6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen; erfgenamen Gods en medeërfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.
Romeinen 8:17
O, hoe zalig is het, een kind Gods te zijn! Kan het hart het ooit bevatten, of de tong het uitdrukken, welke de hoogten en diepten der genade en heerlijkheid, de veiligheid, het geluk, de eer, de zegen en het genot is van een erfgenaam Gods en een mede-erfgenaam van Christus te zijn? Wij zullen spoedig ons sterfelijk lichaam moeten afleggen; spoedig met de wormen des grafs en de kluiten des dals moeten nederliggen; spoedig de onzichtbare wereld ingaan. Wel mogen wij ons dan afvragen welke onze vooruitzichten voor de eeuwigheid zijn. Waar zal dan onze erfenis zijn? Zal het eeuwige ellende en smart, een wenen en knersing der tanden zijn, of de geneugten die aan Gods rechterhand zijn, eeuwig en altoos?
Hebben wij enig bewijs of getuigenis dat wij kinderen Gods zijn? Heeft de Geest ooit enige rechtstreekse of zijdelingse getuigenis gegeven van ons kindschap, van erfgenaam te zijn? Wanneer wij een blik terugslaan op onze ervaringen, kunnen wij dan bewijzen vinden dat wij met geloof en hoop, als gezonde getuigen naar de Schrift, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus zijn? Kunt gij op die gedenkwaardige tijd terugzien, toen het de Heere behaagde voor de eerste maal op uw geweten te werken en u van zonde te overtuigen? Op die tijd der liefde, toen Christus voor het eerst aan uw hart geopenbaard werd? Op die dag van verdrukking en benauwdheid, toen een zoete belofte van een zaligmakend deel aan Zijn liefde en bloed met Goddelijke kracht aan uw ziel verzegeld werd? Kunt gij enig vast en stellig teken of bewijs vinden dat gij een deelgenoot zijt van de zaligmakende en heiligmakende genade, uit God geboren, als een pelgrim en vreemdeling van de wereld gescheiden, op reis door duizend vijanden en vrezen heen naar het hemelse vaderland?
Het betekent niets zich te verlaten op de getuigenis van mensen, of op een ijdele hoop die haar oorsprong heeft in een hart vol eigengerechtigheid en bedrog. Het is de meer of minder duidelijke getuigenis van de Geest met onze geest, het inschijnen van het licht van des Heeren aangezicht, de openbaring van Zijn tegenwoordigheid en liefde, die alleen een kind van God gerust kan doen zijn dat hij is een deelgenoot Zijner genade en heerlijkheid die geopenbaard zal worden bij de komst van de Heere Jezus.
Hij heeft de kracht zijns werks getoond
aan ’t volk, waarbij Hij gunstrijk woont.
Hij gaf ten hunnen nutt’ en voordeel
hun d’ erve van het heidendom.
Des Heeren werken zijn alom
en altoos waarheid, recht en oordeel.
Ps. 111:2
Aan de lezer…
Vraagt u zich wel eens in ernst af waar uw erfenis zal zijn, wanneer wij spoedig ons sterfelijk lichaam moeten afleggen en de onzichtbare wereld ingaan? Het is geen vraag om te ontwijken, en ook geen vraag die beantwoord kan worden met de getuigenis van mensen of met een ijdele hoop uit een hart vol eigengerechtigheid. Zulke grond zal in die ure bezwijken.
Zie dan terug, niet om u te kwellen, maar om te zoeken naar Zijn sporen. Was er een tijd dat de Heere op uw geweten werkte en u van zonde overtuigde? Bent u als een pelgrim en vreemdeling van de wereld gescheiden geraakt, op reis naar het hemelse vaderland? Het is de getuigenis van de Geest met uw geest, al is die soms meer en soms minder duidelijk, die u gerust kan doen zijn. Bid daarom om Zijn tegenwoordigheid en liefde; want zijn wij kinderen, zo zijn wij ook erfgenamen Gods en medeërfgenamen van Christus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen; erfgenamen Gods en medeërfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.
Romeinen 8:17
O, hoe zalig is het een kind van God te zijn! Kan het hart ooit bevatten, of de tong ooit uitdrukken, wat de hoogten en diepten van genade en heerlijkheid zijn, wat de veiligheid, het geluk, de eer, de zegen en het genot is om een erfgenaam van God en een mede-erfgenaam van Christus te zijn? Binnenkort zullen wij ons sterfelijk lichaam moeten afleggen, bij de wormen in het graf en de kluiten van het dal moeten gaan liggen en de onzichtbare wereld ingaan. Dan mogen wij ons wel afvragen wat onze vooruitzichten voor de eeuwigheid zijn. Waar zal dan onze erfenis zijn? Zal het eeuwige ellende en smart zijn, wening en knersing der tanden, of de genietingen aan Gods rechterhand, eeuwig en altoos?
Hebben wij enig bewijs of getuigenis dat wij kinderen van God zijn? Heeft de Geest ooit, direct of indirect, getuigenis gegeven van ons kindschap, van ons erfgenaam-zijn? Wanneer wij terugzien op onze bevinding, kunnen wij dan bewijzen vinden dat wij, met geloof en hoop als betrouwbare getuigen naar de Schrift, erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus zijn? Kunt u terugzien op die gedenkwaardige tijd waarin het de Heere behaagde voor het eerst aan uw geweten te werken en u van zonde te overtuigen? Op die tijd van liefde, toen Christus voor het eerst aan uw hart werd geopenbaard? Op die dag van verdrukking en nood, toen een zoete belofte dat u deel hebt aan Zijn liefde en bloed met Goddelijke kracht aan uw ziel werd verzegeld? Kunt u enig vast en zeker teken of bewijs vinden dat u deel hebt aan de zaligmakende en heiligmakende genade, dat u uit God geboren bent en als een pelgrim en vreemdeling van de wereld gescheiden, op reis door duizend vijanden en vrezen heen naar het hemelse vaderland?
Het heeft geen enkele waarde om op het getuigenis van mensen te steunen, of op een ijdele hoop die voortkomt uit een hart vol eigengerechtigheid en bedrog. Alleen het getuigenis van de Geest met onze geest, of het nu meer of minder duidelijk is, alleen het licht van het aangezicht van de Heere dat in ons hart schijnt, alleen de openbaring van Zijn tegenwoordigheid en liefde, kan een kind van God gerust doen zijn dat hij deel heeft aan Zijn genade en aan de heerlijkheid die bij de komst van de Heere Jezus geopenbaard zal worden.
Hij heeft de kracht zijns werks getoond
aan ’t volk, waarbij Hij gunstrijk woont.
Hij gaf ten hunnen nutt’ en voordeel
hun d’ erve van het heidendom.
Des Heeren werken zijn alom
en altoos waarheid, recht en oordeel.
Ps. 111:2
Aan de lezer…
Vraagt u zich weleens in ernst af waar uw erfenis zal zijn, wanneer wij binnenkort ons sterfelijk lichaam moeten afleggen en de onzichtbare wereld ingaan? Het is geen vraag om te ontwijken, en ook geen vraag die beantwoord kan worden met het getuigenis van mensen of met een ijdele hoop uit een hart vol eigengerechtigheid. Zo’n grond zal in dat uur bezwijken.
Zie dan terug, niet om uzelf te kwellen, maar om naar Zijn sporen te zoeken. Was er een tijd dat de Heere aan uw geweten werkte en u van zonde overtuigde? Bent u als een pelgrim en vreemdeling van de wereld gescheiden, op reis naar het hemelse vaderland? Het is het getuigenis van de Geest met uw geest, al is het soms meer en soms minder duidelijk, dat u gerust kan doen zijn. Bid daarom om Zijn tegenwoordigheid en liefde; want als wij kinderen zijn, dan zijn wij ook erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And if children, then heirs; heirs of God, and joint-heirs with Christ; if so be that we suffer with Him, that we may be also glorified together.
Romans 8:17
O the blessedness of being a child of God! Can heart conceive or tongue express the heights and depths of grace and glory, the safety, the happiness, the honor, the bliss, the delight of being an heir of God and a joint-heir with Christ? We soon shall have to put off our mortal bodies—soon have to lie down with the worms of the grave, and the clods of the valley—soon have to enter into the invisible world. Well may we then ask ourselves what are our prospects of eternity? Where then will be our inheritance? Will it be one of eternal misery and woe, of weeping and wailing and gnashing of teeth, or of the pleasures which are at God’s right hand for evermore?
Have we any evidence or testimony that we are the children of God? Has the Spirit ever borne any direct or indirect witness to our adoption into His family—to our sonship and to our heirship? When we review our past experience, can we find any marks that we can look upon with a good measure of faith and hope as sound, scriptural evidences that we are heirs of God and joint-heirs with Christ?
Can you look back upon that memorable season when the Lord was first pleased to work upon your conscience and convince you of your sins?—to that time of love when Christ was first revealed to your heart?—to that day of affliction and trouble when a sweet promise of a saving interest in His love and blood was sealed with divine power upon your soul? Can you find any solid, substantial marks or tokens that you are a partaker of saving and sanctifying grace, born of God, separated from the world as a pilgrim and a stranger, and pressing onward through a thousand foes and fears to a heavenly country?
It is of no use leaning upon the testimony of man, or upon any vain hopes or presumptuous confidence that may spring up in a self-righteous, deceitful heart. It is the witness of the Spirit with our spirit, more or less clear—the shining in of the light of the Lord’s countenance—the manifestations of His presence and love, which alone can really satisfy a child of God of his being a partaker of grace and of the glory that is to be revealed at the coming of the Lord Jesus.
To the reader…
Do you sometimes ask yourself in earnest where your inheritance will be, when before long we must put off this mortal body and enter the invisible world? It is not a question to avoid, nor one that can be answered by the testimony of others or by a vain hope from a self-righteous heart. Such a ground will give way in that hour.
Look back, then, not to torment yourself, but to search for His footprints. Was there a time when the Lord worked upon your conscience and convinced you of sin? Have you been separated from the world as a pilgrim and a stranger, journeying to the heavenly country? It is the witness of the Spirit with your spirit, sometimes clearer and sometimes less clear, that can set you at rest. Pray, therefore, for His presence and love; for if we are children, then we are also heirs of God and joint-heirs with Christ.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y si hijos, también herederos; herederos de Dios, y coherederos con Cristo; si empero padecemos juntamente con Él, para que juntamente con Él seamos glorificados.
Romanos 8:17
¡Oh, la bienaventuranza de ser hijo de Dios! ¿Puede el corazón concebir o la lengua expresar las alturas y profundidades de gracia y gloria, la seguridad, la felicidad, el honor, la dicha, el deleite de ser heredero de Dios y coheredero con Cristo? Pronto tendremos que despojarnos de nuestros cuerpos mortales; pronto tendremos que yacer con los gusanos del sepulcro y los terrones del valle; pronto tendremos que entrar en el mundo invisible. Bien podemos preguntarnos entonces: ¿cuáles son nuestras perspectivas para la eternidad? ¿Dónde estará entonces nuestra herencia? ¿Será una de miseria y desdicha eternas, de lloro y lamento y crujir de dientes, o de las delicias que están a la diestra de Dios para siempre?
¿Tenemos alguna evidencia o testimonio de que somos hijos de Dios? ¿Ha dado alguna vez el Espíritu algún testimonio, directo o indirecto, de nuestra adopción en Su familia, de nuestra filiación y de nuestra herencia? Cuando repasamos nuestra experiencia pasada, ¿podemos hallar algunas señales que podamos mirar con una buena medida de fe y esperanza como evidencias sanas y bíblicas de que somos herederos de Dios y coherederos con Cristo?
¿Puede usted mirar atrás a aquella temporada memorable en que al Señor le plugo por primera vez obrar en su conciencia y convencerle de sus pecados? ¿A aquel tiempo de amor en que Cristo fue revelado por primera vez a su corazón? ¿A aquel día de aflicción y angustia en que una dulce promesa de una parte salvadora en Su amor y en Su sangre fue sellada con poder divino en su alma? ¿Puede hallar algunas señales o prendas sólidas y sustanciales de que es partícipe de la gracia salvadora y santificadora, nacido de Dios, separado del mundo como peregrino y extranjero, y que prosigue a través de mil enemigos y temores hacia una patria celestial?
De nada sirve apoyarse en el testimonio del hombre, o en vanas esperanzas o confianza presuntuosa que puedan brotar en un corazón engañoso y lleno de justicia propia. Es el testimonio del Espíritu a nuestro espíritu, más o menos claro, el resplandor de la luz del rostro del Señor, las manifestaciones de Su presencia y de Su amor, lo único que realmente puede satisfacer a un hijo de Dios de que es partícipe de la gracia y de la gloria que ha de ser revelada en la venida del Señor Jesús.
Al lector…
¿Se pregunta a veces en serio dónde estará su herencia, cuando dentro de poco tengamos que despojarnos de este cuerpo mortal y entrar en el mundo invisible? No es una pregunta que se deba eludir, ni una que pueda responderse con el testimonio de otros o con una vana esperanza de un corazón lleno de justicia propia. Tal fundamento cederá en aquella hora.
Mire, pues, atrás, no para atormentarse, sino para buscar Sus huellas. ¿Hubo un tiempo en que el Señor obró en su conciencia y le convenció de pecado? ¿Ha sido separado del mundo como peregrino y extranjero, en camino hacia la patria celestial? Es el testimonio del Espíritu a su espíritu, a veces más claro y a veces menos, lo que puede darle reposo. Pida, por tanto, Su presencia y Su amor; porque si somos hijos, también somos herederos de Dios y coherederos con Cristo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Genees mij
Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
Behouden worden brengt verscheidene dingen met zich mee. Allereerst betekent het verlossing van de schuld van de zonde. Dit is waar de zielen van Gods kinderen eerst voornamelijk door worden beproefd — de schuld van de zonde, en de moeilijkheden en zorgen die deze met zich meebrengt, alsmede de verontrustende twijfels, angsten en dienstbaarheid waarmee een besef van zonde dat op het geweten ligt altijd gepaard gaat, zodat ze, door uit te roepen: „Behoud mij, zo zal ik behouden worden,” roepen om verlost te worden van de schuld van de zonde die in het geweten wordt bemerkt.
Er is het vuil van de zonde, dat de geest bezoedelt. Als we inzien wat zonde is in het licht van Gods aangezicht, zien we dat het een smet op ons geweten werpt en een verontrustend gevoel van zelfverachting teweegbrengt. Van dit vuil van de zonde dat de geest bezoedelt en vervuilt, willen we verlost en bevrijd worden door de almacht van God. Er is de macht van de zonde — de verborgen heerschappij die de zonde uitoefent in het hart.
En o, wat oefent de zonde soms een tirannieke heerschappij uit in onze zinnelijke geest! Wat zitten we spoedig verstrengeld in strikken die het vlees behagen! De Heere, en de Heere alleen, kan ons van al deze dingen verlossen en behouden.
Hij verlost ons van de schuld van de zonde door het geweten te besprenkelen met het dierbare bloed van het Lam. Als dit in de ziel wordt opgemerkt, raken we bevrijd van de schuld van de zonde. Hij verlost ons van het vuil van de zonde door de reiniging in de wedergeboorte, waardoor onze geestesgesteldheid wordt vernieuwd en we in de fontein worden gedompeld die is opengesteld voor alle zonde en onreinheid. Hij verlost ons van de macht van de zonde door iets van Zijn stervende liefde in ons hart te brengen, waarmee Hij ons van onze afgoden bevrijdt, onze genegenheid voor hemelse zaken opwekt, en onze strikken in stukken breekt, onze begeerten beteugelt, onze verdorvenheden temt en de inwendige verdorvenheden van onze vreselijke gevallen aard overmeestert.
Lezen: Psalm 6
Aan de lezer…
Herkent u dit? Er is iets wat u benauwt en bij u knelt. Is het de schuld van de zonde die op uw geweten ligt, met al haar twijfels en angsten? Is het het vuil van de zonde, dat u met zelfverachting vervult als u uzelf in het licht van Gods aangezicht ziet? Of is het haar macht, die tirannieke heerschappij, waardoor u zo spoedig weer in strikken verstrengeld zit die het vlees behagen?
Wat het ook is, de Heere, en de Heere alleen, kan u daarvan verlossen. Hij heeft voor elk van deze kwalen Zijn eigen middel: het dierbare bloed van het Lam voor de schuld, de fontein die geopend is voor alle zonde en onreinheid voor het vuil, en Zijn stervende liefde, die uw afgoden en strikken in stukken breekt, voor de macht. Roep dan tot Hem: „Behoud mij, zo zal ik behouden worden.” Zo roepen al Gods kinderen, en Hij laat dat roepen niet onbeantwoord.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
Behouden worden houdt verschillende dingen in. In de eerste plaats betekent het verlossing van de schuld van de zonde. Daarmee worden de zielen van Gods kinderen in het begin vooral beproefd: de schuld van de zonde en de moeiten en zorgen die zij meebrengt, en ook de verontrustende twijfels, angsten en dienstbaarheid die altijd samengaan met een besef van zonde dat op het geweten ligt. Wanneer zij dan uitroepen: „Behoud mij, zo zal ik behouden worden,” roepen ze om verlost te worden van de schuld van de zonde die ze in hun geweten voelen.
Er is het vuil van de zonde, dat de geest bezoedelt. Als we zien wat de zonde is in het licht van Gods aangezicht, zien we dat zij een smet op ons geweten werpt en een verontrustend gevoel van zelfverachting oproept. Van dit vuil van de zonde, dat de geest bezoedelt en vervuilt, willen we door de almacht van God verlost en bevrijd worden. Er is ook de macht van de zonde: de verborgen heerschappij die de zonde in het hart uitoefent.
En o, wat oefent de zonde soms een tirannieke heerschappij uit in onze zinnelijke geest! Wat raken we snel verstrikt in strikken die het vlees behagen! De Heere, en de Heere alleen, kan ons van al deze dingen verlossen en behouden.
Hij verlost ons van de schuld van de zonde door het geweten te besprenkelen met het dierbare bloed van het Lam. Wanneer dat in de ziel ervaren wordt, worden we bevrijd van de schuld van de zonde. Hij verlost ons van het vuil van de zonde door de reiniging in de wedergeboorte, waardoor onze geestesgesteldheid wordt vernieuwd en we worden gedompeld in de fontein die geopend is tegen alle zonde en onreinheid. Hij verlost ons van de macht van de zonde door iets van Zijn stervende liefde in ons hart te brengen. Daarmee bevrijdt Hij ons van onze afgoden en wekt Hij onze genegenheid voor hemelse zaken op. Hij breekt onze strikken in stukken, beteugelt onze begeerten, temt onze verdorvenheden en overmeestert de inwendige verdorvenheden van onze vreselijke gevallen natuur.
Lezen: Psalm 6
Aan de lezer…
Herkent u dit? Er is iets wat u benauwt en knelt. Is het de schuld van de zonde die op uw geweten ligt, met al haar twijfels en angsten? Is het het vuil van de zonde, dat u met zelfverachting vervult wanneer u uzelf in het licht van Gods aangezicht ziet? Of is het haar macht, die tirannieke heerschappij, waardoor u zo snel weer verstrikt raakt in strikken die het vlees behagen?
Wat het ook is, de Heere, en de Heere alleen, kan u daarvan verlossen. Hij heeft voor elk van deze kwalen Zijn eigen middel: voor de schuld het dierbare bloed van het Lam, voor het vuil de fontein die geopend is tegen alle zonde en onreinheid, en voor de macht Zijn stervende liefde, die uw afgoden en strikken in stukken breekt. Roep dan tot Hem: „Behoud mij, zo zal ik behouden worden.” Zo roepen al Gods kinderen, en Hij laat dat roepen niet onbeantwoord.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heal me, O LORD, and I shall be healed; save me, and I shall be saved: for Thou art my praise.
Jeremiah 17:14
To be saved implies several things. In the first place, it means deliverance from the guilt of sin. With this the souls of God’s children are chiefly exercised at the beginning: the guilt of sin and the troubles and cares it brings, and also the distressing doubts, fears and bondage which always go with a sense of sin lying upon the conscience. When, then, they cry out, “Save me, and I shall be saved,” they are crying to be delivered from the guilt of sin which they feel in their conscience.
There is the filth of sin, which defiles the spirit. When we see what sin is in the light of God’s countenance, we see that it casts a stain upon our conscience and raises a distressing feeling of self-loathing. From this filth of sin, which defiles and pollutes the spirit, we want to be delivered and set free by the almighty power of God. There is also the power of sin: the secret dominion which sin exercises in the heart.
And oh, what a tyrannical dominion sin sometimes exercises in our carnal mind! How soon we are entangled in snares that please the flesh! The Lord, and the Lord alone, can deliver and save us from all these things.
He delivers us from the guilt of sin by sprinkling the conscience with the precious blood of the Lamb. When this is felt in the soul, we are set free from the guilt of sin. He delivers us from the filth of sin by the washing of regeneration, whereby the frame of our mind is renewed and we are plunged into the fountain opened for all sin and uncleanness.
He delivers us from the power of sin by bringing something of His dying love into our heart. Thereby He frees us from our idols and draws out our affections to heavenly things. He breaks our snares to pieces, curbs our lusts, subdues our corruptions and masters the inward depravity of our dreadful fallen nature.
Reading: Psalm 6
To the reader…
Do you recognise this? There is something that distresses and pinches you. Is it the guilt of sin that lies upon your conscience, with all its doubts and fears? Is it the filth of sin, which fills you with self-loathing when you see yourself in the light of God’s countenance? Or is it its power, that tyrannical dominion, by which you are so soon entangled again in snares that please the flesh?
Whatever it is, the Lord, and the Lord alone, can deliver you from it. For each of these maladies He has His own remedy: for the guilt, the precious blood of the Lamb; for the filth, the fountain opened for all sin and uncleanness; and for the power, His dying love, which breaks your idols and snares to pieces. Then cry to Him, “Save me, and I shall be saved.” So all God’s children cry, and He does not leave that cry unanswered.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Sáname, oh Jehová, y seré sano; sálvame, y seré salvo: porque Tú eres mi alabanza.
Jeremías 17:14
Ser salvo implica varias cosas. En primer lugar, significa ser librado de la culpa del pecado. Con esto se ejercitan principalmente las almas de los hijos de Dios al principio: la culpa del pecado y las aflicciones y cuidados que trae consigo, y también las angustiosas dudas, temores y servidumbre que siempre acompañan al sentimiento del pecado que pesa sobre la conciencia. Cuando, pues, claman: “Sálvame, y seré salvo”, están clamando para ser librados de la culpa del pecado que sienten en su conciencia.
Está la inmundicia del pecado, que contamina el espíritu. Cuando vemos lo que es el pecado a la luz del rostro de Dios, vemos que echa una mancha sobre nuestra conciencia y despierta un angustioso sentimiento de aborrecimiento de nosotros mismos. De esta inmundicia del pecado, que contamina y mancha el espíritu, queremos ser librados y puestos en libertad por el poder omnipotente de Dios. Está también el poder del pecado: el dominio secreto que el pecado ejerce en el corazón.
¡Y oh, qué dominio tiránico ejerce a veces el pecado en nuestra mente carnal! ¡Cuán pronto quedamos enredados en lazos que agradan a la carne! El Señor, y solo el Señor, puede librarnos y salvarnos de todas estas cosas.
Él nos libra de la culpa del pecado rociando la conciencia con la preciosa sangre del Cordero. Cuando esto se siente en el alma, somos libertados de la culpa del pecado. Él nos libra de la inmundicia del pecado por el lavamiento de la regeneración, por el cual es renovada la disposición de nuestra mente y somos sumergidos en la fuente abierta para todo pecado e inmundicia.
Él nos libra del poder del pecado trayendo algo de Su amor agonizante a nuestro corazón. Por ello nos libra de nuestros ídolos y atrae nuestros afectos hacia las cosas celestiales. Hace pedazos nuestros lazos, refrena nuestras concupiscencias, somete nuestras corrupciones y domina la depravación interior de nuestra terrible naturaleza caída.
Lectura: Salmo 6
Al lector…
¿Reconoce usted esto? Hay algo que le angustia y le aprieta. ¿Es la culpa del pecado que pesa sobre su conciencia, con todas sus dudas y temores? ¿Es la inmundicia del pecado, que le llena de aborrecimiento de sí mismo cuando se ve a la luz del rostro de Dios? ¿O es su poder, ese dominio tiránico por el cual tan pronto queda usted enredado otra vez en lazos que agradan a la carne?
Sea lo que fuere, el Señor, y solo el Señor, puede librarle de ello. Para cada uno de estos males Él tiene Su propio remedio: para la culpa, la preciosa sangre del Cordero; para la inmundicia, la fuente abierta para todo pecado e inmundicia; y para el poder, Su amor agonizante, que hace pedazos sus ídolos y sus lazos. Clame, pues, a Él: “Sálvame, y seré salvo”. Así claman todos los hijos de Dios, y Él no deja sin respuesta ese clamor.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Want Gij hebt vanwege Uw ganse Naam Uw Woord groot gemaakt.
Psalm 138:2
Dit is een van die uitdrukkingen in de Schrift die zo begrijpelijk en toch zo wonderlijk schijnen. Naar mijn gedachten is het een van de opmerkelijkste uitdrukkingen in het Woord van God: „Gij hebt vanwege Uw ganse Naam Uw Woord groot gemaakt.”
De Naam van God sluit al Zijn volmaaktheden in. Alles wat God is en wat van Hem als Bezittende is geopenbaard: Zijn rechtvaardigheid, majesteit, heiligheid, grootheid en heerlijkheid, en wat Hij in Zichzelf is, dat is Gods Naam. En toch heeft Hij iets boven al Zijn Namen verheven: Zijn Woord, Zijn waarheid. Dit kan ons leiden tot het vleesgeworden Woord, de Zoon Gods, Die het Woord genaamd wordt. „Drie zijn er Die getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Eén” (1 Joh. 5:7). „In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God” (Joh. 1:1).
Gij kunt de woorden nemen óf bedoelende dat God Zijn Woord, Zijn eeuwige Zoon, boven al Zijn grote Namen heeft verhoogd, dat is, dat Hij Jezus heeft verhoogd boven al de andere volmaaktheden van Zijn majesteit; óf neem het als bedoelende Zijn geschreven Woord, hetwelk vervat is in de Heilige Schrift. Hij heeft Zijn Woord groot gemaakt boven al Zijn Namen, in de vervulling daarvan. Gods getrouwheid was Hem zo dierbaar, dat Hij deze boven al Zijn andere volmaaktheden heeft groot gemaakt. Hij zou ze liever alle tot niet hebben zien worden, dan in Zijn getrouwheid te falen. Hij heeft Zijn getrouwheid zó zeer verhoogd, dat Zijn liefde, Zijn barmhartigheid, Zijn genade eerder feilen zouden dan Zijn getrouwheid: het Woord Zijns monds en hetgeen Hij heeft geopenbaard in de Schriften.
Wat hebben wij dan een gewisse en zekere zaligheid, welke rust op Zijn Woord, als God dat Woord vanwege of boven al Zijn Namen heeft groot gemaakt! Wat een nadrukkelijke verklaring is dit! Welk een schat van zegen en waarheid ligt daarin besloten! Zodat, indien God Zijn waarheid aan uw ziel heeft geopenbaard en u geloof geschonken heeft om op dat Woord der belofte uw anker uit te werpen, Hij liever al Zijn volmaaktheden zou verliezen dan dat dit zou falen, want Hij heeft vanwege Zijn ganse Naam Zijn Woord groot gemaakt.
Aan de lezer…
Hier wordt u gevraagd waarop uw hoop rust. Op uw gevoel, dat de ene dag warm en de andere dag koud is? Op uw voornemens, die zo vaak bezweken zijn? Dan is het geen wonder dat u zo heen en weer geslingerd wordt. Maar zie eens naar deze wonderlijke uitdrukking: de Heere heeft vanwege Zijn ganse Naam Zijn Woord groot gemaakt. Zijn getrouwheid is Hem zo dierbaar, dat Hij eerder al het andere zou zien feilen dan dat Zijn Woord zou falen.
Heeft Hij u dan ooit een woord der belofte op het hart gebonden, en mocht u daar, al was het met bevende hand, uw anker uitwerpen? Dan rust uw zaligheid niet op uw vasthouden, maar op Zijn getrouwheid. Zijn Woord, Zijn eeuwige Zoon, staat boven al Zijn Namen verheven. Daar ligt een schat van zegen en waarheid voor de zwakste gelovige. Het anker houdt, omdat Hij het houdt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want Gij hebt vanwege Uw ganse Naam Uw Woord groot gemaakt.
Psalm 138:2
Dit is een van die uitdrukkingen in de Schrift die zo begrijpelijk en toch zo wonderlijk lijken. Naar mijn gedachten is het een van de meest opmerkelijke uitdrukkingen in het Woord van God: „Gij hebt vanwege Uw ganse Naam Uw Woord groot gemaakt.”
De Naam van God omvat al Zijn volmaaktheden. Alles wat God is en wat van Hem als de Bezitter daarvan is geopenbaard – Zijn rechtvaardigheid, majesteit, heiligheid, grootheid en heerlijkheid, en wat Hij in Zichzelf is – dat is Gods Naam. En toch heeft Hij iets boven al Zijn Namen verheven: Zijn Woord, Zijn waarheid. Dit kan ons leiden naar het vleesgeworden Woord, de Zoon van God, Die het Woord genoemd wordt. „Drie zijn er Die getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Eén” (1 Joh. 5:7). „In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God” (Joh. 1:1).
U kunt de woorden zo opvatten dat God Zijn Woord, Zijn eeuwige Zoon, boven al Zijn grote Namen heeft verhoogd, dat wil zeggen: dat Hij Jezus heeft verhoogd boven al de andere volmaaktheden van Zijn majesteit. Of u kunt het opvatten als Zijn geschreven Woord, dat vervat is in de Heilige Schrift. Hij heeft Zijn Woord groot gemaakt boven al Zijn Namen, in de vervulling ervan. Gods getrouwheid was Hem zo dierbaar, dat Hij die boven al Zijn andere volmaaktheden groot heeft gemaakt. Hij zou ze liever allemaal teniet zien gaan dan in Zijn getrouwheid tekort te schieten. Hij heeft Zijn getrouwheid zo hoog verheven, dat Zijn liefde, Zijn barmhartigheid en Zijn genade eerder zouden falen dan Zijn getrouwheid: het Woord van Zijn mond en wat Hij in de Schriften heeft geopenbaard.
Wat hebben wij dan een vaste en zekere zaligheid, die rust op Zijn Woord, als God dat Woord vanwege of boven al Zijn Namen groot heeft gemaakt! Wat een nadrukkelijke verklaring is dit! Wat een schat van zegen en waarheid ligt daarin besloten! Als God Zijn waarheid aan uw ziel heeft geopenbaard en u geloof heeft geschonken om op dat Woord van de belofte uw anker uit te werpen, dan zou Hij dus liever al Zijn volmaaktheden verliezen dan dat dit zou falen, want Hij heeft vanwege Zijn ganse Naam Zijn Woord groot gemaakt.
Aan de lezer…
Hier wordt u gevraagd waarop uw hoop rust. Op uw gevoel, dat de ene dag warm en de andere dag koud is? Op uw voornemens, die zo vaak bezweken zijn? Dan is het geen wonder dat u zo heen en weer geslingerd wordt. Maar zie eens naar deze wonderlijke uitdrukking: de Heere heeft vanwege Zijn ganse Naam Zijn Woord groot gemaakt. Zijn getrouwheid is Hem zo dierbaar, dat Hij eerder al het andere zou zien falen dan dat Zijn Woord zou falen.
Heeft Hij u dan ooit een woord van belofte op het hart gebonden, en mocht u daar, al was het met bevende hand, uw anker uitwerpen? Dan rust uw zaligheid niet op uw vasthouden, maar op Zijn getrouwheid. Zijn Woord, Zijn eeuwige Zoon, staat boven al Zijn Namen verheven. Daar ligt een schat van zegen en waarheid voor de zwakste gelovige. Het anker houdt, omdat Hij het houdt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“For thou hast magnified thy word above all thy name.”
Psalm 138:2
This is one of those expressions in Scripture that seem so comprehensive, and yet so amazing. To my mind it is one of the most remarkable expressions in the whole book of God. “You have magnified Your Word above all Your Name.” The Name of God includes all the perfections of God; everything that God is, and that God is revealed as possessing. His justice, majesty, holiness, greatness, and glory, and whatever He is in Himself; that is God’s Name. And yet He has magnified something above all His Name; His Word, His truth.
This may refer to the Incarnate Word, the Son of God, Who is called the Word. “There are three that bear record in heaven, the Father, the Word, and the Holy Spirit, and these three are one” (1 John 5:7). “In the beginning was the Word, and the Word was with God” (John 1:1). You may take the words either as meaning that God has magnified His Word—His eternal Son—above all His great Name, that is, He has set Jesus on high above all the other perfections of His majesty, or take it as meaning His written Word, which is contained in the sacred Scriptures.
He has magnified it above all His Name in the fulfillment of it; God’s faithfulness being so dear to Him, that He has exalted it above all His other perfections. He would sooner allow them all to come to nothing, than for His faithfulness to fail. He has so magnified His faithfulness, that His love, His mercy, His grace would all sooner fail, than His faithfulness; the word of His mouth, and what He has revealed in the Scriptures.
What a firm salvation, then, is ours, which rests upon His Word, when God has magnified that Word above all His Name! What a comprehensive declaration is this! What volumes of blessedness and truth are contained therein! So that, if God has revealed His truth to your soul, and given you faith to anchor in the word of promise, sooner than that should fail, He would suffer the loss of all—for He has magnified His Word above all His Name.
To the reader…
Here you are asked what your hope rests upon. On your feelings, which are warm one day and cold the next? On your resolutions, which have so often given way? Then it is no wonder that you are tossed to and fro so much. But look at this wonderful expression: the Lord has magnified His Word above all His Name. His faithfulness is so dear to Him that He would sooner see everything else fail than His Word.
Has He ever, then, bound a word of promise upon your heart, and were you enabled, even with a trembling hand, to cast your anchor there? Then your salvation does not rest on your holding fast, but on His faithfulness. His Word, His eternal Son, is exalted above all His Names. There lies a treasure of blessedness and truth for the weakest believer. The anchor holds, because He holds it.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque has hecho magnífico Tu nombre, y Tu dicho sobre todas las cosas.
Salmo 138:2
Esta es una de aquellas expresiones de la Escritura que parecen tan abarcadoras y, a la vez, tan asombrosas. A mi juicio es una de las expresiones más notables de todo el libro de Dios: “Has engrandecido Tu Palabra sobre todo Tu Nombre.” El Nombre de Dios incluye todas las perfecciones de Dios; todo lo que Dios es, y todo lo que se revela que Dios posee. Su justicia, majestad, santidad, grandeza y gloria, y cuanto Él es en Sí mismo: eso es el Nombre de Dios. Y, sin embargo, Él ha engrandecido algo sobre todo Su Nombre: Su Palabra, Su verdad.
Esto puede referirse a la Palabra encarnada, el Hijo de Dios, que es llamado el Verbo. “Porque tres son los que dan testimonio en el cielo, el Padre, el Verbo, y el Espíritu Santo: y estos tres son uno” (1 Juan 5:7). “En el principio era el Verbo, y el Verbo era con Dios” (Juan 1:1). Puede usted tomar las palabras en el sentido de que Dios ha engrandecido a Su Verbo, Su Hijo eterno, sobre todo Su gran Nombre, es decir, que ha puesto en lo alto a Jesús por encima de todas las demás perfecciones de Su majestad; o bien en el sentido de Su Palabra escrita, contenida en las sagradas Escrituras.
Él la ha engrandecido sobre todo Su Nombre en su cumplimiento, pues la fidelidad de Dios le es tan querida que la ha exaltado sobre todas Sus otras perfecciones. Antes permitiría que todas ellas se redujeran a nada que dejar que Su fidelidad fallara. De tal manera ha engrandecido Su fidelidad, que Su amor, Su misericordia, Su gracia fallarían todos antes que Su fidelidad: la palabra de Su boca, y lo que Él ha revelado en las Escrituras.
¡Qué firme salvación es, pues, la nuestra, que descansa sobre Su Palabra, cuando Dios ha engrandecido esa Palabra sobre todo Su Nombre! ¡Qué declaración tan abarcadora es esta! ¡Qué tomos de bienaventuranza y verdad contiene! De modo que, si Dios ha revelado Su verdad a su alma y le ha dado fe para anclar en la palabra de promesa, antes que eso fallara, Él sufriría la pérdida de todo, porque ha engrandecido Su Palabra sobre todo Su Nombre.
Al lector…
Aquí se le pregunta sobre qué descansa su esperanza. ¿Sobre sus sentimientos, que un día son cálidos y al siguiente fríos? ¿Sobre sus propósitos, que tantas veces han cedido? Entonces no es de extrañar que sea usted tan zarandeado de un lado a otro. Pero mire esta maravillosa expresión: el Señor ha engrandecido Su Palabra sobre todo Su Nombre. Su fidelidad le es tan querida que antes vería fallar todo lo demás que Su Palabra.
¿Ha atado Él alguna vez una palabra de promesa a su corazón, y fue usted capacitado, aunque fuera con mano temblorosa, para echar allí su ancla? Entonces su salvación no descansa en que usted se aferre, sino en Su fidelidad. Su Palabra, Su Hijo eterno, está exaltado sobre todos Sus Nombres. Ahí hay un tesoro de bienaventuranza y verdad para el creyente más débil. El ancla resiste, porque Él la sostiene.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl