geheel gebouwd. Maar de Waterloobrug staat daar en de stenen waarop ik als jongen toen speelde, vormen nu een gedeelte van dit schone bouwwerk, waarvan Canova, de Italiaanse beeldhouwer, zeide dat het de moeite waard was naar Londen te komen, al was het slechts om dit bouwwerk te zien.
Breng dit beeld op geestelijke dingen over. Het lichaam van Christus wordt in de Schrift vergeleken bij een gebouw. „Gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen. Op Welke het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heere.” Van dit gebouw zijn de gelovigen „levende stenen”, en velen daarvan zijn op het „steenveld”, waar zij behakt en behouwen, gebeiteld en vierkant gemaakt worden door de hand van de grote Bouwmeester. Gedurende deze staat zijn ze als de stenen van Salomo’s tempel: zij worden namelijk op een afstand bewerkt, opdat noch hamer, noch bijl, noch enig ander gereedschap van ijzer in het huis zou gehoord worden.
Zo ook worden de levende stenen bereid voor de toekomstige heerlijkheid. Met hamer en beitel worden ze dag aan dag bewerkt, opdat zij ter bestemder tijd hun toebedeelde plaats in het geestelijk gebouw zouden kunnen innemen. Ik herinner mij nog zeer wel dat alle stenen die op het veld verstrooid lagen, gemerkt en genummerd waren; en deze merktekenen duidden zonder twijfel de plaats aan waar ze moesten ingezet worden. Elke zodanig gemerkte steen werd op een bepaalde tijd daarheen vervoerd en bezette de juiste plaats, door de bouwmeester hem toegedacht. Zo werd elke levende steen gemerkt en genummerd in de eeuwigheid, wordt bewerkt en gefatsoeneerd in de tijd en zal in de toekomende heerlijkheid door de hand van de Goddelijke Bouwmeester in die plaats gesteld worden die in het geestelijk gebouw oorspronkelijk voor hem was bepaald.
Aan de lezer…
Deze woorden over het gebouw roepen de vraag op: voelt u de hamer en de beitel? Misschien gaat u door dagen waarin het ene na het andere van u wordt afgehakt, en begrijpt u niet waarom het zo hard en zo lang moet duren. Ik zag als jongen de stenen op het veld liggen, ruw en verstrooid, maar elk gemerkt en genummerd voor zijn eigen plaats in het bouwwerk. Zo worden ook de levende stenen hier op een afstand bewerkt, opdat in de tempel zelf geen hamer meer gehoord wordt.
Dat behakken is pijnlijk, en het zou niet eerlijk zijn dat te ontkennen. Maar het is niet zonder doel, en het geschiedt niet door een vreemde hand. De grote Bouwmeester kent elke steen die Hij in de eeuwigheid gemerkt heeft, en Hij fatsoeneert hem in de tijd voor de plaats die Hij hem toegedacht heeft. Op Christus, de uiterste Hoeksteen, wast het gehele gebouw op tot een heilige tempel in de Heere. U bent niet vergeten op het steenveld; uw plaats ligt al voor u gereed.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Op Welke het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heere.
Efeze 2:21
Het lichaam van Christus is op dit moment verspreid, ik mag wel zeggen: nog verdeeld. Er zijn leden van het verborgen lichaam die nu voor de troon zijn; dat zijn de geesten van de volmaakte rechtvaardigen. Anderen zijn nog in de woestijn. Weer anderen zijn nog in de wereld, dood in de zonden en de misdaden, nog niet door genade geroepen en zonder de Geest. En anderen zijn nog niet geboren; zij zijn nog verborgen in de schoot van de tijd. Maar de aarde is het toneel waarop alle leden van tijd tot tijd in een levende, openbare vereniging gebracht worden met hun levend Hoofd.
Toen ik als jongen in Londen op school zat, werd de Waterloobrug gebouwd. Mijn speelkameraden en ik gingen soms naar wat toen het „Steenveld” genoemd werd. Dat lag aan de andere kant van het water, en daar werden de stenen waaruit de Waterloobrug bestaat, in vorm gebracht en gebeiteld. Elk spoor van dat veld is nu verdwenen en de plaats zelf is helemaal bebouwd. Maar de Waterloobrug staat er, en de stenen waarop ik toen als jongen speelde, vormen nu een deel van dat schone bouwwerk. Canova, de Italiaanse beeldhouwer, zei ervan dat het de moeite waard was naar Londen te komen, al was het alleen maar om dit bouwwerk te zien.
Breng dit beeld over op geestelijke dingen. Het lichaam van Christus wordt in de Schrift vergeleken met een gebouw. „Gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen. Op Welke het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heere.” De gelovigen zijn de „levende stenen” van dit gebouw, en velen van hen liggen op het „steenveld”, waar zij behakt en behouwen, gebeiteld en vierkant gemaakt worden door de hand van de grote Bouwmeester. In die staat zijn ze als de stenen van Salomo’s tempel: die werden op een afstand bewerkt, opdat noch hamer, noch bijl, noch enig ander ijzeren gereedschap in het huis gehoord zou worden.
Zo worden ook de levende stenen voorbereid voor de toekomstige heerlijkheid. Met hamer en beitel worden ze dag aan dag bewerkt, zodat zij op de bestemde tijd hun toegewezen plaats in het geestelijk gebouw kunnen innemen. Ik herinner me nog heel goed dat alle stenen die verspreid op het veld lagen, gemerkt en genummerd waren. Die merktekens gaven ongetwijfeld de plaats aan waar ze ingezet moesten worden. Elke zo gemerkte steen werd op een bepaalde tijd daarheen vervoerd en nam de juiste plaats in die de bouwmeester hem had toegedacht. Zo is elke levende steen in de eeuwigheid gemerkt en genummerd, wordt hij in de tijd bewerkt en in vorm gebracht, en zal hij in de toekomende heerlijkheid door de hand van de Goddelijke Bouwmeester gezet worden op de plaats die oorspronkelijk in het geestelijk gebouw voor hem bepaald was.
Aan de lezer…
Deze woorden over het gebouw roepen de vraag op: voelt u de hamer en de beitel? Misschien gaat u door dagen waarin het ene na het andere van u wordt afgehakt, en begrijpt u niet waarom het zo hard en zo lang moet duren. Op het veld lagen de stenen ruw en verspreid, maar elk was gemerkt en genummerd voor zijn eigen plaats in het bouwwerk. Zo worden ook de levende stenen hier op een afstand bewerkt, opdat in de tempel zelf geen hamer meer gehoord wordt.
Dat behakken is pijnlijk, en het zou niet eerlijk zijn dat te ontkennen. Maar het is niet zonder doel, en het gebeurt niet door een vreemde hand. De grote Bouwmeester kent elke steen die Hij in de eeuwigheid gemerkt heeft, en Hij brengt hem in de tijd in vorm voor de plaats die Hij hem heeft toegedacht. Op Christus, de uiterste Hoeksteen, groeit het hele gebouw op tot een heilige tempel in de Heere. U bent niet vergeten op het steenveld; uw plaats ligt al voor u gereed.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In whom all the building fitly framed together groweth unto an holy temple in the Lord.
Ephesians 2:21
The body of Christ is at present scattered, and, if I may so speak—fragmentary. Of the members of His mystical body some are now before the throne, “spirits of just men made perfect.” Others are still in the wilderness; others are yet in the world, dead in trespasses and sins, uncalled by grace, destitute of the Spirit; others at present are unborn, still hidden in the womb of time. But earth is the stage whereon ALL the members are from time to time brought into a vital, manifestive union with their living Head.
When I was a boy at school, in London, Waterloo Bridge was building; and I and my playmates used to go sometimes to what was then called “The Stone Field,” on the other side of the water, where the stones that now make up Waterloo Bridge were being squared and chiseled. Every vestige of that field, I have no doubt, is gone, and the place covered with buildings; but there stands Waterloo Bridge; and those stones that I used to play upon as a boy now form a part of that beautiful structure which Canova, the great Italian sculptor, said it was alone worth coming to London to see.
Take the idea into spiritual things. The body of Christ is compared in Scripture to a building. “And are built upon the foundation of the apostles and prophets, Jesus Christ Himself being the chief corner stone; in whom all the building fitly framed together grows unto an holy temple in the Lord.” Of this building believers are “living stones;” and many of them are at present in “the Stone Field,” where they are being hammered and hacked, squared and chiseled by the hand of the great Architect.
During this state, like the stones of Solomon’s temple, which were hewn and squared at a distance, that “neither hammer nor axe, nor any tool of iron might be heard in the house while it was in building,” so are these living stones prepared for their future glory. The mallet and the chisel are at work upon them now day by day, that in due time they may fill their designed position in the spiritual building.
I remember well that all the stones which were strewn over the field were marked and numbered; and these figures no doubt denoted their intended position. Every stone so marked was in due time individually transferred to, and now occupies, the exact position that the architect designed for it. So every living stone was marked and numbered in eternity, is hewed and squared in time, and will, in future glory, be placed by the hand of the divine Architect in that place of the spiritual building originally designed for it.
To the reader…
These words about the building raise the question: do you feel the hammer and the chisel? Perhaps you are passing through days in which one thing after another is hacked away from you, and you do not understand why it has to be so hard and last so long. On the field the stones lay rough and scattered, but each was marked and numbered for its own place in the structure. So the living stones too are worked upon here at a distance, so that in the temple itself no hammer is heard any more.
That hewing is painful, and it would not be honest to deny it. But it is not without purpose, and it is not done by a stranger’s hand. The great Architect knows every stone He marked in eternity, and in time He shapes it for the place He has designed for it. On Christ, the chief Corner Stone, the whole building grows into an holy temple in the Lord. You are not forgotten in the stone field; your place is already waiting for you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
En el cual, compaginado todo el edificio, va creciendo para ser un templo santo en el Señor.
Efesios 2:21
El cuerpo de Cristo está al presente disperso y, si se me permite decirlo así, fragmentado. De los miembros de Su cuerpo místico, algunos están ya delante del trono, “espíritus de los justos hechos perfectos”. Otros están todavía en el desierto; otros aún están en el mundo, muertos en delitos y pecados, no llamados por la gracia, desprovistos del Espíritu; otros todavía no han nacido, escondidos aún en el seno del tiempo. Pero la tierra es el escenario en el que TODOS los miembros son traídos, cada uno a su tiempo, a una unión vital y manifiesta con su Cabeza viviente.
Cuando yo era un muchacho en la escuela, en Londres, se estaba construyendo el puente de Waterloo; y mis compañeros de juego y yo solíamos ir a veces a lo que entonces se llamaba “el Campo de las Piedras”, al otro lado del río, donde se escuadraban y cincelaban las piedras que ahora forman el puente de Waterloo. No me cabe duda de que todo rastro de aquel campo ha desaparecido y el lugar está cubierto de edificios; pero allí está el puente de Waterloo; y aquellas piedras sobre las que yo jugaba de muchacho forman ahora parte de esa hermosa estructura que, según dijo Canova, el gran escultor italiano, valía por sí sola el viaje a Londres para verla.
Lleve usted la idea a las cosas espirituales. El cuerpo de Cristo es comparado en la Escritura con un edificio. “Edificados sobre el fundamento de los apóstoles y profetas, siendo la principal piedra del ángulo Jesucristo mismo; en el cual, compaginado todo el edificio, va creciendo para ser un templo santo en el Señor.” De este edificio los creyentes son “piedras vivas”; y muchos de ellos están ahora en “el Campo de las Piedras”, donde son martilleados y desbastados, escuadrados y cincelados por la mano del gran Arquitecto.
Durante este estado, como las piedras del templo de Salomón, que fueron labradas y escuadradas a distancia, de modo que “ni martillos ni hachas se oyeron en la casa, ni ningún otro instrumento de hierro, cuando la edificaban”, así son preparadas estas piedras vivas para su gloria futura. El mazo y el cincel trabajan ahora en ellas día tras día, para que a su debido tiempo ocupen el lugar que se les ha destinado en el edificio espiritual.
Recuerdo bien que todas las piedras esparcidas por el campo estaban marcadas y numeradas; y esas cifras indicaban sin duda la posición que se les había destinado. Cada piedra así marcada fue a su debido tiempo trasladada una por una, y ocupa ahora la posición exacta que el arquitecto le había designado. Así cada piedra viva fue marcada y numerada en la eternidad, es labrada y escuadrada en el tiempo, y será colocada, en la gloria futura, por la mano del divino Arquitecto en aquel lugar del edificio espiritual que le fue designado desde el principio.
Al lector…
Estas palabras sobre el edificio plantean la pregunta: ¿siente usted el martillo y el cincel? Quizá esté pasando por días en que le van quitando una cosa tras otra, y no entiende por qué tiene que ser tan duro y durar tanto. En el campo las piedras yacían toscas y dispersas, pero cada una estaba marcada y numerada para su propio lugar en la estructura. Así también las piedras vivas son trabajadas aquí a distancia, para que en el templo mismo no se oiga ya ningún martillo.
Ese labrar es doloroso, y no sería honesto negarlo. Pero no es sin propósito, ni lo hace una mano extraña. El gran Arquitecto conoce cada piedra que marcó en la eternidad, y en el tiempo la forma para el lugar que le ha destinado. Sobre Cristo, la principal Piedra del ángulo, todo el edificio va creciendo para ser un templo santo en el Señor. Usted no está olvidado en el campo de las piedras; su lugar ya le está esperando.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl