April 15
En alzo zal ik tot de koning ingaan, hetwelk niet naar de wet is; wanneer ik dan omkom, zo kom ik om.
Esther 4:16
Wanneer wij in duisternis zijn, onder gewetensangst, of wanneer de schuld hard en zwaar op de ziel drukt, moeten al deze dingen ons van de Heere afhouden tot zij zijn weggenomen. Maar moeten wij ooit op die vijanden onzer ziel acht geven? Moeten wij nooit door de menigte doordringen?
Hoe was het met de man die zoveel jaren lam was geweest? Hij zou altijd hulpeloos op zijn leger hebben moeten blijven liggen, zo hij niet in de tegenwoordigheid van Jezus gebracht ware. Hoe was het met de vrouw met de vloeiing des bloeds? Zij zou altijd daar buiten de schare hebben moeten toeven, als een arme, bevlekte, veroordeelde zondares. Maar zij drong door de menigte heen, totdat zij slechts de zoom van Jezus’ kleed had aangeraakt. Zo is het ook met ons.
Moeten wij altijd daarbuiten, in de voorhof des tempels, blijven? Zullen wij alleen wandelen om de bolwerken van Zion en aan haar poorten wachten, of zullen wij het wagen het heilige in te gaan? Zullen wij, door vrees gedreven, doen gelijk Kaïn, en ’s Heeren aangezicht ontvluchten? Of zullen wij, met al onze zonden en moedeloosheid, toch naderbij komen? De apostel moedigt ons aan om met heilige vrijmoedigheid tot de troon der genade te komen, en het te wagen in de tegenwoordigheid van de Koning der koningen te verschijnen.
Esther zou zich en haar gehele volk in het verderf hebben gestort, zo zij aan de zwakheid des vleses gehoor gegeven had; maar zij zeide: „Ik zal tot de koning ingaan, en wanneer ik dan omkom, zo kom ik om.” Met dit besluit ging zij tot de koning in. De koning reikte haar de scepter, Esther raakte die aan, en zij en haar volk waren gered. Zo is het ook in de genade.
Zullen wij ons altijd door schuld, zonde en schaamte laten terughouden? Nu moedigt niet alleen de Heilige Geest ons aan het Woord der waarheid, maar Hij Zelf stelt ons nu en dan in staat toe te treden. En zo wij toetreden onder Zijn Goddelijke werking, voelen wij er dadelijk de zegen van. De vrijheid, de toegang, de heilige vrijmoedigheid, de Geest des gebeds, de kracht om God vast te houden, om te worstelen om een zegen, is ons gegeven, en ook somtijds om met ernstige zuchten en klagen en met de kracht van ouds in doodsangst uit te roepen: „Ik laat U niet gaan, vóór Gij mij zegent.”
Ps. 61:1 berijmd
Aan de lezer…
Misschien houdt u zich op een afstand, lezer, omdat de schuld zo zwaar drukt en het hart zo donker is. U denkt: eerst moet dit weg, dan durf ik te naderen. Maar zo bleef de lamme liggen en zo zou de vrouw buiten de schare zijn gebleven. Zij kwam met haar vlek en al, en raakte de zoom van Zijn kleed aan. Zult u dan altijd in de voorhof blijven staan?
Esther ging tot de koning in met het leven in haar hand, en de scepter werd haar toegereikt. Hoeveel te meer mag u, met al uw zonden en moedeloosheid, tot de troon der genade komen, waar de Koning der koningen genade wil bewijzen. Laat u niet door schaamte terughouden. Zucht om de Geest des gebeds, en waar Hij u maar een weinig vrijmoedigheid geeft, gebruik die. Werp u aan Zijn voeten en zeg: „Ik laat U niet gaan, vóór Gij mij zegent.” Wie zo komt, komt niet om.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En alzo zal ik tot de koning ingaan, hetwelk niet naar de wet is; wanneer ik dan omkom, zo kom ik om.
Esther 4:16
Wanneer wij in duisternis zijn, onder gewetensangst, of wanneer de schuld hard en zwaar op de ziel drukt, dan moeten al deze dingen ons van de Heere afhouden totdat zij weggenomen zijn. Maar moeten wij wel ooit acht geven op die vijanden van onze ziel? Moeten wij dan nooit door de menigte heendringen?
Hoe was het met de man die zoveel jaren verlamd was geweest? Hij zou altijd hulpeloos op zijn bed hebben moeten blijven liggen, als hij niet in de tegenwoordigheid van Jezus gebracht was. Hoe was het met de vrouw met de bloedvloeiing? Zij zou altijd daar buiten de schare hebben moeten blijven, als een arme, bevlekte, veroordeelde zondares. Maar zij drong door de menigte heen, totdat zij ook maar de zoom van Jezus’ kleed had aangeraakt. Zo is het ook met ons.
Moeten wij altijd daarbuiten blijven, in de voorhof van de tempel? Zullen wij alleen rondom de bolwerken van Sion wandelen en aan haar poorten wachten, of zullen wij het wagen het heiligdom binnen te gaan? Zullen wij, door vrees gedreven, doen zoals Kaïn en het aangezicht van de Heere ontvluchten? Of zullen wij, met al onze zonden en moedeloosheid, toch dichterbij komen? De apostel moedigt ons aan om met heilige vrijmoedigheid tot de troon van de genade te gaan, en het te wagen in de tegenwoordigheid van de Koning der koningen te verschijnen.
Esther zou zichzelf en haar hele volk in het verderf hebben gestort, als zij aan de zwakheid van het vlees had toegegeven. Maar zij zei: „Ik zal tot de koning ingaan, en wanneer ik dan omkom, zo kom ik om.” Met dit besluit ging zij tot de koning in. De koning reikte haar de scepter toe, Esther raakte die aan, en zij en haar volk waren gered. Zo is het ook in het rijk van de genade.
Zullen wij ons altijd laten tegenhouden door schuld, zonde en schaamte? De Heilige Geest moedigt ons niet alleen aan door het Woord van de waarheid, maar Hij stelt ons ook Zelf nu en dan in staat om toe te treden. En wanneer wij onder Zijn Goddelijke werking toetreden, voelen wij er direct de zegen van. De vrijheid, de toegang, de heilige vrijmoedigheid, de Geest van het gebed, de kracht om God vast te houden en om een zegen te worstelen: dat alles wordt ons gegeven. Soms ook de kracht om met ernstige zuchten en klachten, en met de kracht van weleer, in doodsangst uit te roepen: „Ik laat U niet gaan, vóór Gij mij zegent.”
Ps. 61:1 berijmd
Aan de lezer…
Misschien houdt u zich op een afstand, lezer, omdat de schuld zo zwaar drukt en uw hart zo donker is. U denkt: eerst moet dit weg, dan durf ik te naderen. Maar zo zou de verlamde zijn blijven liggen, en zo zou de vrouw buiten de schare zijn gebleven. Zij kwam met haar vlek en al, en raakte de zoom van Zijn kleed aan. Zult u dan altijd in de voorhof blijven staan?
Esther ging tot de koning in met haar leven in haar hand, en de scepter werd haar toegereikt. Hoeveel te meer mag u, met al uw zonden en moedeloosheid, tot de troon van de genade komen, waar de Koning der koningen genade wil bewijzen. Laat u niet door schaamte tegenhouden. Zucht om de Geest van het gebed, en waar Hij u maar een beetje vrijmoedigheid geeft, gebruik die. Werp u aan Zijn voeten en zeg: „Ik laat U niet gaan, vóór Gij mij zegent.” Wie zo komt, komt niet om.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And so will I go in unto the king, which is not according to the law: and if I perish, I perish.
Esther 4:16
When we are in darkness, under distress of conscience, or when guilt lies hard and heavy upon the soul, these things do, and must until removed, keep us back from the Lord. But are we ever to give heed to these enemies of our soul’s peace? Are we never to press through the crowd? How was it with the man who was paralyzed for so many years? He might forever have lain helpless upon his bed, had he not been brought into the presence of Jesus. How with the woman with the issue of blood? She might forever have tarried on the skirts of the crowd, a poor, polluted, self-condemned wretch. But she pressed through the crowd, and got to touch the hem of Jesus’ garment.
So with us. Shall we ever dwell in the outskirts—in the outer court of the temple? Shall we merely walk round Zion’s walls and tarry at her doors, or shall we venture into the holiest itself? Shall we, driven out by fear, act like Cain, and go out from the presence of the Lord? Or shall we, with all our sins and discouragements, still draw near? The Apostle encourages us to come with holy boldness to the throne of grace, and to venture into the presence of the King of kings.
Esther would have ruined herself and all her nation had she given way to the weakness of the flesh; but she said, “I will go in unto the king; and if I perish, I perish.” She went in with that resolution. The king held forth the scepter; Esther touched it, and she and the people were saved.
So in grace. Shall we ever keep away through guilt, and sin, and shame? Now the Holy Spirit not only in the Word of truth, encourages, but He Himself from time to time enables us to draw near. And when we draw near under His divine operations, we feel the blessedness of so doing. Liberty is given, access, holy freedom, a spirit of prayer, power to take hold of God, to wrestle for the blessing, and sometimes to agonize with earnest sighs and groans and the energy of one of old—“I will not let you go except you bless me.”
To the reader…
Perhaps you keep your distance, dear reader, because your guilt presses so heavily and your heart is so dark. You think: first this must go, and then I will dare to draw near. But in that way the paralysed man would have stayed lying where he was, and the woman would have remained outside the crowd. She came, stain and all, and touched the hem of His garment. Will you then always remain standing in the outer court?
Esther went in to the king with her life in her hand, and the sceptre was held out to her. How much more may you, with all your sins and discouragement, come to the throne of grace, where the King of kings delights to show grace. Do not let shame hold you back. Sigh for the Spirit of prayer, and wherever He gives you even a little boldness, use it. Cast yourself at His feet and say, “I will not let Thee go, except Thou bless me.” Whoever comes like that will not perish.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y así entraré al rey, aunque no sea conforme a la ley; y si perezco, que perezca.
Ester 4:16
Cuando estamos en tinieblas, bajo angustia de conciencia, o cuando la culpa pesa dura y gravemente sobre el alma, estas cosas nos retienen, y deben retenernos mientras no sean quitadas, lejos del Señor. Pero ¿hemos de hacer caso siempre a estos enemigos de la paz de nuestra alma? ¿No hemos de abrirnos paso nunca entre la multitud? ¿Qué sucedió con el hombre que estuvo paralítico durante tantos años? Podría haber quedado para siempre tendido, impotente, sobre su lecho, si no hubiera sido llevado a la presencia de Jesús. ¿Y con la mujer que padecía flujo de sangre? Podría haberse quedado para siempre en las orillas de la multitud, una pobre miserable, contaminada y condenada por sí misma. Pero se abrió paso entre la multitud y llegó a tocar el borde del manto de Jesús.
Así es con nosotros. ¿Habitaremos siempre en las afueras, en el atrio exterior del templo? ¿Andaremos solamente alrededor de los muros de Sion y nos detendremos a sus puertas, o nos atreveremos a entrar en el lugar santísimo mismo? ¿Haremos como Caín, echados fuera por el temor, y saldremos de la presencia del Señor? ¿O, con todos nuestros pecados y desalientos, nos acercaremos aún? El apóstol nos anima a acercarnos con santa confianza al trono de la gracia, y a atrevernos a entrar en la presencia del Rey de reyes.
Ester se habría arruinado a sí misma y a toda su nación si hubiera cedido a la debilidad de la carne; pero dijo: “Entraré al rey; y si perezco, que perezca”. Entró con esa resolución. El rey extendió el cetro; Ester lo tocó, y ella y el pueblo fueron salvos.
Así es en la gracia. ¿Nos mantendremos siempre lejos por causa de la culpa, del pecado y de la vergüenza? Ahora bien, el Espíritu Santo no solo nos anima en la Palabra de verdad, sino que Él mismo, de tiempo en tiempo, nos capacita para acercarnos. Y cuando nos acercamos bajo Sus operaciones divinas, sentimos la bienaventuranza de hacerlo. Se da libertad, acceso, santa franqueza, un espíritu de oración, poder para asirse de Dios, para luchar por la bendición, y a veces para agonizar con fervientes suspiros y gemidos y con la energía de uno de antaño: “No te dejaré, si no me bendices”.
Al lector…
Quizá usted se mantiene a distancia, querido lector, porque su culpa le oprime tanto y su corazón está tan oscuro. Piensa: primero esto tiene que irse, y entonces me atreveré a acercarme. Pero de ese modo el paralítico se habría quedado tendido donde estaba, y la mujer habría permanecido fuera de la multitud. Ella vino, con mancha y todo, y tocó el borde de Su manto. ¿Se quedará usted entonces siempre de pie en el atrio exterior?
Ester entró al rey con su vida en la mano, y le fue extendido el cetro. Cuánto más puede usted, con todos sus pecados y desalientos, venir al trono de la gracia, donde el Rey de reyes se deleita en mostrar gracia. No deje que la vergüenza le detenga. Suspire por el Espíritu de oración, y dondequiera que Él le dé aunque sea un poco de confianza, úsela. Échese a Sus pies y diga: “No te dejaré, si no me bendices”. Quien viene así no perecerá.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl