6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Opdat ik Christus moge gewinnen.
Filippenzen 3:8
Wat is het, „Christus gewinnen”? Het is Hem zacht omvat te houden met de armen van ons geloof. Het is Zijn hemelse heerlijkheid in onze zielen geopenbaard te gevoelen. Het is de toepassing van Zijn verzoenend bloed in zijn reinigende kracht aan ons geweten te bezitten. Het is ons hart te voelen smelten en bezwijmen door de zoete verrukking Zijner stervende liefde, tot overweldigens toe uitgestort. Dat is Christus gewinnen.
Vóórdat wij nu Christus aldus kunnen gewinnen, moeten wij een gezicht van Christus hebben; wij moeten Zijn heerlijkheid aanschouwen, de heerlijkheid van de eengeboren Zoon des Vaders, vol van genade en waarheid. Wij moeten de weergaloze waardigheid zien van Zijn verheven Persoon; de verzoenende kracht van Zijn geofferd bloed; de lengte en breedte, de diepte en hoogte Zijner alles overtreffende liefde. Ons hart moet gereed zijn te bezwijken van sterk verlangen; hijgen en vurig begeren dat die gezegende Immanuël van de hemel der hemelen, waar Hij woont binnen de voorhang, nederdale in ons hart en daar Zijn kostbare stervende liefde uitstorte.
Is dat uw gevoel niet, kind van God? Het is het mijne bij herhaling geweest. Is dat niet uw gevoel, als gij te bed ligt, somtijds met een zoet en ernstig verlangen naar de Heere van leven en heerlijkheid? Wanneer gij langs de weg gaat, wanneer gij met uw dagelijkse bezigheden bezig zijt, wanneer gij in het verborgen peinst en overdenkt, gaan dan niet dikwijls die verlangens en zuchtingen uit tot in de boezem des Heeren? Maar dit kunt gij niet hebben, tenzij gij Hem gezien hebt met het oog van een verlicht verstand, met het oog des geloofs, en een smaak hebt gehad van Zijn schoonheid, een blik op Zijn heerlijkheid en een ontdekking van Zijn eeuwige dierbaarheid. Dit moet u in de ogen geschenen hebben, gelijk de lichtstralen door de vensters schijnen. Het moet in uw hart gedanst hebben, gelijk de zonnestralen op de golven der zee dansen. Gij moet een zoete inkomst gehad hebben van de stralen des eeuwigen lichts in uw ziel, die haar deden smelten en haar verbraken aan Zijn voetbank, gelijk de vroege dageraad de wolken des nachts doorbreekt. Wanneer gij dit hebt gevoeld, roept gij uit: „O, mocht ik Christus gewinnen!” Gelijk de vurige minnaar die verlangt zijn bruid te winnen, zo verlangt gij het genot te smaken Zijn liefde en tegenwoordigheid door de Heilige Geest in uw hart te zien uitgestort.
Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot,
o Heer, der legerscharen God,
zijn mij Uw huis en tempelzangen!
Hoe branden mijn genegenheên
om ’s Heeren voorhof in te treên.
Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen,
mijn hart roept uit tot God, Die leeft,
en aan mijn ziel het leven geeft!
Ps. 84:1
Aan de lezer…
Kind van God, kent u dat verlangen? Ligt u soms ’s nachts te bed met een zoet en ernstig zuchten naar de Heere van leven en heerlijkheid, en roept uw hart: „O, mocht ik Christus gewinnen!”? Schaam u dat verlangen niet, en denk niet dat het tevergeefs is. Wie Hem zo zoekt, heeft al iets gezien van de heerlijkheid van de eengeboren Zoon des Vaders, vol van genade en waarheid.
Blijf dan uitzien naar Hem, Die binnen de voorhang woont. Bid dat Hij nederdale in uw hart en daar Zijn kostbare stervende liefde uitstorte; dat u Hem met de armen des geloofs mag omvatten en de reinigende kracht van Zijn bloed aan uw geweten mag gevoelen. Zoals de vurige minnaar niet rust voordat hij zijn bruid gewonnen heeft, zo laat uw ziel niet rusten voordat zij Hem in Zijn liefde en tegenwoordigheid smaakt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat ik Christus moge gewinnen.
Filippenzen 3:8
Wat betekent het, „Christus gewinnen”? Het is Hem teder omvat houden met de armen van ons geloof. Het is Zijn hemelse heerlijkheid in onze ziel geopenbaard voelen. Het is de toepassing van Zijn verzoenend bloed in zijn reinigende kracht aan ons geweten bezitten. Het is ons hart voelen smelten en bezwijken door de zoete verrukking van Zijn stervende liefde, die overweldigend in ons wordt uitgestort. Dat is Christus gewinnen.
Voordat wij Christus zo kunnen gewinnen, moeten wij Christus gezien hebben. Wij moeten Zijn heerlijkheid aanschouwen, de heerlijkheid van de eniggeboren Zoon van de Vader, vol van genade en waarheid. Wij moeten de weergaloze waardigheid zien van Zijn verheven Persoon, de verzoenende kracht van Zijn geofferd bloed, de lengte en breedte, de diepte en hoogte van Zijn alles te boven gaande liefde. Ons hart moet op het punt staan te bezwijken van sterk verlangen. Het moet hijgen en vurig begeren dat die gezegende Immanuël neerdaalt uit de hemel der hemelen, waar Hij binnen het voorhangsel woont, in ons hart, en daar Zijn kostbare stervende liefde uitstort.
Is dat niet wat u voelt, kind van God? Ik heb het herhaaldelijk zo gevoeld. Voelt u dat niet als u in bed ligt, soms met een zoet en ernstig verlangen naar de Heere van leven en heerlijkheid? Wanneer u onderweg bent, wanneer u met uw dagelijkse werk bezig bent, wanneer u in stilte peinst en overdenkt, gaan dan niet vaak die verlangens en zuchten uit tot in de boezem van de Heere? Maar dit kunt u niet hebben als u Hem niet gezien hebt met het oog van een verlicht verstand, met het oog van het geloof, en als u niet iets geproefd hebt van Zijn schoonheid, een glimp hebt opgevangen van Zijn heerlijkheid en iets ontdekt hebt van Zijn eeuwige dierbaarheid. Dit moet u in de ogen geschenen hebben, zoals de lichtstralen door de vensters schijnen. Het moet in uw hart gedanst hebben, zoals de zonnestralen op de golven van de zee dansen. De stralen van het eeuwige licht moeten op een zoete manier uw ziel binnengekomen zijn, haar hebben doen smelten en haar hebben verbroken aan Zijn voetbank, zoals de vroege dageraad door de wolken van de nacht heen breekt. Wanneer u dit gevoeld hebt, roept u uit: „O, mocht ik Christus gewinnen!” Zoals een vurige minnaar ernaar verlangt zijn bruid te winnen, zo verlangt u ernaar het genot te smaken Zijn liefde en tegenwoordigheid door de Heilige Geest in uw hart uitgestort te zien.
Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot,
o Heer, der legerscharen God,
zijn mij Uw huis en tempelzangen!
Hoe branden mijn genegenheên
om ’s Heeren voorhof in te treên.
Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen,
mijn hart roept uit tot God, Die leeft,
en aan mijn ziel het leven geeft!
Ps. 84:1
Aan de lezer…
Kind van God, kent u dat verlangen? Ligt u soms ’s nachts in bed met een zoet en ernstig zuchten naar de Heere van leven en heerlijkheid, en roept uw hart: „O, mocht ik Christus gewinnen!”? Schaam u niet voor dat verlangen, en denk niet dat het tevergeefs is. Wie Hem zo zoekt, heeft al iets gezien van de heerlijkheid van de eniggeboren Zoon van de Vader, vol van genade en waarheid.
Blijf dan uitzien naar Hem, Die binnen het voorhangsel woont. Bid dat Hij neerdaalt in uw hart en daar Zijn kostbare stervende liefde uitstort, dat u Hem met de armen van het geloof mag omvatten en de reinigende kracht van Zijn bloed aan uw geweten mag voelen. Zoals een vurige minnaar niet rust voordat hij zijn bruid gewonnen heeft, zo laat uw ziel niet rusten voordat zij Hem in Zijn liefde en tegenwoordigheid smaakt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That I may win Christ.
Philippians 3:8
What is it to “win Christ?” It is to have Him sweetly embraced in the arms of our faith. It is to feel Him manifesting His heavenly glory in our souls. It is to have the application of His atoning blood, in all its purging efficacy, to our conscience. It is to feel our heart melted and swooning with the sweet ravishments of His dying love, shed abroad even to overpowering. This is winning Christ.
Now, before we can thus win Christ, we must have a view of Christ, we must behold His glory, “the glory as of the only begotten of the Father, full of grace and truth.” We must see the matchless dignity of His glorious Person, the atoning efficacy of His propitiating blood, the length and breadth, the depth and height of His surpassing love. We must have our heart ready to burst with pantings, longings, and ardent desires that this blessed Immanuel would come down from the heaven of heavens in which He dwells beyond the veil, into our heart, and shed abroad His precious dying love there.
Now, is not this your feeling, child of God? It has been mine over and over again. Is it not your feeling as you lie upon your bed, sometimes, with sweet and earnest pantings after the Lord of life and glory? As you walk by the way, as you are engaged in your daily business, as you are secretly musing and meditating, are there not often the goings forth of these longings and breathings into the very bosom of the Lord? But you cannot have this, unless you have seen Him by the eye of an enlightened understanding, by the eye of faith, and had a taste of His beauty, a glimpse of His glory, and a discovery of His eternal preciousness.
You must have had this gleaming upon your eyes, as the beams of light gleam through the windows. You must have had it dancing into your heart, as the rays of the sun dance upon the waves of the sea. You must have had a sweet incoming of the shinings of eternal light upon your soul, melting it, and breaking it down at His footstool, as the early dawn pierces through the clouds of night. When you have seen and felt this you break forth—‘O that I might win Christ!’ Like the ardent lover who longs to win his bride, you long to enjoy His love and presence shed abroad in the heart by the Holy Spirit.
To the reader…
Child of God, do you know that longing? Do you sometimes lie on your bed at night with sweet and earnest pantings after the Lord of life and glory, while your heart cries, “O that I might win Christ!”? Do not be ashamed of that longing, and do not think it is in vain. Whoever seeks Him like this has already seen something of the glory of the only begotten of the Father, full of grace and truth.
Keep looking, then, to Him Who dwells within the veil. Pray that He will come down into your heart and shed abroad His precious dying love there, that you may embrace Him in the arms of faith and feel the cleansing power of His blood upon your conscience. As an ardent lover does not rest until he has won his bride, so let your soul not rest until it tastes Him in His love and presence.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Para ganar a Cristo.
Filipenses 3:8
¿Qué es “ganar a Cristo”? Es tenerle dulcemente abrazado en los brazos de nuestra fe. Es sentirle manifestar Su gloria celestial en nuestra alma. Es tener aplicada a nuestra conciencia Su sangre expiatoria, en toda su eficacia purificadora. Es sentir nuestro corazón derretido y desfallecido con los dulces arrebatos de Su amor que murió, derramado hasta abrumarnos. Esto es ganar a Cristo.
Ahora bien, antes de que podamos ganar así a Cristo, tenemos que tener una visión de Cristo; tenemos que contemplar Su gloria, “gloria como del unigénito del Padre, lleno de gracia y de verdad”. Tenemos que ver la dignidad sin igual de Su gloriosa Persona, la eficacia expiatoria de Su sangre propiciatoria, la anchura y la longura, la profundidad y la altura de Su amor que excede todo. Tenemos que tener el corazón a punto de estallar de jadeos, anhelos y deseos ardientes de que este bendito Emmanuel descienda de los cielos de los cielos, donde mora detrás del velo, a nuestro corazón, y derrame allí Su precioso amor que murió.
Y bien, ¿no es este su sentir, hijo de Dios? Ha sido el mío una y otra vez. ¿No es su sentir cuando a veces está acostado en su cama, con dulces y fervientes anhelos por el Señor de la vida y de la gloria? Cuando anda por el camino, cuando está ocupado en sus quehaceres diarios, cuando medita y reflexiona en secreto, ¿no salen a menudo estos anhelos y suspiros hacia el mismo seno del Señor? Pero usted no puede tener esto a menos que Le haya visto con el ojo de un entendimiento iluminado, con el ojo de la fe, y haya tenido un gusto de Su hermosura, un vislumbre de Su gloria y un descubrimiento de Su eterna preciosidad.
Tiene que haber tenido esto destellando ante sus ojos, como los rayos de luz destellan a través de las ventanas. Tiene que haberlo tenido danzando en su corazón, como los rayos del sol danzan sobre las olas del mar. Tiene que haber tenido una dulce entrada de los resplandores de la luz eterna en su alma, derritiéndola y quebrantándola al estrado de Sus pies, como el alba temprana atraviesa las nubes de la noche. Cuando ha visto y sentido esto, prorrumpe: ‘¡Oh, si pudiera ganar a Cristo!’. Como el amante ardiente que anhela ganar a su novia, usted anhela gozar de Su amor y de Su presencia derramados en el corazón por el Espíritu Santo.
Al lector…
Hijo de Dios, ¿conoce usted ese anhelo? ¿Está a veces de noche acostado en su cama con dulces y fervientes anhelos por el Señor de la vida y de la gloria, mientras su corazón clama: “¡Oh, si pudiera ganar a Cristo!”? No se avergüence de ese anhelo, ni piense que es en vano. Quien Le busca así ya ha visto algo de la gloria del unigénito del Padre, lleno de gracia y de verdad.
Siga mirando, pues, a Aquel que mora detrás del velo. Ore para que descienda a su corazón y derrame allí Su precioso amor que murió, para que usted Le abrace en los brazos de la fe y sienta en su conciencia el poder purificador de Su sangre. Así como un amante ardiente no descansa hasta haber ganado a su novia, así no descanse su alma hasta gustarle en Su amor y en Su presencia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Evangelische voorschriften
En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkander liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft.
1 Johannes 3:23
God beveelt ons „elkander lief te hebben”. „Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt” (Joh. 13:34). Kan ik vanuit mijzelf deze liefde ervaren? Ik kan net doen alsof ik dat kan; ik kan doen zoals iemand lang geleden deed, die naar zijn broeder toeging met een zeer broederlijke groet: „Is het wel met u, mijn broeder?” (2 Sam. 20:9), om hem vervolgens onder zijn vijfde rib met een zwaard te treffen. Ik kan zeggen: „Broeder dit” en „Zuster dat” — „wat heb ik u lief!” — „wat een genegenheid voel ik voor u!” Ik zou, als God mij niet eerlijk liet zijn, die rol van verkapte huichelaar kunnen spelen.
Maar ik kan de ware liefde niet ervaren, noch opbrengen, zonder dat een bijzonder werk aan mijn ziel wordt verricht door de Geest. Hij verruimt het hart en doet de ziel aan Zijn voetbank smelten. Hij geeft liefde tot Hemzelf, en met die liefde geeft Hij liefde tot Zijn volk, pure genegenheid; niet geveinsd, maar vanuit een oprecht verlangen naar hun geestelijk welzijn; niet een paar schijnheilige zinnen, maar een echt gevoel van broederschap; niet zomaar het woord „broeder”, maar broederlijke liefde vanuit het hart. Als Hij het hart verruimt, willen we ons niet onder onze broeders mengen om te zeggen: „Broeder” of „Zuster”; we voelen hen direct in onze ziel. Als we alleen met God zijn, stroomt er een tedere genegenheid vanuit ons hart naar hen toe; we omhelzen hen in onze ziel.
Nee, sterker nog, we kunnen onze vijanden vergeven als de Heere ons hart verruimt. Als we hun de juiste plek kunnen geven, waar we hen zouden zien zoals ze zijn, kunnen we hen vergeven, ofschoon ze zeer onvriendelijk tegen ons zijn geweest en ons gemeen hebben behandeld. Ik heb gemerkt dat, als het de Heere belieft het hart te verruimen, boosheid, vijandschap, vooroordeel, verbittering, kwaadwillendheid — deze onreine vogels — allemaal op de vlucht slaan, en eenvoud, tederheid, nederigheid en liefde allemaal in de ziel tot leven komen.
Lezen: Johannes 13:12-35
Aan de lezer…
Misschien is het tijd u eens af te vragen hoe het staat met uw liefde tot Gods volk. Het is gemakkelijk „broeder” en „zuster” te zeggen en mooie woorden te spreken, terwijl het hart koud blijft of zelfs verbitterd is. Wees eerlijk voor God: hoe vaak was uw genegenheid meer schijn dan waarheid? En misschien draagt u ook nu iets mee van boosheid, vooroordeel of wrok tegen iemand die u onvriendelijk en gemeen behandeld heeft.
U kunt die liefde niet uit uzelf opbrengen; maar wanneer de Geest het hart verruimt en de ziel aan Zijn voetbank doet smelten, dan geeft Hij liefde tot Hemzelf, en met die liefde ook liefde tot Zijn volk. Dan slaan die onreine vogels op de vlucht, en komen tederheid, nederigheid en liefde in de ziel tot leven. Bid dan niet in de eerste plaats om meer kracht om lief te hebben, maar dat Hij uw hart verruime; dan kunt u zelfs uw vijanden vergeven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkander liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft.
1 Johannes 3:23
God beveelt ons „elkander lief te hebben”. „Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt” (Joh. 13:34). Kan ik uit mijzelf deze liefde ervaren? Ik kan doen alsof ik dat kan. Ik kan doen zoals iemand lang geleden deed, die met een heel broederlijke groet naar zijn broeder toeging: „Is het wel met u, mijn broeder?” (2 Sam. 20:9), om hem vervolgens met een zwaard onder de vijfde rib te treffen. Ik kan zeggen: „Broeder dit” en „Zuster dat” — „wat heb ik u lief!” — „wat een genegenheid voel ik voor u!” Als God mij niet eerlijk hield, zou ik die rol van verkapte huichelaar kunnen spelen.
Maar ik kan de ware liefde niet ervaren en niet opbrengen zonder dat de Geest een bijzonder werk aan mijn ziel verricht. Hij verruimt het hart en doet de ziel aan Zijn voetbank smelten. Hij geeft liefde tot Hemzelf, en met die liefde geeft Hij liefde tot Zijn volk, zuivere genegenheid. Die is niet geveinsd, maar komt voort uit een oprecht verlangen naar hun geestelijk welzijn; het is niet een paar schijnheilige zinnen, maar een echt gevoel van broederschap; niet alleen het woord „broeder”, maar broederlijke liefde uit het hart. Wanneer Hij het hart verruimt, willen we ons niet onder onze broeders mengen om „Broeder” of „Zuster” te zeggen; we voelen hen meteen in onze ziel. Als we alleen met God zijn, stroomt er een tedere genegenheid uit ons hart naar hen toe; we omhelzen hen in onze ziel.
Ja, sterker nog, we kunnen onze vijanden vergeven wanneer de Heere ons hart verruimt. Als we hen de juiste plaats kunnen geven, waar we hen zien zoals ze zijn, kunnen we hen vergeven, ook al zijn ze heel onvriendelijk tegen ons geweest en hebben ze ons gemeen behandeld. Ik heb gemerkt dat wanneer het de Heere behaagt het hart te verruimen, boosheid, vijandschap, vooroordeel, verbittering en kwaadwilligheid — die onreine vogels — allemaal op de vlucht slaan, en dat eenvoud, tederheid, nederigheid en liefde allemaal in de ziel tot leven komen.
Lezen: Johannes 13:12-35
Aan de lezer…
Misschien is het tijd om u eens af te vragen hoe het staat met uw liefde tot Gods volk. Het is gemakkelijk „broeder” en „zuster” te zeggen en mooie woorden te spreken, terwijl het hart koud blijft of zelfs verbitterd is. Wees eerlijk voor God: hoe vaak was uw genegenheid meer schijn dan waarheid? En misschien draagt u ook nu iets mee van boosheid, vooroordeel of wrok tegen iemand die u onvriendelijk en gemeen behandeld heeft.
U kunt die liefde niet uit uzelf opbrengen. Maar wanneer de Geest het hart verruimt en de ziel aan Zijn voetbank doet smelten, geeft Hij liefde tot Hemzelf, en met die liefde ook liefde tot Zijn volk. Dan slaan die onreine vogels op de vlucht, en komen tederheid, nederigheid en liefde in de ziel tot leven. Bid dan niet in de eerste plaats om meer kracht om lief te hebben, maar dat Hij uw hart verruimt; dan kunt u zelfs uw vijanden vergeven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And this is His commandment, That we should believe on the name of His Son Jesus Christ, and love one another, as He gave us commandment.
1 John 3:23
God commands us to “love one another”. “A new commandment I give unto you, That ye love one another” (John 13:34). Can I feel this love of myself? I can pretend that I can. I can do as one did long ago, who went up to his brother with a very brotherly greeting, “Art thou in health, my brother?” (2 Sam. 20:9), only to smite him with a sword under the fifth rib. I can say, “Brother this” and “Sister that”, “how I love you!”, “what affection I feel for you!” If God did not keep me honest, I could play that part of a disguised hypocrite.
But I cannot feel or bring forth true love without the Spirit working a special work upon my soul. He enlarges the heart and makes the soul melt at His footstool. He gives love to Himself, and with that love He gives love to His people, pure affection. It is not feigned, but springs from a sincere desire for their spiritual welfare; it is not a few sanctimonious phrases, but a real feeling of brotherhood; not merely the word “brother”, but brotherly love from the heart.
When He enlarges the heart, we do not want to mingle among our brethren to say “Brother” or “Sister”; we feel them at once in our soul. When we are alone with God, a tender affection flows out of our heart towards them; we embrace them in our soul.
Yes, more than that, we can forgive our enemies when the Lord enlarges our heart. If we can put them in their right place, where we see them as they are, we can forgive them, even though they have been very unkind to us and have treated us basely. I have found that when it pleases the Lord to enlarge the heart, anger, enmity, prejudice, bitterness and malice, those unclean birds, all take flight, and that simplicity, tenderness, humility and love all spring into life in the soul.
Reading: John 13:12-35
To the reader…
Perhaps it is time to ask yourself how it stands with your love to God’s people. It is easy to say “brother” and “sister” and to speak fine words, while the heart remains cold or is even embittered. Be honest before God: how often was your affection more show than truth? And perhaps even now you carry something of anger, prejudice or resentment against someone who has treated you unkindly and basely.
You cannot bring forth that love of yourself. But when the Spirit enlarges the heart and makes the soul melt at His footstool, He gives love to Himself, and with that love, love to His people too. Then those unclean birds take flight, and tenderness, humility and love spring into life in the soul. Pray, then, not first of all for more strength to love, but that He would enlarge your heart; then you can forgive even your enemies.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y este es Su mandamiento: Que creamos en el nombre de Su Hijo Jesucristo, y nos amemos unos a otros como nos lo ha mandado.
1 Juan 3:23
Dios nos manda que nos “amemos unos a otros”. “Un mandamiento nuevo os doy: Que os améis unos a otros” (Juan 13:34). ¿Puedo sentir este amor por mí mismo? Puedo fingir que puedo. Puedo hacer como uno hizo hace mucho tiempo, que se acercó a su hermano con un saludo muy fraternal: “¿Tienes paz, hermano mío?” (2 Samuel 20:9), solo para herirle con la espada en la quinta costilla. Puedo decir “hermano tal” y “hermana cual”, “¡cuánto le amo!”, “¡qué afecto siento por usted!” Si Dios no me guardara sincero, podría representar ese papel de hipócrita disfrazado.
Pero no puedo sentir ni producir amor verdadero sin que el Espíritu obre una obra especial en mi alma. Él ensancha el corazón y hace que el alma se derrita a Su estrado. Él da amor a Sí mismo, y con ese amor da amor a Su pueblo, un afecto puro. No es fingido, sino que brota de un deseo sincero de su bien espiritual; no son unas cuantas frases santurronas, sino un verdadero sentimiento de hermandad; no solo la palabra “hermano”, sino amor fraternal de corazón.
Cuando Él ensancha el corazón, no necesitamos mezclarnos entre nuestros hermanos para decir “hermano” o “hermana”; los sentimos de inmediato en nuestra alma. Cuando estamos a solas con Dios, un tierno afecto fluye de nuestro corazón hacia ellos; los abrazamos en nuestra alma.
Sí, más que eso, podemos perdonar a nuestros enemigos cuando el Señor ensancha nuestro corazón. Si podemos ponerlos en su debido lugar, donde los vemos como son, podemos perdonarlos, aunque hayan sido muy desconsiderados con nosotros y nos hayan tratado con bajeza. He hallado que cuando al Señor le place ensanchar el corazón, la ira, la enemistad, el prejuicio, la amargura y la malicia, esas aves inmundas, emprenden todas el vuelo, y que la sencillez, la ternura, la humildad y el amor brotan todos a la vida en el alma.
Lectura: Juan 13:12-35
Al lector…
Quizá sea tiempo de preguntarse cómo está su amor al pueblo de Dios. Es fácil decir “hermano” y “hermana” y pronunciar bellas palabras, mientras el corazón sigue frío o incluso amargado. Sea sincero delante de Dios: ¿cuántas veces fue su afecto más apariencia que verdad? Y quizá aun ahora lleva algo de ira, prejuicio o resentimiento contra alguien que le ha tratado con desconsideración y bajeza.
Usted no puede producir ese amor por sí mismo. Pero cuando el Espíritu ensancha el corazón y hace que el alma se derrita a Su estrado, da amor a Sí mismo, y con ese amor, también amor a Su pueblo. Entonces esas aves inmundas emprenden el vuelo, y la ternura, la humildad y el amor brotan a la vida en el alma. Ore, pues, no ante todo por más fuerza para amar, sino para que Él ensanche su corazón; entonces podrá perdonar aun a sus enemigos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Mijn leer druppe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutkens en als droppelen (Eng. vertaling: regenbuien) op het kruid.
Deuteronomium 32:2
Wij hebben in onze tekst een regelmatige schaal: de dauw, de stofregen, de regen en de regenbuien. En deze ingedeelde schaal van hemels vocht toont aan dat er graden zijn van geestelijke zegeningen. Wij moeten niet verwachten dat wij allen tot dezelfde grootte zullen komen, of dat wij allen in dezelfde mate bediend zullen worden. En toch zijn alle zegeningen van dezelfde natuur. De dauw, de stofregen, de regen, de regenbuien: zij zijn altezamen water.
Gij kunt geen onderscheid vinden tussen het water van de dauw, de stofregen, de regen of de regenbuien; zij alle zijn zuiver water, gedistilleerd in de distilleerkolf van de lucht. Evenzo is het met de zegen Gods in de ziel. Hij moge op ons vallen als de dauw, op een ander als de stofregen, op een derde als de regen, op een vierde als een regenbui; en toch zijn alle zegeningen, in welke mate ook geschonken, van een geestelijke en Goddelijke natuur. Het is dezelfde God Die ze geeft; door dezelfde Jezus komen ze; door dezelfde Geest worden ze medegedeeld. En al deze zegeningen geven min of meer dezelfde vrucht: tot vernedering, tot bevochtiging, tot vruchtbaarheid, tot verlevendiging; en alle dalen uit de hemel van het Evangelie van Christus; alle vallen van hetzelfde firmament der genade, barmhartigheid en waarheid, liefde, bloed en zaligheid.
De leerstelling derhalve die van Jezus getuigt, en de rede of spraak die Hem als een Rots verklaart en Zijn werk als volkomen, drupt als de regen en vloeit als de dauw, en anders geen. Er is een kracht in de waarheid wanneer het God behaagt haar aan het hart toe te passen; en of zij nu komt in een grotere of kleinere mate, hetzij in een dauw, hetzij in een regenbui, zij is zonder onderscheid een bewijs van Zijn barmhartigheid en liefde, en een bewijs dat Zijn kracht Zijn eigen Goddelijke waarheid in onze ziel vergezelt.
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u met een zekere jaloersheid naar anderen kijkt, die de zegen als een regenbui schijnen te ontvangen, terwijl over uw ziel nauwelijks meer dan een stille dauw valt. Ontmoedig u daar niet over. Er zijn graden in de zegeningen, maar het is hetzelfde water. Het is dezelfde God Die ze geeft, dezelfde Jezus door Wie ze komen, dezelfde Geest Die ze mededeelt.
Een druppel dauw die uw hart vernedert, verzacht en verlevendigt, is geen mindere gunst, maar een bewijs van Zijn barmhartigheid en liefde. Waar het woord dat van Jezus getuigt als een Rots en Zijn werk als volkomen, met kracht in uw ziel valt, daar is Zijn kracht met Zijn waarheid. Wees dan dankbaar voor de dauw, en zie uit naar meer, want alle zegen valt van hetzelfde firmament der genade.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Mijn leer druppe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutkens en als droppelen (Eng. vertaling: regenbuien) op het kruid.
Deuteronomium 32:2
In onze tekst hebben wij een geregelde schaal: de dauw, de motregen, de regen en de regenbuien. Deze schaal van hemels vocht laat zien dat er graden zijn in de geestelijke zegeningen. Wij moeten niet verwachten dat wij allemaal tot dezelfde grootte zullen komen, of dat wij allemaal in dezelfde mate bediend zullen worden. En toch zijn alle zegeningen van dezelfde aard. De dauw, de motregen, de regen, de regenbuien: zij zijn allemaal water.
U kunt geen verschil vinden tussen het water van de dauw, de motregen, de regen of de regenbuien; het is allemaal zuiver water, gedistilleerd in de distilleerkolf van de lucht. Zo is het ook met de zegen van God in de ziel. Hij kan op de een vallen als de dauw, op een ander als de motregen, op een derde als de regen, op een vierde als een regenbui. En toch zijn alle zegeningen, in welke mate ook geschonken, van geestelijke en Goddelijke aard. Het is dezelfde God Die ze geeft, door dezelfde Jezus komen ze, door dezelfde Geest worden ze meegedeeld. En al deze zegeningen geven min of meer dezelfde vrucht: vernedering, bevochtiging, vruchtbaarheid, verlevendiging. Ze dalen allemaal neer uit de hemel van het Evangelie van Christus; ze vallen allemaal van hetzelfde uitspansel van genade, barmhartigheid en waarheid, liefde, bloed en zaligheid.
Daarom is het de leer die van Jezus getuigt, en het woord dat Hem als een Rots verklaart en Zijn werk als volkomen, die druppelt als de regen en vloeit als de dauw, en geen andere. Er is kracht in de waarheid wanneer het God behaagt haar aan het hart toe te passen. Of zij nu in grotere of kleinere mate komt, als dauw of als regenbui, zij is zonder onderscheid een bewijs van Zijn barmhartigheid en liefde, en een bewijs dat Zijn kracht Zijn eigen Goddelijke waarheid in onze ziel vergezelt.
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u met een zekere jaloezie naar anderen kijkt, die de zegen als een regenbui lijken te ontvangen, terwijl over uw ziel nauwelijks meer dan een stille dauw valt. Laat u daardoor niet ontmoedigen. Er zijn graden in de zegeningen, maar het is hetzelfde water. Het is dezelfde God Die ze geeft, dezelfde Jezus door Wie ze komen, dezelfde Geest Die ze meedeelt.
Een druppel dauw die uw hart vernedert, verzacht en verlevendigt, is geen mindere gunst, maar een bewijs van Zijn barmhartigheid en liefde. Waar het woord dat van Jezus getuigt als een Rots en Zijn werk als volkomen, met kracht in uw ziel valt, daar is Zijn kracht met Zijn waarheid. Wees dan dankbaar voor de dauw, en zie uit naar meer, want alle zegen valt van hetzelfde uitspansel van de genade.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
My doctrine shall drop as the rain, My speech shall distil as the dew, as the small rain upon the tender herb, and as the showers upon the grass.
Deuteronomy 32:2
We have in our text an ascending scale—the dew, the small rain, the rain, and the showers. And this graduated scale of heavenly moisture shows that there are degrees of spiritual blessing. We must not expect all to be blessed to the same extent, nor all to receive the same measure. Yet all are of the same nature. Examine “the dew,” it is water; “the small rain,” it is water; “the rain,” it is water; “the showers,” they are still water. You cannot find any difference between the water of the dew, of the small rain, of the rain, and of the showers—they are all alike pure water, distilled from the sky.
So it is with the blessing of God upon the soul. It may fall upon one as the dew, upon another as the small rain, upon a third as the rain, on a fourth as the showers; yet all are equally and alike spiritual and divine. It is the same God that gives; through the same Jesus it comes; by the same Spirit it is communicated. All produce more or less the same effects—to soften, to moisten, to fertilize, and to revive; and all descend from the heaven of Christ’s gospel; all fall from the same skies of grace, mercy, and truth, love, blood, and salvation.
The teaching, therefore, that testifies of Jesus; and the speech that proclaims Him to be a Rock, and His work to be perfect, and no other teaching, “drops as the rain and distills as the dew.” There is a power in truth, when God is pleased to apply it to the heart; and whether it come in large or in small measure, whether it be in dew or shower, it is equally a proof of His mercy and love, and equally a proof that His power attends His own divine truth to our soul.
To the reader…
There are days when you look with a certain envy at others, who seem to receive the blessing like a shower of rain, while scarcely more than a quiet dew falls on your soul. Do not let that discourage you. There are degrees in the blessings, but it is the same water. It is the same God Who gives them, the same Jesus through Whom they come, the same Spirit Who communicates them.
A drop of dew that humbles, softens and revives your heart is no lesser favor, but a proof of His mercy and love. Where the word that testifies of Jesus as a Rock and of His work as perfect falls with power into your soul, there His power attends His truth. Be thankful, then, for the dew, and look out for more, for every blessing falls from the same skies of grace.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Goteará como la lluvia Mi doctrina; destilará como el rocío Mi razonamiento; como la llovizna sobre la grama, y como las gotas sobre la hierba.
Deuteronomio 32:2
Tenemos en nuestro texto una escala ascendente: el rocío, la llovizna, la lluvia y los aguaceros. Y esta escala graduada de humedad celestial muestra que hay grados de bendición espiritual. No debemos esperar que todos sean bendecidos en la misma medida, ni que todos reciban la misma porción. Sin embargo, todas son de la misma naturaleza. Examine “el rocío”: es agua; “la llovizna”: es agua; “la lluvia”: es agua; “las gotas” del aguacero: siguen siendo agua. No puede hallar diferencia alguna entre el agua del rocío, de la llovizna, de la lluvia y del aguacero: todas son igualmente agua pura, destilada del cielo.
Así sucede con la bendición de Dios sobre el alma. Puede caer sobre uno como el rocío, sobre otro como la llovizna, sobre un tercero como la lluvia, sobre un cuarto como los aguaceros; pero todas son igual y semejantemente espirituales y divinas. Es el mismo Dios Quien da; por el mismo Jesús viene; por el mismo Espíritu se comunica. Todas producen más o menos los mismos efectos: ablandar, humedecer, fertilizar y reavivar; y todas descienden del cielo del evangelio de Cristo; todas caen de los mismos cielos de gracia, misericordia y verdad, de amor, sangre y salvación.
Por tanto, la enseñanza que testifica de Jesús, y el razonamiento que le proclama como la Roca y Su obra como perfecta, y ninguna otra enseñanza, es lo que “gotea como la lluvia y destila como el rocío.” Hay un poder en la verdad cuando a Dios le place aplicarla al corazón; y ya venga en medida grande o pequeña, ya sea como rocío o como aguacero, es igualmente una prueba de Su misericordia y amor, e igualmente una prueba de que Su poder acompaña a Su propia verdad divina en nuestra alma.
Al lector…
Hay días en que usted mira con cierta envidia a otros, que parecen recibir la bendición como un aguacero, mientras que sobre su alma apenas cae algo más que un rocío silencioso. No deje que eso le desanime. Hay grados en las bendiciones, pero es la misma agua. Es el mismo Dios Quien las da, el mismo Jesús por medio de Quien vienen, el mismo Espíritu Quien las comunica.
Una gota de rocío que humilla, ablanda y reaviva su corazón no es un favor menor, sino una prueba de Su misericordia y amor. Donde la palabra que testifica de Jesús como la Roca y de Su obra como perfecta cae con poder en su alma, allí Su poder acompaña a Su verdad. Sea, pues, agradecido por el rocío, y espere más, porque toda bendición cae de los mismos cielos de gracia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl