6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want gij zijt duur gekocht.
1 Korinthe 6:20
Hoe diep, hoe vreselijk, van welk een ontzaglijke grootte, hoe zwart, van welk een lage stempel moet de zonde niet zijn, om zulk een zoenoffer te behoeven — niet minder dan het bloed van Hem, Die de Zoon van God was — om haar uit te delgen. Welk een slaaf der zonde en van de Satan, welk een gevangene onder de macht zijner lusten, hoe diep gezonken, hoe vreselijk diep gezonken, hoe gans verloren en beroofd moet de schuldige mens niet zijn, dat hij zulk een offer nodig heeft.
„Gij zijt duur gekocht.” Hebt gij het ooit gevoeld, hoe gij staat onder de slavernij der zonde, van de Satan en de wereld? Hebt gij ooit gezucht, geweend, getreurd, smart gevoeld en geklaagd onder uw ellendige dienstbaarheid aan de macht der zonde? Is het ijzer ooit in uw ziel gedrongen? Hebt gij ooit uw boeien geschud, en als gij dit deedt en trachttet ze te verbrijzelen, schenen zij u niet geheel in te sluiten met een gewicht dat schier niet te dragen is?
Maar hebt gij ooit verlichting, ooit verruiming van uw hart, enig zoet gevoel ondervonden dat gij de gevangenis verliet en dat de boeien u van handen en voeten vielen, zodat gij enigermate in de vrijheid van het Evangelie wandeldet? „Gij zijt duur gekocht.” Gij waart slaven der zonde en des Satans; gij waart in de donkere cel opgesloten, waar alles duisternis en wanhoop was; er was weinig hoop in uw ziel van ooit gered te worden. Maar er was een opening in uw gevangenis waardoor het licht des Evangelies kon binnendringen; er was een verlaten van het huis der dienstbaarheid; er was een gebracht worden in het licht van Gods aangezicht, schijnende in Zijn lieve Zoon. Dit nu is niet slechts duur gekocht te zijn, maar de zalige gevolgen ervan te ondervinden.
Want Uw goedheid, die wij loven,
heeft van boven
mijn geloft’ en beê gehoord.
Gij deedt mij tot d’erfnis komen
van de vromen,
Wie de vrees Uws naams bekoort.
Ps. 61:4
Aan de lezer…
U die ooit uw boeien gevoeld hebt, weet wat het is te zuchten onder de macht der zonde, te trachten ze te verbreken, en dan te merken dat zij u des te vaster omsloten. Dat is een bittere, maar geen verloren les. Want wie zijn gevangenschap niet kent, vraagt niet naar een Verlosser. En de prijs die betaald moest worden, niet minder dan het bloed van de Zoon van God, toont hoe diep wij gezonken waren.
Maar „gij zijt duur gekocht.” Zo hoog als de prijs was, zo zeker is het losgeld. Misschien zit u nog in de donkere cel en ziet u weinig hoop. Toch kan er een opening komen waardoor het licht van het Evangelie binnenvalt, zodat de boeien van handen en voeten vallen en u het aangezicht Gods ziet schijnen in Zijn lieve Zoon. Zie dan niet op de dikte van uw ketenen, maar op de grootheid van de prijs.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want gij zijt duur gekocht.
1 Korinthe 6:20
Hoe diep, hoe vreselijk, hoe ontzaglijk groot, hoe zwart en hoe laag van stempel moet de zonde wel zijn, als zij zo’n zoenoffer nodig heeft om uitgedelgd te worden: niet minder dan het bloed van Hem Die de Zoon van God was! Wat een slaaf van de zonde en van de satan, wat een gevangene onder de macht van zijn lusten, hoe diep gezonken, hoe vreselijk diep gezonken, hoe volkomen verloren en beroofd moet de schuldige mens wel zijn, dat hij zo’n offer nodig heeft!
„Gij zijt duur gekocht.” Hebt u ooit gevoeld hoe u onder de slavernij van de zonde, de satan en de wereld staat? Hebt u ooit gezucht, geweend, getreurd, smart gevoeld en geklaagd onder uw ellendige dienstbaarheid aan de macht van de zonde? Is het ijzer ooit in uw ziel gedrongen? Hebt u ooit aan uw boeien geschud? En toen u dat deed en probeerde ze te verbrijzelen, leken zij u toen niet volledig in te sluiten met een gewicht dat bijna niet te dragen was?
Maar hebt u ooit verlichting ervaren, ooit verruiming van uw hart, een zoet gevoel dat u de gevangenis verliet en dat de boeien van uw handen en voeten vielen, zodat u enigermate in de vrijheid van het Evangelie wandelde? „Gij zijt duur gekocht.” U was slaven van de zonde en van de satan. U zat opgesloten in de donkere cel, waar alles duisternis en wanhoop was, en er was weinig hoop in uw ziel dat u ooit gered zou worden. Maar er kwam een opening in uw gevangenis waardoor het licht van het Evangelie kon binnendringen. U mocht het diensthuis verlaten, en u werd gebracht in het licht van Gods aangezicht, dat schijnt in Zijn lieve Zoon. Dit is niet alleen duur gekocht zijn, maar ook de zalige gevolgen daarvan ervaren.
Want Uw goedheid, die wij loven,
heeft van boven
mijn geloft’ en beê gehoord.
Gij deedt mij tot d’erfnis komen
van de vromen,
Wie de vrees Uws naams bekoort.
Ps. 61:4
Aan de lezer…
U die ooit uw boeien gevoeld hebt, weet wat het is om te zuchten onder de macht van de zonde, te proberen haar boeien te verbreken, en dan te merken dat zij u des te vaster omsloten. Dat is een bittere, maar geen verloren les. Want wie zijn gevangenschap niet kent, vraagt niet naar een Verlosser. En de prijs die betaald moest worden, niet minder dan het bloed van de Zoon van God, laat zien hoe diep wij gezonken waren.
Maar „gij zijt duur gekocht.” Zo hoog als de prijs was, zo zeker is het losgeld. Misschien zit u nog in de donkere cel en ziet u weinig hoop. Toch kan er een opening komen waardoor het licht van het Evangelie binnenvalt, zodat de boeien van uw handen en voeten vallen en u het aangezicht van God ziet schijnen in Zijn lieve Zoon. Kijk dan niet naar de dikte van uw ketenen, maar naar de grootheid van de prijs.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ye are bought with a price.
1 Corinthians 6:20
How deep, how dreadful, of what alarming magnitude, of how black a dye, of how ingrained a stamp must sin be, to need such an atonement–no less than the blood of Him Who was the Son of God–to put it away. What a slave to sin and Satan, what a captive to the power of lust, how deeply sunk, how awfully degraded, how utterly lost and undone must guilty man be to need a sacrifice like this! “You are bought with a price.” Have you ever felt your bondage to sin, Satan, and the world? Have you ever groaned, cried, grieved, sorrowed, and lamented under your miserable captivity to the power of sin? Has the iron ever entered into your soul? Have you ever clanked your fetters, and as you did so, and tried to burst them, they seemed to bind round about you with a weight scarcely endurable?
But have you ever found any liberty from them, any enlargement of heart, any sweet going forth from the prison-house, any dropping of the manacles from your hands, and the fetters from your feet, so as to walk in some measure of gospel liberty?
“You are bought with a price.” You were slaves of sin and Satan; you were shut up in the dark cell, where all was gloom and despondency; there was little hope in your soul of ever being saved. But there was an entrance of gospel light into your dungeon; there was a coming out of the house of bondage; there was a being brought into the light of God’s countenance, shining forth in His dear Son. Now, this is not only being bought with a price, but experiencing the blessed effects of it.
To the reader…
You who have ever felt your fetters know what it is to groan under the power of sin, to try to burst its bonds, and then to find that they bound you all the tighter. That is a bitter lesson, but not a lost one. For whoever does not know his captivity does not ask for a Redeemer. And the price that had to be paid, no less than the blood of the Son of God, shows how deeply we had sunk.
But “ye are bought with a price.” As high as the price was, so sure is the ransom. Perhaps you are still sitting in the dark cell and see little hope. Yet an opening may come through which the light of the gospel shines in, so that the fetters fall from your hands and feet and you see the countenance of God shining in His dear Son. Do not look, then, at the thickness of your chains, but at the greatness of the price.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Comprados sois por precio.
1 Corintios 6:20
¡Cuán profundo, cuán terrible, de qué alarmante magnitud, de qué tinte tan negro, de qué sello tan arraigado ha de ser el pecado, para necesitar una expiación así, nada menos que la sangre de Aquel que era el Hijo de Dios, para quitarlo! ¡Qué esclavo del pecado y de Satanás, qué cautivo del poder de la concupiscencia, cuán hondamente hundido, cuán terriblemente degradado, cuán completamente perdido y arruinado ha de estar el hombre culpable para necesitar un sacrificio como este! “Comprados sois por precio”. ¿Ha sentido usted alguna vez su esclavitud al pecado, a Satanás y al mundo? ¿Ha gemido, clamado, se ha afligido, entristecido y lamentado alguna vez bajo su miserable cautividad al poder del pecado? ¿Ha entrado alguna vez el hierro en su alma? ¿Ha hecho sonar alguna vez sus grillos, y al hacerlo, y al intentar romperlos, parecían ceñirse a su alrededor con un peso apenas soportable?
Pero ¿ha hallado alguna vez alguna libertad de ellos, algún ensanchamiento del corazón, alguna dulce salida de la cárcel, alguna caída de las esposas de sus manos y de los grillos de sus pies, de modo que pudiera andar en alguna medida de libertad evangélica?
“Comprados sois por precio”. Ustedes eran esclavos del pecado y de Satanás; estaban encerrados en la celda oscura, donde todo era tinieblas y desaliento; había poca esperanza en su alma de ser salvos alguna vez. Pero hubo una entrada de la luz del evangelio en su calabozo; hubo una salida de la casa de servidumbre; hubo un ser traídos a la luz del rostro de Dios, que resplandece en Su amado Hijo. Ahora bien, esto no es solo haber sido comprados por precio, sino experimentar sus benditos efectos.
Al lector…
Usted que alguna vez ha sentido sus grillos sabe lo que es gemir bajo el poder del pecado, intentar romper sus ataduras y luego descubrir que lo atan aún más fuerte. Es una lección amarga, pero no perdida. Porque quien no conoce su cautividad no pide un Redentor. Y el precio que hubo que pagar, nada menos que la sangre del Hijo de Dios, muestra cuán hondo nos habíamos hundido.
Pero “comprados sois por precio”. Tan alto como fue el precio, tan seguro es el rescate. Quizá usted está todavía sentado en la celda oscura y ve poca esperanza. Sin embargo, puede llegar una abertura por la que brille la luz del evangelio, de modo que los grillos caigan de sus manos y pies y usted vea el rostro de Dios resplandeciendo en Su amado Hijo. No mire, pues, el grosor de sus cadenas, sino la grandeza del precio.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Die overwint
Die overwint, Ik zal hem geven te eten van het manna, dat verborgen is. En Ik zal hem geven een witte keursteen, en op de keursteen een nieuwe naam geschreven, welke niemand kent, dan die hem ontvangt.
Openbaring 2:17
Wellicht draagt uw geweten een verborgen getuigenis: „Ik weet dat ik nooit van het verborgen manna heb gegeten, nooit een witte steen heb gehad, nooit een nieuwe naam heb gekregen.” Maar hoe is het dan met u gesteld? „O,” zegt u, „als ik u kon vertellen hoe het met mijn hart is gesteld, zou ik zeggen dat het vol angsten en twijfels zit over of ik ooit in de hemel kom; ik zou u vertellen dat het vol zinnelijkheid, verdorvenheid en zonde zit; dat het was overwonnen door de duivel, makkelijk overmeesterd werd door verleiding, en dat het zwak en waardeloos, arm en behoeftig, vuil en bezoedeld was — en dat is nog maar zwak uitgedrukt!”
Maar wat is nu de uitwerking van al deze gevoelens die in het innerlijk voorbijtrekken? Beroven ze u van uw levenskracht? Ontdoen ze u van uw rechtvaardigheid? Kortom, brengen ze u naar de voetbank van de genade, het kruis van Jezus, de troon van zegeningen, als een arme schuldige zondaar, opdat u daar de zoete boodschappen van Zijn liefde en bloed in uw ziel mag ontvangen?
Er ligt genade voor u in het verschiet. De Heere leidt u om te overwinnen. U leert een heel belangrijke les door angsten en twijfels. U krijgt heel nuttige lessen door de verdorvenheden van uw hart, de strikken van het vlees, de wereld en de duivel te leren kennen.
Uw schuldige geweten, vaak ondergedompeld in zeeën van schuld, wordt zo voorbereid op de heerlijke ontvangst van het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan dat van Abel (Hebr. 12:24). De stem van het geweten in uw hart, die voortdurend uitroept: „Schuldig, schuldig!”, is slechts de inleiding en voorbode van een andere stem, die op een dag tot uw innerlijke hart zal spreken, en als merg en vet voor uw botten zal zijn: „Zoon of dochter, uw zonden zijn u vergeven; ga in vrede” (Luk. 5:20).
Lezen: Psalm 88
Aan de lezer…
Zegt uw geweten u in stilte: „Ik heb nooit van het verborgen manna gegeten, nooit een witte steen gehad, nooit een nieuwe naam gekregen”? En is uw hart vol angsten en twijfels, vol zonde en zwakheid, zodat u uzelf arm en bezoedeld noemt, en dat nog zwak uitgedrukt? Waarde lezer, sta dan stil bij deze ene vraag: waar drijft dit alles u heen? Brengt het u als een arme schuldige zondaar naar het kruis van Jezus?
Dan ligt er genade voor u in het verschiet. Die stem in uw geweten die steeds roept: „Schuldig, schuldig!” is niet het laatste woord, maar de voorbode van een andere stem. Het bloed der besprenging spreekt betere dingen dan dat van Abel. Eens zal het tot uw innerlijke hart klinken, als merg en vet voor uw beenderen: „Uw zonden zijn u vergeven; ga in vrede.” Wacht op Hem, Die u zo voorbereidt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die overwint, Ik zal hem geven te eten van het manna, dat verborgen is. En Ik zal hem geven een witte keursteen, en op de keursteen een nieuwe naam geschreven, welke niemand kent, dan die hem ontvangt.
Openbaring 2:17
Misschien draagt uw geweten een verborgen getuigenis: „Ik weet dat ik nooit van het verborgen manna heb gegeten, nooit een witte steen heb gehad, nooit een nieuwe naam heb gekregen.” Maar hoe staat het dan met u? „O,” zegt u, „als ik u kon vertellen hoe het met mijn hart is gesteld, zou ik zeggen dat het vol angsten en twijfels zit over of ik ooit in de hemel kom; ik zou u vertellen dat het vol zinnelijkheid, verdorvenheid en zonde zit; dat het was overwonnen door de duivel, makkelijk overmeesterd werd door verleiding, en dat het zwak en waardeloos, arm en behoeftig, vuil en bezoedeld was — en dat is nog maar zwak uitgedrukt!”
Maar wat is nu de uitwerking van al deze gevoelens die door uw binnenste gaan? Beroven ze u van uw levenskracht? Ontdoen ze u van uw rechtvaardigheid? Kortom, brengen ze u als een arme, schuldige zondaar naar de voetbank van de genade, naar het kruis van Jezus, naar de troon van zegeningen, zodat u daar de zoete boodschappen van Zijn liefde en bloed in uw ziel mag ontvangen?
Er ligt genade voor u in het verschiet. De Heere leidt u om te overwinnen. U leert een heel belangrijke les door angsten en twijfels. U ontvangt heel nuttig onderwijs doordat u de verdorvenheden van uw hart en de strikken van het vlees, de wereld en de duivel leert kennen.
Uw schuldige geweten, vaak ondergedompeld in zeeën van schuld, wordt zo voorbereid om heerlijk het bloed der besprenging te ontvangen, dat betere dingen spreekt dan dat van Abel (Hebr. 12:24). De stem van het geweten in uw hart, die voortdurend uitroept: „Schuldig, schuldig!”, is slechts de inleiding en voorbode van een andere stem. Die stem zal op een dag tot uw innerlijk hart spreken en als merg en vet voor uw beenderen zijn: „Zoon of dochter, uw zonden zijn u vergeven; ga in vrede” (Luk. 5:20).
Lezen: Psalm 88
Aan de lezer…
Zegt uw geweten u in stilte: „Ik heb nooit van het verborgen manna gegeten, nooit een witte steen gehad, nooit een nieuwe naam gekregen”? En is uw hart vol angsten en twijfels, vol zonde en zwakheid, zodat u uzelf arm en bezoedeld noemt, en dat nog zwak uitgedrukt? Sta dan stil bij deze ene vraag: waar drijft dit alles u heen? Brengt het u als een arme, schuldige zondaar naar het kruis van Jezus?
Dan ligt er genade voor u in het verschiet. Die stem in uw geweten die steeds roept: „Schuldig, schuldig!” is niet het laatste woord, maar de voorbode van een andere stem. Het bloed der besprenging spreekt betere dingen dan dat van Abel. Eens zal het tot uw innerlijk hart klinken, als merg en vet voor uw beenderen: „Uw zonden zijn u vergeven; ga in vrede.” Wacht op Hem, Die u zo voorbereidt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
To him that overcometh will I give to eat of the hidden manna, and will give him a white stone, and in the stone a new name written, which no man knoweth saving he that receiveth it.
Revelation 2:17
Perhaps your conscience bears a secret witness: “I know that I have never eaten of the hidden manna, never had a white stone, never received a new name.” But how then does it stand with you? “Oh,” you say, “if I could tell you how it is with my heart, I would say that it is full of fears and doubts whether I shall ever get to heaven; I would tell you that it is full of carnality, corruption and sin; that it has been overcome by the devil, easily mastered by temptation, and that it is weak and worthless, poor and needy, filthy and defiled, and that is putting it but feebly!”
But now, what is the effect of all these feelings that pass through your bosom? Do they rob you of your strength? Do they strip you of your righteousness? In a word, do they bring you as a poor, guilty sinner to the footstool of mercy, to the cross of Jesus, to the throne of blessings, so that you may there receive the sweet messages of His love and blood in your soul?
There is mercy in store for you. The Lord is leading you to overcome. You are learning a very important lesson through fears and doubts. You are receiving very profitable instruction by learning to know the corruptions of your heart and the snares of the flesh, the world and the devil.
Your guilty conscience, often plunged into seas of guilt, is thus being prepared gloriously to receive the blood of sprinkling, that speaketh better things than that of Abel (Heb. 12:24). The voice of conscience in your heart, continually crying out, “Guilty, guilty!”, is but the prelude and forerunner of another voice. That voice will one day speak to your inmost heart and be as marrow and fatness to your bones: “Son or daughter, thy sins are forgiven thee; go in peace” (Luke 5:20).
Reading: Psalm 88
To the reader…
Does your conscience quietly tell you, “I have never eaten of the hidden manna, never had a white stone, never received a new name”? And is your heart full of fears and doubts, full of sin and weakness, so that you call yourself poor and defiled, and even that is putting it feebly? Then pause over this one question: where is all this driving you? Does it bring you as a poor, guilty sinner to the cross of Jesus?
Then there is mercy in store for you. That voice in your conscience that keeps crying, “Guilty, guilty!” is not the last word, but the forerunner of another voice. The blood of sprinkling speaks better things than that of Abel. One day it will sound in your inmost heart, as marrow and fatness to your bones: “Thy sins are forgiven thee; go in peace.” Wait for Him, Who is preparing you in this way.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Al que venciere, daré a comer del maná escondido, y le daré una piedrecita blanca, y en la piedrecita un nombre nuevo escrito, el cual ninguno conoce sino aquel que lo recibe.
Apocalipsis 2:17
Quizá su conciencia dé un testimonio secreto: “Sé que nunca he comido del maná escondido, nunca he tenido una piedrecita blanca, nunca he recibido un nombre nuevo”. Pero entonces, ¿cómo están las cosas con usted? “Oh”, dice usted, “si pudiera decirle cómo está mi corazón, le diría que está lleno de temores y dudas de si alguna vez llegaré al cielo; le diría que está lleno de carnalidad, corrupción y pecado; que ha sido vencido por el diablo, fácilmente dominado por la tentación, y que es débil y sin valor, pobre y necesitado, inmundo y contaminado, ¡y eso es decirlo débilmente!”
Pero ahora bien, ¿cuál es el efecto de todos estos sentimientos que pasan por su pecho? ¿Le roban su fuerza? ¿Le despojan de su justicia? En una palabra, ¿le llevan como pobre pecador culpable al estrado de la misericordia, a la cruz de Jesús, al trono de las bendiciones, para que allí reciba en su alma los dulces mensajes de Su amor y de Su sangre?
Hay misericordia guardada para usted. El Señor le está conduciendo a vencer. Está aprendiendo una lección muy importante por medio de temores y dudas. Está recibiendo una instrucción muy provechosa al aprender a conocer las corrupciones de su corazón y los lazos de la carne, del mundo y del diablo.
Su conciencia culpable, sumergida a menudo en mares de culpa, está siendo así gloriosamente preparada para recibir la sangre del esparcimiento, que habla mejor que la de Abel (Heb. 12:24). La voz de la conciencia en su corazón, que clama continuamente: “¡Culpable, culpable!”, no es sino el preludio y precursor de otra voz. Esa voz hablará un día a lo más íntimo de su corazón y será como meollo y grosura para sus huesos: “Hijo o hija, tus pecados te son perdonados; ve en paz” (Lucas 5:20).
Lectura: Salmo 88
Al lector…
¿Le dice su conciencia en silencio: “Nunca he comido del maná escondido, nunca he tenido una piedrecita blanca, nunca he recibido un nombre nuevo”? ¿Y está su corazón lleno de temores y dudas, lleno de pecado y debilidad, de modo que se llama a sí mismo pobre y contaminado, y aun eso es decirlo débilmente? Entonces deténgase ante esta única pregunta: ¿adónde le empuja todo esto? ¿Le lleva como pobre pecador culpable a la cruz de Jesús?
Entonces hay misericordia guardada para usted. Esa voz en su conciencia que sigue clamando: “¡Culpable, culpable!”, no es la última palabra, sino el precursor de otra voz. La sangre del esparcimiento habla mejor que la de Abel. Un día sonará en lo más íntimo de su corazón, como meollo y grosura para sus huesos: “Tus pecados te son perdonados; ve en paz”. Espere en Él, que de este modo le está preparando.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Daartoe heb Ik ook de regen van ulieden geweerd, als er nog drie maanden waren tot de oogst, en heb doen regenen over de ene stad, maar over de andere stad niet doen regenen; het ene stuk lands werd beregend, maar het andere stuk lands, waar het niet op regende, verdorde.
Amos 4:7
Hoe machteloos en krachteloos zijn wij ten opzichte van de vallende regen van de hemel! Wie kan, wanneer de zon helder schijnt, de regen gebieden dat zij neervallen? Of wanneer de regen neervalt, wie kan dan gebieden en de flessen des hemels sluiten? Hij, Die de regen geeft van de hemel, mitsgaders vruchtbare tijden, vervullende onze harten met spijs en vrolijkheid, stelt ook het vruchtbare veld tot een woestijn, om de ongerechtigheid dergenen die daarin wonen.
Zo soeverein ook in de toediening is de zegen die God geeft aan het gepredikte Evangelie. Hij houdt de zegeningen in Zijn eigen hand; aan Hem staat het te geven en ook te onthouden. Wanneer Hij zegent, is het omdat Hij het beloofd heeft, maar wanneer, waar en aan wie het ten zegen zijn zal, is Zijn eigen soevereine beschikking.
Wat verlangen wij immers, als de aarde verschroeid is vanwege de droogte, om regen! Wij weten dat er in de wolken boven ons regen genoeg is, en dat, wanneer deze neervalt, het van een weldadige invloed zal zijn, en dit doet ons ernaar verlangen; ja, wij zenden wel gebeden op dat het moge gaan regenen. Ook de aarde zelf, verschroeid en verzengd door de hitte, ja, diezelfde aarde roept, bij wijze van spreken, hoewel stilzwijgend, door de spleten en scheuren, veroorzaakt door de brandende zon, om de vallende regen. Iedere scheur die gij in juli in de aarde ziet, is als een roep uit een zwijgende mond, dat de regen moge neerkomen. Het verwelkte kruid, het loeiende vee in het veld, de uitgedroogde vijvertjes en beekjes smeken, ofschoon er geen woord wordt geuit, om de regen.
Evenzo is het in de genade. De dorre, verwelkte, droge gewaarwordingen der ziel zijn als zo vele stomme monden, die vragen dat God Zijn zegen moge schenken. Zelfs de hardheid, onvruchtbaarheid en dorheid die wij in ons hart waarnemen, zijn als zo vele zwijgende stemmen tot de God aller genade, of het Hem, wanneer Zijn zegen niet op het Woord rust, mocht behagen het aan onze consciënties te zegenen. Ik zeg dit, omdat gij wellicht kondt denken dat gij niet recht om een zegen bidt wanneer gij niet met een hoorbare stem bidt, of dat gij niet begunstigd wordt met de Geest der genade en der gebeden.
God ziet uw behoeften en daarop neemt Hij nauwkeurig acht. Het kind behoeft niet, en kan ook inderdaad niet, met vele woorden zijn noden bekendmaken. Het schreeuwen vanwege de honger is genoeg. Of zelfs wanneer het te zwak is om te schreeuwen, weet de moeder dat het honger heeft uit de rusteloze bewegingen die het maakt, en zij is even vergenoegd om het nodige voedsel te geven als het kind dit is om het te ontvangen.
Zo moet gij niet altoos de kracht van uw gebeden afmeten bij de blote woordelijke uitdrukking daarvan. De hartdoorzoekende God leest uw behoeften, kent uw ellendige toestand en ziet uw onvruchtbaar geval. En gelijk Hij in het koninkrijk van Zijn voorzienigheid van Zijn heilige troon de dorre grond aanschouwt en Hij Zijn druppelen neerzendt omdat Hij de nood ziet, zo ziet Hij ook in het Koninkrijk Zijner genade neder op de smachtende toestand van Zijn volk en zendt Hij de geestelijke regen nederwaarts, daar Hij weet dat zij dit nodig hebben.
Aan de lezer…
Soms is uw ziel als verschroeide aarde in de zomer, vol scheuren en barsten, terwijl u hoort dat het elders regent. U zit onder het Woord en het blijft droog; u wilt bidden, en er komen nauwelijks woorden. Misschien denkt u dat u daarom niet recht bidt, of dat de Geest der genade en der gebeden u voorbijgaat. De Heere zegent waar en wanneer Hij wil; dat staat in Zijn eigen soevereine hand, en wij kunnen de regen niet gebieden.
Maar weet dan ook dit: elke scheur in de dorre grond is als een stomme mond die om regen roept. Zo zijn ook uw dorheid, hardheid en onvruchtbaarheid zwijgende stemmen tot de God aller genade. Een moeder weet dat haar kind honger heeft, ook wanneer het te zwak is om te schreeuwen. De hartdoorzoekende God leest uw behoeften en ziet uw onvruchtbaar geval. Meet de kracht van uw gebed niet af aan uw woorden; Hij ziet de nood, en Hij zendt Zijn geestelijke regen op wie smachten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Daartoe heb Ik ook de regen van ulieden geweerd, als er nog drie maanden waren tot de oogst, en heb doen regenen over de ene stad, maar over de andere stad niet doen regenen; het ene stuk lands werd beregend, maar het andere stuk lands, waar het niet op regende, verdorde.
Amos 4:7
Hoe machteloos en krachteloos zijn we tegenover de regen die uit de hemel valt! Wie kan, wanneer de zon helder schijnt, de regen gebieden te vallen? Of wanneer de regen valt, wie kan dan gebieden dat de flessen van de hemel gesloten worden? Hij Die de regen uit de hemel geeft, en vruchtbare tijden, en onze harten vervult met spijs en vrolijkheid, maakt ook het vruchtbare veld tot een woestijn, vanwege de ongerechtigheid van hen die daarin wonen.
Even soeverein in de toediening is de zegen die God aan het gepredikte Evangelie geeft. Hij houdt de zegeningen in Zijn eigen hand; aan Hem staat het om te geven en ook om te onthouden. Wanneer Hij zegent, is het omdat Hij het beloofd heeft. Maar wanneer, waar en voor wie het tot zegen zal zijn, is Zijn eigen soevereine beschikking.
Wat verlangen we immers naar regen, wanneer de aarde verschroeid is door de droogte! We weten dat er in de wolken boven ons regen genoeg is, en dat die, wanneer ze valt, een weldadige uitwerking zal hebben; en dat doet ons ernaar verlangen. Ja, we zenden zelfs gebeden op dat het mag gaan regenen. Ook de aarde zelf, verschroeid en verzengd door de hitte, roept bij wijze van spreken, hoewel zwijgend, om de vallende regen door de spleten en scheuren die de brandende zon veroorzaakt heeft. Iedere scheur die u in juli in de aarde ziet, is als een roep uit een zwijgende mond dat de regen mag neerkomen. Het verwelkte gras, het loeiende vee in het veld, de uitgedroogde vijvertjes en beekjes smeken om regen, ook al wordt er geen woord gesproken.
Zo is het ook in de genade. De dorre, verwelkte, droge gewaarwordingen van de ziel zijn als zoveel stomme monden die vragen of God Zijn zegen wil schenken. Zelfs de hardheid, onvruchtbaarheid en dorheid die we in ons hart opmerken, zijn als zoveel zwijgende stemmen tot de God aller genade: of het Hem, wanneer Zijn zegen niet op het Woord rust, zou behagen het aan ons geweten te zegenen. Ik zeg dit omdat u misschien zou kunnen denken dat u niet goed om een zegen bidt wanneer u niet met hoorbare stem bidt, of dat u niet begunstigd wordt met de Geest der genade en der gebeden.
God ziet uw behoeften en Hij let daar nauwkeurig op. Een kind hoeft zijn noden niet met veel woorden bekend te maken, en kan dat ook werkelijk niet. Het huilen van honger is genoeg. En zelfs wanneer het te zwak is om te huilen, weet de moeder aan de onrustige bewegingen die het maakt dat het honger heeft. En zij is even blij om het nodige voedsel te geven als het kind is om het te ontvangen.
Zo moet u de kracht van uw gebeden niet altijd afmeten aan de woorden alleen waarin u ze uitdrukt. De God Die de harten doorzoekt, leest uw behoeften, kent uw ellendige toestand en ziet uw onvruchtbare staat. In het koninkrijk van Zijn voorzienigheid ziet Hij van Zijn heilige troon de dorre grond, en zendt Hij Zijn druppels neer omdat Hij de nood ziet. Zo ziet Hij ook in het Koninkrijk van Zijn genade neer op de smachtende toestand van Zijn volk, en zendt Hij de geestelijke regen neer, omdat Hij weet dat zij die nodig hebben.
Aan de lezer…
Soms is uw ziel als verschroeide aarde in de zomer, vol scheuren en barsten, terwijl u hoort dat het elders regent. U zit onder het Woord en het blijft droog; u wilt bidden, en er komen nauwelijks woorden. Misschien denkt u dat u daarom niet goed bidt, of dat de Geest der genade en der gebeden u voorbijgaat. De Heere zegent waar en wanneer Hij wil; dat ligt in Zijn eigen soevereine hand, en wij kunnen de regen niet gebieden.
Maar weet dan ook dit: elke scheur in de dorre grond is als een stomme mond die om regen roept. Zo zijn ook uw dorheid, hardheid en onvruchtbaarheid zwijgende stemmen tot de God aller genade. Een moeder weet dat haar kind honger heeft, ook wanneer het te zwak is om te huilen. De God Die de harten doorzoekt, leest uw behoeften en ziet uw onvruchtbare staat. Meet de kracht van uw gebed niet af aan uw woorden. Hij ziet de nood, en Hij zendt Zijn geestelijke regen op wie smachten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And also I have withholden the rain from you, when there were yet three months to the harvest: and I caused it to rain upon one city, and caused it not to rain upon another city: one piece was rained upon, and the piece whereupon it rained not withered.
Amos 4:7
How powerless we are as regards the rain that falls from the sky! Who can go forth when the sun is shining in its brightness and bid the rain to fall? Or when rain is falling, who can go forth and restrain the bottles of heaven? He Who gives us rain from heaven and fruitful seasons, filling our hearts with food and gladness, also turns a fruitful land into barrenness for the wickedness of those who dwell therein.
Equally sovereign is the blessing that God gives to the preached gospel. He holds the blessing in His own hand; it is His to give, and His to withhold. If He blesses, it is because He has promised it; but when, where, and to whom it shall come, is at His own sovereign disposal. Yet what do we naturally desire when the earth is parched up for lack of rain? Knowing that there is rain stored up in the clouds above, and that when it does come it will produce beneficial effects—desires, if not prayers, go up that it may fall.
In fact, the earth itself, parched and dried up by heat, the very ground itself, by the fissures and clefts which are made in the soil by a burning sun, silently, mutely, but still imploringly calls upon the rain to fall. Every crack you see in July is a silent mouth asking the rain to come down. The withered herbage, the cattle lowing in the field, the dried-up ponds and brooks, are all imploring, though not a word is uttered, that rain may fall.
So in grace. The parched, withered, dried-up feelings of the soul are all so many mute mouths imploring God’s blessing to come down. No, the very hardness, barrenness, and sterility felt in our heart when the blessing of God does not rest upon the word, are so many mute appeals to the God of all grace that His blessing would attend the word to our conscience. I say this because you may think sometimes that you are not praying for the blessing of God to rest upon the word, because you may not be using vocal prayer, or are not favored with a spirit of grace and supplications. God sees your needs, and to those needs He has a kind regard.
The babe need not, and indeed cannot ask in so many words for food. The cry of hunger is enough. Or even if too weak to cry, the mother knows the child is hungry by its restless movements; and she is as pleased to give the nutritious food as the babe is to receive it.
So you must not always measure the strength of your prayers by the mere vocal utterance you may give to them. The heart-searching God reads your needs, knows your desolate case, and sees your barren condition. As in the kingdom of His providence He views from His holy throne the parched ground, and sends down showers because He sees its need; so in the kingdom of His grace He looks upon the parched condition of His people, and gives the spiritual rain because He knows they need it.
To the reader…
Sometimes your soul is like scorched earth in summer, full of cracks and fissures, while you hear that it is raining elsewhere. You sit under the Word and it stays dry; you want to pray, and hardly any words come. Perhaps you think that this means you do not pray rightly, or that the Spirit of grace and supplications is passing you by. The Lord blesses where and when He wills; that lies in His own sovereign hand, and we cannot command the rain.
But know this as well: every crack in the parched ground is like a mute mouth crying for rain. So your dryness, hardness and barrenness are silent voices to the God of all grace. A mother knows that her child is hungry, even when it is too weak to cry. The God Who searches the hearts reads your needs and sees your barren state. Do not measure the strength of your prayer by your words. He sees the need, and He sends His spiritual rain on those who thirst.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y también Yo os detuve la lluvia tres meses antes de la siega; e hice llover sobre una ciudad, y sobre otra ciudad no hice llover: sobre una parte llovió; la parte sobre la cual no llovió, se secó.
Amós 4:7
¡Qué impotentes somos respecto a la lluvia que cae del cielo! ¿Quién puede salir cuando el sol brilla en todo su esplendor y mandar que caiga la lluvia? O cuando está lloviendo, ¿quién puede salir y detener los odres del cielo? Aquel que nos da lluvias del cielo y tiempos fructíferos, hinchiendo de mantenimiento y de alegría nuestros corazones, también convierte la tierra fructífera en esterilidad por la maldad de los que la habitan.
Igualmente soberana es la bendición que Dios da al evangelio predicado. Él tiene la bendición en Su propia mano; Suyo es darla y Suyo es retenerla. Si bendice, es porque lo ha prometido; pero cuándo, dónde y a quién ha de llegar, queda a Su propia disposición soberana. Sin embargo, ¿qué deseamos naturalmente cuando la tierra está reseca por falta de lluvia? Sabiendo que hay lluvia guardada en las nubes de arriba, y que cuando venga producirá efectos benéficos, suben deseos, si no oraciones, para que caiga.
De hecho, la tierra misma, reseca y agostada por el calor, el suelo mismo, por las grietas y hendiduras que un sol abrasador abre en él, clama en silencio, mudamente, pero aun así suplicante, para que caiga la lluvia. Cada grieta que usted ve en julio es una boca silenciosa que pide que baje la lluvia. La hierba marchita, el ganado que muge en el campo, los estanques y arroyos secos, todos suplican, aunque no se pronuncie una palabra, que caiga la lluvia.
Así es en la gracia. Los sentimientos resecos, marchitos y agostados del alma son otras tantas bocas mudas que suplican que descienda la bendición de Dios. Más aún, la misma dureza, aridez y esterilidad que sentimos en nuestro corazón cuando la bendición de Dios no reposa sobre la palabra son otras tantas súplicas mudas al Dios de toda gracia para que Su bendición acompañe la palabra a nuestra conciencia. Digo esto porque quizá piense usted a veces que no está orando para que la bendición de Dios repose sobre la palabra, porque tal vez no usa la oración en voz alta, o no está favorecido con un espíritu de gracia y de oración. Dios ve sus necesidades, y a esas necesidades tiene una consideración bondadosa.
El niño de pecho no necesita, y en verdad no puede, pedir el alimento con palabras. El llanto del hambre basta. O aunque esté demasiado débil para llorar, la madre sabe que el niño tiene hambre por sus movimientos inquietos; y a ella le agrada tanto darle el alimento nutritivo como al niño recibirlo.
Así que no debe usted medir siempre la fuerza de sus oraciones por la mera expresión en palabras que les dé. El Dios que escudriña los corazones lee sus necesidades, conoce su caso desolado y ve su condición estéril. Así como en el reino de Su providencia contempla desde Su santo trono la tierra reseca y envía lluvias porque ve su necesidad, así en el reino de Su gracia mira la condición reseca de Su pueblo y da la lluvia espiritual porque sabe que la necesitan.
Al lector…
A veces su alma es como la tierra abrasada en verano, llena de grietas y hendiduras, mientras oye que en otros lugares llueve. Usted se sienta bajo la Palabra y sigue seco; quiere orar, y apenas le vienen palabras. Quizá piense que eso significa que no ora como es debido, o que el Espíritu de gracia y de oración pasa de largo por usted. El Señor bendice donde y cuando quiere; eso está en Su propia mano soberana, y nosotros no podemos mandar la lluvia.
Pero sepa también esto: cada grieta en la tierra reseca es como una boca muda que clama por lluvia. Así su sequedad, dureza y esterilidad son voces silenciosas ante el Dios de toda gracia. Una madre sabe que su hijo tiene hambre aun cuando está demasiado débil para llorar. El Dios que escudriña los corazones lee sus necesidades y ve su estado estéril. No mida la fuerza de su oración por sus palabras. Él ve la necesidad y envía Su lluvia espiritual sobre los sedientos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl