vandaag verschenen
Een medelijdende Hogepriester en een troon der genade
Over Hebreeën 4:15,16: Christus, onze grote Hogepriester, kan medelijden hebben met onze zwakheden en is in alles verzocht, maar zonder zonde. Juist wie zijn zwakheden en verzoekingen voelt, wordt aangespoord…
7 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
2 weken geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
3 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Werkt uws zelfs zaligheid met vrezen en beven.
Filippenzen 2:12
Alleen Gods volk weet onder de lering des Geestes wat het is „zijns zelfs zaligheid te werken”. En allen die hun zaligheid werken, zullen het doen „met vrezen en beven”. Want als een mens van God geleerd is te weten wat hij is; wanneer hij gevoelt welk een bedriegelijk hart hij in zijn boezem omdraagt; wanneer de verschillende strikken, verzoekingen en het verderf, waardoor hij dagelijks is omringd, zich aan hem vertonen; wanneer hij weet en gevoelt welk een ellendeling hij in zichzelf is, dan begint hij te vrezen en te beven dat hij ten laatste mocht verdoemd worden. Hij kan niet vermetel en zorgeloos voorwaarts gaan zonder „zijn paden recht voor zijn voeten te maken”, zonder zelf te onderzoeken of hij in het geloof is.
En wanneer het bedriegelijk hart van de mens aan hem ontdekt is; wanneer zijn holle en ledige belijdenis is ontmaskerd; wanneer hij gevoelt hoe eng het pad en hoe nauw de weg is en hoe weinigen er zijn die hem vinden; wanneer hij ertoe gebracht wordt te zien hoe gemakkelijk een mens misleid wordt, en hoe zeker hij misleid moet worden, tenzij God hem op een bijzondere wijze lere — wanneer een mens zover gebracht is dat hij ziet hoe zeldzaam, hoe heilig en hoe geestelijk de godsdienst is, dat God Zelf de Werker en de Voleindiger ervan is in het geweten, en dat een mens niet meer godsdienst heeft dan God hem wil geven, en dat hij zelf geen enkele korrel in zijn ziel kan werken; wanneer hij op die heilige grond staat, en begint uit te werken wat God erin gewerkt heeft, dan zal het altijd zijn „met vrezen en beven”: met „vrezen”, opdat hij niet bedrogen worde, tot God hem door Zijn eigen gezegende lippen zegt dat hij niet misleid is, en met „beven”, omdat hij erkent in Gods onmiddellijke tegenwoordigheid en onder Zijn hartdoorzoekende ogen te staan.
Maar ik, ik ben oprecht:
verlos dan uwen knecht
van ’t ongeval, dat hem genaakt.
Wil mij in gunst gedenken,
mij uw genade schenken:
zo wordt door U mijn heil volmaakt.
Ps. 26:11
Aan de lezer…
Misschien beeft u soms bij de gedachte dat u ten laatste nog bedrogen zou kunnen uitkomen. Vreest u voor uw bedriegelijk hart, en kent u die bange vraag of uw godsdienst wel echt is? Dan bent u niet ver van het pad dat hier beschreven wordt. Alleen wie van God geleerd is wat hij in zichzelf is, werkt zijn zaligheid met vrezen en beven en kan niet vermetel en zorgeloos voortgaan.
Maar die zaligheid is niet iets wat u zelf voortbrengt. U kunt geen enkele korrel godsdienst in uw ziel werken; God Zelf is er de Werker en de Voleindiger van. U werkt slechts uit wat Hij in u gewerkt heeft, onder Zijn hartdoorzoekende ogen. Breng uw vrees dan bij Hem, en smeek Hem dat Hij u met Zijn eigen gezegende lippen zegge dat u niet misleid bent.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Werkt uws zelfs zaligheid met vrezen en beven.
Filippenzen 2:12
Alleen Gods volk weet, onder het onderwijs van de Geest, wat het is „zijns zelfs zaligheid te werken”. En allen die hun zaligheid werken, zullen dat doen „met vrezen en beven”. Want wanneer iemand door God geleerd is te weten wat hij is, wanneer hij voelt wat voor een bedrieglijk hart hij in zijn binnenste meedraagt, wanneer de verschillende strikken, verzoekingen en het verderf waardoor hij dagelijks omringd is, zich aan hem vertonen, en wanneer hij weet en voelt wat voor een ellendeling hij in zichzelf is, dan begint hij te vrezen en te beven dat hij uiteindelijk verdoemd zou kunnen worden. Hij kan niet vermetel en zorgeloos verder gaan zonder „zijn paden recht voor zijn voeten te maken” en zonder zichzelf te onderzoeken of hij in het geloof is.
Dan wordt het bedrieglijke hart van de mens aan hem ontdekt en wordt zijn holle en lege belijdenis ontmaskerd. Hij voelt hoe eng het pad en hoe nauw de weg is, en hoe weinigen er zijn die hem vinden. Hij gaat zien hoe gemakkelijk een mens misleid wordt, en hoe zeker hij misleid zal worden, tenzij God hem op een bijzondere manier onderwijst. Zo wordt hij zover gebracht dat hij ziet hoe zeldzaam, hoe heilig en hoe geestelijk de godsdienst is: dat God Zelf de Werker en de Voleinder ervan is in het geweten, dat een mens niet meer godsdienst heeft dan God hem wil geven, en dat hij zelf geen enkele korrel ervan in zijn ziel kan werken. Wanneer hij op die heilige grond staat en begint uit te werken wat God erin gewerkt heeft, dan zal het altijd zijn „met vrezen en beven”. Met „vrezen”, opdat hij niet bedrogen worde, totdat God hem met Zijn eigen gezegende lippen zegt dat hij niet misleid is. En met „beven”, omdat hij beseft dat hij in Gods onmiddellijke tegenwoordigheid staat en onder Zijn hartdoorzoekende ogen.
Maar ik, ik ben oprecht:
verlos dan uwen knecht
van ’t ongeval, dat hem genaakt.
Wil mij in gunst gedenken,
mij uw genade schenken:
zo wordt door U mijn heil volmaakt.
Ps. 26:11
Aan de lezer…
Misschien beeft u soms bij de gedachte dat u uiteindelijk nog bedrogen zou kunnen uitkomen. Vreest u voor uw bedrieglijke hart, en kent u die bange vraag of uw godsdienst wel echt is? Dan bent u niet ver van het pad dat hier beschreven wordt. Alleen wie door God geleerd is wat hij in zichzelf is, werkt zijn zaligheid met vrezen en beven en kan niet vermetel en zorgeloos verder gaan.
Maar die zaligheid is niet iets wat u zelf voortbrengt. U kunt geen enkele korrel godsdienst in uw ziel werken; God Zelf is er de Werker en de Voleinder van. U werkt alleen uit wat Hij in u gewerkt heeft, onder Zijn hartdoorzoekende ogen. Breng uw vrees dan bij Hem, en smeek Hem dat Hij u met Zijn eigen gezegende lippen zegt dat u niet misleid bent.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Work out your own salvation with fear and trembling.
Philippians 2:12
None but God’s people under the teachings of the Spirit know what it is to “work out their own salvation.” And all who work out their own salvation will work it out “with fear and trembling.” For when a man is taught by God to know what he is; when he feels what a deceitful heart he carries in his bosom; when the various snares, temptations, and corruptions by which he is daily encompassed are opened up to him; when he knows and feels what a ruined wretch he is in self, then he begins to fear and tremble lest he should be damned at the last. He cannot go recklessly and carelessly on without “making straight paths for his feet,” without “examining himself whether he be in the faith.”
And whenever a man’s dreadfully deceitful heart is opened up to him; whenever the hollowness of an empty profession is unmasked; whenever he feels how strait is the path, how narrow the way, and how few there are that find it; whenever he is brought to see how easily a man is deceived, and how certainly he must be deceived unless God teaches him in a special manner–whenever a man is brought to this point, to see what a rare thing, what a sacred thing, and what a spiritual thing religion is, that God Himself is the author and finisher of it in the conscience, and that a man has no more religion than God is pleased to give him, and cannot work a single grain of it into his own soul; when he stands on this solemn ground, and begins to work out that which God works in, it will always be “with fear and trembling;” with some “fear” lest he be deceived, until God assures him by His own blessed lips that he is not deluded; and “with trembling,” as knowing that he stands in the immediate presence of God, and under His heart-searching eye.
To the reader…
Perhaps you sometimes tremble at the thought that in the end you might still turn out to have been deceived. Do you fear your deceitful heart, and do you know that anxious question whether your religion is real? Then you are not far from the path described here. Only someone who has been taught by God what he is in himself works out his salvation with fear and trembling and cannot go on presumptuously and carelessly.
But that salvation is not something you produce yourself. You cannot work a single grain of religion into your soul; God Himself is its Author and Finisher. You only work out what He has worked in you, under His heart-searching eye. Bring your fear to Him, then, and plead with Him to tell you with His own blessed lips that you are not deluded.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Ocupaos en vuestra salud con temor y temblor.
Filipenses 2:12
Nadie sino el pueblo de Dios bajo las enseñanzas del Espíritu sabe lo que es “ocuparse en su propia salvación”. Y todos los que se ocupan en su propia salvación lo harán “con temor y temblor”. Porque cuando un hombre es enseñado por Dios a conocer lo que él es; cuando siente qué corazón tan engañoso lleva en su pecho; cuando le son descubiertos los diversos lazos, tentaciones y corrupciones de que está rodeado cada día; cuando sabe y siente qué miserable arruinado es en sí mismo, entonces comienza a temer y temblar no sea que al final se condene. No puede seguir adelante temeraria y descuidadamente sin “hacer derechos pasos a sus pies”, sin “examinarse a sí mismo si está en fe”.
Y siempre que se le descubre a un hombre su corazón terriblemente engañoso; siempre que se desenmascara el vacío de una profesión hueca; siempre que siente cuán estrecha es la senda, cuán angosto el camino y cuán pocos son los que lo hallan; siempre que es llevado a ver con qué facilidad se engaña un hombre, y cuán ciertamente ha de ser engañado a menos que Dios le enseñe de una manera especial; siempre que un hombre es llevado a este punto, a ver qué cosa tan rara, tan sagrada y tan espiritual es la religión, que Dios mismo es su autor y consumador en la conciencia, y que un hombre no tiene más religión que la que a Dios Le place darle, y no puede producir ni un solo grano de ella en su propia alma; cuando está en este terreno solemne y comienza a ocuparse en aquello que Dios obra en él, será siempre “con temor y temblor”: con algún “temor” de ser engañado, hasta que Dios le asegure con Sus propios benditos labios que no está engañado; y “con temblor”, sabiendo que está en la presencia inmediata de Dios y bajo Su ojo que escudriña los corazones.
Al lector…
Quizá usted tiembla a veces ante el pensamiento de que al final pudiera resultar que ha estado engañado. ¿Teme su corazón engañoso, y conoce esa pregunta angustiosa de si su religión es real? Entonces no está lejos de la senda que aquí se describe. Solo quien ha sido enseñado por Dios lo que es en sí mismo se ocupa en su salvación con temor y temblor, y no puede seguir adelante con presunción y descuido.
Pero esa salvación no es algo que usted produzca por sí mismo. No puede producir ni un solo grano de religión en su alma; Dios mismo es su Autor y Consumador. Usted solo se ocupa en lo que Él ha obrado en usted, bajo Su ojo que escudriña los corazones. Lleve, pues, su temor a Él, y suplíquele que le diga con Sus propios benditos labios que usted no está engañado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een grote Hogepriester
Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.
Hebreeën 4:15
Door beproevingen leerde de Heere Jezus medeleven te hebben met Zijn beproefde kinderen. Hij „kan medelijden hebben met onze zwakheden” (Hebr. 4:15). We kunnen dus openlijk naar Hem toe gaan met onze beproevingen, ze voor Zijn aangezicht uitspreiden, zoals Hizkia met de brief van Sanherib in de tempel deed, en kunnen de zoete overtuiging koesteren dat Hij medeleven met ons onder onze zware lasten heeft en ze zal verlichten, of ons zal steunen, of, als ze niet worden vernietigd, ze zal heiligen, en ze voor ons geestelijk en eeuwig welzijn zal inzetten. Aldus is geloof in het medeleven van de gezegende Heere op uitzonderlijke wijze beraamd om gemelijkheid, gemopper en zelfbeklag te beteugelen, ons onderwerping en berusting te leren onder bezoekingen, en ons te verzoenen met een pad van smart en ellende.
Het laat ons het lijden van de gezegende Heere hier beneden zien, de beproevingen die Hij doorstond, en Zijn heilige nederigheid en onderworpenheid eronder toen Hij als een lam naar de slachtbank werd geleid, en zoals een schaap voor haar scheerders stil is, zo deed Hij Zijn mond niet open. Als we onze smarten en zorgen met die van Hem vergelijken, hoe licht lijken ze dan! Dit bewerkstelligt dat wij ons eraan onderwerpen, en als we in geloof en liefde kunnen opkijken, en de ooit lijdende Heere zien Die nu met ons, gebukt onder bezoekingen, medeleven heeft, wordt hierdoor zelfs de smart zoet.
Overeenstemming met het stervende beeld van Jezus wordt hierdoor in de ziel tot stand gebracht, verbinding met Zijn lijden gemaakt, kruisiging van het vlees met zijn voorkeuren en begeerten, dood zijn voor de wereld, doding van het hele lichaam van zonde, scheiding van hart en geest voor al het goddeloze en het kwaad veroorzaakt, en innige omgang met de gezegende Heere aan de rechterhand van de Vader teweeggebracht. Aldus mogen we God zegenen voor onze bezoekingen en beproevingen, onze ziekten, onze verliezen van dierbaren, onze verliezen en kruisen, onze ergernissen en teleurstellingen, onze vervolgingen, ons veracht worden door de wereld en onbarmhartige belijders, onze twijfels, angsten en oefeningen, ons zuchten en steunen onder een lichaam van zonde en dood, en, kort gezegd, voor elke voetstap op de weg van beproeving die ons dichter bij Jezus brengt, en ons steeds meer doet opengaan voor Zijn liefde en bloed, genade en heerlijkheid, medeleven en mededogen, en alles wat Hij is als een barmhartige en trouwe Hogepriester.
Lezen: 2 Korinthe 13
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor u, als er een last op u ligt die u niemand kunt uitleggen. Doe dan zoals Hizkia deed met de brief van Sanherib: spreid hem uit voor het aangezicht des Heeren. U gaat niet tot een vreemde, maar tot een Hogepriester Die medelijden kan hebben met uw zwakheden, omdat Hij Zelf als een lam ter slachting werd geleid en Zijn mond niet opendeed. Hij weet wat smart is, en Hij heeft er geduld mee.
Wellicht morrt uw hart en voelt u meer gemelijkheid dan onderwerping. Wees daar eerlijk over; maar zie dan naar Zijn lijden, en vergelijk uw zorgen met de Zijne. Hoe licht worden ze dan! Hij zal uw last verlichten, of u eronder steunen, of hem heiligen tot uw eeuwig welzijn. En als u merkt dat de weg van beproeving u dichter bij Jezus brengt, dan zult u nog leren God te zegenen voor de voetstappen die u nu zo zwaar vallen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.
Hebreeën 4:15
Door beproevingen leerde de Heere Jezus mee te leven met Zijn beproefde kinderen. Hij „kan medelijden hebben met onze zwakheden” (Hebr. 4:15). We kunnen dus vrijuit met onze beproevingen naar Hem toe gaan en ze voor Zijn aangezicht uitspreiden, zoals Hizkia met de brief van Sanherib in de tempel deed. En we mogen de zoete overtuiging koesteren dat Hij met ons meeleeft onder onze zware lasten en dat Hij ze zal verlichten, of ons eronder zal ondersteunen, of, als ze niet worden weggenomen, ze zal heiligen en ze zal laten meewerken tot ons geestelijk en eeuwig welzijn. Zo is het geloof in het medeleven van de gezegende Heere bij uitstek geschikt om knorrigheid, gemopper en zelfbeklag te beteugelen. Het leert ons onderwerping en berusting onder bezoekingen, en verzoent ons met een pad van smart en ellende.
Het laat ons het lijden van de gezegende Heere hier beneden zien, de beproevingen die Hij doorstond, en Zijn heilige nederigheid en onderworpenheid daaronder. Want Hij werd als een lam ter slachting geleid, en zoals een schaap stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open. Als we onze smarten en zorgen met de Zijne vergelijken, hoe licht lijken ze dan! Dit brengt ons ertoe ons eronder te buigen. En als we in geloof en liefde mogen opzien en de Heere zien Die eens leed en Die nu met ons meeleeft terwijl wij onder bezoekingen gebukt gaan, dan wordt daardoor zelfs de smart zoet.
Zo wordt in de ziel gelijkvormigheid aan het stervende beeld van Jezus gewerkt en gemeenschap met Zijn lijden. Zo komen kruisiging van het vlees met zijn hartstochten en begeerten, het gestorven zijn aan de wereld en de doding van het hele lichaam van de zonde. Zo worden hart en geest losgemaakt van alles wat goddeloos en kwaad is, en ontstaat er een innige omgang met de gezegende Heere aan de rechterhand van de Vader. Zo mogen we God zegenen voor onze bezoekingen en beproevingen, onze ziekten, het verlies van dierbaren, onze verliezen en kruisen, onze ergernissen en teleurstellingen, onze vervolgingen, het veracht worden door de wereld en door onbarmhartige belijders, onze twijfels, angsten en zielsoefeningen, en ons zuchten en steunen onder een lichaam van zonde en dood. Kortom, voor elke voetstap op de weg van beproeving die ons dichter bij Jezus brengt en ons steeds meer opent voor Zijn liefde en bloed, Zijn genade en heerlijkheid, Zijn medeleven en mededogen, en voor alles wat Hij is als een barmhartig en getrouw Hogepriester.
Lezen: 2 Korinthe 13
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor u, als er een last op u ligt die u aan niemand kunt uitleggen. Doe dan zoals Hizkia deed met de brief van Sanherib: spreid hem uit voor het aangezicht van de Heere. U gaat niet tot een vreemde, maar tot een Hogepriester Die medelijden kan hebben met uw zwakheden, omdat Hij Zelf als een lam ter slachting werd geleid en Zijn mond niet opendeed. Hij weet wat smart is, en Hij heeft er geduld mee.
Misschien morrt uw hart en voelt u meer knorrigheid dan onderwerping. Wees daar eerlijk over; maar zie dan naar Zijn lijden, en vergelijk uw zorgen met de Zijne. Hoe licht worden ze dan! Hij zal uw last verlichten, of u eronder ondersteunen, of hem heiligen tot uw eeuwig welzijn. En als u merkt dat de weg van beproeving u dichter bij Jezus brengt, dan zult u nog leren God te zegenen voor de voetstappen die u nu zo zwaar vallen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For we have not an High Priest which cannot be touched with the feeling of our infirmities; but was in all points tempted like as we are, yet without sin.
Hebrews 4:15
Through trials the Lord Jesus learned to sympathise with His tried children. He “can be touched with the feeling of our infirmities” (Heb. 4:15). We may therefore go freely to Him with our trials and spread them before His face, as Hezekiah did with the letter of Sennacherib in the temple. And we may cherish the sweet persuasion that He sympathises with us under our heavy burdens and that He will lighten them, or support us under them, or, if they are not removed, sanctify them and make them work together for our spiritual and eternal good. Thus faith in the sympathy of the blessed Lord is eminently suited to check fretfulness, murmuring and self-pity. It teaches us submission and resignation under afflictions, and reconciles us to a path of sorrow and trouble.
It shows us the sufferings of the blessed Lord here below, the trials He endured, and His holy meekness and submission under them. For He was brought as a lamb to the slaughter, and as a sheep before her shearers is dumb, so He opened not His mouth. When we compare our sorrows and cares with His, how light they seem! This brings us to bow down under them. And when we may look up in faith and love and see the Lord Who once suffered and Who now sympathises with us while we are bowed down under afflictions, even sorrow itself is made sweet.
So conformity to the suffering image of Jesus and fellowship with His sufferings are wrought in the soul. So come the crucifixion of the flesh with its affections and lusts, deadness to the world and the mortification of the whole body of sin. So heart and spirit are loosened from all that is ungodly and evil, and an intimate communion arises with the blessed Lord at the right hand of the Father.
So we may bless God for our afflictions and trials, our sicknesses, the loss of loved ones, our losses and crosses, our vexations and disappointments, our persecutions, the contempt of the world and of unkind professors, our doubts, fears and soul exercises, and our sighing and groaning under a body of sin and death. In short, for every footstep on the path of trial that brings us nearer to Jesus and opens us more and more to His love and blood, His grace and glory, His sympathy and compassion, and to all that He is as a merciful and faithful High Priest.
Reading: 2 Corinthians 13
To the reader…
Here is a word for you, if there is a burden upon you that you cannot explain to anyone. Then do as Hezekiah did with the letter of Sennacherib: spread it before the face of the Lord. You are not going to a stranger, but to a High Priest Who can be touched with the feeling of your infirmities, because He Himself was brought as a lamb to the slaughter and opened not His mouth. He knows what sorrow is, and He is patient with it.
Perhaps your heart murmurs and you feel more fretfulness than submission. Be honest about that; but then look at His sufferings, and compare your cares with His. How light they become! He will lighten your burden, or support you under it, or sanctify it for your eternal good. And when you find that the path of trial is bringing you nearer to Jesus, you will yet learn to bless God for the footsteps that now feel so heavy to you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque no tenemos un Pontífice que no se pueda compadecer de nuestras flaquezas; mas tentado en todo según nuestra semejanza, pero sin pecado.
Hebreos 4:15
Por medio de las pruebas el Señor Jesús aprendió a compadecerse de Sus hijos probados. Él “se puede compadecer de nuestras flaquezas” (Heb. 4:15). Por tanto, podemos ir libremente a Él con nuestras pruebas y extenderlas delante de Su rostro, como hizo Ezequías con la carta de Senaquerib en el templo. Y podemos abrigar la dulce persuasión de que Él se compadece de nosotros bajo nuestras pesadas cargas y de que las aliviará, o nos sostendrá bajo ellas, o, si no son quitadas, las santificará y hará que obren juntamente para nuestro bien espiritual y eterno. Así, la fe en la compasión del bendito Señor es sumamente apropiada para refrenar la irritación, la murmuración y la autocompasión. Nos enseña sumisión y resignación bajo las aflicciones, y nos reconcilia con un camino de dolor y angustia.
Nos muestra los sufrimientos del bendito Señor aquí abajo, las pruebas que soportó, y Su santa mansedumbre y sumisión bajo ellas. Porque como cordero fue llevado al matadero, y como oveja delante de sus trasquiladores enmudeció, y no abrió Su boca. Cuando comparamos nuestros dolores y cuidados con los Suyos, ¡cuán ligeros parecen! Esto nos lleva a doblegarnos bajo ellos. Y cuando podemos mirar arriba con fe y amor y ver al Señor que una vez sufrió y que ahora se compadece de nosotros mientras estamos abatidos bajo aflicciones, aun el mismo dolor se vuelve dulce.
Así se obran en el alma la conformidad con la imagen sufriente de Jesús y la comunión con Sus padecimientos. Así vienen la crucifixión de la carne con sus afectos y concupiscencias, la muerte al mundo y la mortificación de todo el cuerpo del pecado. Así el corazón y el espíritu se desprenden de todo lo impío y malo, y nace una comunión íntima con el bendito Señor a la diestra del Padre.
Así podemos bendecir a Dios por nuestras aflicciones y pruebas, nuestras enfermedades, la pérdida de seres queridos, nuestras pérdidas y cruces, nuestras contrariedades y desengaños, nuestras persecuciones, el desprecio del mundo y de profesantes poco bondadosos, nuestras dudas, temores y ejercicios del alma, y nuestros suspiros y gemidos bajo un cuerpo de pecado y de muerte. En suma, por cada paso en el camino de la prueba que nos acerca más a Jesús y nos abre más y más a Su amor y sangre, Su gracia y gloria, Su compasión y misericordia, y a todo lo que Él es como misericordioso y fiel Sumo Sacerdote.
Lectura: 2 Corintios 13
Al lector…
He aquí una palabra para usted, si pesa sobre usted una carga que no puede explicar a nadie. Haga entonces como hizo Ezequías con la carta de Senaquerib: extiéndala delante del rostro del Señor. No va usted a un extraño, sino a un Sumo Sacerdote que se puede compadecer de sus flaquezas, porque Él mismo fue llevado como cordero al matadero y no abrió Su boca. Él sabe lo que es el dolor, y tiene paciencia con él.
Quizá su corazón murmura y siente más irritación que sumisión. Sea sincero en ello; pero luego mire Sus sufrimientos y compare sus cuidados con los Suyos. ¡Cuán ligeros se vuelven! Él aliviará su carga, o le sostendrá bajo ella, o la santificará para su bien eterno. Y cuando descubra que el camino de la prueba le acerca más a Jesús, aprenderá aún a bendecir a Dios por los pasos que ahora le resultan tan pesados.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Daarna verminderen zij, en komen ten onder door verdrukking, kwaad en droefenis.
Psalm 107:39
Verdrukking is de oefening van kracht tegenover zwakheid, de overwinning van macht tegenover hulpeloosheid, zodat, letterlijk genomen, de armoede de deur opent voor verdrukking. Zo was het met Hiskia. Toen Hiskia op zijn ziekbed gelegd was en de dood hem in het aangezicht staarde, en hij verwachtte te zullen worden afgesneden en in het verderf te zullen nederdalen, opende dit de deur voor de verdrukking. Daarom zegt hij: „Heere, ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.” Het koude doodzweet stond op zijn voorhoofd en vertwijfeling drukte zijn ziel. Al zijn vleselijke godsdienst verdween in één ogenblik, en hij had nog juist geloof en kracht genoeg om, terwijl des verdrukkers hand zijn keel omknelde, uit te roepen: „Wees Gij mijn Borg” (Neem Gij het voor mij op; Eng. vert.), Jesaja 38:14.
Zo is de onderdrukking dan een gewicht of last, aan de armoede toegevoegd. Zij is niet hetzelfde als de armoede. Iemand kan arm zijn zonder onderdrukt te worden; maar arm zijn en tevens onderdrukt te worden, maakt de armoede tienmaal meer dan tevoren. In Zijn handelingen met Zijn volk beoogt de Heere hen in vernedering te brengen. Eerst ontbloot Hij hen en maakt hen arm, en wanneer Hij hen heeft arm gemaakt, en gebracht heeft in de uiterste nood, dan brengt Hij lasten tevoorschijn en legt ze op hen als zware pakken, die hen naar het schijnt moeten doen neerzinken in een eeuwig verderf.
Doch hier is het kenmerk van leven: het kermen, het hijgen, het zuchten en schreien der ziel onder de last. Die dood zijn in de zonden, hebben geen gevoel; evenzo is het met de huichelaars in Sion, en met degenen die hun gemak vinden in een vleselijke godsdienst. Zij kunnen hevige verzoekingen moeten doorstaan; zij mogen buitengewone angsten der hel doormaken; doch zij kennen niet de opheffingen die een levende consciëntie wel heeft onder de last der onderdrukking; zij kennen geen uitstorting des harten voor de Heere, of van enig lucht geven aan de bekommering der ziel in het zuchten en uitwenen voor de Heere, om genade te mogen vinden, of het Hem behagen moge van vrede te spreken en een zoete openbaring te schenken van vergeving en liefde. Zij kennen niet dat aanhouden aan de troon der genade, dag aan dag en nacht aan nacht, totdat de Heere verschijnt. Deze oefeningen zijn aan doden onbekend; zij behoren bij de levende kerk.
Iemand moge schreeuwen van weedom des harten, en van verbreking des geestes huilen (Jesaja 65:14), maar, gelijk de profeet zegt: „Zij roepen ook niet tot Mij met hun hart, wanneer zij huilen op hun legers” (Hosea 7:14). Maar te hijgen om en te verlangen naar de Heere, te kermen en te zuchten vanwege de onderdrukking, te worstelen met de Zaligmaker en Hem geen rust te gunnen totdat Hij in de ziel verschijnt, dit werk in het binnenste is alleen bekend bij de uitverkorenen en is buiten het bereik van allen die een naam hebben dat zij leven, terwijl zij dood zijn. Het is de vrucht van de uitstorting van de Geest der genade en der gebeden in hun ziel. Het is het werk van de Heilige Geest, Die hun zwakheden te hulp komt en Die in hen bidt met onuitsprekelijke zuchtingen.
Aan de lezer…
Gaat u gebukt onder verdrukking, kwaad en droefenis, verminderd en ten onder gebracht? Eerst arm gemaakt, en dan nog lasten erbovenop, alsof u onder het gewicht moet bezwijken? Misschien vreest u dat zulke zware wegen bewijzen dat de Heere tegen u is. Maar ik wijs u op iets anders: het kermen, het hijgen, het zuchten van de ziel onder de last is een kenmerk van leven. Die dood zijn, voelen het gewicht niet en roepen niet met het hart.
Ziet u in uzelf dat aanhouden aan de troon der genade, dag aan dag en nacht aan nacht, dat worstelen tot Hij verschijnt? Dat is niet uw eigen werk; het is de Geest der genade en der gebeden, Die uw zwakheden te hulp komt en in u bidt met onuitsprekelijke zuchtingen. Zeg dan maar met hem die het koude doodzweet voelde: „Heere, ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Daarna verminderen zij, en komen ten onder door verdrukking, kwaad en droefenis.
Psalm 107:39
Verdrukking is het uitoefenen van kracht tegenover zwakheid, de overwinning van macht op hulpeloosheid. Letterlijk genomen opent armoede dus de deur voor verdrukking. Zo was het met Hiskia. Toen Hiskia op zijn ziekbed lag en de dood hem in het gezicht staarde, en hij verwachtte te worden afgesneden en in het verderf neer te dalen, opende dat de deur voor de verdrukking. Daarom zegt hij: „Heere, ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.” Het koude doodzweet stond op zijn voorhoofd en wanhoop drukte op zijn ziel. Al zijn vleselijke godsdienst verdween in één ogenblik, en hij had nog net genoeg geloof en kracht om, terwijl de hand van de verdrukker zijn keel omklemde, uit te roepen: „Wees Gij mijn Borg” (Neem U het voor mij op; Eng. vert.), Jesaja 38:14.
De onderdrukking is dus een gewicht of last die aan de armoede wordt toegevoegd. Zij is niet hetzelfde als de armoede. Iemand kan arm zijn zonder onderdrukt te worden; maar arm zijn en tegelijk onderdrukt worden, maakt de armoede tienmaal zwaarder dan eerst. In Zijn handelingen met Zijn volk heeft de Heere tot doel hen in vernedering te brengen. Eerst ontbloot Hij hen en maakt Hij hen arm. En wanneer Hij hen arm gemaakt en in de uiterste nood gebracht heeft, haalt Hij lasten tevoorschijn en legt die op hen als zware pakken, die hen naar het lijkt in een eeuwig verderf moeten doen wegzinken.
Maar hier is het kenmerk van leven: het kermen, het hijgen, het zuchten en schreien van de ziel onder de last. Wie dood zijn in de zonden, hebben geen gevoel; zo is het ook met de huichelaars in Sion, en met hen die hun gemak vinden in een vleselijke godsdienst. Zij kunnen hevige verzoekingen moeten doorstaan en buitengewone angsten van de hel doormaken; maar zij kennen niet het opzien dat een levend geweten wel kent onder de last van de onderdrukking. Zij kennen geen uitstorten van het hart voor de Heere, geen lucht geven aan de zorg van de ziel door te zuchten en uit te wenen voor de Heere, om genade te mogen vinden, of het Hem zou behagen vrede te spreken en een zoete openbaring van vergeving en liefde te schenken. Zij kennen dat aanhouden aan de troon der genade niet, dag aan dag en nacht aan nacht, totdat de Heere verschijnt. Deze oefeningen zijn aan doden onbekend; zij horen bij de levende kerk.
Iemand kan schreeuwen van smart van het hart, en huilen van verbreking van de geest (Jesaja 65:14), maar zoals de profeet zegt: „Zij roepen ook niet tot Mij met hun hart, wanneer zij huilen op hun legers” (Hosea 7:14). Maar hijgen naar en verlangen naar de Heere, kermen en zuchten vanwege de onderdrukking, worstelen met de Zaligmaker en Hem geen rust gunnen totdat Hij in de ziel verschijnt: dit werk in het binnenste is alleen bekend bij de uitverkorenen. Het ligt buiten het bereik van allen die de naam hebben dat zij leven, terwijl zij dood zijn. Het is de vrucht van de uitstorting van de Geest der genade en der gebeden in hun ziel. Het is het werk van de Heilige Geest, Die hun zwakheden te hulp komt en Die in hen bidt met onuitsprekelijke zuchtingen.
Aan de lezer…
Gaat u gebukt onder verdrukking, kwaad en droefenis, verminderd en ten onder gebracht? Eerst arm gemaakt, en dan nog lasten erbovenop, alsof u onder het gewicht moet bezwijken? Misschien vreest u dat zulke zware wegen bewijzen dat de Heere tegen u is. Maar ik wijs u op iets anders: het kermen, het hijgen en het zuchten van de ziel onder de last is een kenmerk van leven. Wie dood zijn, voelen het gewicht niet en roepen niet met het hart.
Ziet u in uzelf dat aanhouden aan de troon der genade, dag aan dag en nacht aan nacht, dat worstelen tot Hij verschijnt? Dat is niet uw eigen werk. Het is de Geest der genade en der gebeden, Die uw zwakheden te hulp komt en in u bidt met onuitsprekelijke zuchtingen. Zeg dan maar met hem die het koude doodzweet voelde: „Heere, ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Again, they are minished and brought low through oppression, affliction, and sorrow.
Psalm 107:39
Oppression is the exercise of strength against weakness, the triumph of power over helplessness; so that poverty literally opens the door for oppression. It was so with Hezekiah. When Hezekiah was laid on his bed of sickness, death stared him in the face, and he expected he should be cut off, and cast into perdition. This opened the door for oppression; says he, “Lord, I am oppressed; undertake for me.” The cold damps of death stood upon his forehead, and despair pressed upon his soul. All his fleshly religion vanished in a moment; and he had but just faith and strength enough to cry out under the gripe of the oppressor’s hand at his throat, “Undertake for me” (Isaiah 38:14).
Oppression then is a weight and a burden superadded to poverty. It is not the same thing as poverty, but it is an additional infliction to poverty. A man may be poor without being oppressed; but when he is poor and oppressed too, it makes the poverty tenfold greater than before. Thus the Lord, in His dealings with His people in order to bring them down, first strips them and makes them poor; and when He has made them poor, and brought them into the depths of soul-destitution, then He causes burdens to lie on them as heavy loads, as though they would sink them into a never-ending hell.
But here is the mark of life; the groaning, panting, sighing, and crying of the soul under the burden. The dead in sin feel nothing; the hypocrites in Zion feel nothing; and those that are at ease in a fleshly religion feel nothing. They may have powerful temptations; they may have alarming fears of going to hell; but as to any heavings up of a quickened conscience under the weight of oppression, as to any pouring out of the heart before God, or any giving vent to the distresses of the soul in sighs and cries unto the Lord to have mercy, to speak peace, and bring in a sweet manifestation of pardon and love, and to keep at this day after day, and night after night until the Lord appears; these are exercises unknown to the dead, and peculiar to the living family.
A man may “cry for sorrow of heart, and howl for vexation of spirit” (Isaiah 65:14), but as the prophet speaks, “they do not cry unto God with their heart, when they howl upon their beds” (Hosea 7:14). But to breathe and pant after the Lord, to groan and sigh because of oppression, to wrestle with the Savior and give Him no rest until He appears in the soul—this inward work is known only to the elect, and is out of the reach of all who have a name to live while they are dead. It is the fruit of the pouring out of the spirit of grace and supplications into their soul; it is the work of the Holy Spirit in the heart, helping its infirmities, and making intercession in it with groanings which cannot be uttered.
To the reader…
Are you bowed down under oppression, affliction and sorrow, minished and brought low? First made poor, and then burdens on top of that, as if you must sink beneath the weight? Perhaps you fear that such heavy ways prove the Lord is against you. But I point you to something else: the groaning, panting and sighing of the soul under the burden is a mark of life. Those who are dead do not feel the weight and do not cry with the heart.
Do you see in yourself that persevering at the throne of grace, day after day and night after night, that wrestling until He appears? That is not your own work. It is the Spirit of grace and supplications, Who helps your infirmities and prays in you with groanings which cannot be uttered. Say, then, with him who felt the cold sweat of death: “O LORD, I am oppressed; undertake for me.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y luego son menoscabados y abatidos a causa de tiranía, de males y congojas.
Salmo 107:39
La opresión es el ejercicio de la fuerza contra la debilidad, el triunfo del poder sobre la impotencia; de modo que la pobreza literalmente abre la puerta a la opresión. Así fue con Ezequías. Cuando Ezequías yacía en su lecho de enfermedad, la muerte le miraba a la cara, y esperaba ser cortado y arrojado a la perdición. Esto abrió la puerta a la opresión; dice él: “Jehová, violencia padezco; confórtame”. El frío sudor de la muerte estaba sobre su frente, y la desesperación oprimía su alma. Toda su religión carnal se desvaneció en un momento; y apenas tenía la fe y la fuerza justas para clamar, bajo la garra de la mano del opresor sobre su garganta: “Confórtame” (Isaías 38:14).
La opresión, pues, es un peso y una carga añadidos a la pobreza. No es lo mismo que la pobreza, sino un castigo añadido a la pobreza. Un hombre puede ser pobre sin estar oprimido; pero cuando es pobre y además oprimido, eso hace la pobreza diez veces mayor que antes. Así el Señor, en Sus tratos con Su pueblo para abatirlo, primero lo despoja y lo hace pobre; y cuando lo ha hecho pobre y lo ha llevado a las profundidades de la indigencia del alma, entonces hace que pesen sobre él cargas como fardos pesados, como si hubieran de hundirlo en un infierno sin fin.
Pero he aquí la señal de vida: el gemir, el jadear, el suspirar y el clamar del alma bajo la carga. Los muertos en pecado no sienten nada; los hipócritas en Sion no sienten nada; y los que están reposados en una religión carnal no sienten nada. Puede que tengan tentaciones poderosas; puede que tengan temores alarmantes de ir al infierno; pero en cuanto a los esfuerzos de una conciencia vivificada bajo el peso de la opresión, en cuanto a derramar el corazón delante de Dios, o dar salida a las angustias del alma en suspiros y clamores al Señor para que tenga misericordia, hable paz y traiga una dulce manifestación de perdón y de amor, y perseverar en esto día tras día y noche tras noche hasta que el Señor aparezca: estos son ejercicios desconocidos para los muertos y propios de la familia viva.
Un hombre puede “clamar por el dolor del corazón, y por el quebrantamiento de espíritu aullar” (Isaías 65:14), pero, como dice el profeta, “no clamaron a mí con su corazón cuando aullaron sobre sus camas” (Oseas 7:14). Pero anhelar y jadear en pos del Señor, gemir y suspirar a causa de la opresión, luchar con el Salvador y no darle reposo hasta que aparezca en el alma: esta obra interior solo la conocen los escogidos, y está fuera del alcance de todos los que tienen nombre de que viven y están muertos. Es el fruto del derramamiento del espíritu de gracia y de oración en su alma; es la obra del Espíritu Santo en el corazón, que ayuda a su flaqueza e intercede en él con gemidos indecibles.
Al lector…
¿Está usted abatido bajo la opresión, los males y las congojas, menoscabado y humillado? ¿Primero hecho pobre, y luego cargas encima de eso, como si tuviera que hundirse bajo el peso? Quizás teme que caminos tan duros prueben que el Señor está contra usted. Pero le señalo otra cosa: el gemir, el jadear y el suspirar del alma bajo la carga es una señal de vida. Los que están muertos no sienten el peso y no claman con el corazón.
¿Ve usted en sí mismo ese perseverar ante el trono de la gracia, día tras día y noche tras noche, ese luchar hasta que Él aparezca? Eso no es obra suya. Es el Espíritu de gracia y de oración, que ayuda a su flaqueza y ora en usted con gemidos indecibles. Diga, pues, con aquel que sintió el frío sudor de la muerte: “Jehová, violencia padezco; confórtame”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl