gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Geliefden Gods, en geroepen heiligen.
Romeinen 1:7
Hetzelfde woord „heilige” is door ’s mensen boosheid en goddeloosheid een woord van verwijt en verachting geworden. Maar God wil het eren, laat de mensen het onteren, zo zij willen. God heeft er een gloriekroon op gezet; laat de mensen het verachten, zo zij kunnen. Er is geen voorrecht of zegen die God kan schenken, zo groot en heerlijk als u te kronen met de kroon der heiligen. Hij moge u talloze titels geschonken hebben; Hij moge u met de grootste rijkdommen hebben overladen; rang, roem, talent, schoonheid, gezondheid, dat alles moge aan uw voeten worden neergelegd; maar wat zou dat alles zijn in vergelijking met door God tot een heilige gemaakt te worden?
Maar wat is het een heilige te zijn? Het is geheiligd te zijn door God de Vader, afgezonderd voor Hem om Zijn lof te verkondigen. Het is gewassen te zijn in het zoenbloed en gekleed te zijn in de rechtvaardigmakende gerechtigheid van de Zoon, en wedergeboren te zijn door de Geest van God. Het is binnengeleid te worden in een nieuwe wereld, doordat men verlost is van de macht der duisternis en overgebracht in het koninkrijk van Gods lieve Zoon. Welk hart kan de staat van zaligheid bevatten, welke tong kan hem uitdrukken, die staat waartoe de verachte heiligen Gods reeds in deze tijd worden bevorderd!
Zij zijn zonen en dochteren van de Almachtige; juwelen in Jezus’ Middelaarskroon; leden van Zijn verborgen lichaam, en als zodanig met onverbreekbare banden verenigd; zuilen in de tempel Gods, die eeuwig blijven; schapen, verlost door kostelijk bloed; maagdelijke zielen, verloofd aan de Heere, het Lam. Zij zijn erfgenamen Gods en medeërfgenamen van Christus, en woningen van heerlijkheid zijn voor hen boven de hemelen bereid. Daar zullen zij zitten als overwinnaars met Christus op Zijn troon en op gouden harpen de lof verheffen van een Drieënig God in alle eeuwigheid.
De hemel looft, o Heer, uw wond’ren dag en nacht!
Uw waarheid wordt op aard’ de glorie toegebracht,
daar uw geheiligd volk van uwe trouw mag zingen.
Want wie is U gelijk bij al de hemellingen?
En welke vorsten ooit het aard’rijk moog’ bevatten,
wie hunner is, o Heer, met U gelijk te schatten?
Psalm 89:3
Aan de lezer…
Misschien schaamt u zich soms voor de naam die de wereld veracht. Laat de mensen het woord „heilige” onteren, zo zij willen; God heeft er een gloriekroon op gezet. Geen titel, geen rijkdom, geen roem of gezondheid haalt het bij deze ene genade, door Hem tot een heilige gemaakt te worden. En dat is geen eigen heiligheid waarop u mag bogen, maar gewassen te zijn in het zoenbloed en gekleed in de gerechtigheid van de Zoon.
Voelt u zich eerder een arme, verachte zondaar dan een zuil in de tempel Gods? Juist de verachte heiligen Gods zijn het die reeds in deze tijd zo worden bevorderd. Zijn zij niet schapen, verlost door kostelijk bloed? Zoek het dan niet in uzelf, maar in Hem Die u uit de macht der duisternis wil overbrengen in het koninkrijk van Zijn lieve Zoon. Eens zullen Zijn heiligen met Christus op Zijn troon zitten en de Drieënig God loven in alle eeuwigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Geliefden Gods, en geroepen heiligen.
Romeinen 1:7
Juist het woord „heilige” is door de boosheid en goddeloosheid van de mens een woord van verwijt en verachting geworden. Maar God wil het eren; laat de mensen het onteren, als zij dat willen. God heeft er een kroon van heerlijkheid op gezet; laat de mensen het verachten, als zij dat kunnen. Er is geen voorrecht of zegen die God kan schenken, die zo groot en heerlijk is als dat Hij u kroont met de kroon van de heiligen. Hij kan u talloze titels geschonken hebben; Hij kan u met de grootste rijkdommen overladen hebben; rang, roem, talent, schoonheid, gezondheid, dat alles kan aan uw voeten zijn neergelegd. Maar wat zou dat alles zijn in vergelijking met het feit dat God u tot een heilige maakt?
Maar wat is het om een heilige te zijn? Het is geheiligd zijn door God de Vader, voor Hem afgezonderd om Zijn lof te verkondigen. Het is gewassen zijn in het verzoenend bloed en gekleed zijn in de rechtvaardigmakende gerechtigheid van de Zoon, en wedergeboren zijn door de Geest van God. Het is binnengeleid worden in een nieuwe wereld, doordat men verlost is uit de macht van de duisternis en overgebracht is in het koninkrijk van Gods lieve Zoon. Welk hart kan die staat van zaligheid bevatten, welke tong kan hem uitdrukken, de staat waartoe de verachte heiligen van God al in deze tijd verhoogd worden!
Zij zijn zonen en dochters van de Almachtige; juwelen in de Middelaarskroon van Jezus; leden van Zijn verborgen lichaam en als zodanig met onverbreekbare banden verenigd; zuilen in de tempel van God, die eeuwig blijven; schapen, verlost door kostbaar bloed; maagdelijke zielen, verloofd aan de Heere, het Lam. Zij zijn erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus, en voor hen zijn boven de hemelen woningen van heerlijkheid bereid. Daar zullen zij als overwinnaars met Christus op Zijn troon zitten en op gouden harpen de lof zingen van de Drie-enige God, in alle eeuwigheid.
De hemel looft, o Heer, uw wond’ren dag en nacht!
Uw waarheid wordt op aard’ de glorie toegebracht,
daar uw geheiligd volk van uwe trouw mag zingen.
Want wie is U gelijk bij al de hemellingen?
En welke vorsten ooit het aard’rijk moog’ bevatten,
wie hunner is, o Heer, met U gelijk te schatten?
Psalm 89:3
Aan de lezer…
Misschien schaamt u zich soms voor de naam die de wereld veracht. Laat de mensen het woord „heilige” onteren als zij dat willen; God heeft er een kroon van heerlijkheid op gezet. Geen titel, geen rijkdom, geen roem of gezondheid haalt het bij deze ene genade: door Hem tot een heilige gemaakt te worden. En dat is geen eigen heiligheid waarop u mag bogen, maar gewassen zijn in het verzoenend bloed en gekleed in de gerechtigheid van de Zoon.
Voelt u zich eerder een arme, verachte zondaar dan een zuil in de tempel van God? Juist de verachte heiligen van God zijn het die al in deze tijd zo verhoogd worden. Zijn zij niet schapen, verlost door kostbaar bloed? Zoek het dan niet in uzelf, maar in Hem Die u uit de macht van de duisternis wil overbrengen in het koninkrijk van Zijn lieve Zoon. Eens zullen Zijn heiligen met Christus op Zijn troon zitten en de Drie-enige God loven in alle eeuwigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Beloved of God, called to be saints.
Romans 1:7
The very word “saint” has become, through man’s perverseness and wickedness, a word of reproach and contempt. But God will honor it, let men dishonor it as they please. God has put a crown of glory upon it, let men despise it as they may. There is no privilege or blessing that God can confer so great and glorious as to crown you with the title of ‘saint’. He might have given you titles without number; He might have showered riches upon your head in the greatest profusion; rank, fame, talent, beauty, health—all might have been poured at your feet; but what would all these be compared to making you a saint of God?
But what is it to be a saint? It is to be sanctified by God the Father, set apart for Himself, to show forth His praise. It is to be washed in the atoning blood and clothed in the justifying righteousness of the Son, and to be regenerated by the Spirit of God. It is to be introduced into a new world by being delivered from the power of darkness and translated into the kingdom of God’s dear Son.
What heart can conceive or tongue express the state of blessedness to which the despised saints of God are advanced even in this present time state! They are sons and daughters of the Lord Almighty; jewels in Jesus’ mediatorial crown; members of His mystical body, and as such united to Him by indissoluble ties; pillars in the temple of God which shall go no more out; sheep redeemed by precious blood; virgin souls espoused to the Lord the Lamb. They are heirs of God and joint-heirs with Christ, and mansions of glory are prepared for them beyond the skies. There they shall sit as overcomers with Christ on His throne, and there they shall sing upon harps of gold the praises of a Three-One God to all eternity.
To the reader…
Perhaps you are sometimes ashamed of the name that the world despises. Let men dishonour the word “saint” if they will; God has put a crown of glory upon it. No title, no riches, no fame or health can compare with this one grace: to be made a saint by Him. And that is not a holiness of your own to boast of, but being washed in the atoning blood and clothed in the righteousness of the Son.
Do you feel more like a poor, despised sinner than a pillar in the temple of God? It is just the despised saints of God who are so exalted even in this present time. Are they not sheep redeemed by precious blood? Do not seek it, then, in yourself, but in Him Who will deliver you from the power of darkness and translate you into the kingdom of His dear Son. One day His saints will sit with Christ on His throne and praise the Three-One God to all eternity.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Amados de Dios, llamados santos.
Romanos 1:7
La misma palabra “santo” se ha convertido, por la perversidad y la maldad de los hombres, en una palabra de oprobio y de desprecio. Pero Dios la honrará, aunque los hombres la deshonren cuanto quieran. Dios ha puesto sobre ella una corona de gloria, aunque los hombres la desprecien como quieran. No hay privilegio ni bendición que Dios pueda conferir tan grande y glorioso como coronarle a usted con el título de ‘santo’. Podría haberle dado títulos sin número; podría haber derramado riquezas sobre su cabeza con la mayor profusión; rango, fama, talento, belleza, salud, todo podría haber sido puesto a sus pies; pero ¿qué serían todas estas cosas comparadas con hacerle a usted un santo de Dios?
Pero ¿qué es ser un santo? Es ser santificado por Dios el Padre, apartado para Sí, para anunciar Su alabanza. Es ser lavado en la sangre expiatoria y vestido con la justicia justificadora del Hijo, y ser regenerado por el Espíritu de Dios. Es ser introducido en un mundo nuevo, siendo librado de la potestad de las tinieblas y trasladado al reino del amado Hijo de Dios.
¡Qué corazón puede concebir, o qué lengua expresar, el estado de bienaventuranza al que son elevados los despreciados santos de Dios aun en este tiempo presente! Son hijos e hijas del Señor Todopoderoso; joyas en la corona mediadora de Jesús; miembros de Su cuerpo místico, y como tales unidos a Él con lazos indisolubles; columnas en el templo de Dios que nunca más saldrán fuera; ovejas redimidas con sangre preciosa; almas vírgenes desposadas con el Señor, el Cordero. Son herederos de Dios y coherederos con Cristo, y moradas de gloria les están preparadas más allá de los cielos. Allí se sentarán como vencedores con Cristo en Su trono, y allí cantarán con arpas de oro las alabanzas del Dios Trino por toda la eternidad.
Al lector…
Quizá a veces se avergüenza usted del nombre que el mundo desprecia. Deje que los hombres deshonren la palabra “santo” si quieren; Dios ha puesto sobre ella una corona de gloria. Ningún título, ninguna riqueza, ninguna fama ni salud pueden compararse con esta sola gracia: ser hecho santo por Él. Y eso no es una santidad propia de la que jactarse, sino ser lavado en la sangre expiatoria y vestido con la justicia del Hijo.
¿Se siente más como un pobre pecador despreciado que como una columna en el templo de Dios? Son precisamente los despreciados santos de Dios los que son tan exaltados aun en este tiempo presente. ¿No son ovejas redimidas con sangre preciosa? No lo busque, pues, en sí mismo, sino en Aquel que le librará de la potestad de las tinieblas y le trasladará al reino de Su amado Hijo. Un día Sus santos se sentarán con Cristo en Su trono y alabarán al Dios Trino por toda la eternidad.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Gerechtigheden en sterkte
Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in de Heere zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen.
Jesaja 45:24
Niemand zal kunnen zeggen: „In de Heere zijn gerechtigheden en sterkte”, tot zijn eigen ellende, zijn beproevingen, zijn verzoekingen en verwarringen ten einde zijn. Men zal tot dan moeten wachten voordat men kan zeggen: „In de Heere zijn gerechtigheden en sterkte.” Dus als we zo verwaand zijn verheven denkbeelden over onszelf te koesteren, als we starre Farizeeërs zijn, als we niet bereid zijn onze eigen vermeende goedheid op te geven, reken er dan op dat waar Gods genade in het hart werkzaam is, er zulke diepgaande openbaringen in een mens zullen plaatsvinden dat hij zichzelf veracht, en hij zo wordt geschud en overhoop gehaald dat hij inziet wat hij in de ogen van een heilige God is.
Want voordat hij bewust kan zeggen: „In de Heere zijn gerechtigheden en sterkte”, moet hij tot het inzicht zijn gekomen dat al zijn eigen rechtvaardigheid als vuile vodden is, die hij onder zijn voeten kan vertrappen, vastbesloten om te zien op en uitsluitend te rusten in de Heere, en te zeggen: „In de Heere zijn gerechtigheden en sterkte.”
Niets is gemakkelijker voor mensen en niets komt meer voor dan te praten over gerechtvaardigd worden in Christus. Ze scheppen erover op dat ze in de Heere die rechtvaardigheid hebben, maar als we naar hun leven kijken en hun gesprekken volgen, wat is er dan weinig te zien van godzalige smart over de zonde, wat weten ze weinig van ontroostbaarheid en wroeging, wat zien we weinig in hen van een diepgaande bekendheid met de verdorvenheden van de natuur, wat weinig heilige eerbied of neiging tot godvruchtigheid. Er is weinig vrucht, en heel weinig verlangen om vrucht voort te brengen. Het is duidelijk dat ze weinig behoedzaam wandelen: ze leven niet in het besef dat de blik van Degene Die het geweten onderzoekt en de teugels beproeft, op hen is gericht. Deze vruchten van de Geest verschijnen altijd als er een genadewerk in de ziel wordt verricht.
Lezen: Jesaja 64
Aan de lezer…
Zegt u soms met de mond: „In de Heere zijn gerechtigheden en sterkte”, terwijl uw hart nog heimelijk rust op uw eigen goedheid? Het is zo gemakkelijk om over gerechtvaardigd worden in Christus te spreken. Maar waar Gods genade werkt, daar wordt een mens geschud en overhoop gehaald, totdat hij ziet wat hij is in de ogen van een heilige God, en al zijn eigen gerechtigheid als vuile vodden onder zijn voeten vertrapt.
Bent u zo ontbloot, en weet u niets meer om op te steunen? Wanhoop dan niet, want juist daar begint het ware zeggen van dit woord. Wie van zichzelf is afgebracht, mag zien op de Heere alleen en uitsluitend in Hem rusten. Hij geeft dan ook smart over de zonde, heilige eerbied en een behoedzaam wandelen voor Zijn aangezicht. Kom dan tot Hem met al uw ellende; in Hem zijn gerechtigheden en sterkte, en tot Hem zal men komen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in de Heere zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen.
Jesaja 45:24
Niemand zal kunnen zeggen: „In de Heere zijn gerechtigheden en sterkte”, totdat er een einde is gekomen aan zijn eigen ellende, zijn beproevingen, zijn verzoekingen en zijn verwarringen. Tot dan zal men moeten wachten voordat men kan zeggen: „In de Heere zijn gerechtigheden en sterkte.” Zijn we dus zo verwaand dat we hoge gedachten over onszelf koesteren, zijn we starre Farizeeërs, zijn we niet bereid onze eigen vermeende goedheid op te geven? Reken er dan op dat er, waar Gods genade in het hart werkt, zulke diepe ontdekkingen in een mens zullen plaatsvinden dat hij zichzelf veracht. Hij wordt zo geschud en overhoop gehaald dat hij inziet wat hij is in de ogen van een heilige God.
Want voordat hij uit bevinding kan zeggen: „In de Heere zijn gerechtigheden en sterkte”, moet hij tot het inzicht zijn gekomen dat al zijn eigen gerechtigheid als vuile vodden is, die hij onder zijn voeten kan vertrappen. Dan is hij vastbesloten om op de Heere te zien en uitsluitend in Hem te rusten, en te zeggen: „In de Heere zijn gerechtigheden en sterkte.”
Niets is gemakkelijker voor mensen en niets komt vaker voor dan praten over gerechtvaardigd worden in Christus. Ze scheppen erover op dat ze die gerechtigheid in de Heere hebben. Maar als we naar hun leven kijken en hun gesprekken volgen, wat is er dan weinig te zien van een goddelijke droefheid over de zonde! Wat weten ze weinig van ontroostbaarheid en wroeging, wat zien we weinig in hen van een diepe kennis van de verdorvenheden van de natuur, wat weinig heilige eerbied of neiging tot godvruchtigheid! Er is weinig vrucht, en heel weinig verlangen om vrucht voort te brengen. Het is duidelijk dat ze weinig behoedzaam wandelen: ze leven niet in het besef dat het oog van Hem Die het geweten onderzoekt en de nieren proeft, op hen gericht is. Deze vruchten van de Geest verschijnen altijd wanneer er een genadewerk in de ziel gewrocht wordt.
Lezen: Jesaja 64
Aan de lezer…
Zegt u soms met de mond: „In de Heere zijn gerechtigheden en sterkte”, terwijl uw hart nog heimelijk rust op uw eigen goedheid? Het is zo gemakkelijk om over gerechtvaardigd worden in Christus te spreken. Maar waar Gods genade werkt, wordt een mens geschud en overhoop gehaald, totdat hij ziet wat hij is in de ogen van een heilige God, en al zijn eigen gerechtigheid als vuile vodden onder zijn voeten vertrapt.
Bent u zo ontbloot, en weet u niets meer om op te steunen? Wanhoop dan niet, want juist daar begint het ware zeggen van dit woord. Wie van zichzelf is afgebracht, mag op de Heere alleen zien en uitsluitend in Hem rusten. Hij geeft dan ook droefheid over de zonde, heilige eerbied en een behoedzaam wandelen voor Zijn aangezicht. Kom dan tot Hem met al uw ellende; in Hem zijn gerechtigheden en sterkte, en tot Hem zal men komen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Surely, shall one say, in the LORD have I righteousness and strength: even to Him shall men come.
Isaiah 45:24
No one will be able to say, “In the LORD have I righteousness and strength,” until an end has come to his own misery, his trials, his temptations and his perplexities. Until then he will have to wait before he can say, “In the LORD have I righteousness and strength.” Are we, then, so conceited that we cherish high thoughts of ourselves, are we stiff Pharisees, are we unwilling to give up our own supposed goodness? Then depend upon it, where God’s grace works in the heart, such deep discoveries will take place in a man that he loathes himself. He is so shaken and turned upside down that he sees what he is in the eyes of a holy God.
For before he can say from experience, “In the LORD have I righteousness and strength,” he must have come to see that all his own righteousness is as filthy rags, which he can trample under his feet. Then he is resolved to look to the Lord and to rest in Him alone, and to say, “In the LORD have I righteousness and strength.”
Nothing is easier for men and nothing is more common than to talk about being justified in Christ. They boast that they have this righteousness in the Lord. But when we look at their lives and follow their conversation, how little is to be seen of a godly sorrow for sin! How little they know of being inconsolable and of contrition; how little we see in them of a deep knowledge of the corruptions of nature; how little holy reverence or inclination to godliness! There is little fruit, and very little desire to bring forth fruit.
It is plain that they walk with little circumspection: they do not live in the sense that the eye of Him Who searches the conscience and tries the reins is upon them. These fruits of the Spirit always appear when a work of grace is wrought in the soul.
Reading: Isaiah 64
To the reader…
Do you sometimes say with your mouth, “In the LORD have I righteousness and strength,” while your heart still secretly rests on your own goodness? It is so easy to speak about being justified in Christ. But where God’s grace works, a man is shaken and turned upside down, until he sees what he is in the eyes of a holy God, and tramples all his own righteousness under his feet as filthy rags.
Are you stripped like that, and do you know of nothing left to lean on? Then do not despair, for it is just there that the true saying of this word begins. Whoever has been brought off from himself may look to the Lord alone and rest in Him only. He then gives sorrow for sin as well, holy reverence and a circumspect walk before His face. Come to Him, then, with all your misery; in Him are righteousness and strength, and to Him shall men come.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y diráse de Mí: Ciertamente en Jehová está la justicia y la fuerza: a Él vendrán.
Isaías 45:24
Nadie podrá decir: “En Jehová está mi justicia y mi fuerza”, hasta que haya llegado un fin para su propia miseria, sus pruebas, sus tentaciones y sus perplejidades. Hasta entonces tendrá que esperar antes de poder decir: “En Jehová está mi justicia y mi fuerza”. ¿Somos, pues, tan presuntuosos que abrigamos altos pensamientos de nosotros mismos, somos fariseos tiesos, no estamos dispuestos a renunciar a nuestra supuesta bondad? Entonces téngalo por seguro: donde la gracia de Dios obra en el corazón, se producirán en un hombre descubrimientos tan profundos que se aborrecerá a sí mismo. Es tan sacudido y trastornado que ve lo que es a los ojos de un Dios santo.
Porque antes de poder decir por experiencia: “En Jehová está mi justicia y mi fuerza”, tiene que haber llegado a ver que toda su propia justicia es como trapo de inmundicia, que puede pisotear bajo sus pies. Entonces está resuelto a mirar al Señor y a descansar solo en Él, y a decir: “En Jehová está mi justicia y mi fuerza”.
Nada es más fácil para los hombres y nada más común que hablar de ser justificados en Cristo. Se jactan de tener esta justicia en el Señor. Pero cuando miramos sus vidas y seguimos su conducta, ¡qué poco se ve de una tristeza según Dios por el pecado! ¡Qué poco saben de estar sin consuelo y de la contrición; qué poco vemos en ellos de un conocimiento profundo de las corrupciones de la naturaleza; qué poca santa reverencia o inclinación a la piedad! Hay poco fruto, y muy poco deseo de dar fruto.
Es evidente que andan con poca circunspección: no viven con el sentimiento de que el ojo de Aquel que escudriña la conciencia y prueba los riñones está sobre ellos. Estos frutos del Espíritu aparecen siempre cuando se obra una obra de gracia en el alma.
Lectura: Isaías 64
Al lector…
¿Dice usted a veces con la boca: “En Jehová está mi justicia y mi fuerza”, mientras su corazón todavía descansa secretamente en su propia bondad? Es tan fácil hablar de ser justificado en Cristo. Pero donde obra la gracia de Dios, un hombre es sacudido y trastornado, hasta que ve lo que es a los ojos de un Dios santo, y pisotea bajo sus pies toda su propia justicia como trapo de inmundicia.
¿Está usted despojado así, y no sabe de nada que le quede en que apoyarse? Entonces no desespere, porque es precisamente allí donde comienza el verdadero decir de esta palabra. Quien ha sido sacado de sí mismo puede mirar solo al Señor y descansar únicamente en Él. Él da entonces también tristeza por el pecado, santa reverencia y un andar circunspecto delante de Su rostro. Venga, pues, a Él con toda su miseria; en Él están la justicia y la fuerza, y a Él vendrán.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil.
Psalm 115:1
Velen van Gods lieve kinderen kunnen niet veel spreken over de vriendelijke bewijzen Zijner genade, over voorleden aanrakingen van Zijn genadige hand en over de vernedering des harten onder een gevoel van goedertierenheid en liefde, en toch gevoelen zij zich tastbaar ondersteund door hetgeen hun geloof vastgrijpt en te zien geeft, en toch geven zij God de eer. Somtijds wederom, als zij het gepredikte Woord horen en een zegen daaronder ontvangen, of als zij een dierbare belofte met Goddelijke kracht in hun ziel ontvangen, of als zij worden begunstigd in het verborgen en licht en leven in hun ziel vloeien, dan zien zij zulk een heerlijkheid in hetgeen hun op die wijze is bekendgemaakt, dat zij God verheerlijken voor wat zij zien en gevoelen.
Maar meer bijzonder, wanneer de weg der zaligheid voor hen ontsloten wordt, wanneer Christus door de kracht Gods aan hen geopenbaard wordt, wanneer zij het wondervolle plan der zaligheid zien ontvouwd, hoe namelijk God rechtvaardig kan zijn en tevens de Rechtvaardiger van hem die in Jezus gelooft; ook wanneer zij aanschouwen de grootheid der verborgenheid van de Persoon van Christus, de gezegende oplossing van het probleem waardoor hun geest zozeer bezet was geweest, dan geven zij vrij en volkomen al de eer aan God.
„Heere,” zeggen zij, „wie en wat ben ik, dat Gij medelijden met mij hadt, dat Gij mijn hart door genade zou aanraken en Uw vreze in mijn hart zou leggen; dat Gij mij leidde om te bidden en Uw aangezicht te zoeken; en dat Gij naar mijn arme zuchtingen wilde horen en mij hoop gaaft op Uw genade, en daarbij mijn ziel zegende met een openbaring van Uw lieve Zoon? O, wie en wat ben ik, dat ik alzo zou begunstigd worden, waar duizenden aan zichzelf overgelaten worden en in hun zonden omkomen? O, hoe heerlijk zijt Gij! Wat een goedertieren God! Hoe doet Uw genade mijn hart smelten en Uw goedertierenheid mijn ziel vernederen! Uw Naam alleen zij alle eer en lof, beide nu en tot in eeuwigheid.”
Hier wordt God de eer toegebracht. Zo geeft het ware geloof Gode altijd de eer en zal het nooit een greintje lof voor zichzelf willen hebben, maar zal het al de heerlijkheid aan God, als de Beginner en Voleinder, toekennen, totdat de zegeningen hier zullen eindigen in de zegeningen daarboven, en de stromen der genade op aarde zich zullen ontlasten in de onbegrensde oceaan der heerlijkheid in de hemel.
Aan de lezer…
Kunt u, bestreden ziel, niet veel spreken over bijzondere bewijzen van Gods genade, en meent u daarom dat u buiten staat? Bedenk dan dat velen van Gods lieve kinderen zo gesteld zijn, en toch worden zij tastbaar ondersteund door wat hun geloof vastgrijpt. Een woord dat u onder de prediking raakte, een belofte die met kracht in uw ziel kwam, een ogenblik van licht in het verborgen: het zijn evenzovele redenen om te zeggen: „Niet ons, o Heere, niet ons.”
En is Christus u ooit geopenbaard als de Rechtvaardiger van hem die in Jezus gelooft, vraag dan met verwondering: „Wie en wat ben ik, dat Gij medelijden met mij hadt?” Dat is de taal van het ware geloof, dat geen greintje lof voor zichzelf zoekt. Geef Hem de eer van het begin en van het einde, want Hij Die de stromen der genade hier doet vloeien, zal ze eens doen uitlopen in de onbegrensde oceaan der heerlijkheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil.
Psalm 115:1
Veel lieve kinderen van God kunnen niet veel vertellen over vriendelijke bewijzen van Zijn genade, over vroegere aanrakingen van Zijn genadige hand en over de vernedering van het hart onder een besef van Zijn goedertierenheid en liefde. Toch voelen zij zich merkbaar ondersteund door wat hun geloof vastgrijpt en te zien krijgt, en toch geven zij God de eer. Soms ook, wanneer zij het gepredikte Woord horen en daaronder een zegen ontvangen, of wanneer een dierbare belofte met goddelijke kracht in hun ziel komt, of wanneer zij in het verborgen begunstigd worden en licht en leven in hun ziel stromen, dan zien zij zo’n heerlijkheid in wat hun op die manier is bekendgemaakt, dat zij God verheerlijken om wat zij zien en voelen.
Maar vooral wanneer de weg van de zaligheid voor hen ontsloten wordt, wanneer Christus door de kracht van God aan hen geopenbaard wordt, wanneer zij het wonderlijke plan van de zaligheid ontvouwd zien, namelijk hoe God rechtvaardig kan zijn en tegelijk de Rechtvaardiger van hem die in Jezus gelooft; en ook wanneer zij de grootheid zien van de verborgenheid van de Persoon van Christus, de gezegende oplossing van het vraagstuk waarmee hun geest zo bezig was geweest, dan geven zij vrij en volkomen alle eer aan God.
„Heere,” zeggen zij, „wie en wat ben ik, dat U medelijden met mij had, dat U mijn hart door genade wilde aanraken en Uw vreze in mijn hart wilde leggen; dat U mij leidde om te bidden en Uw aangezicht te zoeken; en dat U naar mijn arme zuchten wilde horen, mij hoop gaf op Uw genade en mijn ziel daarbij zegende met een openbaring van Uw lieve Zoon? O, wie en wat ben ik, dat ik zo begunstigd word, terwijl duizenden aan zichzelf overgelaten worden en in hun zonden omkomen? O, hoe heerlijk bent U! Wat een goedertieren God! Hoe doet Uw genade mijn hart smelten en vernedert Uw goedertierenheid mijn ziel! Aan Uw Naam alleen zij alle eer en lof, nu en tot in eeuwigheid.”
Hier wordt God de eer gegeven. Zo geeft het ware geloof altijd aan God de eer en wil het nooit een greintje lof voor zichzelf hebben. Het kent alle heerlijkheid toe aan God, als de Beginner en Voleinder, totdat de zegeningen hier uitlopen op de zegeningen daarboven, en de stromen van de genade op aarde uitmonden in de onbegrensde oceaan van de heerlijkheid in de hemel.
Aan de lezer…
Kunt u, bestreden ziel, niet veel vertellen over bijzondere bewijzen van Gods genade, en meent u daarom dat u erbuiten staat? Bedenk dan dat veel lieve kinderen van God er zo aan toe zijn, en toch worden zij merkbaar ondersteund door wat hun geloof vastgrijpt. Een woord dat u onder de prediking raakte, een belofte die met kracht in uw ziel kwam, een ogenblik van licht in het verborgen: het zijn evenveel redenen om te zeggen: „Niet ons, o Heere, niet ons.”
En is Christus u ooit geopenbaard als de Rechtvaardiger van hem die in Jezus gelooft, vraag dan met verwondering: „Wie en wat ben ik, dat U medelijden met mij had?” Dat is de taal van het ware geloof, dat geen greintje lof voor zichzelf zoekt. Geef Hem de eer van het begin en van het einde, want Hij Die hier de stromen van de genade laat vloeien, zal ze eens laten uitmonden in de onbegrensde oceaan van de heerlijkheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Not unto us, O LORD, not unto us, but unto thy name give glory, for thy mercy, and for thy truth’s sake.”
Psalm 115:1
Many of God’s dear children cannot get much beyond gentle intimations of His mercy, passing touches of His gracious hand, and softenings of heart under a sense of undeserved goodness and love; yet they feel sensibly relieved by what their faith thus lays hold of and brings in, and give glory to God. Sometimes again, as they hear the preached word and get a blessing under it, or some precious promise comes home to their soul with divine power, or they are favored in secret prayer, and light and life break in upon their mind, they see such a glory in what is thus made known to them, that they glorify God for what they see and feel.
But more especially when the way of salvation is opened up to them; when Christ is revealed to their soul by the power of God; when they see that wondrous plan unfolded, how God can be just, and yet the justifier of him who believes in Jesus; then as they view in the greatness of the mystery of the Person of Christ the blessed solution of the problem which has so exercised their mind, they freely and fully give all the glory to God.
“Lord,” they cry, “who and what am I, that You should have had pity and compassion upon me, should have touched my heart by Your grace, should have planted Your fear in my breast, led me to pray and seek Your face, and listened to my feeble cries, should thus have given me to hope in Your mercy, and blessed my soul with a manifestation of Your dear Son? Oh, who and what am I to be thus favored, when thousands are left to perish in their sins? Oh, how glorious are You! what a good God! how Your mercy melts my heart, and Your goodness softens my soul! To Your Name be all the honor and praise, both now and forever and ever.”
Here is giving glory to God. Thus, true faith will always give God the glory; will never take an atom of its own praise to itself, but will ascribe the whole glory to God as its sole Author and Finisher, until blessings here end in blessings hereafter, and streams of grace on earth issue into the boundless ocean of glory in heaven.
To the reader…
Tried soul, can you not tell much about special tokens of God’s grace, and do you therefore think you stand outside? Then remember that many dear children of God are in the same case, and yet they are noticeably upheld by what their faith lays hold of. A word that touched you under the preaching, a promise that came into your soul with power, a moment of light in secret: they are so many reasons to say, “Not unto us, O Lord, not unto us.”
And if Christ has ever been revealed to you as the Justifier of him who believes in Jesus, then ask in wonder, “Who and what am I, that Thou hadst pity on me?” That is the language of true faith, which seeks not a grain of praise for itself. Give Him the glory of the beginning and of the end, for He Who lets the streams of grace flow here will one day let them pour into the boundless ocean of glory.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“No a nosotros, oh Jehová, no a nosotros, sino a Tu nombre da gloria; por Tu misericordia, por Tu verdad.”
Salmo 115:1
Muchos de los amados hijos de Dios no pueden ir mucho más allá de suaves indicios de Su misericordia, toques pasajeros de Su mano llena de gracia y enternecimientos del corazón bajo el sentir de una bondad y un amor inmerecidos; y sin embargo se sienten notablemente aliviados por lo que su fe así aprehende y trae consigo, y dan gloria a Dios. Otras veces, al oír la palabra predicada y recibir bajo ella una bendición, o cuando alguna preciosa promesa llega a su alma con poder divino, o son favorecidos en la oración secreta y la luz y la vida irrumpen en su mente, ven tal gloria en lo que así se les da a conocer, que glorifican a Dios por lo que ven y sienten.
Pero más especialmente cuando se les abre el camino de la salvación; cuando Cristo es revelado a su alma por el poder de Dios; cuando ven desplegado aquel maravilloso plan, cómo Dios puede ser justo, y el que justifica al que es de la fe de Jesús; entonces, al contemplar en la grandeza del misterio de la Persona de Cristo la bendita solución del problema que tanto ha ejercitado su mente, dan libre y plenamente toda la gloria a Dios.
“Señor”, claman, “¿quién y qué soy yo, para que Tú hayas tenido piedad y compasión de mí, hayas tocado mi corazón por Tu gracia, hayas plantado Tu temor en mi pecho, me hayas llevado a orar y a buscar Tu rostro, y hayas escuchado mis débiles clamores; para que así me hayas dado esperar en Tu misericordia, y hayas bendecido mi alma con una manifestación de Tu amado Hijo? ¡Oh, quién y qué soy yo para ser así favorecido, cuando miles son dejados a perecer en sus pecados! ¡Oh, cuán glorioso eres Tú! ¡Qué Dios tan bueno! ¡Cómo Tu misericordia derrite mi corazón y Tu bondad enternece mi alma! A Tu Nombre sea toda la honra y la alabanza, ahora y por los siglos de los siglos.”
Esto es dar gloria a Dios. Así, la fe verdadera siempre dará a Dios la gloria; nunca tomará para sí un átomo de alabanza propia, sino que atribuirá toda la gloria a Dios como su único Autor y Consumador, hasta que las bendiciones de aquí terminen en las bendiciones del más allá, y los arroyos de gracia en la tierra desemboquen en el océano sin límites de la gloria en el cielo.
Al lector…
Alma probada, ¿no puede contar mucho de señales especiales de la gracia de Dios, y por eso piensa que está fuera? Entonces recuerde que muchos amados hijos de Dios están en el mismo caso, y sin embargo son notablemente sostenidos por lo que su fe aprehende. Una palabra que le tocó bajo la predicación, una promesa que entró en su alma con poder, un momento de luz en lo secreto: son otros tantos motivos para decir: “No a nosotros, oh Jehová, no a nosotros.”
Y si Cristo le ha sido revelado alguna vez como el que justifica al que es de la fe de Jesús, entonces pregunte con asombro: “¿Quién y qué soy yo, para que Tú hayas tenido piedad de mí?” Ese es el lenguaje de la fe verdadera, que no busca para sí ni un grano de alabanza. Dele a Él la gloria del principio y del fin, porque Aquel que hace correr aquí los arroyos de gracia los hará un día desembocar en el océano sin límites de la gloria.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl