6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt.
Jeremia 31:18
Het geestelijk gevoel van zonde is onmisbaar voor het gevoel van zaliging. Altijd moet er een gevoel van de ziekte voorafgaan en de ziel voorbereiden voor een gelovig ontvangen van — en een gepaste vrees voor — het geneesmiddel. Waar God Zijn Zoon met kracht wil openbaren, waar Hij het Evangelie tot een „blijde boodschap” wil maken, daar doet Hij de ziel de last der zonde gevoelen en eronder zuchten. En ik houd mij verzekerd dat, wanneer de mens gebogen gaat onder de last der zonde, hij ook vol klachten is.
De Bijbel haalt honderden klachten aan van Gods volk, gebogen onder de zondenlast. „Mijn etterbuilen stinken; zij zijn vervuld vanwege mijn dwaasheid,” roept er een. „Ik ben krom geworden; ik ben uitermate zeer neergebogen; ik ga de ganse dag in het zwart” (Psalm 38:6, 7). „Mijn ziel,” roept een ander, „is der tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf” (Psalm 88:4). Een derde kermt: „Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht” (Klaagl. 3:2).
Een levend mens moet onder zulke omstandigheden klagen. Hij kan de last niet dragen zonder over zijn zwaarte te klagen. Hij kan de pijl niet voelen steken in zijn geweten zonder van pijn te kermen. Hij kan de worm niet voelen knagen aan zijn levensbeginsel zonder te klagen over zijn venijnige beet. Hij kan het niet gevoelen dat God vertoornd op hem is, zonder bitter te klagen dat de Heere zijn vijand is.
Geestelijk klagen is bewijs van geestelijk leven, en wordt door God als zodanig erkend. „Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt.” Het bewijst dat hij reden tot treuren heeft, iets welks last hem doet klagen; dat de zonde zich aan hem in al haar hatelijkheid en boosheid vertoond heeft; dat zij een bekommernis en een smart voor zijn ziel is; dat hij ze onder zijn tong niet kan doen verdwijnen als zoetigheid, maar dat zij ontdekt is door het alziend oog en gestraft door de straffende hand Gods.
’k Wil mijn misdaan, die U tergen,
niet verbergen,
ik bedek voor U die niet.
’k Ben vanwege al mijn zonden,
die mij wonden,
vol van kommer en verdriet.
Ps. 38:18
Aan de lezer…
Klaagt u, lezer, onder de last van uw zonden, en schaamt u zich soms over al uw zuchten en kermen? Denkt u dat een waar kind van God niet zo bedrukt zou mogen zijn? Hoor dan wat de Heere zegt: „Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt.” Hij heeft het gehoord. Geen zucht van een verbroken hart gaat aan Hem voorbij.
Geestelijk klagen is een bewijs van geestelijk leven. Een dode voelt geen last, en wie de zonde onder zijn tong als zoetigheid bewaart, kermt niet. Maar waar de pijl in het geweten steekt, daar heeft God de zonde in haar hatelijkheid ontdekt, en dat doet Hij om de ziel voor te bereiden op het geneesmiddel. Het gevoel van de ziekte gaat vooraf aan het gevoel van zaliging. Laat uw klacht dan uitgaan naar Hem Die hoort; voor zulken maakt Hij het Evangelie tot een blijde boodschap.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt.
Jeremia 31:18
Het geestelijke besef van zonde is onmisbaar voor het besef van de zaligheid. Altijd moet het besef van de ziekte voorafgaan en de ziel voorbereiden om het geneesmiddel gelovig te ontvangen en het met gepaste eerbied te vrezen. Waar God Zijn Zoon met kracht wil openbaren, waar Hij het Evangelie tot een „blijde boodschap” wil maken, daar laat Hij de ziel de last van de zonde voelen en eronder zuchten. En ik ben ervan overtuigd dat wie gebukt gaat onder de last van de zonde, ook vol klachten is.
De Bijbel noemt honderden klachten van Gods volk dat gebukt ging onder de last van de zonde. „Mijn etterbuilen stinken; zij zijn vervuld vanwege mijn dwaasheid,” roept de een. „Ik ben krom geworden; ik ben uitermate zeer neergebogen; ik ga de ganse dag in het zwart” (Psalm 38:6, 7). „Mijn ziel,” roept een ander, „is der tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf” (Psalm 88:4). Een derde kermt: „Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht” (Klaagl. 3:2).
Een levend mens moet in zulke omstandigheden wel klagen. Hij kan de last niet dragen zonder over de zwaarte ervan te klagen. Hij kan de pijl niet in zijn geweten voelen steken zonder van pijn te kermen. Hij kan de worm niet voelen knagen aan de bron van zijn leven zonder te klagen over zijn venijnige beet. Hij kan niet voelen dat God toornig op hem is zonder bitter te klagen dat de Heere zijn vijand is.
Geestelijk klagen is een bewijs van geestelijk leven, en God erkent het ook als zodanig. „Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt.” Het bewijst dat hij reden heeft om te treuren, dat er iets is waarvan de last hem doet klagen. Het bewijst dat de zonde zich aan hem vertoond heeft in al haar hatelijkheid en boosheid, en dat zij een bekommernis en een smart voor zijn ziel is. Het bewijst dat hij de zonde niet als iets zoets onder zijn tong kan laten verdwijnen, maar dat zij ontdekt is door het alziende oog van God en gestraft door Zijn straffende hand.
’k Wil mijn misdaan, die U tergen,
niet verbergen,
ik bedek voor U die niet.
’k Ben vanwege al mijn zonden,
die mij wonden,
vol van kommer en verdriet.
Ps. 38:18
Aan de lezer…
Klaagt u, lezer, onder de last van uw zonden, en schaamt u zich soms over al uw zuchten en kermen? Denkt u dat een waar kind van God niet zo bedrukt zou mogen zijn? Hoor dan wat de Heere zegt: „Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt.” Hij heeft het gehoord. Geen zucht van een verbroken hart gaat aan Hem voorbij.
Geestelijk klagen is een bewijs van geestelijk leven. Een dode voelt geen last, en wie de zonde als iets zoets onder zijn tong bewaart, kermt niet. Maar waar de pijl in het geweten steekt, daar heeft God de zonde in haar hatelijkheid ontdekt, en dat doet Hij om de ziel voor te bereiden op het geneesmiddel. Het besef van de ziekte gaat vooraf aan het besef van de zaligheid. Laat uw klacht dan uitgaan naar Hem Die hoort; voor zulke mensen maakt Hij het Evangelie tot een blijde boodschap.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I have surely heard Ephraim bemoaning himself.
Jeremiah 31:18
The spiritual feeling of sin is indispensable to the feeling of salvation. A sense of the malady must ever precede, and prepare the soul for, a believing reception and due apprehension of the remedy. Wherever God intends to reveal His Son with power, wherever He intends to make the gospel “a joyful sound” indeed, He first makes the conscience feel and groan under the burden of sin. And sure am I that when a man is laboring under the burden of sin, he will be full of groans.
The Bible records hundreds of the groans of God’s people under the burden of sin. “My wounds stench and are corrupt,” cries one, “because of my foolishness. I am troubled–I am bowed down greatly; I go mourning all the day long” (Psalm 38:5, 6). “My soul,” cries another, “is full of troubles, and my life draws near unto the grave” (Psalm 88:3). “He has led me,” groans out a third, “and brought me into darkness, but not into light” (Lam. 3:2).
A living man must cry under such circumstances. He cannot carry the burden without complaining of its weight. He cannot feel the arrow sticking in his conscience without groaning under the pain. He cannot have the worm gnawing his vitals without groaning of its venomous tooth. He cannot feel that God is incensed against him without bitterly groaning that the Lord is his enemy.
Spiritual groaning then, is a mark of spiritual life, and is one which God recognizes as such. “I have surely heard Ephraim bemoaning himself.” It shows that he has something to mourn over; something to make him groan, being burdened; that sin has been opened up to him in its hateful malignancy; that it is a trouble and distress to his soul; that he cannot roll it like a sweet morsel under his tongue, but that it is found out by the penetrating eye, and punished by the chastening hand of God.
To the reader…
Are you groaning under the burden of your sins, and are you sometimes ashamed of all your sighing and moaning? Do you think that a true child of God ought not to be so downcast? Then hear what the Lord says: “I have surely heard Ephraim bemoaning himself.” He has heard it. No sigh from a broken heart passes Him by.
Spiritual groaning is evidence of spiritual life. A dead man feels no burden, and whoever keeps sin as a sweet morsel under his tongue does not groan. But where the arrow sticks in the conscience, there God has uncovered sin in its hatefulness, and He does that to prepare the soul for the remedy. The sense of the malady comes before the sense of salvation. Let your complaint go out, then, to Him Who hears; for such people He makes the gospel a joyful sound.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Escuchando, he oído a Efraín que se lamentaba.
Jeremías 31:18
El sentimiento espiritual del pecado es indispensable para el sentimiento de la salvación. El sentido de la enfermedad ha de preceder siempre a la recepción creyente y la debida comprensión del remedio, y preparar el alma para ellas. Dondequiera que Dios se propone revelar a Su Hijo con poder, dondequiera que se propone hacer del evangelio verdaderamente un “son de alegría”, primero hace que la conciencia sienta la carga del pecado y gima bajo ella. Y estoy seguro de que, cuando un hombre está trabajando bajo la carga del pecado, estará lleno de gemidos.
La Biblia registra cientos de gemidos del pueblo de Dios bajo la carga del pecado. “Pudriéronse, corrompiéronse mis llagas”, clama uno, “a causa de mi locura. Estoy encorvado, estoy humillado en gran manera, ando enlutado todo el día” (Salmo 38:5, 6). “Mi alma”, clama otro, “está harta de males, y mi vida cercana al sepulcro” (Salmo 88:3). “Guiome”, gime un tercero, “y llevome en tinieblas, mas no en luz” (Lamentaciones 3:2).
Un hombre vivo tiene que clamar en tales circunstancias. No puede llevar la carga sin quejarse de su peso. No puede sentir la saeta clavada en su conciencia sin gemir bajo el dolor. No puede tener el gusano royendo sus entrañas sin gemir por su diente venenoso. No puede sentir que Dios está airado contra él sin gemir amargamente porque el Señor es su enemigo.
El gemir espiritual es, pues, una señal de vida espiritual, y una que Dios reconoce como tal. “Escuchando, he oído a Efraín que se lamentaba”. Muestra que tiene algo por lo cual llorar; algo que le hace gemir, estando cargado; que el pecado le ha sido descubierto en su odiosa malignidad; que es una aflicción y angustia para su alma; que no puede esconderlo como un dulce bocado debajo de su lengua, sino que es descubierto por el ojo penetrante y castigado por la mano disciplinadora de Dios.
Al lector…
¿Gime usted bajo la carga de sus pecados, y se avergüenza a veces de todo su suspirar y lamentarse? ¿Piensa que un verdadero hijo de Dios no debería estar tan abatido? Entonces oiga lo que dice el Señor: “Escuchando, he oído a Efraín que se lamentaba”. Él lo ha oído. Ningún suspiro de un corazón quebrantado Le pasa desapercibido.
El gemir espiritual es evidencia de vida espiritual. Un muerto no siente carga, y quien guarda el pecado como un dulce bocado debajo de su lengua no gime. Pero donde la saeta está clavada en la conciencia, allí Dios ha descubierto el pecado en su odiosidad, y lo hace para preparar al alma para el remedio. El sentido de la enfermedad viene antes del sentido de la salvación. Deje, pues, que su queja suba a Aquel que oye; para tales personas Él hace del evangelio un son de alegría.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een grote Hogepriester
Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.
Hebreeën 4:15
Lezen we niet dat God „Abraham verzocht” (Gen. 22:1)? Het woord „verzocht” moet hier worden opgevat als „beproefd”, want zowel in het Hebreeuws als in het Grieks betekent hetzelfde woord verzoeken en beproeven. God verzocht Abraham niet tot zonde, zoals de duivel Eva verzocht, of zoals hij David verzocht, maar „beproefde” hem, zoals de apostel zegt (Hebr. 11:17), of zijn geloof oprecht was. Aldus werd onze gezegende Heere beproefd, en wel door God Zelf, want Hij is „een grondsteen, een beproefde steen”, door God Zelf gelegd (Jes. 28:16).
Toen de Vader Hem een lichaam verschafte waarin Hij Zijn wil moest doen, werd Hij Gods knecht, zoals Hij zegt: „Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun. Mijn Uitverkorene, in Dewelke Mijn ziel een welbehagen heeft!” (Jes. 42:1). Als knecht was Hij gehoorzaam, „gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood des kruises” (Fil. 2:8). Zijn gehoorzaamheid was een beproefde gehoorzaamheid. God beproefde haar; mensen beproefden haar; duivels beproefden haar; vijanden beproefden haar; vrienden beproefden haar.
De zwakheid en onwetendheid van Zijn leerlingen; het verraad van Judas; het verlaten en de loochening door Petrus; list en bedrog van de Farizeeën en schriftgeleerden; het ongeloof en de ontrouw van het volk; de zonden waardoor Hij was omgeven; de zondeloze ongemakken van het vlees en bloed dat Hij had aangenomen, zoals honger, dorst en vermoeidheid, de lange tochten, de nachtwaken, de dagelijkse aanblik van ziekte en ellende — al deze en duizend andere omstandigheden die ons verstand te boven gaan, beproefden de gezegende Heere tijdens Zijn verblijf hier beneden. Maar Hij droeg alles wat Hem werd opgelegd. De zuiverheid van Zijn natuur, waarin geen zaden van zonde feitelijk of oorspronkelijk voorkwamen, de sterkte van Zijn goddelijke natuur waarmee zij was verenigd, en de kracht van de Heilige Geest, Die onbegrensd op Hem rustte, werkten allemaal samen om Hem door elke beproeving heen te brengen, en Hem te laten zegevieren over elke vijand.
Lezen: Jesaja 53
Aan de lezer…
Hoe zwaar kan het zijn, van alle kanten beproefd te worden: door uw eigen hart, door mensen die u verkeerd verstaan, misschien zelfs door vrienden van wie u beter had verwacht! Kent u dat? Dan is het u tot troost dat de gezegende Heere langs datzelfde pad is gegaan. Zijn gehoorzaamheid werd beproefd door God en mensen, door duivels, vijanden en vrienden; Hij kende de vermoeidheid van de lange tochten, de nachtwaken, het verraad en de loochening. En toch droeg Hij alles wat Hem werd opgelegd.
U bent geen beproefde steen zoals Hij; u bezwijkt waar Hij staande bleef. Maar juist daarom is Hij voor u gelegd als grondsteen. Wat in u zwak is, is in Hem sterk; waar u struikelt, heeft Hij gezegevierd. Zie dan niet alleen naar uw beproevingen, maar naar Hem, Die er zonder zonde doorheen ging, opdat een arme, wankelende ziel op Hem zou mogen rusten en niet beschaamd worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.
Hebreeën 4:15
Lezen we niet dat God „Abraham verzocht” (Gen. 22:1)? Het woord „verzocht” moet hier worden opgevat als „beproefd”, want zowel in het Hebreeuws als in het Grieks betekent hetzelfde woord verzoeken en beproeven. God verzocht Abraham niet tot zonde, zoals de duivel Eva verzocht of zoals hij David verzocht, maar Hij „beproefde” hem, zoals de apostel zegt (Hebr. 11:17), om te zien of zijn geloof oprecht was. Zo werd ook onze gezegende Heere beproefd, en wel door God Zelf, want Hij is „een grondsteen, een beproefde steen”, door God Zelf gelegd (Jes. 28:16).
Toen de Vader Hem een lichaam bereidde waarin Hij Zijn wil moest doen, werd Hij Gods Knecht, zoals God zegt: „Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun. Mijn Uitverkorene, in Dewelke Mijn ziel een welbehagen heeft!” (Jes. 42:1). Als Knecht was Hij gehoorzaam, „gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood des kruises” (Fil. 2:8). Zijn gehoorzaamheid was een beproefde gehoorzaamheid. God beproefde haar; mensen beproefden haar; duivels beproefden haar; vijanden beproefden haar; vrienden beproefden haar.
De zwakheid en onwetendheid van Zijn discipelen; het verraad van Judas; het verlaten en de verloochening door Petrus; de list en het bedrog van de farizeeën en schriftgeleerden; het ongeloof en de ontrouw van het volk; de zonden waardoor Hij omringd was; de zondeloze zwakheden van het vlees en bloed dat Hij had aangenomen, zoals honger, dorst en vermoeidheid, de lange tochten, de nachtwaken, de dagelijkse aanblik van ziekte en ellende — dit alles en duizend andere omstandigheden die ons verstand te boven gaan, beproefden de gezegende Heere tijdens Zijn verblijf hier beneden. Maar Hij droeg alles wat Hem werd opgelegd. De zuiverheid van Zijn natuur, waarin geen kiem van zonde was, dadelijk noch erfelijk, de kracht van Zijn goddelijke natuur waarmee zij verenigd was, en de kracht van de Heilige Geest, Die zonder mate op Hem rustte, werkten allemaal samen om Hem door elke beproeving heen te dragen en Hem over elke vijand te laten zegevieren.
Lezen: Jesaja 53
Aan de lezer…
Hoe zwaar kan het zijn om van alle kanten beproefd te worden: door uw eigen hart, door mensen die u verkeerd begrijpen, misschien zelfs door vrienden van wie u beter had verwacht! Kent u dat? Dan is het u tot troost dat de gezegende Heere langs datzelfde pad is gegaan. Zijn gehoorzaamheid werd beproefd door God en mensen, door duivels, vijanden en vrienden. Hij kende de vermoeidheid van de lange tochten, de nachtwaken, het verraad en de verloochening. En toch droeg Hij alles wat Hem werd opgelegd.
U bent geen beproefde steen zoals Hij; u bezwijkt waar Hij staande bleef. Maar juist daarom is Hij voor u gelegd als grondsteen. Wat in u zwak is, is in Hem sterk; waar u struikelt, heeft Hij gezegevierd. Zie dan niet alleen naar uw beproevingen, maar naar Hem Die er zonder zonde doorheen ging, zodat een arme, wankelende ziel op Hem mag rusten en niet beschaamd wordt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For we have not an High Priest which cannot be touched with the feeling of our infirmities; but was in all points tempted like as we are, yet without sin.
Hebrews 4:15
Do we not read that God “did tempt Abraham” (Gen. 22:1)? The word “tempt” must here be taken in the sense of “try,” for both in the Hebrew and in the Greek the same word means to tempt and to try. God did not tempt Abraham to sin, as the devil tempted Eve or as he tempted David, but He “tried” him, as the apostle says (Heb. 11:17), to see whether his faith was sincere. So also was our blessed Lord tried, and that by God Himself, for He is “a foundation stone, a tried stone,” laid by God Himself (Isa. 28:16).
When the Father prepared Him a body in which He was to do His will, He became God’s Servant, as God says: “Behold My Servant, Whom I uphold; Mine Elect, in Whom My soul delighteth” (Isa. 42:1). As a Servant He was obedient, “obedient unto death, even the death of the cross” (Phil. 2:8). His obedience was a tried obedience. God tried it; men tried it; devils tried it; enemies tried it; friends tried it.
The weakness and ignorance of His disciples; the treachery of Judas; the forsaking and the denial by Peter; the craft and deceit of the Pharisees and scribes; the unbelief and unfaithfulness of the people; the sins by which He was surrounded; the sinless infirmities of the flesh and blood which He had assumed, such as hunger, thirst and weariness, the long journeys, the night watches, the daily sight of sickness and misery — all this and a thousand other circumstances beyond our understanding tried the blessed Lord during His sojourn here below. But He bore all that was laid upon Him. The purity of His nature, in which there was no seed of sin, actual or original, the power of His divine nature with which it was united, and the power of the Holy Spirit, Who rested upon Him without measure, all worked together to carry Him through every trial and to make Him triumph over every enemy.
Reading: Isaiah 53
To the reader…
How heavy it can be to be tried on every side: by your own heart, by people who misunderstand you, perhaps even by friends from whom you had expected better! Do you know that? Then it is a comfort to you that the blessed Lord went along that same path. His obedience was tried by God and men, by devils, enemies and friends. He knew the weariness of the long journeys, the night watches, the betrayal and the denial. And yet He bore all that was laid upon Him.
You are not a tried stone as He is; you give way where He stood firm. But that is precisely why He has been laid for you as a foundation stone. What is weak in you is strong in Him; where you stumble, He has triumphed. Do not look, then, only at your trials, but at Him Who passed through them without sin, so that a poor, wavering soul may rest upon Him and not be ashamed.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque no tenemos un Pontífice que no se pueda compadecer de nuestras flaquezas; mas tentado en todo según nuestra semejanza, pero sin pecado.
Hebreos 4:15
¿No leemos que Dios “probó a Abraham” (Gén. 22:1)? La palabra “tentar” debe tomarse aquí en el sentido de “probar”, pues tanto en hebreo como en griego la misma palabra significa tentar y probar. Dios no tentó a Abraham a pecar, como el diablo tentó a Eva o como tentó a David, sino que lo “probó”, como dice el apóstol (Heb. 11:17), para ver si su fe era sincera. Así también fue probado nuestro bendito Señor, y eso por Dios mismo, pues Él es “piedra de fundamento, piedra de toque”, puesta por Dios mismo (Isa. 28:16).
Cuando el Padre le preparó un cuerpo en el cual había de hacer Su voluntad, Él llegó a ser el Siervo de Dios, como Dios dice: “He aquí Mi Siervo, Yo lo sostendré; Mi Escogido, en quien Mi alma toma contentamiento” (Isa. 42:1). Como Siervo fue obediente, “obediente hasta la muerte, y muerte de cruz” (Fil. 2:8). Su obediencia fue una obediencia probada. Dios la probó; los hombres la probaron; los demonios la probaron; los enemigos la probaron; los amigos la probaron.
La debilidad y la ignorancia de Sus discípulos; la traición de Judas; el abandono y la negación de Pedro; la astucia y el engaño de los fariseos y escribas; la incredulidad y la infidelidad del pueblo; los pecados de que estaba rodeado; las flaquezas sin pecado de la carne y sangre que había tomado, como el hambre, la sed y el cansancio, los largos viajes, las vigilias nocturnas, la vista diaria de la enfermedad y la miseria: todo esto y otras mil circunstancias que superan nuestro entendimiento probaron al bendito Señor durante Su permanencia aquí abajo. Pero Él soportó todo lo que se le impuso. La pureza de Su naturaleza, en la cual no había semilla de pecado, ni actual ni original, el poder de Su naturaleza divina con la cual estaba unida, y el poder del Espíritu Santo, que reposaba sobre Él sin medida, obraron juntos para llevarle a través de toda prueba y hacerle triunfar sobre todo enemigo.
Lectura: Isaías 53
Al lector…
¡Cuán pesado puede ser verse probado por todos lados: por el propio corazón, por personas que no le comprenden, quizá incluso por amigos de quienes esperaba algo mejor! ¿Conoce usted eso? Entonces le es un consuelo que el bendito Señor anduvo por ese mismo camino. Su obediencia fue probada por Dios y por los hombres, por demonios, enemigos y amigos. Él conoció el cansancio de los largos viajes, las vigilias nocturnas, la traición y la negación. Y sin embargo soportó todo lo que se le impuso.
Usted no es una piedra probada como Él; usted cede donde Él se mantuvo firme. Pero precisamente por eso Él ha sido puesto para usted como piedra de fundamento. Lo que en usted es débil, en Él es fuerte; donde usted tropieza, Él ha triunfado. No mire, pues, solo a sus pruebas, sino a Aquel que pasó por ellas sin pecado, para que una pobre alma vacilante pueda descansar en Él y no ser avergonzada.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Opdat Christus door het geloof in uw harten wone.
Efeze 3:17
De Heere gebood Mozes van het volk olie voor het licht te vorderen, en een kandelaar te maken met zeven lampen, opdat deze te allen tijde met deze olie branden zou om de heilige plaats te verlichten. Zonder twijfel was dit licht een zinnebeeld van de Heilige Geest, maar daar het alleen door Zijn eigen licht is dat de Heere Jezus gekend wordt, mogen wij wel zeggen dat Christus in het hart woont door het geloof. Het geloof geeft Hem een plaats in het hart; Hij woont in het verlicht verstand van Zijn volk door het gezegend licht van Zijn openbaringen.
Hebt gij somtijds geen wonderlijke schoonheid in het Evangelie gezien? Heeft niet van tijd tot tijd een heilig licht geschenen op dat gedeelte van Gods Woord hetgeen van Christus getuigde? Hebt gij niet een zonderlinge heerlijkheid aanschouwd in een vrij Evangelie; een Evangelie dat de zondaar verlost en toch de rechtvaardigheid van God verhoogt en verheerlijkt; een Evangelie dat elke ogenschijnlijk tegen zichzelf strijdende eigenschap overeenbrengt; dat de gerechtigheid en de vrede elkander doet ontmoeten en kussen; dat God rechtvaardig verklaart en toch weer de Rechtvaardigmaker van hem die in Jezus gelooft? Nu, dat licht, waardoor gij de heerlijkheid Gods aanschouwde in het aangezicht van Jezus Christus, was Evangelielicht; en toen Christus kwam in het hart, in de heerlijkheid van dat licht, kon er gezegd worden dat Hij woont in het schijnend licht van Zijn genade.
Gij klaagt wel, en dikwijls moet gij bitter klagen over de donkerheid in uw ziel, en het kan somtijds wel zo schijnen alsof er nooit een straaltje waar licht in uw ziel geschenen heeft; doch hebt gij wel zorgvuldig acht gegeven op deze twee zaken? Ten eerste, dat het waarnemen der duisternis niet anders kan geschieden dan door de aanwezigheid van het licht. Daarom zegt de apostel: „Maar al deze dingen van het licht bestraft zijnde, worden openbaar; want al wat openbaar maakt, is licht” (Efeze 5:13). Pas deze woorden toe op uw geval.
Is er niet iets in u dat de duisternis ontdekt, en niet alleen ontdekt, maar veroordeelt en deze openbaar maakt als iets dat gelaakt moet worden? Dit verborgen iets is licht; want al wat openbaar maakt, is licht. En wanneer gij het niet alleen waarneemt, maar eronder rouwklaagt, dan is dit door het licht des levens, hetwelk de Heere beloofd heeft te zullen geven aan degenen die Hem volgen.
Doch merk ten tweede op dat, wanneer er een weinig licht in uw ziel daalt, gij in dat licht wederom dezelfde genade en heerlijkheid in Christus ziet die gij tevoren in Hem zaagt. Nu, dit is een bewijs dat Christus door het geloof in het hart woont, en dat het licht waarin wij Hem zien, het licht is waardoor Hij ons verstand verlicht heeft, en dat Hij er Zelf in woont.
Aan de lezer…
Herkent u dit? U klaagt dikwijls bitter over de duisternis in uw ziel, en het schijnt soms alsof er nooit een straaltje waar licht in u geschenen heeft. Let dan op wat ik hier zeg, want het is een vriendelijk woord voor bestreden zielen. Duisternis kan alleen waargenomen worden door licht. Is er iets in u dat uw duisternis ontdekt, haar veroordeelt en eronder rouwklaagt? Dat verborgen iets is licht, „want al wat openbaar maakt, is licht”.
En denk eens terug: hebt u nooit een wonderlijke schoonheid in het Evangelie gezien, in een God Die rechtvaardig is en toch de Rechtvaardigmaker van hem die in Jezus gelooft? Valt er dan weer een weinig licht in uw ziel, en ziet u in Christus dezelfde genade en heerlijkheid als tevoren, dan is dat een bewijs dat Hij door het geloof in uw hart woont. Hij verlaat de plaats niet die Hij Zelf verlicht heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat Christus door het geloof in uw harten wone.
Efeze 3:17
De Heere gebood Mozes om van het volk olie voor het licht te vragen en een kandelaar met zeven lampen te maken, zodat die altijd met deze olie zou branden om de heilige plaats te verlichten. Ongetwijfeld was dit licht een beeld van de Heilige Geest. Maar omdat de Heere Jezus alleen door Zijn eigen licht gekend wordt, mogen wij wel zeggen dat Christus door het geloof in het hart woont. Het geloof geeft Hem een plaats in het hart; Hij woont in het verlichte verstand van Zijn volk door het gezegende licht van Zijn openbaringen.
Hebt u soms niet een wonderlijke schoonheid in het Evangelie gezien? Heeft er niet van tijd tot tijd een heilig licht geschenen op dat gedeelte van Gods Woord dat van Christus getuigde? Hebt u niet een bijzondere heerlijkheid gezien in een vrij Evangelie? Een Evangelie dat de zondaar verlost en toch de rechtvaardigheid van God verhoogt en verheerlijkt; een Evangelie dat alle eigenschappen die met elkaar in strijd lijken, met elkaar verzoent; dat de gerechtigheid en de vrede elkaar laat ontmoeten en kussen; dat God rechtvaardig verklaart en Hem toch tegelijk de Rechtvaardigmaker noemt van hem die in Jezus gelooft? Dat licht waarin u de heerlijkheid van God zag in het aangezicht van Jezus Christus, was het licht van het Evangelie. En toen Christus in de heerlijkheid van dat licht in het hart kwam, kon er gezegd worden dat Hij woont in het stralende licht van Zijn genade.
U klaagt wel, en vaak moet u bitter klagen over de duisternis in uw ziel. Het kan soms zelfs lijken alsof er nooit een straaltje waar licht in uw ziel geschenen heeft. Maar hebt u wel zorgvuldig gelet op deze twee zaken? Ten eerste: duisternis kan alleen worden waargenomen doordat er licht aanwezig is. Daarom zegt de apostel: „Maar al deze dingen van het licht bestraft zijnde, worden openbaar; want al wat openbaar maakt, is licht” (Efeze 5:13). Pas deze woorden toe op uw eigen situatie.
Is er niet iets in u dat de duisternis ontdekt, en haar niet alleen ontdekt, maar ook veroordeelt en openbaar maakt als iets wat afgekeurd moet worden? Dat verborgen iets is licht, want al wat openbaar maakt, is licht. En wanneer u de duisternis niet alleen waarneemt, maar er ook onder treurt, dan komt dat door het licht des levens, dat de Heere beloofd heeft te geven aan wie Hem volgen.
Let ten tweede op het volgende. Wanneer er een beetje licht in uw ziel komt, ziet u in dat licht opnieuw dezelfde genade en heerlijkheid in Christus die u eerder in Hem zag. Dat is een bewijs dat Christus door het geloof in het hart woont, en dat het licht waarin wij Hem zien, het licht is waardoor Hij ons verstand verlicht heeft, en dat Hij er Zelf in woont.
Aan de lezer…
Herkent u dit? U klaagt vaak bitter over de duisternis in uw ziel, en het lijkt soms alsof er nooit een straaltje waar licht in u geschenen heeft. Let dan op wat ik hier zeg, want het is een vriendelijk woord voor bestreden zielen. Duisternis kan alleen door licht worden waargenomen. Is er iets in u dat uw duisternis ontdekt, haar veroordeelt en eronder treurt? Dat verborgen iets is licht, „want al wat openbaar maakt, is licht”.
En denk eens terug: hebt u nooit een wonderlijke schoonheid in het Evangelie gezien, in een God Die rechtvaardig is en toch de Rechtvaardigmaker van hem die in Jezus gelooft? Valt er dan weer een beetje licht in uw ziel, en ziet u in Christus dezelfde genade en heerlijkheid als eerder, dan is dat een bewijs dat Hij door het geloof in uw hart woont. Hij verlaat de plaats niet die Hij Zelf verlicht heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That Christ may dwell in your hearts by faith.
Ephesians 3:17
God bade Moses receive from the people oil for the light, and to set up a candlestick with seven lamps, ever burning with this oil, to illuminate the holy place. This light was typical, no doubt, of the Holy Spirit, but as it is only by His own gracious light that the Lord Jesus is made known, we may still say, that as Christ dwells in the heart by faith, faith giving Him a place in the bosom, He dwells in the enlightened understanding of His saints, in the gracious light of His own manifestations.
Have you not seen at times wondrous beauty in the gospel? Has not a sacred light shone, from time to time, upon the holy page, when it testified of Christ? Have you not seen wondrous glory in a free gospel, a gospel that saves the sinner, and yet magnifies and glorifies the justice of God; a gospel that reconciles every apparently jarring attribute, brings justice and mercy to kiss each other, and makes God to be just, and yet the justifier of him who believes in Jesus? Now that light whereby you saw the glory of God in the face of Jesus Christ, was gospel light; and as Christ came into the heart in the glory of that light, He may be said to dwell in the shining light of His own grace.
You may complain, and often bitterly complain, of the darkness of your mind, and it may seem at times as if you never had any true light to shine into your soul. But I would have you carefully observe these two things; first, that the very cause of the darkness which you feel is the presence of light. The Apostle, therefore, says, “But all things that are reproved, (margin, ‘discovered,’) are made manifest by the light, for whatever does make manifest is light” (Eph. 5:13).
Apply these words to your case. Is there not something in you that discovers to you your darkness, and not only discovers, but reproves it, and makes it manifest as a thing to be condemned? This secret something is light, for “whatever does make manifest is light.” And as you not only see it, but feel and mourn under it, it is “the light of life” which the Lord promised to those who follow Him.
But observe, secondly, that whenever a little light dawns in again upon your soul, in that light you again see the same grace and glory in Christ which you saw in Him before. Now, what a proof this is that Christ dwells in the heart by faith, and that the light in which we see Him, is the light with which He has enlightened our understanding, and Himself dwells in it.
To the reader…
Do you recognise this? You often complain bitterly of the darkness in your soul, and it sometimes seems as if not one ray of true light has ever shone in you. Then mark what is said here, for it is a kind word for tried souls. Darkness can only be perceived by light. Is there something in you that discovers your darkness, condemns it and mourns under it? That secret something is light, “for whatsoever doth make manifest is light.”
And think back: have you never seen a wondrous beauty in the gospel, in a God Who is just and yet the Justifier of him which believeth in Jesus? If a little light then falls into your soul again, and you see in Christ the same grace and glory as before, that is a proof that He dwells in your heart by faith. He does not forsake the place that He Himself has enlightened.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Que habite Cristo por la fe en vuestros corazones.
Efesios 3:17
Dios mandó a Moisés recibir del pueblo aceite para la luminaria, y poner un candelero con siete lámparas, que ardiesen siempre con este aceite, para alumbrar el lugar santo. Esta luz era figura, sin duda, del Espíritu Santo; pero como solo por Su propia luz llena de gracia es dado a conocer el Señor Jesús, aún podemos decir que, así como Cristo habita en el corazón por la fe, dándole la fe un lugar en el pecho, Él habita en el entendimiento iluminado de Sus santos, en la luz llena de gracia de Sus propias manifestaciones.
¿No ha visto usted a veces una belleza maravillosa en el evangelio? ¿No ha brillado, de vez en cuando, una luz sagrada sobre la página santa cuando daba testimonio de Cristo? ¿No ha visto una gloria maravillosa en un evangelio gratuito, un evangelio que salva al pecador y que, sin embargo, engrandece y glorifica la justicia de Dios; un evangelio que reconcilia todos los atributos que en apariencia chocan entre sí, hace que la justicia y la misericordia se besen, y hace que Dios sea justo y, sin embargo, el que justifica al que es de la fe de Jesús? Ahora bien, aquella luz por la cual usted vio la gloria de Dios en la faz de Jesucristo era luz del evangelio; y como Cristo entró en el corazón en la gloria de esa luz, puede decirse que habita en la luz resplandeciente de Su propia gracia.
Usted puede quejarse, y a menudo quejarse amargamente, de la oscuridad de su mente, y a veces puede parecerle que nunca tuvo ninguna luz verdadera que brillara en su alma. Pero quisiera que observara con cuidado estas dos cosas: primero, que la causa misma de la oscuridad que usted siente es la presencia de la luz. Por eso dice el apóstol: “Mas todas las cosas cuando son redargüidas (al margen: ‘descubiertas’), son manifestadas por la luz; porque lo que manifiesta todo, la luz es” (Ef. 5:13).
Aplique estas palabras a su caso. ¿No hay algo en usted que le descubre su oscuridad, y no solo la descubre, sino que la redarguye y la pone de manifiesto como algo que debe ser condenado? Ese algo secreto es luz, porque “lo que manifiesta todo, la luz es”. Y como usted no solo la ve, sino que la siente y gime bajo ella, es “la lumbre de la vida” que el Señor prometió a los que Le siguen.
Pero observe, en segundo lugar, que siempre que un poco de luz vuelve a amanecer en su alma, en esa luz ve de nuevo en Cristo la misma gracia y gloria que vio en Él antes. Ahora bien, ¡qué prueba es esta de que Cristo habita en el corazón por la fe, y de que la luz en que Le vemos es la luz con que Él ha iluminado nuestro entendimiento, y en la cual Él mismo habita!
Al lector…
¿Reconoce usted esto? A menudo se queja amargamente de la oscuridad de su alma, y a veces le parece que ni un solo rayo de luz verdadera ha brillado jamás en usted. Entonces fíjese en lo que aquí se dice, porque es una palabra amable para las almas probadas. La oscuridad solo puede percibirse por la luz. ¿Hay algo en usted que descubre su oscuridad, la condena y gime bajo ella? Ese algo secreto es luz, “porque lo que manifiesta todo, la luz es”.
Y haga memoria: ¿nunca ha visto una belleza maravillosa en el evangelio, en un Dios que es justo y, sin embargo, el que justifica al que es de la fe de Jesús? Si entonces un poco de luz vuelve a caer en su alma, y ve en Cristo la misma gracia y gloria que antes, eso es una prueba de que Él habita en su corazón por la fe. Él no abandona el lugar que Él mismo ha iluminado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl