15 de octubre
Opdat ik Christus moge gewinnen.
Filippenzen 3:8
Wat is het, „Christus gewinnen”? Het is Hem zacht omvat te houden met de armen van ons geloof. Het is Zijn hemelse heerlijkheid in onze zielen geopenbaard te gevoelen. Het is de toepassing van Zijn verzoenend bloed in zijn reinigende kracht aan ons geweten te bezitten. Het is ons hart te voelen smelten en bezwijmen door de zoete verrukking Zijner stervende liefde, tot overweldigens toe uitgestort. Dat is Christus gewinnen.
Vóórdat wij nu Christus aldus kunnen gewinnen, moeten wij een gezicht van Christus hebben; wij moeten Zijn heerlijkheid aanschouwen, de heerlijkheid van de eengeboren Zoon des Vaders, vol van genade en waarheid. Wij moeten de weergaloze waardigheid zien van Zijn verheven Persoon; de verzoenende kracht van Zijn geofferd bloed; de lengte en breedte, de diepte en hoogte Zijner alles overtreffende liefde. Ons hart moet gereed zijn te bezwijken van sterk verlangen; hijgen en vurig begeren dat die gezegende Immanuël van de hemel der hemelen, waar Hij woont binnen de voorhang, nederdale in ons hart en daar Zijn kostbare stervende liefde uitstorte.
Is dat uw gevoel niet, kind van God? Het is het mijne bij herhaling geweest. Is dat niet uw gevoel, als gij te bed ligt, somtijds met een zoet en ernstig verlangen naar de Heere van leven en heerlijkheid? Wanneer gij langs de weg gaat, wanneer gij met uw dagelijkse bezigheden bezig zijt, wanneer gij in het verborgen peinst en overdenkt, gaan dan niet dikwijls die verlangens en zuchtingen uit tot in de boezem des Heeren? Maar dit kunt gij niet hebben, tenzij gij Hem gezien hebt met het oog van een verlicht verstand, met het oog des geloofs, en een smaak hebt gehad van Zijn schoonheid, een blik op Zijn heerlijkheid en een ontdekking van Zijn eeuwige dierbaarheid. Dit moet u in de ogen geschenen hebben, gelijk de lichtstralen door de vensters schijnen. Het moet in uw hart gedanst hebben, gelijk de zonnestralen op de golven der zee dansen. Gij moet een zoete inkomst gehad hebben van de stralen des eeuwigen lichts in uw ziel, die haar deden smelten en haar verbraken aan Zijn voetbank, gelijk de vroege dageraad de wolken des nachts doorbreekt. Wanneer gij dit hebt gevoeld, roept gij uit: „O, mocht ik Christus gewinnen!” Gelijk de vurige minnaar die verlangt zijn bruid te winnen, zo verlangt gij het genot te smaken Zijn liefde en tegenwoordigheid door de Heilige Geest in uw hart te zien uitgestort.
Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot,
o Heer, der legerscharen God,
zijn mij Uw huis en tempelzangen!
Hoe branden mijn genegenheên
om ’s Heeren voorhof in te treên.
Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen,
mijn hart roept uit tot God, Die leeft,
en aan mijn ziel het leven geeft!
Ps. 84:1
Aan de lezer…
Kind van God, kent u dat verlangen? Ligt u soms ’s nachts te bed met een zoet en ernstig zuchten naar de Heere van leven en heerlijkheid, en roept uw hart: „O, mocht ik Christus gewinnen!”? Schaam u dat verlangen niet, en denk niet dat het tevergeefs is. Wie Hem zo zoekt, heeft al iets gezien van de heerlijkheid van de eengeboren Zoon des Vaders, vol van genade en waarheid.
Blijf dan uitzien naar Hem, Die binnen de voorhang woont. Bid dat Hij nederdale in uw hart en daar Zijn kostbare stervende liefde uitstorte; dat u Hem met de armen des geloofs mag omvatten en de reinigende kracht van Zijn bloed aan uw geweten mag gevoelen. Zoals de vurige minnaar niet rust voordat hij zijn bruid gewonnen heeft, zo laat uw ziel niet rusten voordat zij Hem in Zijn liefde en tegenwoordigheid smaakt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat ik Christus moge gewinnen.
Filippenzen 3:8
Wat betekent het, „Christus gewinnen”? Het is Hem teder omvat houden met de armen van ons geloof. Het is Zijn hemelse heerlijkheid in onze ziel geopenbaard voelen. Het is de toepassing van Zijn verzoenend bloed in zijn reinigende kracht aan ons geweten bezitten. Het is ons hart voelen smelten en bezwijken door de zoete verrukking van Zijn stervende liefde, die overweldigend in ons wordt uitgestort. Dat is Christus gewinnen.
Voordat wij Christus zo kunnen gewinnen, moeten wij Christus gezien hebben. Wij moeten Zijn heerlijkheid aanschouwen, de heerlijkheid van de eniggeboren Zoon van de Vader, vol van genade en waarheid. Wij moeten de weergaloze waardigheid zien van Zijn verheven Persoon, de verzoenende kracht van Zijn geofferd bloed, de lengte en breedte, de diepte en hoogte van Zijn alles te boven gaande liefde. Ons hart moet op het punt staan te bezwijken van sterk verlangen. Het moet hijgen en vurig begeren dat die gezegende Immanuël neerdaalt uit de hemel der hemelen, waar Hij binnen het voorhangsel woont, in ons hart, en daar Zijn kostbare stervende liefde uitstort.
Is dat niet wat u voelt, kind van God? Ik heb het herhaaldelijk zo gevoeld. Voelt u dat niet als u in bed ligt, soms met een zoet en ernstig verlangen naar de Heere van leven en heerlijkheid? Wanneer u onderweg bent, wanneer u met uw dagelijkse werk bezig bent, wanneer u in stilte peinst en overdenkt, gaan dan niet vaak die verlangens en zuchten uit tot in de boezem van de Heere? Maar dit kunt u niet hebben als u Hem niet gezien hebt met het oog van een verlicht verstand, met het oog van het geloof, en als u niet iets geproefd hebt van Zijn schoonheid, een glimp hebt opgevangen van Zijn heerlijkheid en iets ontdekt hebt van Zijn eeuwige dierbaarheid. Dit moet u in de ogen geschenen hebben, zoals de lichtstralen door de vensters schijnen. Het moet in uw hart gedanst hebben, zoals de zonnestralen op de golven van de zee dansen. De stralen van het eeuwige licht moeten op een zoete manier uw ziel binnengekomen zijn, haar hebben doen smelten en haar hebben verbroken aan Zijn voetbank, zoals de vroege dageraad door de wolken van de nacht heen breekt. Wanneer u dit gevoeld hebt, roept u uit: „O, mocht ik Christus gewinnen!” Zoals een vurige minnaar ernaar verlangt zijn bruid te winnen, zo verlangt u ernaar het genot te smaken Zijn liefde en tegenwoordigheid door de Heilige Geest in uw hart uitgestort te zien.
Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot,
o Heer, der legerscharen God,
zijn mij Uw huis en tempelzangen!
Hoe branden mijn genegenheên
om ’s Heeren voorhof in te treên.
Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen,
mijn hart roept uit tot God, Die leeft,
en aan mijn ziel het leven geeft!
Ps. 84:1
Aan de lezer…
Kind van God, kent u dat verlangen? Ligt u soms ’s nachts in bed met een zoet en ernstig zuchten naar de Heere van leven en heerlijkheid, en roept uw hart: „O, mocht ik Christus gewinnen!”? Schaam u niet voor dat verlangen, en denk niet dat het tevergeefs is. Wie Hem zo zoekt, heeft al iets gezien van de heerlijkheid van de eniggeboren Zoon van de Vader, vol van genade en waarheid.
Blijf dan uitzien naar Hem, Die binnen het voorhangsel woont. Bid dat Hij neerdaalt in uw hart en daar Zijn kostbare stervende liefde uitstort, dat u Hem met de armen van het geloof mag omvatten en de reinigende kracht van Zijn bloed aan uw geweten mag voelen. Zoals een vurige minnaar niet rust voordat hij zijn bruid gewonnen heeft, zo laat uw ziel niet rusten voordat zij Hem in Zijn liefde en tegenwoordigheid smaakt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That I may win Christ.
Philippians 3:8
What is it to “win Christ?” It is to have Him sweetly embraced in the arms of our faith. It is to feel Him manifesting His heavenly glory in our souls. It is to have the application of His atoning blood, in all its purging efficacy, to our conscience. It is to feel our heart melted and swooning with the sweet ravishments of His dying love, shed abroad even to overpowering. This is winning Christ.
Now, before we can thus win Christ, we must have a view of Christ, we must behold His glory, “the glory as of the only begotten of the Father, full of grace and truth.” We must see the matchless dignity of His glorious Person, the atoning efficacy of His propitiating blood, the length and breadth, the depth and height of His surpassing love. We must have our heart ready to burst with pantings, longings, and ardent desires that this blessed Immanuel would come down from the heaven of heavens in which He dwells beyond the veil, into our heart, and shed abroad His precious dying love there.
Now, is not this your feeling, child of God? It has been mine over and over again. Is it not your feeling as you lie upon your bed, sometimes, with sweet and earnest pantings after the Lord of life and glory? As you walk by the way, as you are engaged in your daily business, as you are secretly musing and meditating, are there not often the goings forth of these longings and breathings into the very bosom of the Lord? But you cannot have this, unless you have seen Him by the eye of an enlightened understanding, by the eye of faith, and had a taste of His beauty, a glimpse of His glory, and a discovery of His eternal preciousness.
You must have had this gleaming upon your eyes, as the beams of light gleam through the windows. You must have had it dancing into your heart, as the rays of the sun dance upon the waves of the sea. You must have had a sweet incoming of the shinings of eternal light upon your soul, melting it, and breaking it down at His footstool, as the early dawn pierces through the clouds of night. When you have seen and felt this you break forth—‘O that I might win Christ!’ Like the ardent lover who longs to win his bride, you long to enjoy His love and presence shed abroad in the heart by the Holy Spirit.
To the reader…
Child of God, do you know that longing? Do you sometimes lie on your bed at night with sweet and earnest pantings after the Lord of life and glory, while your heart cries, “O that I might win Christ!”? Do not be ashamed of that longing, and do not think it is in vain. Whoever seeks Him like this has already seen something of the glory of the only begotten of the Father, full of grace and truth.
Keep looking, then, to Him Who dwells within the veil. Pray that He will come down into your heart and shed abroad His precious dying love there, that you may embrace Him in the arms of faith and feel the cleansing power of His blood upon your conscience. As an ardent lover does not rest until he has won his bride, so let your soul not rest until it tastes Him in His love and presence.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Para ganar a Cristo.
Filipenses 3:8
¿Qué es “ganar a Cristo”? Es tenerle dulcemente abrazado en los brazos de nuestra fe. Es sentirle manifestar Su gloria celestial en nuestra alma. Es tener aplicada a nuestra conciencia Su sangre expiatoria, en toda su eficacia purificadora. Es sentir nuestro corazón derretido y desfallecido con los dulces arrebatos de Su amor que murió, derramado hasta abrumarnos. Esto es ganar a Cristo.
Ahora bien, antes de que podamos ganar así a Cristo, tenemos que tener una visión de Cristo; tenemos que contemplar Su gloria, “gloria como del unigénito del Padre, lleno de gracia y de verdad”. Tenemos que ver la dignidad sin igual de Su gloriosa Persona, la eficacia expiatoria de Su sangre propiciatoria, la anchura y la longura, la profundidad y la altura de Su amor que excede todo. Tenemos que tener el corazón a punto de estallar de jadeos, anhelos y deseos ardientes de que este bendito Emmanuel descienda de los cielos de los cielos, donde mora detrás del velo, a nuestro corazón, y derrame allí Su precioso amor que murió.
Y bien, ¿no es este su sentir, hijo de Dios? Ha sido el mío una y otra vez. ¿No es su sentir cuando a veces está acostado en su cama, con dulces y fervientes anhelos por el Señor de la vida y de la gloria? Cuando anda por el camino, cuando está ocupado en sus quehaceres diarios, cuando medita y reflexiona en secreto, ¿no salen a menudo estos anhelos y suspiros hacia el mismo seno del Señor? Pero usted no puede tener esto a menos que Le haya visto con el ojo de un entendimiento iluminado, con el ojo de la fe, y haya tenido un gusto de Su hermosura, un vislumbre de Su gloria y un descubrimiento de Su eterna preciosidad.
Tiene que haber tenido esto destellando ante sus ojos, como los rayos de luz destellan a través de las ventanas. Tiene que haberlo tenido danzando en su corazón, como los rayos del sol danzan sobre las olas del mar. Tiene que haber tenido una dulce entrada de los resplandores de la luz eterna en su alma, derritiéndola y quebrantándola al estrado de Sus pies, como el alba temprana atraviesa las nubes de la noche. Cuando ha visto y sentido esto, prorrumpe: ‘¡Oh, si pudiera ganar a Cristo!’. Como el amante ardiente que anhela ganar a su novia, usted anhela gozar de Su amor y de Su presencia derramados en el corazón por el Espíritu Santo.
Al lector…
Hijo de Dios, ¿conoce usted ese anhelo? ¿Está a veces de noche acostado en su cama con dulces y fervientes anhelos por el Señor de la vida y de la gloria, mientras su corazón clama: “¡Oh, si pudiera ganar a Cristo!”? No se avergüence de ese anhelo, ni piense que es en vano. Quien Le busca así ya ha visto algo de la gloria del unigénito del Padre, lleno de gracia y de verdad.
Siga mirando, pues, a Aquel que mora detrás del velo. Ore para que descienda a su corazón y derrame allí Su precioso amor que murió, para que usted Le abrace en los brazos de la fe y sienta en su conciencia el poder purificador de Su sangre. Así como un amante ardiente no descansa hasta haber ganado a su novia, así no descanse su alma hasta gustarle en Su amor y en Su presencia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl