13 de junio
Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt.
Jeremia 31:18
Het geestelijk gevoel van zonde is onmisbaar voor het gevoel van zaliging. Altijd moet er een gevoel van de ziekte voorafgaan en de ziel voorbereiden voor een gelovig ontvangen van — en een gepaste vrees voor — het geneesmiddel. Waar God Zijn Zoon met kracht wil openbaren, waar Hij het Evangelie tot een „blijde boodschap” wil maken, daar doet Hij de ziel de last der zonde gevoelen en eronder zuchten. En ik houd mij verzekerd dat, wanneer de mens gebogen gaat onder de last der zonde, hij ook vol klachten is.
De Bijbel haalt honderden klachten aan van Gods volk, gebogen onder de zondenlast. „Mijn etterbuilen stinken; zij zijn vervuld vanwege mijn dwaasheid,” roept er een. „Ik ben krom geworden; ik ben uitermate zeer neergebogen; ik ga de ganse dag in het zwart” (Psalm 38:6, 7). „Mijn ziel,” roept een ander, „is der tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf” (Psalm 88:4). Een derde kermt: „Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht” (Klaagl. 3:2).
Een levend mens moet onder zulke omstandigheden klagen. Hij kan de last niet dragen zonder over zijn zwaarte te klagen. Hij kan de pijl niet voelen steken in zijn geweten zonder van pijn te kermen. Hij kan de worm niet voelen knagen aan zijn levensbeginsel zonder te klagen over zijn venijnige beet. Hij kan het niet gevoelen dat God vertoornd op hem is, zonder bitter te klagen dat de Heere zijn vijand is.
Geestelijk klagen is bewijs van geestelijk leven, en wordt door God als zodanig erkend. „Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt.” Het bewijst dat hij reden tot treuren heeft, iets welks last hem doet klagen; dat de zonde zich aan hem in al haar hatelijkheid en boosheid vertoond heeft; dat zij een bekommernis en een smart voor zijn ziel is; dat hij ze onder zijn tong niet kan doen verdwijnen als zoetigheid, maar dat zij ontdekt is door het alziend oog en gestraft door de straffende hand Gods.
’k Wil mijn misdaan, die U tergen,
niet verbergen,
ik bedek voor U die niet.
’k Ben vanwege al mijn zonden,
die mij wonden,
vol van kommer en verdriet.
Ps. 38:18
Aan de lezer…
Klaagt u, lezer, onder de last van uw zonden, en schaamt u zich soms over al uw zuchten en kermen? Denkt u dat een waar kind van God niet zo bedrukt zou mogen zijn? Hoor dan wat de Heere zegt: „Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt.” Hij heeft het gehoord. Geen zucht van een verbroken hart gaat aan Hem voorbij.
Geestelijk klagen is een bewijs van geestelijk leven. Een dode voelt geen last, en wie de zonde onder zijn tong als zoetigheid bewaart, kermt niet. Maar waar de pijl in het geweten steekt, daar heeft God de zonde in haar hatelijkheid ontdekt, en dat doet Hij om de ziel voor te bereiden op het geneesmiddel. Het gevoel van de ziekte gaat vooraf aan het gevoel van zaliging. Laat uw klacht dan uitgaan naar Hem Die hoort; voor zulken maakt Hij het Evangelie tot een blijde boodschap.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt.
Jeremia 31:18
Het geestelijke besef van zonde is onmisbaar voor het besef van de zaligheid. Altijd moet het besef van de ziekte voorafgaan en de ziel voorbereiden om het geneesmiddel gelovig te ontvangen en het met gepaste eerbied te vrezen. Waar God Zijn Zoon met kracht wil openbaren, waar Hij het Evangelie tot een „blijde boodschap” wil maken, daar laat Hij de ziel de last van de zonde voelen en eronder zuchten. En ik ben ervan overtuigd dat wie gebukt gaat onder de last van de zonde, ook vol klachten is.
De Bijbel noemt honderden klachten van Gods volk dat gebukt ging onder de last van de zonde. „Mijn etterbuilen stinken; zij zijn vervuld vanwege mijn dwaasheid,” roept de een. „Ik ben krom geworden; ik ben uitermate zeer neergebogen; ik ga de ganse dag in het zwart” (Psalm 38:6, 7). „Mijn ziel,” roept een ander, „is der tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf” (Psalm 88:4). Een derde kermt: „Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht” (Klaagl. 3:2).
Een levend mens moet in zulke omstandigheden wel klagen. Hij kan de last niet dragen zonder over de zwaarte ervan te klagen. Hij kan de pijl niet in zijn geweten voelen steken zonder van pijn te kermen. Hij kan de worm niet voelen knagen aan de bron van zijn leven zonder te klagen over zijn venijnige beet. Hij kan niet voelen dat God toornig op hem is zonder bitter te klagen dat de Heere zijn vijand is.
Geestelijk klagen is een bewijs van geestelijk leven, en God erkent het ook als zodanig. „Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt.” Het bewijst dat hij reden heeft om te treuren, dat er iets is waarvan de last hem doet klagen. Het bewijst dat de zonde zich aan hem vertoond heeft in al haar hatelijkheid en boosheid, en dat zij een bekommernis en een smart voor zijn ziel is. Het bewijst dat hij de zonde niet als iets zoets onder zijn tong kan laten verdwijnen, maar dat zij ontdekt is door het alziende oog van God en gestraft door Zijn straffende hand.
’k Wil mijn misdaan, die U tergen,
niet verbergen,
ik bedek voor U die niet.
’k Ben vanwege al mijn zonden,
die mij wonden,
vol van kommer en verdriet.
Ps. 38:18
Aan de lezer…
Klaagt u, lezer, onder de last van uw zonden, en schaamt u zich soms over al uw zuchten en kermen? Denkt u dat een waar kind van God niet zo bedrukt zou mogen zijn? Hoor dan wat de Heere zegt: „Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt.” Hij heeft het gehoord. Geen zucht van een verbroken hart gaat aan Hem voorbij.
Geestelijk klagen is een bewijs van geestelijk leven. Een dode voelt geen last, en wie de zonde als iets zoets onder zijn tong bewaart, kermt niet. Maar waar de pijl in het geweten steekt, daar heeft God de zonde in haar hatelijkheid ontdekt, en dat doet Hij om de ziel voor te bereiden op het geneesmiddel. Het besef van de ziekte gaat vooraf aan het besef van de zaligheid. Laat uw klacht dan uitgaan naar Hem Die hoort; voor zulke mensen maakt Hij het Evangelie tot een blijde boodschap.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I have surely heard Ephraim bemoaning himself.
Jeremiah 31:18
The spiritual feeling of sin is indispensable to the feeling of salvation. A sense of the malady must ever precede, and prepare the soul for, a believing reception and due apprehension of the remedy. Wherever God intends to reveal His Son with power, wherever He intends to make the gospel “a joyful sound” indeed, He first makes the conscience feel and groan under the burden of sin. And sure am I that when a man is laboring under the burden of sin, he will be full of groans.
The Bible records hundreds of the groans of God’s people under the burden of sin. “My wounds stench and are corrupt,” cries one, “because of my foolishness. I am troubled–I am bowed down greatly; I go mourning all the day long” (Psalm 38:5, 6). “My soul,” cries another, “is full of troubles, and my life draws near unto the grave” (Psalm 88:3). “He has led me,” groans out a third, “and brought me into darkness, but not into light” (Lam. 3:2).
A living man must cry under such circumstances. He cannot carry the burden without complaining of its weight. He cannot feel the arrow sticking in his conscience without groaning under the pain. He cannot have the worm gnawing his vitals without groaning of its venomous tooth. He cannot feel that God is incensed against him without bitterly groaning that the Lord is his enemy.
Spiritual groaning then, is a mark of spiritual life, and is one which God recognizes as such. “I have surely heard Ephraim bemoaning himself.” It shows that he has something to mourn over; something to make him groan, being burdened; that sin has been opened up to him in its hateful malignancy; that it is a trouble and distress to his soul; that he cannot roll it like a sweet morsel under his tongue, but that it is found out by the penetrating eye, and punished by the chastening hand of God.
To the reader…
Are you groaning under the burden of your sins, and are you sometimes ashamed of all your sighing and moaning? Do you think that a true child of God ought not to be so downcast? Then hear what the Lord says: “I have surely heard Ephraim bemoaning himself.” He has heard it. No sigh from a broken heart passes Him by.
Spiritual groaning is evidence of spiritual life. A dead man feels no burden, and whoever keeps sin as a sweet morsel under his tongue does not groan. But where the arrow sticks in the conscience, there God has uncovered sin in its hatefulness, and He does that to prepare the soul for the remedy. The sense of the malady comes before the sense of salvation. Let your complaint go out, then, to Him Who hears; for such people He makes the gospel a joyful sound.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Escuchando, he oído a Efraín que se lamentaba.
Jeremías 31:18
El sentimiento espiritual del pecado es indispensable para el sentimiento de la salvación. El sentido de la enfermedad ha de preceder siempre a la recepción creyente y la debida comprensión del remedio, y preparar el alma para ellas. Dondequiera que Dios se propone revelar a Su Hijo con poder, dondequiera que se propone hacer del evangelio verdaderamente un “son de alegría”, primero hace que la conciencia sienta la carga del pecado y gima bajo ella. Y estoy seguro de que, cuando un hombre está trabajando bajo la carga del pecado, estará lleno de gemidos.
La Biblia registra cientos de gemidos del pueblo de Dios bajo la carga del pecado. “Pudriéronse, corrompiéronse mis llagas”, clama uno, “a causa de mi locura. Estoy encorvado, estoy humillado en gran manera, ando enlutado todo el día” (Salmo 38:5, 6). “Mi alma”, clama otro, “está harta de males, y mi vida cercana al sepulcro” (Salmo 88:3). “Guiome”, gime un tercero, “y llevome en tinieblas, mas no en luz” (Lamentaciones 3:2).
Un hombre vivo tiene que clamar en tales circunstancias. No puede llevar la carga sin quejarse de su peso. No puede sentir la saeta clavada en su conciencia sin gemir bajo el dolor. No puede tener el gusano royendo sus entrañas sin gemir por su diente venenoso. No puede sentir que Dios está airado contra él sin gemir amargamente porque el Señor es su enemigo.
El gemir espiritual es, pues, una señal de vida espiritual, y una que Dios reconoce como tal. “Escuchando, he oído a Efraín que se lamentaba”. Muestra que tiene algo por lo cual llorar; algo que le hace gemir, estando cargado; que el pecado le ha sido descubierto en su odiosa malignidad; que es una aflicción y angustia para su alma; que no puede esconderlo como un dulce bocado debajo de su lengua, sino que es descubierto por el ojo penetrante y castigado por la mano disciplinadora de Dios.
Al lector…
¿Gime usted bajo la carga de sus pecados, y se avergüenza a veces de todo su suspirar y lamentarse? ¿Piensa que un verdadero hijo de Dios no debería estar tan abatido? Entonces oiga lo que dice el Señor: “Escuchando, he oído a Efraín que se lamentaba”. Él lo ha oído. Ningún suspiro de un corazón quebrantado Le pasa desapercibido.
El gemir espiritual es evidencia de vida espiritual. Un muerto no siente carga, y quien guarda el pecado como un dulce bocado debajo de su lengua no gime. Pero donde la saeta está clavada en la conciencia, allí Dios ha descubierto el pecado en su odiosidad, y lo hace para preparar al alma para el remedio. El sentido de la enfermedad viene antes del sentido de la salvación. Deje, pues, que su queja suba a Aquel que oye; para tales personas Él hace del evangelio un son de alegría.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl