5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En alzo zal ik tot de koning ingaan, hetwelk niet naar de wet is; wanneer ik dan omkom, zo kom ik om.
Esther 4:16
Wanneer wij in duisternis zijn, onder gewetensangst, of wanneer de schuld hard en zwaar op de ziel drukt, moeten al deze dingen ons van de Heere afhouden tot zij zijn weggenomen. Maar moeten wij ooit op die vijanden onzer ziel acht geven? Moeten wij nooit door de menigte doordringen?
Hoe was het met de man die zoveel jaren lam was geweest? Hij zou altijd hulpeloos op zijn leger hebben moeten blijven liggen, zo hij niet in de tegenwoordigheid van Jezus gebracht ware. Hoe was het met de vrouw met de vloeiing des bloeds? Zij zou altijd daar buiten de schare hebben moeten toeven, als een arme, bevlekte, veroordeelde zondares. Maar zij drong door de menigte heen, totdat zij slechts de zoom van Jezus’ kleed had aangeraakt. Zo is het ook met ons.
Moeten wij altijd daarbuiten, in de voorhof des tempels, blijven? Zullen wij alleen wandelen om de bolwerken van Zion en aan haar poorten wachten, of zullen wij het wagen het heilige in te gaan? Zullen wij, door vrees gedreven, doen gelijk Kaïn, en ’s Heeren aangezicht ontvluchten? Of zullen wij, met al onze zonden en moedeloosheid, toch naderbij komen? De apostel moedigt ons aan om met heilige vrijmoedigheid tot de troon der genade te komen, en het te wagen in de tegenwoordigheid van de Koning der koningen te verschijnen.
Esther zou zich en haar gehele volk in het verderf hebben gestort, zo zij aan de zwakheid des vleses gehoor gegeven had; maar zij zeide: „Ik zal tot de koning ingaan, en wanneer ik dan omkom, zo kom ik om.” Met dit besluit ging zij tot de koning in. De koning reikte haar de scepter, Esther raakte die aan, en zij en haar volk waren gered. Zo is het ook in de genade.
Zullen wij ons altijd door schuld, zonde en schaamte laten terughouden? Nu moedigt niet alleen de Heilige Geest ons aan het Woord der waarheid, maar Hij Zelf stelt ons nu en dan in staat toe te treden. En zo wij toetreden onder Zijn Goddelijke werking, voelen wij er dadelijk de zegen van. De vrijheid, de toegang, de heilige vrijmoedigheid, de Geest des gebeds, de kracht om God vast te houden, om te worstelen om een zegen, is ons gegeven, en ook somtijds om met ernstige zuchten en klagen en met de kracht van ouds in doodsangst uit te roepen: „Ik laat U niet gaan, vóór Gij mij zegent.”
Ps. 61:1 berijmd
Aan de lezer…
Misschien houdt u zich op een afstand, lezer, omdat de schuld zo zwaar drukt en het hart zo donker is. U denkt: eerst moet dit weg, dan durf ik te naderen. Maar zo bleef de lamme liggen en zo zou de vrouw buiten de schare zijn gebleven. Zij kwam met haar vlek en al, en raakte de zoom van Zijn kleed aan. Zult u dan altijd in de voorhof blijven staan?
Esther ging tot de koning in met het leven in haar hand, en de scepter werd haar toegereikt. Hoeveel te meer mag u, met al uw zonden en moedeloosheid, tot de troon der genade komen, waar de Koning der koningen genade wil bewijzen. Laat u niet door schaamte terughouden. Zucht om de Geest des gebeds, en waar Hij u maar een weinig vrijmoedigheid geeft, gebruik die. Werp u aan Zijn voeten en zeg: „Ik laat U niet gaan, vóór Gij mij zegent.” Wie zo komt, komt niet om.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En alzo zal ik tot de koning ingaan, hetwelk niet naar de wet is; wanneer ik dan omkom, zo kom ik om.
Esther 4:16
Wanneer wij in duisternis zijn, onder gewetensangst, of wanneer de schuld hard en zwaar op de ziel drukt, dan moeten al deze dingen ons van de Heere afhouden totdat zij weggenomen zijn. Maar moeten wij wel ooit acht geven op die vijanden van onze ziel? Moeten wij dan nooit door de menigte heendringen?
Hoe was het met de man die zoveel jaren verlamd was geweest? Hij zou altijd hulpeloos op zijn bed hebben moeten blijven liggen, als hij niet in de tegenwoordigheid van Jezus gebracht was. Hoe was het met de vrouw met de bloedvloeiing? Zij zou altijd daar buiten de schare hebben moeten blijven, als een arme, bevlekte, veroordeelde zondares. Maar zij drong door de menigte heen, totdat zij ook maar de zoom van Jezus’ kleed had aangeraakt. Zo is het ook met ons.
Moeten wij altijd daarbuiten blijven, in de voorhof van de tempel? Zullen wij alleen rondom de bolwerken van Sion wandelen en aan haar poorten wachten, of zullen wij het wagen het heiligdom binnen te gaan? Zullen wij, door vrees gedreven, doen zoals Kaïn en het aangezicht van de Heere ontvluchten? Of zullen wij, met al onze zonden en moedeloosheid, toch dichterbij komen? De apostel moedigt ons aan om met heilige vrijmoedigheid tot de troon van de genade te gaan, en het te wagen in de tegenwoordigheid van de Koning der koningen te verschijnen.
Esther zou zichzelf en haar hele volk in het verderf hebben gestort, als zij aan de zwakheid van het vlees had toegegeven. Maar zij zei: „Ik zal tot de koning ingaan, en wanneer ik dan omkom, zo kom ik om.” Met dit besluit ging zij tot de koning in. De koning reikte haar de scepter toe, Esther raakte die aan, en zij en haar volk waren gered. Zo is het ook in het rijk van de genade.
Zullen wij ons altijd laten tegenhouden door schuld, zonde en schaamte? De Heilige Geest moedigt ons niet alleen aan door het Woord van de waarheid, maar Hij stelt ons ook Zelf nu en dan in staat om toe te treden. En wanneer wij onder Zijn Goddelijke werking toetreden, voelen wij er direct de zegen van. De vrijheid, de toegang, de heilige vrijmoedigheid, de Geest van het gebed, de kracht om God vast te houden en om een zegen te worstelen: dat alles wordt ons gegeven. Soms ook de kracht om met ernstige zuchten en klachten, en met de kracht van weleer, in doodsangst uit te roepen: „Ik laat U niet gaan, vóór Gij mij zegent.”
Ps. 61:1 berijmd
Aan de lezer…
Misschien houdt u zich op een afstand, lezer, omdat de schuld zo zwaar drukt en uw hart zo donker is. U denkt: eerst moet dit weg, dan durf ik te naderen. Maar zo zou de verlamde zijn blijven liggen, en zo zou de vrouw buiten de schare zijn gebleven. Zij kwam met haar vlek en al, en raakte de zoom van Zijn kleed aan. Zult u dan altijd in de voorhof blijven staan?
Esther ging tot de koning in met haar leven in haar hand, en de scepter werd haar toegereikt. Hoeveel te meer mag u, met al uw zonden en moedeloosheid, tot de troon van de genade komen, waar de Koning der koningen genade wil bewijzen. Laat u niet door schaamte tegenhouden. Zucht om de Geest van het gebed, en waar Hij u maar een beetje vrijmoedigheid geeft, gebruik die. Werp u aan Zijn voeten en zeg: „Ik laat U niet gaan, vóór Gij mij zegent.” Wie zo komt, komt niet om.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And so will I go in unto the king, which is not according to the law: and if I perish, I perish.
Esther 4:16
When we are in darkness, under distress of conscience, or when guilt lies hard and heavy upon the soul, these things do, and must until removed, keep us back from the Lord. But are we ever to give heed to these enemies of our soul’s peace? Are we never to press through the crowd? How was it with the man who was paralyzed for so many years? He might forever have lain helpless upon his bed, had he not been brought into the presence of Jesus. How with the woman with the issue of blood? She might forever have tarried on the skirts of the crowd, a poor, polluted, self-condemned wretch. But she pressed through the crowd, and got to touch the hem of Jesus’ garment.
So with us. Shall we ever dwell in the outskirts—in the outer court of the temple? Shall we merely walk round Zion’s walls and tarry at her doors, or shall we venture into the holiest itself? Shall we, driven out by fear, act like Cain, and go out from the presence of the Lord? Or shall we, with all our sins and discouragements, still draw near? The Apostle encourages us to come with holy boldness to the throne of grace, and to venture into the presence of the King of kings.
Esther would have ruined herself and all her nation had she given way to the weakness of the flesh; but she said, “I will go in unto the king; and if I perish, I perish.” She went in with that resolution. The king held forth the scepter; Esther touched it, and she and the people were saved.
So in grace. Shall we ever keep away through guilt, and sin, and shame? Now the Holy Spirit not only in the Word of truth, encourages, but He Himself from time to time enables us to draw near. And when we draw near under His divine operations, we feel the blessedness of so doing. Liberty is given, access, holy freedom, a spirit of prayer, power to take hold of God, to wrestle for the blessing, and sometimes to agonize with earnest sighs and groans and the energy of one of old—“I will not let you go except you bless me.”
To the reader…
Perhaps you keep your distance, dear reader, because your guilt presses so heavily and your heart is so dark. You think: first this must go, and then I will dare to draw near. But in that way the paralysed man would have stayed lying where he was, and the woman would have remained outside the crowd. She came, stain and all, and touched the hem of His garment. Will you then always remain standing in the outer court?
Esther went in to the king with her life in her hand, and the sceptre was held out to her. How much more may you, with all your sins and discouragement, come to the throne of grace, where the King of kings delights to show grace. Do not let shame hold you back. Sigh for the Spirit of prayer, and wherever He gives you even a little boldness, use it. Cast yourself at His feet and say, “I will not let Thee go, except Thou bless me.” Whoever comes like that will not perish.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y así entraré al rey, aunque no sea conforme a la ley; y si perezco, que perezca.
Ester 4:16
Cuando estamos en tinieblas, bajo angustia de conciencia, o cuando la culpa pesa dura y gravemente sobre el alma, estas cosas nos retienen, y deben retenernos mientras no sean quitadas, lejos del Señor. Pero ¿hemos de hacer caso siempre a estos enemigos de la paz de nuestra alma? ¿No hemos de abrirnos paso nunca entre la multitud? ¿Qué sucedió con el hombre que estuvo paralítico durante tantos años? Podría haber quedado para siempre tendido, impotente, sobre su lecho, si no hubiera sido llevado a la presencia de Jesús. ¿Y con la mujer que padecía flujo de sangre? Podría haberse quedado para siempre en las orillas de la multitud, una pobre miserable, contaminada y condenada por sí misma. Pero se abrió paso entre la multitud y llegó a tocar el borde del manto de Jesús.
Así es con nosotros. ¿Habitaremos siempre en las afueras, en el atrio exterior del templo? ¿Andaremos solamente alrededor de los muros de Sion y nos detendremos a sus puertas, o nos atreveremos a entrar en el lugar santísimo mismo? ¿Haremos como Caín, echados fuera por el temor, y saldremos de la presencia del Señor? ¿O, con todos nuestros pecados y desalientos, nos acercaremos aún? El apóstol nos anima a acercarnos con santa confianza al trono de la gracia, y a atrevernos a entrar en la presencia del Rey de reyes.
Ester se habría arruinado a sí misma y a toda su nación si hubiera cedido a la debilidad de la carne; pero dijo: “Entraré al rey; y si perezco, que perezca”. Entró con esa resolución. El rey extendió el cetro; Ester lo tocó, y ella y el pueblo fueron salvos.
Así es en la gracia. ¿Nos mantendremos siempre lejos por causa de la culpa, del pecado y de la vergüenza? Ahora bien, el Espíritu Santo no solo nos anima en la Palabra de verdad, sino que Él mismo, de tiempo en tiempo, nos capacita para acercarnos. Y cuando nos acercamos bajo Sus operaciones divinas, sentimos la bienaventuranza de hacerlo. Se da libertad, acceso, santa franqueza, un espíritu de oración, poder para asirse de Dios, para luchar por la bendición, y a veces para agonizar con fervientes suspiros y gemidos y con la energía de uno de antaño: “No te dejaré, si no me bendices”.
Al lector…
Quizá usted se mantiene a distancia, querido lector, porque su culpa le oprime tanto y su corazón está tan oscuro. Piensa: primero esto tiene que irse, y entonces me atreveré a acercarme. Pero de ese modo el paralítico se habría quedado tendido donde estaba, y la mujer habría permanecido fuera de la multitud. Ella vino, con mancha y todo, y tocó el borde de Su manto. ¿Se quedará usted entonces siempre de pie en el atrio exterior?
Ester entró al rey con su vida en la mano, y le fue extendido el cetro. Cuánto más puede usted, con todos sus pecados y desalientos, venir al trono de la gracia, donde el Rey de reyes se deleita en mostrar gracia. No deje que la vergüenza le detenga. Suspire por el Espíritu de oración, y dondequiera que Él le dé aunque sea un poco de confianza, úsela. Échese a Sus pies y diga: “No te dejaré, si no me bendices”. Quien viene así no perecerá.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Christus’ opstanding
Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding.
Filippensen 3:10
Nauwe omgang met Christus berust op drie dingen: Hem zien door het geloof, leven op Zijn leven en Zijn geopenbaarde aanwezigheid ervaren. Maar al deze drie dingen hangen af van Zijn opstanding en van bekend te zijn met de kracht ervan. Als opgestaan uit de doden, zien de heiligen Hem; als opgestaan uit de doden, openbaart Hij Zichzelf aan hen. En als er leven en gevoel in hun ziel opkomt door de heerlijke omgang met Hem, wordt de kracht van Zijn opstanding in hen kenbaar.
De heilige mensheid van onze gezegende Heere, zoals gezien door het geloof, heeft een gunstige uitwerking op het aantrekken van de ziel naar Hemzelf toe. We kunnen geen omgang met zuivere Godheid hebben. Onze gevallen staat en ellendige toestand als schuldige zondaren heeft die weg voor altijd afgesloten. Maar door de zuivere mensheid van onze aanbiddelijke Verlosser, verenigd met Zijn eeuwige Godheid, te zien door het geloof, kunnen we nu in alle heilige vrijmoedigheid dichter tot God komen.
Het bloed van Jezus verschaft ons toegang binnen het voorhangsel, zoals de apostel bepleit: „Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, op een verse en levende weg, welke Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees; en dewijl wij hebben een grote Priester over het huis Gods; zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water” (Hebr. 10:19-22). En nogmaals: „Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden. Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde” (Hebr. 4:14-15).
Lezen: 1 Timotheus 2
Aan de lezer…
Verlangt u, lezer, naar nauwe omgang met de Heere, maar voelt u tegelijk dat u als schuldige zondaar geen toegang tot Hem hebt? Dat is waar, als u aan de heilige God op zichzelf denkt; onze gevallen staat heeft die weg voor altijd afgesloten. Maar er is een nieuwe en levende weg ingewijd door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees. In de heilige mensheid van de opgestane Verlosser, verenigd met Zijn eeuwige Godheid, komt God tot ons en mogen wij tot Hem naderen.
Laat u dan niet terughouden door uw zwakheid. Wij hebben een grote Hogepriester, Die medelijden kan hebben met onze zwakheden, omdat Hij in alle dingen verzocht is geweest, doch zonder zonde. Het bloed van Jezus geeft vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom. Treed dan toe met een waarachtig hart. Hij leeft, Hij ziet u, en Hij wil Zichzelf aan u openbaren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding.
Filippensen 3:10
Nauwe omgang met Christus berust op drie dingen: Hem zien door het geloof, leven uit Zijn leven en Zijn geopenbaarde tegenwoordigheid ervaren. Maar alle drie hangen ze af van Zijn opstanding en van het kennen van haar kracht. Als de uit de doden Opgestane zien de heiligen Hem; als de uit de doden Opgestane openbaart Hij Zichzelf aan hen. En wanneer er door de heerlijke omgang met Hem leven en gevoel in hun ziel opkomen, wordt de kracht van Zijn opstanding in hen kenbaar.
De heilige mensheid van onze gezegende Heere, gezien door het geloof, heeft een gezegende uitwerking: zij trekt de ziel naar Hem toe. We kunnen geen omgang hebben met de Godheid op zichzelf. Onze gevallen staat en ellendige toestand als schuldige zondaren hebben die weg voor altijd afgesloten. Maar wanneer we door het geloof de reine mensheid van onze aanbiddelijke Verlosser zien, verenigd met Zijn eeuwige Godheid, kunnen we nu met heilige vrijmoedigheid dichter tot God naderen.
Het bloed van Jezus geeft ons toegang binnen het voorhangsel, zoals de apostel betoogt: „Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, op een verse en levende weg, welke Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees; en dewijl wij hebben een grote Priester over het huis Gods; zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water” (Hebr. 10:19-22). En ook: „Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden. Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde” (Hebr. 4:14-15).
Lezen: 1 Timotheus 2
Aan de lezer…
Verlangt u, lezer, naar nauwe omgang met de Heere, maar voelt u tegelijk dat u als schuldige zondaar geen toegang tot Hem hebt? Dat is waar, als u aan de heilige God op zichzelf denkt; onze gevallen staat heeft die weg voor altijd afgesloten. Maar er is een verse en levende weg ingewijd door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees. In de heilige mensheid van de opgestane Verlosser, verenigd met Zijn eeuwige Godheid, komt God tot ons en mogen wij tot Hem naderen.
Laat u dan niet tegenhouden door uw zwakheid. Wij hebben een grote Hogepriester, Die medelijden kan hebben met onze zwakheden, omdat Hij in alle dingen verzocht is geweest, maar zonder zonde. Het bloed van Jezus geeft vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom. Ga dan toe met een waarachtig hart. Hij leeft, Hij ziet u, en Hij wil Zichzelf aan u openbaren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That I may know Him, and the power of His resurrection.
Philippians 3:10
Close communion with Christ rests upon three things: seeing Him by faith, living upon His life, and feeling His manifested presence. But all three depend upon His resurrection and upon knowing its power. As the One risen from the dead the saints see Him; as the One risen from the dead He manifests Himself to them. And when life and feeling arise in their soul through sweet communion with Him, the power of His resurrection is known in them.
The holy humanity of our blessed Lord, viewed by faith, has a blessed effect: it draws the soul to Him. We cannot have communion with the Godhead in itself. Our fallen state and wretched condition as guilty sinners have for ever closed that way. But when by faith we see the pure humanity of our adorable Redeemer, united with His eternal Godhead, we can now draw nearer to God with holy boldness.
The blood of Jesus gives us access within the veil, as the apostle argues: “Having therefore, brethren, boldness to enter into the holiest by the blood of Jesus, by a new and living way, which He hath consecrated for us, through the veil, that is to say, His flesh; and having an High Priest over the house of God; let us draw near with a true heart in full assurance of faith, having our hearts sprinkled from an evil conscience, and our bodies washed with pure water” (Hebrews 10:19-22). And again, “Seeing then that we have a great High Priest, that is passed into the heavens, Jesus the Son of God, let us hold fast our profession. For we have not an High Priest which cannot be touched with the feeling of our infirmities; but was in all points tempted like as we are, yet without sin” (Hebrews 4:14,15).
Reading: 1 Timothy 2
To the reader…
Do you long, dear reader, for close communion with the Lord, yet feel at the same time that as a guilty sinner you have no access to Him? That is true, if you think of the holy God in Himself; our fallen state has closed that way for ever. But there is a new and living way consecrated through the veil, that is to say, His flesh. In the holy humanity of the risen Redeemer, united with His eternal Godhead, God comes to us and we may draw near to Him.
Do not let your weakness hold you back, then. We have a great High Priest, Who can be touched with the feeling of our infirmities, because He was in all points tempted, yet without sin. The blood of Jesus gives boldness to enter into the holiest. Draw near, then, with a true heart. He lives, He sees you, and He is willing to reveal Himself to you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
A fin de conocerle, y la virtud de Su resurrección.
Filipenses 3:10
La íntima comunión con Cristo descansa en tres cosas: verle por la fe, vivir de Su vida y sentir Su presencia manifestada. Pero las tres dependen de Su resurrección y de conocer su poder. Como el Resucitado de entre los muertos le ven los santos; como el Resucitado de entre los muertos se manifiesta Él a ellos. Y cuando por la dulce comunión con Él brotan vida y sentimiento en su alma, se conoce en ellos el poder de Su resurrección.
La santa humanidad de nuestro bendito Señor, contemplada por la fe, tiene un efecto bendito: atrae el alma hacia Él. No podemos tener comunión con la Deidad en sí misma. Nuestro estado caído y nuestra miserable condición de pecadores culpables han cerrado ese camino para siempre. Pero cuando por la fe vemos la pura humanidad de nuestro adorable Redentor, unida a Su Deidad eterna, podemos ahora acercarnos a Dios con santa confianza.
La sangre de Jesús nos da acceso detrás del velo, como argumenta el apóstol: “Así que, hermanos, teniendo libertad para entrar en el santuario por la sangre de Jesucristo, por el camino que Él nos consagró nuevo y vivo, por el velo, esto es, por Su carne; y teniendo un gran Sacerdote sobre la casa de Dios, lleguémonos con corazón verdadero, en plena certidumbre de fe, purificados los corazones de mala conciencia, y lavados los cuerpos con agua limpia” (Hebreos 10:19-22). Y también: “Por tanto, teniendo un gran Pontífice, que penetró los cielos, Jesús el Hijo de Dios, retengamos nuestra profesión. Porque no tenemos un Pontífice que no se pueda compadecer de nuestras flaquezas; mas tentado en todo según nuestra semejanza, pero sin pecado” (Hebreos 4:14, 15).
Lectura: 1 Timoteo 2
Al lector…
¿Anhela usted, querido lector, una íntima comunión con el Señor, y siente al mismo tiempo que como pecador culpable no tiene acceso a Él? Eso es cierto, si piensa en el Dios santo en Sí mismo; nuestro estado caído ha cerrado ese camino para siempre. Pero hay un camino nuevo y vivo consagrado por el velo, esto es, por Su carne. En la santa humanidad del Redentor resucitado, unida a Su Deidad eterna, Dios viene a nosotros y nosotros podemos acercarnos a Él.
No deje, pues, que su debilidad le detenga. Tenemos un gran Pontífice, que puede compadecerse de nuestras flaquezas, porque fue tentado en todo, pero sin pecado. La sangre de Jesús da libertad para entrar en el santuario. Acérquese, pues, con corazón verdadero. Él vive, Él le ve, y Él está dispuesto a revelarse a usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Maar al deze dingen, van het licht bestraft zijnde, worden openbaar; want al wat openbaar maakt is licht.
Efeze 5:13
Gevoel is de eerste gewaarwording van het bovennatuurlijk leven. Een gevoel, vergezeld van twee onderscheiden indrukken: de ene met opzicht op God, en de andere met opzicht op zichzelf. Dezelfde lichtstraal stelt twee tegenover elkander staande dingen in het licht; want al wat openbaar maakt is licht. En de zondaar ziet op één en hetzelfde ogenblik God en zichzelf, rechtvaardigheid en schuld, kracht en hulpeloosheid, een heilige wet en een verbroken gebod, eeuwigheid en tijd, de reinheid van de Schepper en de onreinheid van het schepsel. En deze dingen ziet hij niet slechts als geopenbaard in de Bijbel, maar als geopenbaard in zichzelf, als persoonlijke werkelijkheden, begrijpende in zich al zijn geluk of al zijn ellende in de tijd en in de eeuwigheid.
Dus is het met hem alsof hem een nieuw bestaan is medegedeeld, en alsof hij voor het eerst beseft had dat er een God is. Een straal van dit bovennatuurlijke licht, dringende door het deksel dat over het hart is uitgespreid, heeft dit vreselijke geheim ontdekt: een rechtvaardig God, Die geenszins de schuld door de vingers ziet. Deze doordringende straal brengt aan het licht dat het bed te kort en het deksel te smal is. Een plotselinge, bijzondere overtuiging werpt zich in de ziel. Deze dingen nemen alle gedachten in beslag en bijna alle andere dingen worden uitgebannen.
„Er is een God en ik ben een zondaar voor Hem,” wordt op de tafel des harten geschreven, door dezelfde vinger die de noodlottige letteren schreef op de muur van het paleis van de koning van Babel; een geschrift dat de banden zijner lendenen los maakte en zijn knieën tegen elkander deed aanstoten (Dan. 5:5, 6). Wat zal ik beginnen? Waar zal ik mij henen wenden? Wat zal er van mij worden? Gena, o God! Gena, gena! Ik ben verloren; ik verga! Monster dat ik ben! Ik heb mijn ziel verwoest; o mijn zonden, mijn zonden! O eeuwigheid, eeuwigheid!
Zulke en dergelijke uitroepen en gejammer, ofschoon in de diepte en hevigheid verschillend, stijgen uit de wedergeboren ziel bij de eerste ontdekking van God en zichzelf bijna dag en nacht op. Deze gewaarwordingen hebben het gehele hart zodanig ingenomen, dat het geen rust vinden kan dan alleen in het roepen tot God. Dit is het eerste doorbreken van de knop door de bast, de eerste vorming van de groene spruit, alsnog in haar bladeren ingewikkeld en nog niet zichtbaar. Dit zijn de eerste smarten en weeën der nieuwe geboorte, vóór het bericht wordt uitgezonden: „Er is een jongen geboren.” „Wat moet ik doen om zalig te worden?” riep de stokbewaarder uit. „O God! wees mij zondaar genadig!” schreeuwde de tollenaar. „Wee mij, want ik verga!” zo stortte Jesaja zijn klacht uit.
Aan de lezer…
Is het u misschien, lezer, alsof de grond onder u wegzakt nu u God en uzelf in hetzelfde licht ziet? Een rechtvaardig God, Die de schuld niet door de vingers ziet, en een hart dat u nooit zo vuil hebt gekend? Ontdekt u dat het bed te kort en het deksel te smal is, en vindt u geen rust dan alleen in het roepen: „Gena, o God”? Schrik daar niet van alsof het een teken van verwerping is.
Want al wat openbaar maakt is licht, en dat licht komt van boven. Een dood hart voelt dit niet en roept niet. Wat u nu doormaakt, kan het eerste doorbreken van de knop door de bast zijn, de eerste smarten van de nieuwe geboorte. Blijf dan roepen met de tollenaar: „O God, wees mij zondaar genadig!” Die u Zijn heiligheid en uw schuld heeft doen zien, heeft dat niet gedaan om u in de nacht te laten, maar om u te leren roepen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar al deze dingen, van het licht bestraft zijnde, worden openbaar; want al wat openbaar maakt is licht.
Efeze 5:13
Gevoel is de eerste gewaarwording van het bovennatuurlijke leven. Het is een gevoel dat gepaard gaat met twee verschillende indrukken: de ene met betrekking tot God, de andere met betrekking tot zichzelf. Dezelfde lichtstraal zet twee tegenover elkaar staande dingen in het licht, want al wat openbaar maakt is licht. Op één en hetzelfde ogenblik ziet de zondaar God en zichzelf, rechtvaardigheid en schuld, kracht en hulpeloosheid, een heilige wet en een overtreden gebod, eeuwigheid en tijd, de reinheid van de Schepper en de onreinheid van het schepsel. En deze dingen ziet hij niet alleen als geopenbaard in de Bijbel, maar als geopenbaard in zichzelf, als persoonlijke werkelijkheden, waarin al zijn geluk of al zijn ellende in de tijd en in de eeuwigheid besloten ligt.
Het is voor hem dan alsof hem een nieuw bestaan is gegeven, en alsof hij voor het eerst beseft dat er een God is. Een straal van dit bovennatuurlijke licht is door het deksel heen gedrongen dat over het hart ligt uitgespreid, en heeft dit vreselijke geheim ontdekt: een rechtvaardig God, Die de schuld geenszins door de vingers ziet. Deze doordringende straal brengt aan het licht dat het bed te kort is en het deksel te smal. Een plotselinge, bijzondere overtuiging grijpt de ziel aan. Deze dingen nemen alle gedachten in beslag en bijna al het andere wordt verdrongen.
„Er is een God en ik ben een zondaar voor Hem,” wordt op de tafel van het hart geschreven, door dezelfde vinger die de noodlottige letters schreef op de muur van het paleis van de koning van Babel; een schrift dat de banden van zijn lendenen losmaakte en zijn knieën tegen elkaar deed slaan (Dan. 5:5, 6). Wat moet ik beginnen? Waar moet ik heen? Wat zal er van mij worden? Genade, o God! Genade, genade! Ik ben verloren; ik verga! Wat een gruwel ben ik! Ik heb mijn ziel verwoest; o, mijn zonden, mijn zonden! O eeuwigheid, eeuwigheid!
Zulke en soortgelijke uitroepen en klachten, al verschillen zij in diepte en hevigheid, stijgen bij de eerste ontdekking van God en zichzelf bijna dag en nacht op uit de wedergeboren ziel. Deze gewaarwordingen hebben het hele hart zo in beslag genomen dat het nergens rust kan vinden dan alleen in het roepen tot God. Dit is het eerste doorbreken van de knop door de bast, de eerste vorming van de groene spruit, nog in haar bladeren gewikkeld en nog niet zichtbaar. Dit zijn de eerste smarten en weeën van de nieuwe geboorte, voordat het bericht uitgaat: „Er is een jongen geboren.” „Wat moet ik doen om zalig te worden?” riep de stokbewaarder uit. „O God! wees mij zondaar genadig!” riep de tollenaar. „Wee mij, want ik verga!” zo stortte Jesaja zijn klacht uit.
Aan de lezer…
Is het u misschien alsof de grond onder u wegzakt nu u God en uzelf in hetzelfde licht ziet? Een rechtvaardig God, Die de schuld niet door de vingers ziet, en een hart dat u nooit zo vuil hebt gekend? Ontdekt u dat het bed te kort is en het deksel te smal, en vindt u geen rust dan alleen in het roepen: „Genade, o God”? Schrik daar niet van alsof het een teken van verwerping is.
Want al wat openbaar maakt is licht, en dat licht komt van boven. Een dood hart voelt dit niet en roept niet. Wat u nu doormaakt, kan het eerste doorbreken van de knop door de bast zijn, de eerste smarten van de nieuwe geboorte. Blijf dan roepen met de tollenaar: „O God, wees mij zondaar genadig!” Hij Die u Zijn heiligheid en uw schuld heeft laten zien, heeft dat niet gedaan om u in de nacht te laten, maar om u te leren roepen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“But all things that are reproved are made manifest by the light: for whatsoever doth make manifest is light.”
Ephesians 5:13
Feeling is the first evidence of supernatural life; a feeling compounded of two distinct sensations, one referring to God, and the other referring to self. The same ray of light has manifested two opposite things, “for that which makes manifest is light;” and the sinner sees at one and the same moment God and self, justice and guilt, power and helplessness, a holy law and a broken commandment, eternity and time, the purity of the Creator and the filthiness of the creature. And these things he sees, not merely as declared in the Bible, but as revealed in himself as personal realities, involving all his happiness or all his misery in time and in eternity.
Thus it is with him as though a new existence had been communicated, and as if for the first time he had found there was a God. One ray of supernatural light, penetrating through the veil spread over the heart, has revealed that dreadful secret—a just God, Who will by no means clear the guilty. This piercing ray has torn away the bed too short, and stripped off the covering too narrow. A sudden, peculiar conviction has rushed into the soul. One absorbing feeling has seized fast hold of it, and well-near banished every other. “There is a God, and I am a sinner before Him,” is written upon the heart by the same divine finger that traced those fatal letters on the palace wall of the king of Babylon, which made the joints of his loins to be loosed, and his knees to smite one against another (Dan. 5:5, 6).
“What shall I do? Where shall I go? What will become of me? Mercy, O God! Mercy, mercy! I am lost, ruined, undone! Fool, madman, wretch, monster that I have been! I have ruined my soul. O my sins, my sins! O eternity, eternity!” Such and similar cries and groans, though differing in depth and intensity, go up out of the new-born soul well-near day and night at the first discovery of God and of itself. These feelings have taken such complete possession of the heart that it can find no rest except in calling upon God.
This is the first pushing of the young bud through the bark, the first formation of the green shoot, wrapped up as yet in its leaves, and not opened to view. These are the first pangs and throes of the new birth, before the tidings are brought, “A man-child is born.” “What shall I do to be saved?” cried the jailer. “God be merciful to me a sinner!” exclaimed the tax-collector. “Woe is me, for I am undone!” burst forth from the lips of Isaiah.
To the reader…
Does it perhaps feel as if the ground is giving way beneath you now that you see God and yourself in the same light? A just God, Who will by no means clear the guilty, and a heart you have never known to be so foul? Do you discover that the bed is too short and the covering too narrow, and do you find no rest except in crying, “Mercy, O God”? Do not be alarmed by it as if it were a sign of rejection.
For whatsoever doth make manifest is light, and that light comes from above. A dead heart does not feel this and does not cry out. What you are going through now may be the first pushing of the bud through the bark, the first pangs of the new birth. Keep on crying, then, with the publican: “God be merciful to me a sinner!” He Who has shown you His holiness and your guilt has not done so to leave you in the night, but to teach you to cry.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas todas las cosas cuando son redargüidas, son manifestadas por la luz; porque lo que manifiesta todo, es la luz.
Efesios 5:13
El sentir es la primera evidencia de la vida sobrenatural; un sentir compuesto de dos sensaciones distintas, una que se refiere a Dios y otra que se refiere al yo. El mismo rayo de luz ha manifestado dos cosas opuestas, “porque lo que manifiesta todo, es la luz”; y el pecador ve en un mismo momento a Dios y a sí mismo, la justicia y la culpa, el poder y la impotencia, una ley santa y un mandamiento quebrantado, la eternidad y el tiempo, la pureza del Creador y la inmundicia de la criatura. Y estas cosas las ve, no meramente como declaradas en la Biblia, sino como reveladas en sí mismo como realidades personales, que implican toda su felicidad o toda su miseria en el tiempo y en la eternidad.
Así le sucede como si se le hubiera comunicado una existencia nueva, y como si por primera vez hubiera descubierto que hay un Dios. Un solo rayo de luz sobrenatural, penetrando a través del velo extendido sobre el corazón, ha revelado aquel terrible secreto: un Dios justo, que de ningún modo tendrá al culpado por inocente. Este rayo penetrante ha arrancado la cama demasiado angosta y ha quitado la cubierta demasiado estrecha. Una convicción repentina y singular ha irrumpido en el alma. Un solo sentir absorbente se ha apoderado firmemente de ella y casi ha desterrado todos los demás. “Hay un Dios, y yo soy un pecador delante de Él”: esto queda escrito en el corazón por el mismo dedo divino que trazó aquellas letras fatales en la pared del palacio del rey de Babilonia, que hicieron que se le desciñeran los lomos y que sus rodillas se batieran la una con la otra (Daniel 5:5, 6).
“¿Qué haré? ¿Adónde iré? ¿Qué será de mí? ¡Misericordia, oh Dios! ¡Misericordia, misericordia! ¡Estoy perdido, arruinado, deshecho! ¡Necio, insensato, miserable, monstruo que he sido! He arruinado mi alma. ¡Oh mis pecados, mis pecados! ¡Oh eternidad, eternidad!” Tales clamores y gemidos, y otros semejantes, aunque difieran en profundidad e intensidad, suben del alma recién nacida casi día y noche en el primer descubrimiento de Dios y de sí misma. Estos sentimientos se han apoderado tan completamente del corazón que este no halla descanso sino en invocar a Dios.
Este es el primer brotar de la yema joven a través de la corteza, la primera formación del retoño verde, envuelto todavía en sus hojas y no abierto a la vista. Estos son los primeros dolores y angustias del nuevo nacimiento, antes de que se traiga la noticia: “Hijo varón ha nacido.” “¿Qué es menester que yo haga para ser salvo?”, clamó el carcelero. “Dios, sé propicio a mí pecador”, exclamó el publicano. “¡Ay de mí, que soy muerto!”, brotó de los labios de Isaías.
Al lector…
¿Le parece quizá que el suelo cede bajo sus pies ahora que ve a Dios y a sí mismo en la misma luz? ¿Un Dios justo, que de ningún modo tendrá al culpado por inocente, y un corazón que nunca había conocido tan inmundo? ¿Descubre que la cama es demasiado angosta y la cubierta demasiado estrecha, y no halla descanso sino en clamar: “Misericordia, oh Dios”? No se alarme por ello como si fuera una señal de rechazo.
Porque lo que manifiesta todo es la luz, y esa luz viene de lo alto. Un corazón muerto no siente esto ni clama. Lo que usted está pasando ahora puede ser el primer brotar de la yema a través de la corteza, los primeros dolores del nuevo nacimiento. Siga, pues, clamando con el publicano: “¡Dios, sé propicio a mí pecador!” Aquel que le ha mostrado Su santidad y su culpa no lo ha hecho para dejarle en la noche, sino para enseñarle a clamar.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl