6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten: want ik ben naar Uw naam genoemd, o Heere! God der heirscharen!
Jeremia 15:16
Er is een zoetheid in de belofte welke het hart boeit; een schoonheid in Christus welke de ziel wint; een zaligende zalving en kracht in het toegepaste Woord van God, hetwelk elke geheime en gewijde liefde tot zich trekt. Kunt gij niet somtijds omhoog zien en zeggen: „Gezegende Jezus, ik heb U lief!”? En wanneer het Woord van God is geopenbaard, toegepast en liefelijk en kostelijk is voorgesteld, hebt gij u dan niet somtijds gevoeld alsof gij de gewijde bladzijde kondet kussen, die zo iets liefelijks aan uw ziel mededeelde?
Dit is een belofte in liefde aannemen: als men haar met beide armen omvat, haar aan onze borst brengt, haar bij herhaling kust met kussen der liefde en der genegenheid, en in haar datzelfde zoete genoegen smaakt waarmede de bruidegom zich over zijn bruid verheugt, daar nu alles het zijne is, somtijds bijna verloren, maar nu haar geheel bezittende, om nimmermeer te scheiden. Dat is zich in het Woord Gods verblijden; zich in een gezegende Jezus en in de beloften die van Hem getuigen en zich om Hem als om een middelpunt verenigen, verheugen.
Hebt gij in uw ziel die zoete omarming der Waarheid niet gevoeld, daar zij in Jezus zo kostbaar, zo gepast, zo bemoedigend en zo geschikt is voor elke nood en elke smart? Dan zijt gij een gelovige, dan zijt gij een kind van God; dan is er een arbeid van genade in uw hart; dan verstaat gij de Waarheid voor uzelf door goddelijke lering en goddelijk getuigenis. En zo gij dit kenteken aan u verzegeld hebt gezien, dat gij de belofte van verre hebt gezien en ervan overtuigd zijt geworden, en haar in geloof, hoop en liefde hebt omhelsd, dan draagt gij het waarmerk van een deelgenoot aan het geloof van Gods uitverkorenen.
Des Heeren wet nochtans
verspreidt volmaakter glans,
dewijl zij ’t hart bekeert.
’t Is Gods getuigenis
dat eeuwig zeker is
en slechten wijsheid leert.
Ps. 19:4
Aan de lezer…
Wie ooit een woord uit de Schrift zo zoet heeft bevonden dat hij het wel kon kussen, weet waarvan hier gesproken wordt. Was er ook voor u een uur waarin een belofte uw hart boeide, waarin u omhoog zag en, met tranen misschien, zeggen mocht: „Gezegende Jezus, ik heb U lief”? Veracht zulke ogenblikken niet, ook al zijn zij voorbij en lijkt uw ziel nu dor. Zij waren geen inbeelding, maar een omarming der Waarheid, die u niet uit uzelf hebt kunnen opwekken.
Die liefde tot het Woord, die vreugde en blijdschap des harten wanneer het u gevonden werd, is een kenteken van genade. Wie de belofte van verre heeft gezien en haar in geloof, hoop en liefde heeft omhelsd, draagt het waarmerk van Gods uitverkorenen. Bent u arm en verlegen, zoek dan opnieuw de bladzijde waar Hij eens tot u sprak. Hij is dezelfde gebleven, en Zijn woord is nog even zoet voor een hongerige ziel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten: want ik ben naar Uw naam genoemd, o Heere! God der heirscharen!
Jeremia 15:16
Er is een zoetheid in de belofte die het hart boeit, een schoonheid in Christus die de ziel wint, een zaligende zalving en kracht in het toegepaste Woord van God, die elke verborgen en gewijde liefde naar zich toe trekt. Kunt u soms niet omhoog zien en zeggen: „Gezegende Jezus, ik heb U lief!”? En wanneer het Woord van God geopenbaard en toegepast werd, en u lieflijk en kostbaar werd voorgesteld, hebt u dan niet soms het gevoel gehad dat u de gewijde bladzijde wel kon kussen die zoiets lieflijks aan uw ziel meedeelde?
Dat is een belofte in liefde aannemen: haar met beide armen omvatten, haar aan onze borst drukken, haar telkens weer kussen met kussen van liefde en genegenheid, en in haar datzelfde zoete genoegen smaken waarmee de bruidegom zich over zijn bruid verheugt. Want nu is alles van hem; soms was zij bijna verloren, maar nu bezit hij haar helemaal, om nooit meer te scheiden. Dat is zich verblijden in het Woord van God: zich verheugen in een gezegende Jezus en in de beloften die van Hem getuigen en die zich om Hem heen verenigen als om een middelpunt.
Hebt u in uw ziel die zoete omarming van de Waarheid niet gevoeld, omdat zij in Jezus zo kostbaar is, zo passend, zo bemoedigend en zo geschikt voor elke nood en elke smart? Dan bent u een gelovige, dan bent u een kind van God. Dan is er een werk van genade in uw hart, en dan verstaat u de Waarheid voor uzelf door Goddelijk onderwijs en Goddelijk getuigenis. En als u dit kenmerk op u verzegeld hebt gezien, dat u de belofte van verre hebt gezien, ervan overtuigd bent geworden en haar in geloof, hoop en liefde hebt omhelsd, dan draagt u het waarmerk van iemand die deel heeft aan het geloof van Gods uitverkorenen.
Des Heeren wet nochtans
verspreidt volmaakter glans,
dewijl zij ’t hart bekeert.
’t Is Gods getuigenis
dat eeuwig zeker is
en slechten wijsheid leert.
Ps. 19:4
Aan de lezer…
Wie ooit een woord uit de Schrift zo zoet heeft gevonden dat hij het wel kon kussen, weet waarover hier gesproken wordt. Was er ook voor u een uur waarin een belofte uw hart boeide, waarin u omhoog zag en, misschien met tranen, mocht zeggen: „Gezegende Jezus, ik heb U lief”? Veracht zulke ogenblikken niet, ook al zijn zij voorbij en lijkt uw ziel nu dor. Zij waren geen inbeelding, maar een omarming van de Waarheid, die u niet uit uzelf had kunnen opwekken.
Die liefde tot het Woord, die vreugde en blijdschap van het hart toen het u gevonden werd, is een kenmerk van genade. Wie de belofte van verre heeft gezien en haar in geloof, hoop en liefde heeft omhelsd, draagt het waarmerk van Gods uitverkorenen. Bent u arm en verlegen, zoek dan opnieuw de bladzijde waar Hij eens tot u sprak. Hij is dezelfde gebleven, en Zijn Woord is nog even zoet voor een hongerige ziel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Thy words were found, and I did eat them; and Thy Word was unto me the joy and rejoicing of mine heart: for I am called by Thy Name, O LORD God of hosts.
Jeremiah 15:16
There is a sweetness in the promises which captivates the heart; a beauty in Christ which wins the soul; a saving unction and power in the Word of God, when applied, which draws forth toward it every secret and sacred affection. Can you not sometimes look up and say, “Blessed Jesus, I do love You?” And when the Word of God is opened up, applied, and made sweet and precious, have you not felt sometimes as if you could kiss the sacred page, as conveying such sweetness into your soul?
This is embracing a promise in love—throwing our arms round it, drawing it near to our breast, kissing it again and again with kisses of love and affection, and taking that sweet delight in it with which the bridegroom rejoices over the bride, as now all his own—at times almost lost, but now wooed and won, no more to be parted. This is rejoicing in the Word of God, delighting in a blessed Jesus and in the promises which testify of, and center in Him.
Have you not felt these sweet embracements in your soul of the truth as it is in Jesus as so precious, so suitable, so encouraging, and so adapted to every need and woe? Then you are a believer; then you are a child of God; then there is a work of grace upon your heart; then you know the truth for yourself by divine teaching and divine testimony.
You may still not have had that full deliverance, that blessed revelation, that overpowering manifestation whereby all your doubts and fears have been swept away, and your soul settled in a firm enjoyment of the liberty of the gospel. You may have had it or may have had it not. But if you have this character stamped upon you that you have seen the promises afar off and been persuaded of them, and embraced them in faith, hope, and love, you have a mark of being a partaker of the faith of God’s elect.
To the reader…
Whoever has ever found a word of Scripture so sweet that he could almost kiss it knows what is spoken of here. Was there for you too an hour when a promise captivated your heart, when you looked up and, perhaps with tears, could say, “Blessed Jesus, I do love Thee”? Do not despise such moments, even though they are past and your soul now seems dry. They were not imagination, but an embracing of the truth that you could never have stirred up of yourself.
That love to the Word, that joy and rejoicing of heart when it was found by you, is a mark of grace. Whoever has seen the promise afar off and embraced it in faith, hope, and love bears the stamp of God’s elect. If you are poor and needy, seek once more the page where He once spoke to you. He has remained the same, and His Word is still just as sweet to a hungry soul.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Halláronse Tus palabras, y yo las comí; y Tu palabra me fue por gozo y por alegría de mi corazón: porque Tu nombre se llamó sobre mí, oh Jehová Dios de los ejércitos.
Jeremías 15:16
Hay una dulzura en las promesas que cautiva el corazón; una hermosura en Cristo que gana el alma; una unción y un poder salvadores en la Palabra de Dios, cuando es aplicada, que atraen hacia ella todo afecto secreto y sagrado. ¿No puede usted a veces alzar la vista y decir: “Bendito Jesús, yo Te amo”? Y cuando la Palabra de Dios es abierta, aplicada y hecha dulce y preciosa, ¿no ha sentido a veces como si pudiera besar la página sagrada, por traer tal dulzura a su alma?
Esto es abrazar una promesa con amor: rodearla con los brazos, estrecharla contra el pecho, besarla una y otra vez con besos de amor y afecto, y tener en ella ese dulce deleite con que el esposo se goza sobre la esposa, ahora toda suya; en ocasiones casi perdida, pero ahora cortejada y ganada, para no separarse más. Esto es gozarse en la Palabra de Dios, deleitarse en un bendito Jesús y en las promesas que dan testimonio de Él y se centran en Él.
¿No ha sentido en su alma estos dulces abrazos de la verdad tal como está en Jesús, como algo tan precioso, tan adecuado, tan alentador y tan apropiado para toda necesidad y aflicción? Entonces usted es creyente; entonces es hijo de Dios; entonces hay una obra de gracia en su corazón; entonces conoce la verdad por sí mismo, por enseñanza divina y testimonio divino.
Puede que todavía no haya tenido esa liberación plena, esa bendita revelación, esa manifestación abrumadora por la cual todas sus dudas y temores han sido barridos y su alma ha quedado asentada en un firme gozo de la libertad del evangelio. Puede haberla tenido o puede no haberla tenido. Pero si lleva grabado este carácter, que ha visto las promesas de lejos, ha sido persuadido de ellas y las ha abrazado con fe, esperanza y amor, tiene una señal de ser participante de la fe de los escogidos de Dios.
Al lector…
Quien alguna vez ha hallado una palabra de la Escritura tan dulce que casi podría besarla, sabe de qué se habla aquí. ¿Hubo también para usted una hora en que una promesa cautivó su corazón, en que alzó la vista y, quizá con lágrimas, pudo decir: “Bendito Jesús, yo Te amo”? No menosprecie tales momentos, aunque hayan pasado y su alma parezca ahora seca. No fueron imaginación, sino un abrazar la verdad que usted nunca habría podido suscitar por sí mismo.
Ese amor a la Palabra, ese gozo y alegría del corazón cuando usted la halló, es una señal de gracia. Quien ha visto la promesa de lejos y la ha abrazado con fe, esperanza y amor lleva el sello de los escogidos de Dios. Si usted está pobre y necesitado, busque otra vez la página donde Él le habló una vez. Él sigue siendo el mismo, y Su Palabra sigue siendo igual de dulce para un alma hambrienta.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Evangelische voorschriften
Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.
Markus 9:24
Iemand aan wie God het geloof heeft geschonken, verliest dit geloof nooit uit zijn hart. Maar het is even krachteloos bij welke handeling dan ook, bij elke werkzame bevinding, elk werk, of bij het voortbrengen van iets geestelijks, als een stoommachine krachteloos is, tenzij de drijfkracht, de stoom, in werking wordt gezet. Maar als de drijfkracht komt, als de stoom wordt opgewekt, dan begint zij te werken. Net zo gaat het met het geloof in de ziel. Het geloof is machteloos, totdat het God behaagt erin te blazen en het in beweging te brengen.
Dan, terwijl Hij eraan werkt en de drijfkracht in gang wordt gezet, begint het volgens zijn aard te handelen en het werk te doen dat God heeft bepaald. Het is het werk van het geloof te geloven in de Heere Jezus Christus („Gelooft gij in de Zoon van God?” Joh. 9:35), in Hem te geloven als onze Rechtvaardigheid, onze Middelaar, onze Verlosser, onze Vriend, onze Heere en onze God. Wij kunnen zelf niet het geloof opwekken om in te zien en te geloven dat Hij dit allemaal voor ons is. Maar als het de Heere behaagt ons het geloof te geven en het tevoorschijn te halen door de werkingen van Zijn Geest in onze ziel, dan spreidt het geloof zijn vleugels uit, grijpt deze dierbare Verlosser aan en brengt Hem in het hart. En dit is „het werk des geloofs met kracht” (2 Thess. 1:11).
Er staat een belofte in het Woord die heel geschikt is voor uw toestand en omstandigheden. Maar u hebt het gevoel dat u niet de kracht hebt om haar vast te pakken. Daar staat zij, in Gods Woord, heel zoet en heel passend, maar u kunt haar niet aanraken. Of als u haar aanraakt, kunt u er geen enkele zoetheid, zaligheid of troost uit halen. Maar als het de Heere behaagt die belofte nabij te brengen, met goddelijke kracht aan uw ziel te werken en zo het levende geloof in de belofte op te wekken en tevoorschijn te halen, wat is dan makkelijker dan te geloven?
Ik heb vaak gezegd dat geloven de moeilijkste zaak ter wereld is en de makkelijkste zaak ter wereld. Er is niets zo moeilijk, niets zo onmogelijk, als te geloven wanneer de Heere geen geloof geeft, het niet opwekt en het niet tevoorschijn haalt met Zijn almachtige kracht. Maar als de Heere dit wel doet, de ziel zegent, de waarheid nabij brengt, de belofte toepast en haar met zoetheid en smaak laat indalen, dan is niets zo makkelijk als te geloven. Het is dan zo eenvoudig, zo zoet, zo makkelijk; het kost geen enkele inspanning; het lijkt onbeperkt naar binnen te komen en naar buiten te stromen, terwijl God het geeft. En als dit het geval is, is het „het werk des geloofs met kracht” om de belofte te ontvangen, haar zoetheid te smaken, haar warm in het hart op te nemen en te geloven dat God haar gestand zal doen.
Lezen: Markus 9:14-29
Aan de lezer…
Hoe dikwijls ziet u een belofte in het Woord staan, zo passend voor uw nood, en kunt u haar toch niet aanraken! Voelt u zich als een machine die stilstaat, met het geloof wel in het hart, maar zonder kracht om het te gebruiken? Wanhoop daarom niet aan uzelf, en nog minder aan de Heere. Hij geeft niet alleen het geloof, maar Hij blaast er ook in en brengt het in beweging wanneer het Hem behaagt. U kunt het niet opwekken, maar Hij kan het.
Spreek dan maar met de vader uit het evangelie: „Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.” Dat is geen gebed van een sterke, maar van een arme ziel die haar onmacht kent. En wanneer Hij de belofte nabij brengt en haar met zoetheid laat indalen, zult u ervaren dat geloven dan het makkelijkste is wat er bestaat. Dan grijpt het geloof de dierbare Verlosser aan als uw Rechtvaardigheid en uw Vriend, en houdt het vast dat God Zijn woord gestand zal doen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.
Markus 9:24
Iemand aan wie God het geloof heeft geschonken, verliest dat geloof nooit uit zijn hart. Maar voor welke handeling dan ook, voor elke werkzame bevinding, elk werk of het voortbrengen van iets geestelijks, is het even krachteloos als een stoommachine, zolang de drijfkracht, de stoom, niet in werking is gezet. Maar wanneer de drijfkracht komt en de stoom wordt opgewekt, begint de machine te werken. Zo gaat het ook met het geloof in de ziel. Het geloof is machteloos totdat het God behaagt erin te blazen en het in beweging te brengen.
Terwijl Hij dan eraan werkt en de drijfkracht in gang wordt gezet, begint het naar zijn aard te handelen en het werk te doen dat God heeft bepaald. Het is het werk van het geloof om te geloven in de Heere Jezus Christus („Gelooft gij in de Zoon van God?” Joh. 9:35), en in Hem te geloven als onze Rechtvaardigheid, onze Middelaar, onze Verlosser, onze Vriend, onze Heere en onze God. Wij kunnen zelf het geloof niet opwekken om in te zien en te geloven dat Hij dit allemaal voor ons is. Maar wanneer het de Heere behaagt ons het geloof te geven en het door de werkingen van Zijn Geest in onze ziel tevoorschijn te roepen, dan spreidt het geloof zijn vleugels uit, grijpt deze dierbare Verlosser aan en brengt Hem in het hart. En dit is „het werk des geloofs met kracht” (2 Thess. 1:11).
Er staat een belofte in het Woord die heel goed past bij uw toestand en omstandigheden. Maar u hebt het gevoel dat u de kracht niet hebt om haar vast te pakken. Daar staat zij, in Gods Woord, heel zoet en heel passend, maar u kunt haar niet aanraken. Of als u haar aanraakt, kunt u er geen enkele zoetheid, zaligheid of troost uit halen. Maar wanneer het de Heere behaagt die belofte nabij te brengen, met goddelijke kracht aan uw ziel te werken en zo het levende geloof in de belofte op te wekken en tevoorschijn te roepen, wat is dan gemakkelijker dan te geloven?
Ik heb vaak gezegd dat geloven het moeilijkste en het gemakkelijkste is wat er in de wereld bestaat. Er is niets zo moeilijk, niets zo onmogelijk als geloven wanneer de Heere geen geloof geeft, het niet opwekt en het niet met Zijn almachtige kracht tevoorschijn roept. Maar wanneer de Heere dat wel doet, wanneer Hij de ziel zegent, de waarheid nabij brengt, de belofte toepast en haar met zoetheid en smaak laat indalen, dan is niets zo gemakkelijk als geloven. Het is dan zo eenvoudig, zo zoet, zo gemakkelijk; het kost geen enkele inspanning. Het lijkt onbeperkt naar binnen te komen en naar buiten te stromen, zolang God het geeft. En wanneer dat zo is, is het „het werk des geloofs met kracht” om de belofte te ontvangen, haar zoetheid te smaken, haar warm in het hart op te nemen en te geloven dat God haar zal vervullen.
Lezen: Markus 9:14-29
Aan de lezer…
Hoe vaak ziet u een belofte in het Woord staan, die zo goed past bij uw nood, en kunt u haar toch niet aanraken! Voelt u zich als een machine die stilstaat, met het geloof wel in het hart, maar zonder kracht om het te gebruiken? Wanhoop daarom niet aan uzelf, en nog minder aan de Heere. Hij geeft niet alleen het geloof, maar Hij blaast er ook in en brengt het in beweging wanneer het Hem behaagt. U kunt het niet opwekken, maar Hij kan het.
Zeg dan maar met de vader uit het evangelie: „Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.” Dat is geen gebed van een sterke, maar van een arme ziel die haar onmacht kent. En wanneer Hij de belofte nabij brengt en haar met zoetheid laat indalen, zult u ervaren dat geloven dan het gemakkelijkste is wat er bestaat. Dan grijpt het geloof de dierbare Verlosser aan als uw Rechtvaardigheid en uw Vriend, en houdt het vast dat God Zijn woord zal vervullen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Lord, I believe; help Thou mine unbelief.
Mark 9:24
One to whom God has given faith never loses that faith out of his heart. But for any action whatever, for every active experience, every work or the bringing forth of anything spiritual, it is as powerless as a steam engine while the moving power, the steam, has not been set to work. But when the moving power comes and the steam is raised, the engine begins to work. So it is with faith in the soul. Faith is powerless until it pleases God to breathe upon it and set it in motion.
Then, as He works upon it and the moving power is set going, it begins to act according to its nature and to do the work God has appointed. It is the work of faith to believe in the Lord Jesus Christ (“Dost thou believe on the Son of God?” John 9:35), and to believe in Him as our Righteousness, our Mediator, our Redeemer, our Friend, our Lord and our God. We cannot ourselves raise up faith to see and believe that He is all this to us. But when it pleases the Lord to give us faith and to call it forth in our soul by the operations of His Spirit, then faith spreads its wings, lays hold of this precious Redeemer and brings Him into the heart. And this is “the work of faith with power” (2 Thess. 1:11).
There is a promise in the Word that suits your state and circumstances very well. But you feel that you have not the power to lay hold of it. There it stands in God’s Word, very sweet and very suitable, but you cannot touch it. Or if you touch it, you can draw no sweetness, blessedness or comfort from it. But when it pleases the Lord to bring that promise near, to work with divine power upon your soul and so to raise up and call forth living faith in the promise, what is easier than to believe?
I have often said that believing is the hardest and the easiest thing in the world. There is nothing so hard, nothing so impossible as to believe when the Lord does not give faith, does not raise it up and does not call it forth by His almighty power. But when the Lord does so, when He blesses the soul, brings the truth near, applies the promise and lets it sink in with sweetness and savour, then nothing is so easy as believing.
It is then so simple, so sweet, so easy; it costs no effort at all. It seems to come in and flow out without limit, as long as God gives it. And when that is so, it is “the work of faith with power” to receive the promise, to taste its sweetness, to take it warmly into the heart and to believe that God will fulfil it.
Reading: Mark 9:14-29
To the reader…
How often you see a promise standing in the Word that suits your need so well, and yet you cannot touch it! Do you feel like an engine standing still, with faith in the heart indeed, but without power to use it? Do not despair of yourself on that account, and still less of the Lord. He not only gives faith, but He also breathes upon it and sets it in motion when it pleases Him. You cannot raise it up, but He can.
Say, then, with the father in the gospel: “Lord, I believe; help Thou mine unbelief.” That is not the prayer of a strong soul, but of a poor soul that knows its helplessness. And when He brings the promise near and lets it sink in with sweetness, you will find that believing is then the easiest thing there is. Then faith lays hold of the precious Redeemer as your Righteousness and your Friend, and holds fast that God will fulfil His word.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Señor, creo; ayuda mi incredulidad.
Marcos 9:24
Aquel a quien Dios ha dado fe nunca pierde esa fe de su corazón. Pero para cualquier acción, para toda experiencia activa, toda obra o la producción de cualquier cosa espiritual, es tan impotente como una máquina de vapor mientras la fuerza motriz, el vapor, no ha sido puesta en funcionamiento. Pero cuando viene la fuerza motriz y se levanta el vapor, la máquina comienza a trabajar. Así sucede con la fe en el alma. La fe es impotente hasta que a Dios Le place soplar sobre ella y ponerla en movimiento.
Entonces, cuando Él obra en ella y la fuerza motriz se pone en marcha, comienza a obrar conforme a su naturaleza y a hacer la obra que Dios ha señalado. Es obra de la fe creer en el Señor Jesucristo (“¿Crees tú en el Hijo de Dios?”, Juan 9:35), y creer en Él como nuestra Justicia, nuestro Mediador, nuestro Redentor, nuestro Amigo, nuestro Señor y nuestro Dios. No podemos nosotros mismos levantar la fe para ver y creer que Él es todo esto para nosotros. Pero cuando al Señor Le place darnos fe y hacerla salir en nuestra alma por las operaciones de Su Espíritu, entonces la fe despliega sus alas, se ase de este precioso Redentor y Le trae al corazón. Y esta es “la obra de fe con potencia” (2 Tesalonicenses 1:11).
Hay una promesa en la Palabra que conviene muy bien a su estado y sus circunstancias. Pero siente que no tiene poder para asirse de ella. Allí está en la Palabra de Dios, muy dulce y muy adecuada, pero no puede tocarla. O si la toca, no puede sacar de ella dulzura, bienaventuranza ni consuelo. Pero cuando al Señor Le place acercar esa promesa, obrar con poder divino en su alma y así levantar y hacer salir una fe viva en la promesa, ¿qué hay más fácil que creer?
He dicho a menudo que creer es lo más difícil y lo más fácil del mundo. No hay nada tan difícil, nada tan imposible como creer cuando el Señor no da fe, no la levanta ni la hace salir por Su poder omnipotente. Pero cuando el Señor lo hace, cuando bendice el alma, acerca la verdad, aplica la promesa y la hace penetrar con dulzura y sabor, entonces nada es tan fácil como creer.
Es entonces tan sencillo, tan dulce, tan fácil; no cuesta ningún esfuerzo. Parece entrar y fluir sin límite, mientras Dios lo da. Y cuando es así, es “la obra de fe con potencia” recibir la promesa, gustar su dulzura, acogerla con calor en el corazón y creer que Dios la cumplirá.
Lectura: Marcos 9:14-29
Al lector…
¡Cuántas veces ve una promesa en la Palabra que conviene tan bien a su necesidad, y sin embargo no puede tocarla! ¿Se siente como una máquina parada, con fe en el corazón, sí, pero sin poder para usarla? No desespere por ello de sí mismo, y mucho menos del Señor. Él no solo da la fe, sino que también sopla sobre ella y la pone en movimiento cuando Le place. Usted no puede levantarla, pero Él sí.
Diga, pues, con el padre del evangelio: “Señor, creo; ayuda mi incredulidad.” No es la oración de un alma fuerte, sino de un alma pobre que conoce su impotencia. Y cuando Él acerca la promesa y la hace penetrar con dulzura, hallará que creer es entonces lo más fácil que hay. Entonces la fe se ase del precioso Redentor como su Justicia y su Amigo, y se aferra a que Dios cumplirá Su palabra.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Want uw leven is met Christus verborgen in God.
Colossenzen 3:3
Er is niets zo diep, niets zo verborgen als het leven Gods in de ziel. Het schijnt heilig bewaard te worden in de benedenste kamer van des mensen hart. Het drijft niet aan de oppervlakte, gelijk een kurk op het water, maar zinkt diep, diep op de bodem der ziel. Daarom is het ook verborgen voor de ogen van de belijdende wereld, en wat meer is, somtijds voor de ziel zelf. Een kind van God kan dikwijls zijn eigen geloof niet zien, noch het leven onderscheiden dat opborrelt en opspringt in zijn eigen ziel.
Het is geen meer dat zich uitspreidt in de middagzonneschijn en dat ieders oog aantrekt; ook is het geen beek die kabbelend over keistenen heen vloeit; maar het is een bron of fontein. „Het water, dat Ik hem geven zal, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.” Derhalve is het voor het gezicht verborgen. Het beste deel van onze godsdienst is hetgeen het minst zichtbaar is. De verborgen zuchtingen, tranen, belijdenissen, smekingen en uitademingen naar God openbaren zich meestal niet naar buiten; de twijfelmoedigheid, de krankheid des harten, beproevingen, kwellingen en krachtige verzoekingen, waarmede menig kind van God bezocht wordt, blijven in het verborgene; zo is het ook met zijn vrezen, zijn inzinkingen, zijn schuld en zelfveroordeling.
Ja, het beste gedeelte van zijn godsdienst is voor het gezicht van anderen verborgen, want wat het zwaarst weegt, zinkt het diepst weg. En gelijk het is met de werkzaamheden zijner ziel tegenover God, zo is het ook met Gods handelingen tegenover zijn ziel; zij maken en houden zijn consciëntie teder, verlevendigen de vreze Gods, halen het hart uit in gebed en meditatie, bewateren zijn geest en bedauwen hem met de verborgen dauw en de regen van Zijn genade. Zo is het beste deel van zijn godsdienst, omdat het geestelijk is, voor de ogen van allen verborgen, behalve de vruchten die eruit voortkomen; deze zijn openbaar.
Neemt eens plaats op gindse heuvel en ziet die groene draad zich kronkelen door de woeste vlakte. Vanwaar komt die groene strook die gij ziet? Daalt naar beneden en stelt een onderzoek in, en gij ontdekt een beekje dat zijn weg vindt door de woestenij. Het is dit beekje dat de wortelen van het gras bevochtigt en het groen kleurt; en toch is het beekje zelf verborgen, totdat het oog er dichtbij gebracht is. Wij zien de vruchten, het groen door het beekje veroorzaakt, maar het beekje zelf, het leven en de genade Gods in het binnenste der ziel, is verborgen, verborgen met Christus in God.
En het is niet zonder meer verborgen, maar het is verborgen met Christus in God. O, wat een onschendbaar, wat een heilig, wat een waar, goddelijk leven moet dit zijn! Indien dit een geestelijke godsdienst is, dat zij woont met Christus Zelf in de boezem van God, wat een goddelijk iets, wat een hemelse bezitting! Hoe vol van een eeuwige gelukzaligheid moet de godsdienst van een kind van God dan wel zijn! Hij ligt opgesloten in twee onderscheiden plaatsen en is toch met elkaar verenigd, uit kracht van Christus’ mensheid en het geloof dat Hem omhelst.
Mag ik het zo eens uitdrukken? Het ene eind daarvan ligt in de boezem van God, en het andere eind in de ziel van de gelovige! Vergelijk nu de armzalige, armoedige godsdienst van de mens met dit bovennatuurlijke leven van God in de ziel: Christus Zelf geformeerd in het hart als de hoop der heerlijkheid. Hier ontbreken woorden om het eeuwige onderscheid tussen beide uit te drukken.
Het woord „verborgen” heeft nog een andere betekenis. Het wil zeggen: „buiten bereik”, opgesloten, derhalve veilig. Wat zou er van het leven Gods in de ziel geworden zijn, indien het kon worden geroofd of verloren? Doch dit is onmogelijk, want het ligt opgesloten in de Persoon des Zoons Gods. Het is derhalve buiten het bereik van satan, zonde, dood en hel; veilig in Christus’ bewaring, weggesloten in Zijn eeuwige boezem.
Ware dit niet zo, waar zouden gij en ik reeds overlang geweest zijn? Waar zou onze godsdienst gebleven zijn, zo wij geen reden hadden om te geloven dat hij door de kracht Gods ontstoken was en onderhouden werd door dezelfde kracht die hem deed geboren worden? Dit is de grote vertroosting van een kind van God, wanneer hij geloven kan dat hij het leven Gods in zijn ziel heeft, en hij dagelijks mag ontwaren dat Hij, Die het leven schonk, het ook onderhoudt in een krachtige en levendige oefening.
Aan de lezer…
Kunt u, bekommerde ziel, uw eigen geloof soms niet zien? Zoekt u aan de oppervlakte naar het leven Gods en vindt u er niets dan uw vrezen, uw inzinkingen en uw schuld? Weet dan dat het beste deel van de godsdienst juist het minst zichtbare is. De verborgen zuchtingen, de tranen die niemand ziet, het hijgen naar God in de stilte: dat zijn geen tekenen van dood, maar van een bron die diep in de ziel opspringt, ook al ziet u het water zelf niet.
En is het verborgen, het is verborgen met Christus in God. Daar kan satan het niet roven, daar kan de zonde het niet verstikken en de dood het niet wegnemen. U zou het allang verloren hebben, als het in uw eigen hand lag; maar Hij, Die het leven schonk, houdt het ook in stand. Zie dan niet zozeer naar uw eigen hart, maar naar Hem in Wiens boezem uw leven veilig is weggesloten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want uw leven is met Christus verborgen in God.
Colossenzen 3:3
Er is niets zo diep, niets zo verborgen als het leven van God in de ziel. Het lijkt heilig bewaard te worden in de onderste kamer van het menselijk hart. Het drijft niet aan de oppervlakte, zoals een kurk op het water, maar zinkt diep, diep weg naar de bodem van de ziel. Daarom is het ook verborgen voor de ogen van de belijdende wereld, en wat meer is, soms voor de ziel zelf. Een kind van God kan vaak zijn eigen geloof niet zien, en het leven niet onderscheiden dat in zijn eigen ziel opborrelt en opspringt.
Het is geen meer dat zich uitspreidt in de middagzon en ieders oog trekt. Het is ook geen beek die kabbelend over keien stroomt. Het is een bron of fontein. „Het water, dat Ik hem geven zal, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.” Daarom is het voor het oog verborgen. Het beste deel van onze godsdienst is wat het minst zichtbaar is. De verborgen zuchten, tranen, belijdenissen, smekingen en uitademingen naar God komen meestal niet naar buiten. De twijfelmoedigheid, de krankheid van het hart, de beproevingen, kwellingen en krachtige verzoekingen waarmee menig kind van God bezocht wordt, blijven in het verborgene; zo is het ook met zijn vrezen, zijn inzinkingen, zijn schuld en zelfveroordeling.
Ja, het beste deel van zijn godsdienst is voor het oog van anderen verborgen, want wat het zwaarst weegt, zinkt het diepst weg. En zoals het is met de werkzaamheden van zijn ziel tegenover God, zo is het ook met Gods handelingen met zijn ziel. Zij maken en houden zijn geweten teder, verlevendigen de vreze Gods, trekken het hart uit in gebed en overdenking, bewateren zijn geest en bedauwen hem met de verborgen dauw en de regen van Zijn genade. Zo is het beste deel van zijn godsdienst, omdat het geestelijk is, voor de ogen van allen verborgen, behalve de vruchten die eruit voortkomen; die zijn openbaar.
Ga eens op die heuvel daarginds staan en kijk naar die groene draad die zich door de woeste vlakte kronkelt. Waar komt die groene strook die u ziet vandaan? Daal af en onderzoek het, en u ontdekt een beekje dat zijn weg zoekt door de woestenij. Dit beekje bevochtigt de wortels van het gras en kleurt het groen; en toch is het beekje zelf verborgen, totdat het oog er dichtbij komt. Wij zien de vruchten, het groen dat door het beekje ontstaat, maar het beekje zelf, het leven en de genade van God in het binnenste van de ziel, is verborgen, verborgen met Christus in God.
En het is niet zomaar verborgen, maar het is verborgen met Christus in God. O, wat een onschendbaar, wat een heilig, wat een waar, goddelijk leven moet dit zijn! Als dit een geestelijke godsdienst is, dat hij met Christus Zelf in de boezem van God woont, wat een goddelijk iets, wat een hemels bezit! Hoe vol eeuwige gelukzaligheid moet de godsdienst van een kind van God dan zijn! Hij ligt opgesloten op twee verschillende plaatsen en is toch één, door de kracht van Christus’ mensheid en het geloof dat Hem omhelst.
Mag ik het eens zo zeggen? Het ene eind ervan ligt in de boezem van God, en het andere eind in de ziel van de gelovige! Vergelijk nu de armzalige, armoedige godsdienst van de mens met dit bovennatuurlijke leven van God in de ziel: Christus Zelf in het hart gevormd als de hoop der heerlijkheid. Hier schieten woorden tekort om het eeuwige verschil tussen die twee uit te drukken.
Het woord „verborgen” heeft nog een andere betekenis. Het wil zeggen: „buiten bereik”, opgesloten, en daarom veilig. Wat zou er van het leven van God in de ziel geworden zijn als het geroofd of verloren kon worden? Maar dat is onmogelijk, want het ligt opgesloten in de Persoon van de Zoon van God. Daarom is het buiten het bereik van satan, zonde, dood en hel; veilig in Christus’ bewaring, weggesloten in Zijn eeuwige boezem.
Als dit niet zo was, waar zouden u en ik dan al lang geweest zijn? Waar zou onze godsdienst gebleven zijn als wij geen reden hadden om te geloven dat hij door de kracht van God was ontstoken en onderhouden werd door dezelfde kracht die hem had doen ontstaan? Dit is de grote vertroosting van een kind van God: wanneer hij kan geloven dat hij het leven van God in zijn ziel heeft, en dagelijks mag merken dat Hij Die het leven schonk, het ook onderhoudt in een krachtige en levendige oefening.
Aan de lezer…
Kunt u, bekommerde ziel, uw eigen geloof soms niet zien? Zoekt u aan de oppervlakte naar het leven van God en vindt u er niets dan uw vrezen, uw inzinkingen en uw schuld? Weet dan dat het beste deel van de godsdienst juist het minst zichtbare is. De verborgen zuchten, de tranen die niemand ziet, het hijgen naar God in de stilte: dat zijn geen tekenen van dood, maar van een bron die diep in de ziel opspringt, ook al ziet u het water zelf niet.
En is het verborgen, dan is het verborgen met Christus in God. Daar kan satan het niet roven, daar kan de zonde het niet verstikken en de dood het niet wegnemen. U zou het allang verloren hebben als het in uw eigen hand lag; maar Hij Die het leven schonk, houdt het ook in stand. Kijk dan niet zozeer naar uw eigen hart, maar naar Hem in Wiens boezem uw leven veilig is weggesloten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Your life is hid with Christ in God.
Colossians 3:3
There is nothing so deep, nothing so hidden, as the life of God in the soul. It seems to be enshrined in the lowest depths of a man’s heart. It does not float upon the surface, like a cork upon the water, but sinks deep, very deep, into the very bottom of the soul. Therefore is it hidden from the eyes of a profane world; hidden from the professing world; and what is more, sometimes hidden from the subject of it himself. A child of God often cannot see his own faith, nor can he discern the life that is bubbling and streaming up in his own bosom. It is not a lake, spread abroad in the meridian sunshine to attract every eye; nor is it a brook that flows babbling on over the clear pebbles; but it is a well. “The water that I shall give him shall be in him a well of water, springing up into everlasting life.” Therefore it is hidden from view.
The best part of our religion is that which is least seen. The secret cries, groans, tears, confessions, supplications, and breathings after God do not for the most part come abroad; the despondency, heart sickness, trials, perplexities, and powerful temptations with which many a dear saint of God is exercised do not come to view. No; nor his fears, sinkings, guilt, misery, and self-condemnation. Yes, the best part of his religion is hidden from view, for the weightiest ever sinks the deepest.
And as it is with the dealings of his soul with God, so it is with the dealings of God with his soul, making and keeping his conscience tender, reviving the fear of God, drawing the heart upward into prayer and meditation, watering his spirit and bedewing it with the secret dew and rain of His grace. Thus, the best part, because the spiritual part of a man’s religion, is hidden from the eyes of all, except as the fruits thereof are manifest.
Take your stand upon yon hill, and see that thread of verdure spreading itself through the barren plain. Whence comes that green strip which you see? Coming down to examine it, you find a little brooklet threading its way through the barren plain. It is this brooklet that, watering the roots of the grass, gives it that verdure; yet the brooklet itself is hidden until the eye is brought close to it. So it is with the life of God in the soul. We see the effects, the verdure produced by the brooklet; but the brooklet itself, the life and grace of God in the innermost soul is hidden, “hidden with Christ in God.”
And if not merely hidden, but hidden with Christ in God, what a sacred, what a holy, what a truly divine life it must be! If this be spiritual religion, that it dwells with Christ Himself in the bosom of God, what a divine thing, what a heavenly possession! how full of eternal blessedness must the religion of a child of God be! It is locked up in two distinct places, yet united with each other by virtue of the humanity of Christ, and the faith that embraces it. If I may use the expression, one end is in the bosom of God, and the other in the believer’s breast! Compare man’s paltry, beggarly religion with this supernatural life of God in the soul, Christ Himself formed in the heart the hope of glory. Words would fail to express the eternal distinction between them.
But the word “hidden” will carry another idea, out of reach, treasured up, therefore SAFE. What would have become long ago of the life of God in the soul, if it could have been robbed, trodden out, or lost? But this it never can be, for it is locked up in the Person of the Son of God. It is, therefore, out of the reach of Satan, sin, death, and hell; safe in Christ’s keeping, locked up in His eternal bosom. Were it otherwise, where should you and I long ago have been? Where would our religion have gone to, unless we had reason to believe that it had been kindled by the power of God, and was maintained by the same power which first gave it birth? This is the grand consolation of a child of God—to believe that he has the life of God in his soul; and to feel, day by day, that He Who gave that life maintains it in firm and living exercise.
To the reader…
Anxious soul, can you sometimes not see your own faith? Do you search on the surface for the life of God and find nothing there but your fears, your sinkings and your guilt? Know, then, that the best part of religion is the very part that is least seen. The secret sighs, the tears no one sees, the panting after God in the silence: these are no signs of death, but of a spring welling up deep in the soul, even if you cannot see the water itself.
And if it is hidden, it is hidden with Christ in God. There Satan cannot rob it, sin cannot stifle it and death cannot take it away. You would have lost it long ago if it lay in your own hand; but He Who gave the life also upholds it. So do not look so much at your own heart, but at Him in Whose bosom your life is safely locked away.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Vuestra vida está escondida con Cristo en Dios.
Colosenses 3:3
No hay nada tan profundo, nada tan escondido, como la vida de Dios en el alma. Parece estar guardada como en un santuario en lo más hondo del corazón del hombre. No flota en la superficie, como un corcho sobre el agua, sino que se hunde hondo, muy hondo, hasta el mismo fondo del alma. Por eso está escondida a los ojos del mundo profano; escondida al mundo profesante; y, lo que es más, a veces escondida aun a aquel mismo en quien está. Un hijo de Dios a menudo no puede ver su propia fe, ni puede discernir la vida que bulle y brota en su propio pecho. No es un lago extendido bajo el sol del mediodía para atraer todas las miradas; ni es un arroyo que corre murmurando sobre los guijarros claros; sino que es una fuente. “El agua que Yo le daré, será en él una fuente de agua que salte para vida eterna.” Por eso está escondida a la vista.
La mejor parte de nuestra religión es la que menos se ve. Los clamores secretos, los gemidos, las lágrimas, las confesiones, las súplicas y los suspiros tras Dios, en su mayor parte no salen a la luz; el desaliento, el desfallecimiento del corazón, las pruebas, las perplejidades y las fuertes tentaciones con que es ejercitado más de un amado santo de Dios no se dejan ver. No; tampoco sus temores, sus desfallecimientos, su culpa, su miseria y su condenación de sí mismo. Sí, la mejor parte de su religión está escondida a la vista, porque lo más pesado siempre se hunde más hondo.
Y como sucede con el trato de su alma con Dios, así sucede con el trato de Dios con su alma: haciendo y conservando tierna su conciencia, reavivando el temor de Dios, atrayendo el corazón hacia arriba en oración y meditación, regando su espíritu y rociándolo con el rocío y la lluvia secretos de Su gracia. Así, la mejor parte de la religión de un hombre, por ser la parte espiritual, está escondida a los ojos de todos, salvo en cuanto se manifiestan sus frutos.
Póngase en aquel cerro y mire ese hilo de verdor que se extiende por la llanura estéril. ¿De dónde viene esa franja verde que usted ve? Bajando a examinarla, halla un pequeño arroyuelo que se abre camino por la llanura estéril. Es este arroyuelo el que, regando las raíces de la hierba, le da ese verdor; y sin embargo el arroyuelo mismo está escondido hasta que el ojo se acerca a él. Así sucede con la vida de Dios en el alma. Vemos los efectos, el verdor producido por el arroyuelo; pero el arroyuelo mismo, la vida y la gracia de Dios en lo más íntimo del alma, está escondido, “escondido con Cristo en Dios.”
Y si no solo está escondida, sino escondida con Cristo en Dios, ¡qué vida tan sagrada, tan santa, tan verdaderamente divina ha de ser! Si esta es la religión espiritual, que mora con Cristo mismo en el seno de Dios, ¡qué cosa tan divina, qué posesión tan celestial! ¡Cuán llena de bienaventuranza eterna ha de ser la religión de un hijo de Dios! Está guardada bajo llave en dos lugares distintos, y sin embargo unidos entre sí en virtud de la humanidad de Cristo y de la fe que la abraza. Si se me permite la expresión, ¡un extremo está en el seno de Dios, y el otro en el pecho del creyente! Compare la mezquina y miserable religión del hombre con esta vida sobrenatural de Dios en el alma, Cristo mismo formado en el corazón, la esperanza de gloria. Faltarían palabras para expresar la distinción eterna entre ambas.
Pero la palabra “escondida” encierra otra idea: fuera del alcance, atesorada, y por tanto SEGURA. ¿Qué habría sido hace mucho de la vida de Dios en el alma, si hubiera podido ser robada, pisoteada o perdida? Pero esto nunca puede ser, porque está guardada bajo llave en la Persona del Hijo de Dios. Está, pues, fuera del alcance de Satanás, del pecado, de la muerte y del infierno; segura bajo la custodia de Cristo, guardada en Su seno eterno. Si fuera de otro modo, ¿dónde estaríamos usted y yo hace mucho tiempo? ¿Adónde habría ido a parar nuestra religión, si no tuviéramos razón para creer que fue encendida por el poder de Dios, y que es mantenida por el mismo poder que le dio el ser? Este es el gran consuelo de un hijo de Dios: creer que tiene la vida de Dios en su alma; y sentir, día tras día, que Aquel que dio esa vida la mantiene en un ejercicio firme y vivo.
Al lector…
Alma ansiosa, ¿a veces no puede ver su propia fe? ¿Busca en la superficie la vida de Dios y no halla allí más que sus temores, sus desfallecimientos y su culpa? Sepa, pues, que la mejor parte de la religión es precisamente la que menos se ve. Los suspiros secretos, las lágrimas que nadie ve, el anhelo de Dios en el silencio: no son señales de muerte, sino de una fuente que brota en lo hondo del alma, aunque usted no pueda ver el agua misma.
Y si está escondida, está escondida con Cristo en Dios. Allí Satanás no puede robarla, el pecado no puede ahogarla y la muerte no puede quitarla. Usted la habría perdido hace mucho si estuviera en su propia mano; pero Aquel que dio la vida también la sostiene. No mire, pues, tanto a su propio corazón, sino a Aquel en cuyo seno su vida está guardada con seguridad.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl