vandaag verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Die in de woestijn dwaalden, in een weg der wildernis; die geen stad ter woning vonden.
Psalm 107:4
„Zij dwaalden in de woestijn, in een weg der wildernis”: geen gebaande weg; een weg die ieder alleen moet gaan; een weg waar geen gezelschap de wandelaar opbeurt, en zonder enige wegwijzer. Dit is een kenteken voor het kind van God, dat het pad waarop hij wandelt, voor zijn eigen gevoel, een eenzame weg is. Dit vermeerdert zijn werkzaamheid zeer, daar het hem is alsof die weg alleen voor hem was. Zijn moeilijkheden zijn van dien aard, dat hij niet kan geloven dat een andere levende ziel zulk een strijd heeft; de vurige pijlen die door de Boze in zijn ziel vallen, zijn zo, dat hij niet kan geloven dat enig kind van God zo geoefend wordt als hij; de duisternis zijner ziel, het ongeloof en de ontrouw van zijn hart en de werkingen van zijn eigen bederf zijn zodanig, dat hij gelooft dat niemand ze ooit zo gekend heeft.
Zonder enige andere troost dan die welke van God komt; zonder een andere gids dan die God hem geeft; zonder andere steun dan van die eeuwige armen die onder hem zijn uitgebreid; in één woord, in die staat te verkeren waarin de Heere alleen moet verschijnen en waarin Hij alleen kan verlossen, is zeer moeilijk. Maar het is juist het moeilijke van die weg wat deze nuttig voor hem maakt. Al het rusten op de vleselijke arm moet weggenomen worden; alle steunsels voor de ziel, behalve die almachtige Steun Die niet faalt, moeten geheel worden afgewezen.
En de Heere zal zorgen dat Zijn kinderen alleen met Hem te doen hebben; dat zij geen ware troost vinden dan die uit Zijn tegenwoordigheid ontspringt, en geen vaste getuigenissen dan die welke in hun ziel worden gefluisterd door Zijn eigen lippen. Zijn doel is ons van het schepsel af te trekken; ons te verhinderen op menselijk erbarmen en medelijden te steunen, en ons zo ver te brengen dat wij uitsluitend op Hem vertrouwen, Wiens barmhartigheid niet faalt, en ons geheel en alleen op Hem verlaten, Die „vol is van mededogen en barmhartigheid”.
Vest op prinsen geen betrouwen,
waar men nimmer heil bij vindt;
zoudt g’ uw hoop op mensen bouwen?
Ps. 146:2
Aan de lezer…
Deze woorden spreken van hen die in de woestijn dwaalden. Gaat u een weg waarop u meent dat geen andere ziel ooit zo gewandeld heeft? Zijn uw moeilijkheden, uw duisternis en de vurige pijlen in uw ziel zo, dat u niet kunt geloven dat enig kind van God zo geoefend wordt als u? Het is een eenzame weg der wildernis, zonder gebaande paden en zonder wegwijzer. Maar weet dat juist dit het kenteken is van hen die de Heere leidt.
Hij neemt de vleselijke arm weg en laat de steunsels van het schepsel bezwijken, niet om u te verderven, maar opdat u alleen met Hem te doen zou hebben. Wat het moeilijkste lijkt, is juist wat deze weg nuttig voor u maakt. Zoek dan geen troost bij mensen, maar wacht op een getuigenis uit Zijn eigen mond. Want Hij, Wiens barmhartigheid niet faalt, is vol van mededogen, en Zijn eeuwige armen zijn ook onder u uitgebreid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die in de woestijn dwaalden, in een weg der wildernis; die geen stad ter woning vonden.
Psalm 107:4
„Zij dwaalden in de woestijn, in een weg der wildernis”: geen gebaande weg, maar een weg die ieder alleen moet gaan; een weg waar geen gezelschap de reiziger bemoedigt, en zonder enige wegwijzer. Het is een kenmerk van het kind van God dat het pad waarop hij gaat, naar zijn eigen gevoel een eenzame weg is. Dat vermeerdert zijn werkzaamheid zeer, omdat het hem is alsof die weg alleen voor hem bestemd was. Zijn moeilijkheden zijn zo, dat hij niet kan geloven dat een andere levende ziel zo’n strijd heeft. De vurige pijlen die de boze in zijn ziel schiet, zijn zo, dat hij niet kan geloven dat enig kind van God zo geoefend wordt als hij. De duisternis van zijn ziel, het ongeloof en de ontrouw van zijn hart en de werkingen van zijn eigen verdorvenheid zijn zo, dat hij gelooft dat niemand ze ooit zo gekend heeft.
Zonder enige andere troost dan die van God komt; zonder een andere gids dan die God hem geeft; zonder andere steun dan die van de eeuwige armen die onder hem zijn uitgebreid; kortom, in die staat te verkeren waarin alleen de Heere moet verschijnen en waarin alleen Hij kan verlossen: dat is heel moeilijk. Maar juist het moeilijke van die weg maakt hem nuttig voor hem. Al het steunen op de arm van vlees moet weggenomen worden. Alle steunsels voor de ziel, behalve die almachtige Steun Die niet faalt, moeten helemaal worden losgelaten.
En de Heere zal ervoor zorgen dat Zijn kinderen alleen met Hem te maken hebben; dat zij geen ware troost vinden dan die uit Zijn tegenwoordigheid voortkomt, en geen vaste getuigenissen dan die door Zijn eigen lippen in hun ziel worden gefluisterd. Zijn doel is ons van het schepsel los te maken, ons te verhinderen te steunen op menselijk erbarmen en medelijden, en ons zover te brengen dat wij uitsluitend vertrouwen op Hem, Wiens barmhartigheid niet faalt. Zo leren wij ons geheel en alleen te verlaten op Hem, Die „vol is van mededogen en barmhartigheid”.
Vest op prinsen geen betrouwen,
waar men nimmer heil bij vindt;
zoudt g’ uw hoop op mensen bouwen?
Ps. 146:2
Aan de lezer…
Deze woorden spreken van hen die in de woestijn dwaalden. Gaat u een weg waarvan u denkt dat geen andere ziel er ooit zo gegaan is? Zijn uw moeilijkheden, uw duisternis en de vurige pijlen in uw ziel zo, dat u niet kunt geloven dat enig kind van God zo geoefend wordt als u? Het is een eenzame weg door de wildernis, zonder gebaande paden en zonder wegwijzer. Maar weet dat juist dit het kenmerk is van hen die de Heere leidt.
Hij neemt de arm van vlees weg en laat de steunsels van het schepsel bezwijken, niet om u te verderven, maar zodat u alleen met Hem te maken zou hebben. Wat het moeilijkste lijkt, is juist wat deze weg nuttig voor u maakt. Zoek dan geen troost bij mensen, maar wacht op een getuigenis uit Zijn eigen mond. Want Hij, Wiens barmhartigheid niet faalt, is vol van mededogen, en Zijn eeuwige armen zijn ook onder u uitgebreid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
They wandered in the wilderness in a solitary way; they found no city to dwell in.
Psalm 107:4
“They wandered in the wilderness in a solitary way;”—a way not tracked; a path in which each has to walk alone; a road where no company cheers him, and without landmarks to direct his course. This is a mark peculiar to the child of God—that the path by which he travels is, in his own feelings, a solitary way. This much increases his exercises, that they appear peculiar to himself. His perplexities are such as he cannot believe any living soul is exercised with; the fiery darts which are cast into his mind by the wicked one are such as he thinks no child of God has ever experienced; the darkness of his soul, the unbelief and infidelity of his heart, and the workings of his powerful corruptions, are such as he supposes none ever knew but himself.
To be without any comfort except what God gives, without any guidance but what the Lord affords, without any support but what springs from the everlasting arms laid underneath; in a word, to be in that state where the Lord alone must appear, and where He alone can deliver, is very painful.
But it is the very painful nature of the path that makes it so profitable. We need to be cut off from resting upon an arm of flesh; to be completely divorced from all props to support our souls, except that Almighty prop which cannot fail. And the Lord will take care that His people shall deal only with Himself; that they shall have no real comfort but that which springs from His presence, and no solid testimonies but those which are breathed into their conscience from His own lips. His object is to draw us away from the creature; to take us off from leaning on human pity and compassion; and to bring us to trust implicitly on Himself, “Whose compassions fail not,”—to lean wholly and solely upon Him, Who is “full of pity, and of tender mercy.”
To the reader…
These words speak of those who wandered in the wilderness. Are you walking a way that you think no other soul has ever walked? Are your troubles, your darkness and the fiery darts in your soul such that you cannot believe any child of God is exercised as you are? It is a solitary way through the wilderness, without beaten paths and without landmarks. But know that this is the very mark of those whom the Lord leads.
He takes away the arm of flesh and lets the props of the creature give way, not to destroy you, but so that you would have to deal with Him alone. What seems hardest is the very thing that makes this way profitable for you. Do not seek comfort from men, then, but wait for a testimony from His own lips. For He, Whose compassions fail not, is full of pity, and His everlasting arms are underneath you too.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Anduvieron perdidos por el desierto, por la soledad sin camino, no hallando ciudad de población.
Salmo 107:4
“Anduvieron perdidos por el desierto, por la soledad sin camino”: un camino no trillado; una senda por la que cada uno tiene que andar solo; un camino donde ninguna compañía le alienta, y sin señales que dirijan su rumbo. Esta es una marca propia del hijo de Dios: que el camino por el que viaja es, en sus propios sentimientos, un camino solitario. Esto aumenta mucho sus ejercicios, que le parezcan propios solo de él. Sus perplejidades son tales que no puede creer que ninguna alma viviente sea ejercitada con ellas; los dardos de fuego que el maligno lanza a su mente son tales que piensa que ningún hijo de Dios los ha experimentado jamás; la oscuridad de su alma, la incredulidad y la infidelidad de su corazón, y las operaciones de sus poderosas corrupciones, son tales que supone que nadie las ha conocido jamás sino él.
Estar sin ningún consuelo excepto el que Dios da, sin ninguna guía sino la que el Señor proporciona, sin ningún sostén sino el que brota de los brazos eternos puestos debajo; en una palabra, estar en aquel estado en que solo el Señor tiene que aparecer, y en que solo Él puede librar, es muy doloroso.
Pero es precisamente la naturaleza dolorosa del camino lo que lo hace tan provechoso. Necesitamos ser apartados de apoyarnos en un brazo de carne; ser completamente separados de todos los apoyos que sostienen nuestras almas, excepto aquel apoyo Todopoderoso que no puede fallar. Y el Señor cuidará de que Su pueblo trate solo con Él; de que no tenga verdadero consuelo sino el que brota de Su presencia, ni testimonios sólidos sino los que son soplados en su conciencia desde Sus propios labios. Su propósito es apartarnos de la criatura; quitarnos de apoyarnos en la lástima y la compasión humanas; y llevarnos a confiar implícitamente en Él mismo, “porque nunca decayeron Sus misericordias”; a apoyarnos entera y únicamente en Aquel que es “muy misericordioso y piadoso”.
Al lector…
Estas palabras hablan de los que anduvieron perdidos por el desierto. ¿Anda usted por un camino que piensa que ninguna otra alma ha recorrido jamás? ¿Son sus aflicciones, su oscuridad y los dardos de fuego en su alma tales que no puede creer que algún hijo de Dios sea ejercitado como usted? Es un camino solitario por el desierto, sin sendas trilladas y sin señales. Pero sepa que esta es precisamente la marca de aquellos a quienes el Señor guía.
Él quita el brazo de carne y deja que cedan los apoyos de la criatura, no para destruirle, sino para que usted tenga que tratar solo con Él. Lo que parece más duro es precisamente lo que hace provechoso este camino para usted. No busque, pues, consuelo en los hombres, sino espere un testimonio de Sus propios labios. Porque Aquel cuyas misericordias nunca decayeron es muy misericordioso, y Sus brazos eternos están también debajo de usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Die Koning verhore ons
O HEERE! behoud; die Koning verhore ons, ten dage van ons roepen.
Psalm 20:10
Hoe pijnlijk en verontrustend het ook mag zijn, ik geloof dat elke door God geleerde ziel bevindelijk en op pijnlijke wijze de schuld van de zonde moet leren kennen. Er is geen ellendiger gevoel dan een schuldgevoel, als God de Heilige Geest het geweten ermee onder vuur neemt. Het hakt alle kracht van verdienste en menselijke rechtvaardigheid in stukken; het doet de ziel beneden alle menselijke sterkte en wijsheid zinken. Het dringt zo diep het binnenste van het hart binnen, dat geen enkel plekje onberoerd blijft. Schuld die werkelijk wordt gevoeld, is overweldigend: hij doet het hoofd buigen en breekt de rug van een ieder die schuld voelt.
Maar steeds als schuld in het geweten wordt ervaren, zal hij elke schuldige zondaar tot God doen uitroepen om hem te verlossen, hem te verlossen van de schuld van de zonde. Ik denk dat iedereen die de schuld van de zonde heeft gevoeld door de toepassing van de wet op zijn geweten, weet dat mettertijd alleen het bloed van Christus, dat aan zijn ziel wordt geopenbaard door de kracht van God de Heilige Geest, hem kan wegnemen. Het kan soms lijken alsof het schuldgevoel slijt; het kan verdoofd zijn; de hevigheid van de pijnlijke gevoelens is misschien niet zo sterk, maar het zal weer erger worden. En iets kleins kan het al oproepen: een voorbijgaande gedachte, een plotseling besef van de eeuwigheid, een klok horen luiden of een kist naar het graf zien dragen; ook maar het geringste dat een gedachte aan de dood kan opwekken, zal schuld terugbrengen in het geweten.
Zodat de schuld, hoewel hij niet altijd zo krachtig op het geweten drukt, telkens weer opkomt en lasten en moeilijkheden met zich meebrengt, totdat hij door het gesprenkelde bloed wordt verwijderd, totdat het middel net zo’n diepgaande werking heeft als de kwaal, totdat de geneeskrachtige werking van het bloed van de Zoon van God werkelijk wordt gevoeld door de kracht van de Heilige Geest. Als de Kerk dus zegt: „O HEERE! behoud”, smeekt ze de Heere haar ogen te geven om het offer van Jezus op Golgotha te zien en een hart om het te omhelzen, zodat ze de zalige vergeving door middel van het bloed van het Lam deelachtig kan zijn.
Lezen: Psalm 38
Aan de lezer…
Wanneer de schuld van de zonde u ter neer drukt en uw geweten onder vuur genomen is, zodat u geen kracht van eigen verdienste meer overhoudt en uw hoofd moet buigen, meen dan niet dat dit een vreemd ding is dat u overkomt. Het is de weg waarlangs de Heere Zijn volk de schuld van de zonde bevindelijk doet kennen, en het is diezelfde schuld die u tot Hem doet uitroepen: „O HEERE! behoud.”
Misschien scheen de last een tijd verdoofd, en dan bracht een voorbijgaande gedachte, een klok die luidde of een kist op weg naar het graf, alles weer terug. Laat dit u niet tot wanhoop drijven, maar tot de enige Geneesheer. Niets dan het bloed van Christus, door de Heilige Geest aan de ziel toegepast, kan deze kwaal wegnemen. Smeek dan om ogen die het offer op Golgotha zien en een hart dat het omhelst. Die Koning verhoort ten dage van ons roepen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O HEERE! behoud; die Koning verhore ons, ten dage van ons roepen.
Psalm 20:10
Hoe pijnlijk en verontrustend het ook mag zijn, ik geloof dat elke door God geleerde ziel de schuld van de zonde bevindelijk en op pijnlijke wijze moet leren kennen. Er is geen ellendiger gevoel dan een schuldgevoel, wanneer God de Heilige Geest het geweten daarmee onder vuur neemt. Het slaat alle kracht van eigen verdienste en menselijke gerechtigheid in stukken; het doet de ziel wegzinken beneden alle menselijke kracht en wijsheid. Het dringt zo diep in het binnenste van het hart door, dat geen enkel plekje onberoerd blijft. Schuld die werkelijk gevoeld wordt, is overweldigend: zij doet het hoofd buigen en breekt de rug van ieder die haar voelt.
Maar telkens als de schuld in het geweten ervaren wordt, zal zij elke schuldige zondaar tot God doen roepen om hem te verlossen, te verlossen van de schuld van de zonde. Ik denk dat ieder die de schuld van de zonde gevoeld heeft doordat de wet op zijn geweten werd toegepast, weet dat uiteindelijk alleen het bloed van Christus haar kan wegnemen, wanneer het door de kracht van God de Heilige Geest aan zijn ziel geopenbaard wordt. Soms kan het lijken alsof het schuldgevoel slijt. Het kan verdoofd zijn; de pijnlijke gevoelens zijn misschien niet zo hevig, maar het zal weer erger worden.
En iets kleins kan het al oproepen: een voorbijgaande gedachte, een plotseling besef van de eeuwigheid, het luiden van een klok of het zien van een kist die naar het graf gedragen wordt. Ook het geringste dat een gedachte aan de dood kan wekken, brengt de schuld terug in het geweten. Zo komt de schuld, ook al drukt zij niet altijd even zwaar op het geweten, telkens weer op en brengt zij lasten en moeiten mee. Dat blijft zo totdat zij door het gesprenkelde bloed wordt weggenomen, totdat het geneesmiddel even diep werkt als de kwaal, totdat de genezende kracht van het bloed van de Zoon van God werkelijk gevoeld wordt door de kracht van de Heilige Geest.
Als de Kerk dus zegt: „O HEERE! behoud”, smeekt zij de Heere haar ogen te geven om het offer van Jezus op Golgotha te zien en een hart om het te omhelzen, zodat zij de zalige vergeving door het bloed van het Lam deelachtig mag worden.
Lezen: Psalm 38
Aan de lezer…
Wanneer de schuld van de zonde u neerdrukt en uw geweten onder vuur genomen is, zodat u geen kracht van eigen verdienste meer overhoudt en uw hoofd moet buigen, denk dan niet dat u iets vreemds overkomt. Het is de weg waarlangs de Heere Zijn volk de schuld van de zonde bevindelijk doet kennen, en het is diezelfde schuld die u tot Hem doet roepen: „O HEERE! behoud.”
Misschien leek de last een tijd verdoofd, en toen bracht een voorbijgaande gedachte, een klok die luidde of een kist op weg naar het graf alles weer terug. Laat dit u niet tot wanhoop drijven, maar tot de enige Geneesheer. Niets dan het bloed van Christus, door de Heilige Geest aan de ziel toegepast, kan deze kwaal wegnemen. Smeek dan om ogen die het offer op Golgotha zien en een hart dat het omhelst. Die Koning verhoort ten dage van ons roepen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Save, LORD: let the king hear us when we call.
Psalm 20:9
However painful and distressing it may be, I believe that every God-taught soul must come to know the guilt of sin experimentally and painfully. There is no more wretched feeling than a sense of guilt, when God the Holy Ghost brings it to bear upon the conscience. It breaks to pieces all the strength of creature merit and human righteousness; it makes the soul sink below all human strength and wisdom. It penetrates so deeply into the inmost recesses of the heart that not a single spot is left untouched. Guilt really felt is overwhelming: it bows down the head and breaks the back of everyone who feels it.
But whenever guilt is felt in the conscience, it will make every guilty sinner cry to God to save him, to save him from the guilt of sin. I think everyone who has felt the guilt of sin through the law being applied to his conscience knows that in the end nothing but the blood of Christ can take it away, when it is revealed to his soul by the power of God the Holy Ghost. Sometimes it may seem as if the sense of guilt wears off. It may be deadened; the painful feelings may not be so keen, but it will grow worse again.
And a little thing may call it up: a passing thought, a sudden sense of eternity, the tolling of a bell or the sight of a coffin carried to the grave. Even the least thing that can raise a thought of death brings guilt back into the conscience. So guilt, though it does not always press equally heavily on the conscience, rises up again and again and brings burdens and troubles with it. So it remains until it is taken away by the sprinkled blood, until the remedy goes as deep as the malady, until the healing virtue of the blood of the Son of God is really felt through the power of the Holy Ghost.
When the Church, then, says, “Save, LORD,” she is begging the Lord to give her eyes to see the sacrifice of Jesus on Calvary and a heart to embrace it, that she may be made partaker of blessed pardon through the blood of the Lamb.
Reading: Psalm 38
To the reader…
When the guilt of sin presses you down and your conscience is under fire, so that you have no strength of your own merit left and must bow your head, do not think that some strange thing is happening to you. It is the way by which the Lord makes His people know the guilt of sin by experience, and it is that very guilt that makes you cry to Him, “Save, LORD.”
Perhaps the burden seemed deadened for a time, and then a passing thought, a tolling bell or a coffin on its way to the grave brought it all back. Do not let this drive you to despair, but to the only Physician. Nothing but the blood of Christ, applied to the soul by the Holy Ghost, can take this malady away. Beg, then, for eyes that see the sacrifice on Calvary and a heart that embraces it. That King hears us when we call.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Salva, Jehová: que el Rey nos oiga el día que Le invocáremos.
Salmo 20:9
Por doloroso y angustioso que sea, creo que toda alma enseñada por Dios tiene que llegar a conocer la culpa del pecado de manera experimental y dolorosa. No hay sentimiento más miserable que el sentir de culpa, cuando Dios el Espíritu Santo lo hace pesar sobre la conciencia. Hace pedazos toda la fuerza del mérito de la criatura y de la justicia humana; hace que el alma se hunda por debajo de toda fuerza y sabiduría humanas. Penetra tan hondo en los más íntimos rincones del corazón que no queda un solo lugar sin tocar. La culpa realmente sentida es abrumadora: inclina la cabeza y quebranta la espalda de todo el que la siente.
Pero siempre que se siente culpa en la conciencia, hará que todo pecador culpable clame a Dios que le salve, que le salve de la culpa del pecado. Creo que todo el que ha sentido la culpa del pecado por la aplicación de la ley a su conciencia sabe que al fin nada sino la sangre de Cristo puede quitarla, cuando es revelada a su alma por el poder de Dios el Espíritu Santo. A veces puede parecer como si el sentir de culpa se desvaneciera. Puede quedar amortiguado; los sentimientos dolorosos pueden no ser tan agudos, pero volverá a empeorar.
Y una pequeña cosa puede despertarla: un pensamiento pasajero, un repentino sentir de la eternidad, el doblar de una campana o la vista de un ataúd llevado a la tumba. Aun la cosa más pequeña que pueda suscitar un pensamiento de muerte trae de nuevo la culpa a la conciencia. Así la culpa, aunque no siempre pese igual de gravemente sobre la conciencia, se levanta una y otra vez y trae consigo cargas y angustias. Así sigue hasta que es quitada por la sangre rociada, hasta que el remedio llega tan hondo como la enfermedad, hasta que la virtud sanadora de la sangre del Hijo de Dios es realmente sentida por el poder del Espíritu Santo.
Cuando la Iglesia, pues, dice: “Salva, Jehová”, está suplicando al Señor que le dé ojos para ver el sacrificio de Jesús en el Calvario y un corazón para abrazarlo, para que sea hecha partícipe del bendito perdón por la sangre del Cordero.
Lectura: Salmo 38
Al lector…
Cuando la culpa del pecado le abate y su conciencia está bajo fuego, de modo que no le queda fuerza de mérito propio y tiene que inclinar la cabeza, no piense que le está sucediendo algo extraño. Es el camino por el cual el Señor hace conocer a Su pueblo la culpa del pecado por experiencia, y es precisamente esa culpa la que le hace clamar a Él: “Salva, Jehová.”
Quizá la carga pareció amortiguada por un tiempo, y luego un pensamiento pasajero, el doblar de una campana o un ataúd camino de la tumba lo trajo todo de vuelta. No deje que esto le lleve a la desesperación, sino al único Médico. Nada sino la sangre de Cristo, aplicada al alma por el Espíritu Santo, puede quitar esta enfermedad. Suplique, pues, ojos que vean el sacrificio del Calvario y un corazón que lo abrace. Ese Rey nos oye cuando Le invocamos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Weest in geen ding bezorgd, maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God.
Filippenzen 4:6
Wat een woord is dit: „uw begeerten in alles”! Kind van God, u is het voorrecht toegekend om met al uw zaken tot de troon van God te gaan. Wat, met elke kleine zaak? Ja, met zaken die de mensen kleinigheden noemen. Ja, met uw dagelijkse zorgen. Ja, indien gij ontwaart dat er een God is Die u kan horen, dan is het uw voorrecht met alles tot Hem te gaan. Alle dingen zijn erin, en niets is ervan uitgesloten.
In alles, en dat door gebed en smeking. Somtijds bidden wij en somtijds smeken wij. Het gebed is iets zachter, om het zo eens uit te drukken, dan smeking; het is iets minder ernstig, minder dringend, minder krachtig, en toch niet minder vruchtbaar. Ik heb wel eens het gebed en de smeking vergeleken bij twee dingen in de natuur. Het ene bij een rivier, een stroom zoals wij die kennen in ons lage land; zij vloeit met een sierlijke loop naar de zee. Het andere bij de stromen zoals men die vindt in bergachtige streken, die springen van afgrond tot afgrond. Het ene is het bedaarde gebed der ziel; het andere de vurige uitroep, de ernstige smeking, de uitgestoten klanken, het geweld dat de ziel doet op het hart van God om verhoord te worden.
Wij zien het in de Heere Jezus Zelf. Wij lezen van een gelegenheid dat Hij de gehele nacht op een berg overbleef om te bidden. Nu, wij hebben geen reden om te geloven dat Hij bij die gelegenheid op dezelfde wijze bad gelijk Hij dit deed in de hof en aan het kruis. In het ene geval had Hij zoete vereniging en gemeenschap met Zijn Vader, in het andere riep Hij met sterke roepingen en tranen en werd Hij verhoord. Het ene was een gebed, het andere een smeking.
Wanneer uw ziel wordt stilgezet in de tegenwoordigheid Gods, en gij gevoelt de adem des gebeds in uw boezem inkomen, dan kunt gij de Heere bidden met aangenaamheid en met geest. Doch er zijn tijden en stonden wanneer de ziel onder de aanslagen des satans en onder een vreselijk gevoel van schuld en schaamte verplicht is uit te schreeuwen als iemand die verhoord moet worden; en dit is smekingen spreken. Maar er is nog iets dat ermee vermengd moet zijn, en dit wordt dikwijls nagelaten: dat is de dankzegging. Deze zijn de drie bestanddelen van een geestelijke dienst: gebed, smeking en dankzegging.
Aan de lezer…
Kind van God, durft u met de kleine dingen tot de troon te gaan? U denkt misschien dat uw dagelijkse zorgen te gering zijn om ze de Heere voor te leggen, maar het woord zegt: „in alles”. Niets is ervan uitgesloten. Is uw ziel stil en gevoelt u de adem des gebeds, laat uw gebed dan als een kalme stroom tot Hem vloeien. En wordt u door de aanslagen des satans of door een vreselijk gevoel van schuld en schaamte gedreven, schreeuw het dan uit als iemand die verhoord moet worden; ook de Heere Jezus riep met sterke roepingen en tranen, en werd verhoord.
Maar vergeet het derde niet, dat zo dikwijls wordt nagelaten. Hoe weinig mengen wij dankzegging door ons bidden en smeken! Ziet u terug op wat de Heere reeds gedaan heeft, dan zult u vinden dat er stof genoeg is om Hem te danken, ook terwijl u nog roept. Zo wordt uw dienst een geestelijke dienst: gebed, smeking en dankzegging.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Weest in geen ding bezorgd, maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God.
Filippenzen 4:6
Wat een woord is dit: „uw begeerten in alles”! Kind van God, u is het voorrecht gegeven om met al uw zaken naar de troon van God te gaan. Wat, met elke kleine zaak? Ja, met zaken die mensen kleinigheden noemen. Ja, met uw dagelijkse zorgen. Ja, als u merkt dat er een God is Die u kan horen, dan is het uw voorrecht met alles bij Hem te komen. Alle dingen vallen eronder, en niets is ervan uitgesloten.
In alles, en dat door bidden en smeken. Soms bidden wij en soms smeken wij. Het gebed is, om het zo eens te zeggen, iets zachter dan de smeking; het is iets minder ernstig, minder dringend, minder krachtig, en toch niet minder vruchtbaar. Ik heb gebed en smeking wel eens vergeleken met twee dingen in de natuur. Het ene met een rivier, een stroom zoals wij die kennen in ons lage land, die in een sierlijke loop naar de zee vloeit. Het andere met de stromen die men in bergachtige streken vindt, die van afgrond tot afgrond springen. Het ene is het bedaarde gebed van de ziel; het andere de vurige uitroep, de ernstige smeking, de uitgestoten klanken, het geweld dat de ziel het hart van God aandoet om verhoord te worden.
Wij zien het in de Heere Jezus Zelf. Wij lezen van een keer dat Hij de hele nacht op een berg bleef om te bidden. Nu hebben wij geen reden om te geloven dat Hij toen op dezelfde manier bad als in de hof en aan het kruis. In het ene geval had Hij zoete vereniging en gemeenschap met Zijn Vader, in het andere riep Hij met sterke roeping en tranen en werd Hij verhoord. Het ene was een gebed, het andere een smeking.
Wanneer uw ziel stil wordt gezet in de tegenwoordigheid van God, en u voelt de adem van het gebed in uw binnenste komen, dan kunt u tot de Heere bidden met aangenaamheid en met geest. Maar er zijn tijden en ogenblikken waarop de ziel, onder de aanvallen van satan en onder een vreselijk gevoel van schuld en schaamte, het wel moet uitschreeuwen als iemand die verhoord moet worden; en dat is smekingen spreken. Maar er is nog iets dat ermee vermengd moet zijn, en dat wordt vaak vergeten: de dankzegging. Dit zijn de drie bestanddelen van een geestelijke dienst: gebed, smeking en dankzegging.
Aan de lezer…
Kind van God, durft u met de kleine dingen naar de troon te gaan? U denkt misschien dat uw dagelijkse zorgen te gering zijn om ze de Heere voor te leggen, maar het woord zegt: „in alles”. Niets is ervan uitgesloten. Is uw ziel stil en voelt u de adem van het gebed, laat uw gebed dan als een kalme stroom naar Hem vloeien. En wordt u door de aanvallen van satan of door een vreselijk gevoel van schuld en schaamte gedreven, schreeuw het dan uit als iemand die verhoord moet worden; ook de Heere Jezus riep met sterke roeping en tranen, en werd verhoord.
Maar vergeet het derde niet, dat zo vaak wordt vergeten. Hoe weinig mengen wij dankzegging door ons bidden en smeken! Kijkt u terug op wat de Heere al gedaan heeft, dan zult u merken dat er genoeg reden is om Hem te danken, ook terwijl u nog roept. Zo wordt uw dienst een geestelijke dienst: gebed, smeking en dankzegging.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Be careful for nothing; but in every thing by prayer and supplication with thanksgiving let your requests be made known unto God.”
Philippians 4:6
What a word this is! “Everything!” You are privileged, saint of God, to go to the throne of God with everything. What, with every little occurrence? Yes. What, with things that people call trifles? Yes. With your daily concerns? Yes. If you feel that there is a God Who can hear you, it is your privilege to go to Him in everything. All things are comprehended; nothing is excluded. In everything, and that by prayer and supplication. Sometimes we pray, sometimes we supplicate.
Prayer is something more gentle than supplication, less earnest, less fervent, less powerful; yet not less effectual. I have sometimes compared prayer and supplication to two things in nature. The one to a river—a stream, such as we see in our low country that flows with gentle course to the sea; the other to the torrents found in mountainous countries, that leap from precipice to precipice. The one is the calm prayer of the soul, the other the fervent cry, the earnest supplication, the breathed agony of the spirit rushing along into the bosom of God with many a broken sigh and many an earnest groan.
Here the two seem contrasted. There is prayer, calm and gentle, the simple pouring out of the soul into the bosom of God; and then there is supplication, which is earnest, and calls upon the Lord as though the soul must be heard. We see it in the blessed Jesus Himself. We read on one occasion that He went into a mountain the whole night to pray. Now we have no reason to believe He prayed on that occasion in the same way that He prayed in the garden and upon the cross. In the one case He had sweet union and communion with His Father; in the other He cried with groans and tears and was heard. The one was prayer; the other supplication.
When your soul is calmed by the presence of God, and you feel the breath of prayer to enter your bosom, then you can pray to the Lord with sweetness and with spirit. But there are times and seasons when the soul, under the attacks of Satan and a terrible sense of guilt and shame, is obliged to cry as one that must be heard, and that is supplication. But there is another thing which is to be mingled with it, and a thing much omitted, and that is thanksgiving. These are the three constituents of a spiritual service—prayer, supplication, and thanksgiving.
To the reader…
Child of God, do you dare to go to the throne with the little things? Perhaps you think your daily cares are too small to lay before the Lord, but the word says, “in every thing.” Nothing is excluded. Is your soul quiet and do you feel the breath of prayer, then let your prayer flow to Him like a calm stream. And if you are driven by the attacks of Satan or by a terrible sense of guilt and shame, then cry out as one who must be heard; the Lord Jesus also cried with strong crying and tears, and was heard.
But do not forget the third thing, which is so often forgotten. How little we mingle thanksgiving with our prayer and supplication! If you look back on what the Lord has already done, you will find there is reason enough to thank Him, even while you are still crying. So your service becomes a spiritual service: prayer, supplication and thanksgiving.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Por nada estéis afanosos; sino sean notorias vuestras peticiones delante de Dios en toda oración y ruego, con hacimiento de gracias.”
Filipenses 4:6
¡Qué palabra es esta! “¡Toda!” Usted tiene el privilegio, santo de Dios, de ir al trono de Dios con todo. ¿Cómo, con cada pequeño suceso? Sí. ¿Cómo, con cosas que la gente llama nimiedades? Sí. ¿Con sus asuntos diarios? Sí. Si usted siente que hay un Dios que puede oírle, es su privilegio ir a Él en todo. Todas las cosas están comprendidas; nada queda excluido. En todo, y eso por oración y ruego. A veces oramos, a veces rogamos.
La oración es algo más suave que el ruego, menos ardiente, menos ferviente, menos poderoso; mas no menos eficaz. A veces he comparado la oración y el ruego con dos cosas de la naturaleza. La una con un río —una corriente como las que vemos en nuestra tierra llana, que fluye con curso apacible hacia el mar—; la otra con los torrentes que se hallan en los países montañosos, que saltan de precipicio en precipicio. La una es la oración tranquila del alma; la otra, el clamor ferviente, el ruego ardiente, la agonía exhalada del espíritu que se precipita hacia el seno de Dios con muchos suspiros quebrantados y muchos gemidos ardientes.
Aquí ambos parecen contrastados. Está la oración, tranquila y apacible, el sencillo derramar del alma en el seno de Dios; y luego está el ruego, que es ardiente e invoca al Señor como si el alma tuviera que ser oída. Lo vemos en el bendito Jesús mismo. Leemos que en una ocasión se fue a un monte a orar toda la noche. Ahora bien, no tenemos razón para creer que en esa ocasión orara del mismo modo que oró en el huerto y en la cruz. En el un caso tenía dulce unión y comunión con Su Padre; en el otro clamó con gemidos y lágrimas, y fue oído. Lo uno fue oración; lo otro, ruego.
Cuando su alma está sosegada por la presencia de Dios, y usted siente que el aliento de la oración entra en su pecho, entonces puede orar al Señor con dulzura y con espíritu. Pero hay tiempos y sazones en que el alma, bajo los ataques de Satanás y un terrible sentimiento de culpa y vergüenza, se ve obligada a clamar como quien tiene que ser oído, y eso es ruego. Pero hay otra cosa que debe mezclarse con ello, y una cosa muy omitida, y es el hacimiento de gracias. Estos son los tres elementos de un servicio espiritual: oración, ruego y hacimiento de gracias.
Al lector…
Hijo de Dios, ¿se atreve usted a ir al trono con las cosas pequeñas? Quizá piense que sus preocupaciones diarias son demasiado pequeñas para presentarlas delante del Señor, pero la palabra dice: “en toda oración”, en todo. Nada queda excluido. Si su alma está tranquila y siente el aliento de la oración, deje que su oración fluya hacia Él como una corriente apacible. Y si le empujan los ataques de Satanás o un terrible sentimiento de culpa y vergüenza, entonces clame como quien tiene que ser oído; también el Señor Jesús clamó con gran clamor y lágrimas, y fue oído.
Pero no olvide la tercera cosa, que tan a menudo se olvida. ¡Cuán poco mezclamos el hacimiento de gracias con nuestra oración y nuestro ruego! Si mira atrás a lo que el Señor ya ha hecho, hallará razón suficiente para darle gracias, aun mientras sigue clamando. Así su servicio llega a ser un servicio espiritual: oración, ruego y hacimiento de gracias.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl