5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Zend Uw licht, en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat ze mij brengen tot de berg Uwer heiligheid, en tot Uwe woningen.
Psalm 43:3
Een levend mens kan in waarheid de gedachte niet verdragen van stil te staan; dat wil zeggen: zodanig stil te staan dat er geen geestelijk werk in hem plaatsvindt; en nog minder kan hij het denkbeeld verdragen van terug te gaan. Hij wil voorwaarts gaan. Dikwijls is hij onvoldaan over zijn toestand; hij voelt hoe weinig hij kent; hij is wel verzekerd dat hetgeen hij verkregen heeft in het Goddelijke leven oppervlakkig is, en ook van zijn onwetendheid aangaande de toekomst; hij wil voorwaarts gaan, geheel en alleen in de kracht des Heeren, geleid, bestuurd, geleerd, vastgehouden worden, niet door de wijsheid en de kracht van het schepsel, maar door het bovennatuurlijke inkomen van licht en Waarheid in zijn ziel.
De troon der genade is voortdurend in wolken gehuld; God verbergt Zich en hij kan Hem niet aanschouwen; de Waarheid is verduisterd, zodat hij haar niet onderscheiden kan. Hij kan dikwijls de weg niet vinden tot Christus; hij kan het pad des levens niet zien, ook niet of zijn voeten op die weg staan. Hij ziet zo weinig kenmerken van genade in zijn ziel, en gevoelt zo krachtig de werkingen van zonde en bederf, hij vindt zo weinig dingen voor en zoveel dingen tegen, dat hij dikwijls twijfelmoedig wordt en ontroerd is in zijn geest, en er bijna een gevoel in zijn hart komt dat hij geheel van de genade Gods is uitgesloten, dat de verborgenheid des Heeren niet met hem is, maar dat hij is een huichelaar in Sion, aan wiens ziel zelfs nooit een beginsel van wijsheid is geschonken.
Nu dan, o Heer, wat is ’t dat ik verwacht?
Mijn hope staat op U alleen!
Verlos mij door Uw onweerstaanbre kracht
van al mijn ongerechtigheên
en stel mij niet, getrouwe Toeverlaat,
de dwaze sterv’ling tot een smaad.
Ps. 39:5
Aan de lezer…
Is de troon der genade voor u in wolken gehuld, lezer? Kunt u de weg tot Christus niet vinden, en ziet u zoveel tegen en zo weinig voor? Dan komt wellicht de bange gedachte op dat u een huichelaar in Sion bent, aan wie nooit een beginsel van wijsheid geschonken werd. Ik beschrijf die duisternis zo nauwkeurig, omdat ik haar ken. U bent dus niet de eerste die zo door het dal moet.
Maar let op wat er in die beschrijving ook staat: de levende mens kan het niet verdragen stil te staan. Hij is onvoldaan, hij wil voorwaarts, hij wil geleid worden door het licht en de waarheid van God Zelf. Is dat uw klacht en uw verlangen, dan is dat geen kenmerk van een huichelaar, maar van leven. Breng dan uw duisternis in het gebed van de psalmist: „Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden.” Hij Die dat verlangen gaf, zal het niet onbeantwoord laten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zend Uw licht, en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat ze mij brengen tot de berg Uwer heiligheid, en tot Uwe woningen.
Psalm 43:3
Een levend mens kan werkelijk de gedachte niet verdragen dat hij stilstaat, dat wil zeggen: zo stilstaat dat er geen geestelijk werk in hem plaatsvindt. Nog minder kan hij de gedachte verdragen dat hij teruggaat. Hij wil voorwaarts. Vaak is hij ontevreden over zijn toestand; hij voelt hoe weinig hij weet. Hij is ervan overtuigd dat wat hij in het Goddelijke leven verkregen heeft, oppervlakkig is, en hij beseft ook hoe onwetend hij is over de toekomst. Hij wil voorwaarts gaan, geheel en alleen in de kracht van de Heere. Hij wil geleid, bestuurd, onderwezen en vastgehouden worden, niet door de wijsheid en de kracht van het schepsel, maar doordat er op bovennatuurlijke wijze licht en Waarheid in zijn ziel binnenkomen.
De troon van de genade is voortdurend in wolken gehuld. God verbergt Zich en hij kan Hem niet zien; de Waarheid is verduisterd, zodat hij haar niet kan onderscheiden. Vaak kan hij de weg naar Christus niet vinden. Hij kan het pad van het leven niet zien, en ook niet of zijn voeten op die weg staan. Hij ziet zo weinig kenmerken van genade in zijn ziel en voelt zo krachtig de werkingen van zonde en verdorvenheid; hij vindt zo weinig dingen vóór en zoveel dingen tegen, dat hij vaak moedeloos wordt van twijfel en ontroerd is in zijn geest. Dan komt er bijna een gevoel in zijn hart dat hij volkomen buitengesloten is van de genade van God, dat de verborgenheid van de Heere niet met hem is, maar dat hij een huichelaar in Sion is, aan wiens ziel zelfs nooit een beginsel van wijsheid geschonken is.
Nu dan, o Heer, wat is ’t dat ik verwacht?
Mijn hope staat op U alleen!
Verlos mij door Uw onweerstaanbre kracht
van al mijn ongerechtigheên
en stel mij niet, getrouwe Toeverlaat,
de dwaze sterv’ling tot een smaad.
Ps. 39:5
Aan de lezer…
Is de troon van de genade voor u in wolken gehuld, lezer? Kunt u de weg naar Christus niet vinden, en ziet u zoveel tegen en zo weinig vóór? Dan komt misschien de bange gedachte op dat u een huichelaar in Sion bent, aan wie nooit een beginsel van wijsheid geschonken werd. Ik beschrijf die duisternis zo nauwkeurig, omdat ik haar ken. U bent dus niet de eerste die zo door het dal moet.
Maar let op wat er in die beschrijving ook staat: de levende mens kan het niet verdragen stil te staan. Hij is ontevreden, hij wil voorwaarts, hij wil geleid worden door het licht en de waarheid van God Zelf. Is dat uw klacht en uw verlangen, dan is dat geen kenmerk van een huichelaar, maar van leven. Breng dan uw duisternis in het gebed van de psalmist: „Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden.” Hij Die dat verlangen gaf, zal het niet onbeantwoord laten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O send out Thy light and Thy truth: let them lead me; let them bring me unto Thy holy hill, and to Thy tabernacles.
Psalm 43:3
A spiritually living man cannot, in his right mind, bear the idea of standing still, that is to say, standing still so as to have no spiritual work going on within; and still less can he bear the idea of going backward. He wants to go forward. He is often dissatisfied with his state; he feels how little he knows; he is well aware of the shallowness of his attainments in the divine life, as well as of the ignorance and the blindness that are in him; and therefore, laboring under the feeling of his own shortcomings for the past, his helplessness for the present, and his ignorance for the future, he wants to go forward wholly and solely in the strength of the Lord, to be led, guided, directed, kept, not by the wisdom and power of the creature, but by the supernatural entrance of light and truth into his soul.
The mercy-seat is continually covered with clouds; God hides Himself, and he cannot behold Him; the truth seems obscured so that he cannot realize it. He often cannot find his way to Christ; he cannot perceive the path of life, nor whether his feet are in that path. He sees so few marks of grace in his soul, and feels so powerfully the workings of sin and corruption; he finds so few things for him and so many things against him, that he often staggers, and is perplexed in his mind, and seems almost to come to a feeling in his heart, that he is destitute of the grace of God altogether, that the secret of the Lord is not with him, but that he is a hypocrite in Zion, who has never had even the beginning of wisdom communicated to his soul.
To the reader…
Is the throne of grace wrapped in clouds for you, reader? Can you not find the way to Christ, and do you see so much against you and so little for you? Then perhaps the anxious thought arises that you are a hypocrite in Zion, who never received even the beginning of wisdom. I describe that darkness so precisely because I know it. So you are not the first who must pass through the valley in this way.
But notice what is also said in that description: the living man cannot bear to stand still. He is dissatisfied, he wants to go forward, he wants to be led by the light and truth of God Himself. If that is your complaint and your longing, it is no mark of a hypocrite, but of life. Bring your darkness, then, into the prayer of the psalmist: “O send out Thy light and Thy truth: let them lead me.” He Who gave that longing will not leave it unanswered.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Envía Tu luz y Tu verdad: éstas me guiarán, me conducirán al monte de Tu santidad, y a Tus tabernáculos.
Salmo 43:3
Un hombre espiritualmente vivo no puede, estando en su sano juicio, soportar la idea de quedarse quieto, es decir, quedarse quieto de modo que no haya ninguna obra espiritual en su interior; y menos aún puede soportar la idea de retroceder. Quiere avanzar. A menudo está descontento de su estado; siente cuán poco sabe; es muy consciente de lo superficial de sus logros en la vida divina, así como de la ignorancia y la ceguera que hay en él; y por eso, agobiado por el sentimiento de sus propias faltas en el pasado, de su impotencia en el presente y de su ignorancia en cuanto al futuro, quiere avanzar total y únicamente en la fuerza del Señor, ser conducido, guiado, dirigido y guardado, no por la sabiduría y el poder de la criatura, sino por la entrada sobrenatural de luz y verdad en su alma.
El propiciatorio está continuamente cubierto de nubes; Dios se esconde, y él no puede contemplarle; la verdad parece oscurecida, de modo que no puede hacerla real para sí. A menudo no puede hallar el camino hacia Cristo; no puede percibir la senda de la vida, ni si sus pies están en esa senda. Ve tan pocas señales de gracia en su alma, y siente con tanta fuerza las obras del pecado y la corrupción; halla tan pocas cosas a su favor y tantas en su contra, que a menudo vacila, se turba en su mente, y parece casi llegar a sentir en su corazón que está del todo desprovisto de la gracia de Dios, que el secreto del Señor no está con él, sino que es un hipócrita en Sion, a cuya alma nunca se le ha comunicado siquiera el principio de la sabiduría.
Al lector…
¿Está para usted el trono de la gracia envuelto en nubes, lector? ¿No puede hallar el camino hacia Cristo, y ve tanto en su contra y tan poco a su favor? Entonces quizá surge el pensamiento angustioso de que es usted un hipócrita en Sion, que nunca recibió siquiera el principio de la sabiduría. Describo esa oscuridad con tanta exactitud porque la conozco. Así que no es usted el primero que ha de pasar de este modo por el valle.
Pero observe lo que también se dice en esa descripción: el hombre vivo no puede soportar quedarse quieto. Está descontento, quiere avanzar, quiere ser guiado por la luz y la verdad de Dios mismo. Si esa es su queja y su anhelo, no es señal de un hipócrita, sino de vida. Lleve, pues, su oscuridad a la oración del salmista: “Envía Tu luz y Tu verdad: éstas me guiarán”. Aquel que dio ese anhelo no lo dejará sin respuesta.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Het gekrookte riet
Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen.
Jesaja 42:3
Kunnen we een duidelijker symbool voor zwakheid vinden dan een rietstengel? Een christen wordt hier niet vergeleken met een eik die zijn wortels diep in de bodem verspreidt en zijn stevige armen in de lucht uitbreidt, die overeind blijft in duizend stormen, en eeuw na eeuw overleeft. Dat zou een ontoepasselijk symbool voor zo’n zwak, zo’n teer schepsel als een arme, behoeftige zondaar zijn. Maar als de gezegende Geest een gelijkenis wil gebruiken om uiterst precies een beschrijving te geven van een van genade afhankelijke en van aalmoezen afhankelijke arme, neemt Hij dat simpele maar vertrouwde beeld van een rietstengel.
Laten we de punten van overeenkomst eens in ogenschouw nemen. Een rietstengel, hoewel armzalig, nederig, verachtelijk, ongekend en ongezien door het oog dat met bewondering op de torenhoge eik of omvangrijke ceder rust, neemt toch deel aan het leven; en dit leven zit diep in de wortel. Maar de bedding waarin deze wortel zit, de bodem waarin en waardoor hij gedijt, zich verspreidt en groeit, is niet de rijke grond van de tuin, maar de modder en het slijk van de sloot. Maar, ook al is hij erin begraven, en ook al is hij bedolven onder deze bedding van slijk, waar kou en dood heersen, toch is hij er, naar aard en wezen, van afgezonderd. Hij bevindt zich in de sloot, maar is niet van de sloot; omringd door het slijk, maar onbesmet door het vuil; altijd in contact met de modder, maar schoon tot in de kern, en zonder dat ook maar één modderdeeltje in zijn levende weefsels binnendringt.
Zo is het leven Gods in de ziel. Omringd door alle modder en slijk van ontbinding in de natuur, is het er niet alleen van afgezonderd, maar is het er ook niet door besmet. Als de verzoeking het zuivere, heilige leven Gods in de ziel had verstikt, als de zonde het had bedorven, zou het lang, lang geleden ledemaat na ledemaat zijn afgevallen, als bij het aangetaste lichaam van een melaatse.
Lezen: Jesaja 42:1-16
Aan de lezer…
Voelt u zich, lezer, meer een riet dan een eik? Geen stevige wortels, geen sterke armen die duizend stormen doorstaan, maar een arm, zwak, onaanzienlijk stengeltje in de sloot? Dan heeft de Heilige Geest u hier zelf getekend, en wel met tederheid. Want ook het riet heeft leven, en dat leven zit diep in de wortel.
Misschien kijkt u naar uw hart en ziet u niets dan modder en slijk. Wees daarover eerlijk; het is zo. Maar het leven Gods in uw ziel is daar wel in, maar niet van. Het is omringd door het vuil en toch niet besmet. Als de zonde het had kunnen bederven, was het lang geleden afgestorven. Dat het er nog is, onder alles wat het dreigt te verstikken, is Zijn werk. Wie het geplant heeft, houdt het ook in leven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen.
Jesaja 42:3
Kunnen we een duidelijker beeld van zwakheid vinden dan een rietstengel? Een christen wordt hier niet vergeleken met een eik die zijn wortels diep in de bodem uitspreidt en zijn sterke takken in de lucht uitstrekt, die in duizend stormen overeind blijft en eeuw na eeuw blijft staan. Dat zou een ongepast beeld zijn voor zo’n zwak en teer schepsel als een arme, behoeftige zondaar. Maar wanneer de gezegende Geest een gelijkenis wil gebruiken om heel precies een arme te beschrijven die van genade en van aalmoezen afhankelijk is, neemt Hij dat eenvoudige maar bekende beeld van een rietstengel.
Laten we de punten van overeenkomst eens bekijken. Een rietstengel is armzalig, nederig, veracht, onbekend en ongezien door het oog dat vol bewondering rust op de torenhoge eik of de machtige ceder. Toch heeft hij leven, en dat leven zit diep in de wortel. Maar de bedding waarin die wortel staat, de bodem waarin en waardoor hij gedijt, zich uitbreidt en groeit, is niet de rijke grond van de tuin, maar de modder en het slijk van de sloot. Toch is hij, al staat hij erin begraven en al is hij bedolven onder deze bedding van slijk, waar kou en dood heersen, er naar aard en wezen van afgezonderd. Hij staat in de sloot, maar is niet van de sloot; hij is omringd door het slijk, maar onbesmet door het vuil; hij is altijd in aanraking met de modder, maar schoon tot in de kern, zonder dat ook maar één deeltje modder in zijn levende weefsels doordringt.
Zo is het leven van God in de ziel. Het is omringd door alle modder en slijk van het bederf in de natuur, en toch is het er niet alleen van afgezonderd, maar wordt het er ook niet door besmet. Als de verzoeking het reine, heilige leven van God in de ziel had verstikt, als de zonde het had bedorven, dan zou het al lang, lang geleden lid voor lid zijn afgevallen, zoals bij het aangetaste lichaam van een melaatse.
Lezen: Jesaja 42:1-16
Aan de lezer…
Voelt u zich, lezer, meer een riet dan een eik? Geen stevige wortels, geen sterke takken die duizend stormen doorstaan, maar een arm, zwak, onaanzienlijk stengeltje in de sloot? Dan heeft de Heilige Geest u hier Zelf getekend, en wel met tederheid. Want ook het riet heeft leven, en dat leven zit diep in de wortel.
Misschien kijkt u naar uw hart en ziet u niets dan modder en slijk. Wees daarover eerlijk; zo is het. Maar het leven van God in uw ziel staat daar wel in, maar is er niet van. Het is omringd door het vuil en toch niet besmet. Als de zonde het had kunnen bederven, was het al lang geleden afgestorven. Dat het er nog is, onder alles wat het dreigt te verstikken, is Zijn werk. Wie het geplant heeft, houdt het ook in leven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
A bruised reed shall He not break, and the smoking flax shall He not quench.
Isaiah 42:3
Can we find a clearer picture of weakness than a reed? A Christian is not compared here to an oak, which spreads its roots deep into the soil and stretches its strong branches into the air, which stands upright through a thousand storms and remains standing age after age. That would be an unfitting figure for so weak and tender a creature as a poor, needy sinner. But when the blessed Spirit would use a similitude to describe very exactly a poor one who lives upon grace and alms, He takes that simple but familiar figure of a reed.
Let us look at the points of likeness. A reed is poor, lowly, despised, unknown and unseen by the eye that rests with admiration on the towering oak or the mighty cedar. Yet it has life, and that life lies deep in the root. But the bed in which that root stands, the soil in which and by which it thrives, spreads and grows, is not the rich earth of the garden, but the mud and mire of the ditch. Yet though it stands buried in it and is covered over by this bed of mire, where cold and death reign, it is in its nature and being separate from it. It stands in the ditch, but is not of the ditch; it is surrounded by the mire, but undefiled by the filth; it is always in contact with the mud, but clean to the core, without a single particle of mud entering into its living tissues.
So it is with the life of God in the soul. It is surrounded by all the mud and mire of the corruption of nature, and yet it is not only separate from it, but is not defiled by it either. If temptation had choked the pure, holy life of God in the soul, if sin had corrupted it, it would long, long ago have dropped away limb by limb, as with the diseased body of a leper.
Reading: Isaiah 42:1-16
To the reader…
Do you feel, reader, more like a reed than an oak? No firm roots, no strong branches that withstand a thousand storms, but a poor, weak, insignificant little stem in the ditch? Then the Holy Spirit Himself has drawn your likeness here, and drawn it with tenderness. For the reed has life too, and that life lies deep in the root.
Perhaps you look into your heart and see nothing but mud and mire. Be honest about it; so it is. But the life of God in your soul stands in it without being of it. It is surrounded by the filth and yet not defiled. If sin could have corrupted it, it would have died away long ago. That it is still there, beneath everything that threatens to choke it, is His work. He Who planted it also keeps it alive.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
No quebrará la caña cascada, ni apagará el pábilo que humeare.
Isaías 42:3
¿Podemos hallar una imagen más clara de la debilidad que una caña? Aquí no se compara al cristiano con un roble, que extiende sus raíces hondo en la tierra y alarga sus ramas fuertes en el aire, que se mantiene erguido a través de mil tormentas y sigue en pie siglo tras siglo. Esa sería una figura impropia para una criatura tan débil y tierna como un pobre pecador necesitado. Pero cuando el bendito Espíritu quiere usar una semejanza para describir con toda exactitud a un pobre que vive de la gracia y de la limosna, toma esa figura sencilla pero familiar de una caña.
Consideremos los puntos de semejanza. Una caña es pobre, humilde, despreciada, desconocida e inadvertida para el ojo que se posa con admiración en el roble imponente o en el poderoso cedro. Sin embargo, tiene vida, y esa vida está hondo en la raíz. Pero el lecho en que está esa raíz, el suelo en el cual y por el cual prospera, se extiende y crece, no es la tierra rica del huerto, sino el barro y el cieno de la zanja. Y aunque está sepultada en él y cubierta por este lecho de cieno, donde reinan el frío y la muerte, en su naturaleza y en su ser está separada de él. Está en la zanja, pero no es de la zanja; está rodeada por el cieno, pero no contaminada por la inmundicia; está siempre en contacto con el barro, pero limpia hasta lo más íntimo, sin que una sola partícula de barro penetre en sus tejidos vivos.
Así es con la vida de Dios en el alma. Está rodeada de todo el barro y el cieno de la corrupción de la naturaleza, y sin embargo no solo está separada de ella, sino que tampoco es contaminada por ella. Si la tentación hubiera ahogado la vida pura y santa de Dios en el alma, si el pecado la hubiera corrompido, hace mucho, mucho tiempo que se habría desprendido miembro por miembro, como el cuerpo enfermo de un leproso.
Lectura: Isaías 42:1-16
Al lector…
¿Se siente usted, lector, más como una caña que como un roble? ¿Sin raíces firmes, sin ramas fuertes que resistan mil tormentas, sino un tallito pobre, débil e insignificante en la zanja? Entonces el Espíritu Santo mismo ha trazado aquí su retrato, y lo ha trazado con ternura. Porque también la caña tiene vida, y esa vida está hondo en la raíz.
Quizá mira usted su corazón y no ve más que barro y cieno. Sea sincero al respecto; así es. Pero la vida de Dios en su alma está en medio de ello sin ser de ello. Está rodeada de la inmundicia y, sin embargo, no contaminada. Si el pecado hubiera podido corromperla, se habría extinguido hace mucho. Que todavía esté ahí, debajo de todo lo que amenaza con ahogarla, es obra Suya. El que la plantó es también el que la mantiene viva.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Die Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelf een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.
Titus 2:14
Hoe kan iemand die iets kent van de dierbaarheid van het verzoenend bloed en de verlossende liefde en heiligende invloeden van de Heilige Geest, volharden in de zonde, opdat de genade te meerder worde? Leerstellige belijders mogen zoiets doen; want een blote letterkennis van de waarheid brengt geen verlossing van de kracht der zonde met zich; maar de levendgemaakte ziel, waarin de God aller genade Zijn heerlijk werk voortzet, kan die het kruis van de lijdende Zoon Gods met voeten treden? Het is onmogelijk dat iemand die voor zichzelf de verlossende kracht van Christus’ verzoenend bloed kent, en wiens consciëntie teder gemaakt is in de vreze Gods, onder de zoete invloed van Zijn liefde, Hem wederom zou kunnen kruisigen. Niet dat er geen vallen is onder de kracht der zonde en der verzoeking, want David en Petrus zijn daarvan een bewijs; maar daar is geen gewillig zondigen tegen Hem, als de gezegende Geest Zijn bloed, genade en liefde toepast.
Laten wij nooit uit het oog verliezen dat de lijdende Zoon van God Zichzelf gegeven heeft om Zich een eigen volk te reinigen. Het is een volk wier gedachten en overleggingen bijzonder zijn; want hun gedachten stemmen overeen met Gods gedachten, want zij hebben de Geest van Christus; het is een volk met bijzondere genegenheden, want zij zijn gevestigd op de dingen die boven zijn. Het is een volk wier gebeden bijzonder zijn, want zij worden in hun hart gewerkt door de Geest der genade en der gebeden. Een volk wier smarten bijzonder zijn, omdat zij ontspringen uit een geestelijke bron.
Het is een volk wier blijdschap bijzonder is, want het is een blijdschap waarmede geen vreemde zich vermengt. Wier hoop bijzonder is, want zij hebben hun anker uitgeworpen in het binnenste heiligdom; wier verwachtingen bijzonder zijn, want zij verwachten geen oogst van geluk in deze bedorven wereld, maar zien uit naar blijdschap in het Koninkrijk van rust en vrede in de boezem van God. En als zij inwendig afgezonderd zijn, dan moeten zij dit ook uitwendig zijn. Zij moeten het openbaren dat zij een bijzonder volk zijn, door te wandelen in de voetstappen van het Lam Gods. Hun kruis moeten zij opnemen, zichzelf verloochenen, en leven tot eer, roem en heerlijkheid van God.
Aan de lezer…
Drukt de zonde als een last op u, en zou u er van harte van verlost willen worden? Dat verlangen is geen geringe zaak. Een blote letterkennis van de waarheid brengt geen verlossing van de kracht der zonde, maar wie de verlossende kracht van Christus’ bloed in zijn consciëntie gesmaakt heeft, kan niet gewillig blijven zondigen tegen Hem. Er is nog vallen onder verzoeking, dat is waar; maar het hart is aan de zonde niet meer van harte gehecht.
Want de Heere heeft Zichzelf gegeven, niet alleen om te verlossen van alle ongerechtigheid, maar ook om Zichzelf een eigen volk te reinigen. Hun gebeden, smarten, blijdschap en hoop zijn bijzonder, want zij komen uit een geestelijke bron. Vraagt u of u daarbij hoort? Zie dan op het Lam Gods en vraag Hem om genade om in Zijn voetstappen te wandelen: uw kruis op te nemen, uzelf te verloochenen en te leven tot Zijn eer. Die Zich voor u gaf, zal Zijn werk in u niet onvoltooid laten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelf een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.
Titus 2:14
Hoe kan iemand die iets kent van de dierbaarheid van het verzoenend bloed, van de verlossende liefde en van de heiligende invloeden van de Heilige Geest, in de zonde volharden opdat de genade te meerder worde? Leerstellige belijders mogen zoiets doen, want een kale letterkennis van de waarheid brengt geen verlossing van de kracht van de zonde met zich mee. Maar kan de levendgemaakte ziel, waarin de God van alle genade Zijn heerlijk werk voortzet, het kruis van de lijdende Zoon van God met voeten treden? Het is onmogelijk dat iemand die voor zichzelf de verlossende kracht van Christus’ verzoenend bloed kent, en wiens geweten teder gemaakt is in de vreze Gods onder de zoete invloed van Zijn liefde, Hem opnieuw zou kunnen kruisigen. Niet dat er geen vallen is onder de kracht van de zonde en de verzoeking, want David en Petrus zijn daarvan het bewijs; maar er is geen gewillig zondigen tegen Hem wanneer de gezegende Geest Zijn bloed, genade en liefde toepast.
Laten wij nooit uit het oog verliezen dat de lijdende Zoon van God Zichzelf gegeven heeft om Zich een eigen volk te reinigen. Het is een volk met bijzondere gedachten en overleggingen, want hun gedachten stemmen overeen met Gods gedachten, omdat zij de Geest van Christus hebben. Het is een volk met bijzondere genegenheden, want die zijn gericht op de dingen die boven zijn. Het is een volk met bijzondere gebeden, want die worden in hun hart gewerkt door de Geest der genade en der gebeden. Het is een volk met bijzondere smarten, omdat die uit een geestelijke bron ontspringen.
Het is een volk met een bijzondere blijdschap, want het is een blijdschap waarmee geen vreemde zich vermengt. Hun hoop is bijzonder, want zij hebben hun anker uitgeworpen in het binnenste heiligdom. Hun verwachtingen zijn bijzonder, want zij verwachten geen oogst van geluk in deze bedorven wereld, maar zien uit naar blijdschap in het Koninkrijk van rust en vrede, in de boezem van God. En als zij innerlijk afgezonderd zijn, dan moeten zij dat ook uiterlijk zijn. Zij moeten laten zien dat zij een bijzonder volk zijn door te wandelen in de voetstappen van het Lam van God. Zij moeten hun kruis opnemen, zichzelf verloochenen en leven tot eer, roem en heerlijkheid van God.
Aan de lezer…
Drukt de zonde als een last op u, en zou u er van harte van verlost willen worden? Dat verlangen is geen geringe zaak. Een kale letterkennis van de waarheid brengt geen verlossing van de kracht van de zonde, maar wie de verlossende kracht van Christus’ bloed in zijn geweten gesmaakt heeft, kan niet gewillig blijven zondigen tegen Hem. Er is nog vallen onder verzoeking, dat is waar; maar het hart is niet meer van harte aan de zonde gehecht.
Want de Heere heeft Zichzelf gegeven, niet alleen om te verlossen van alle ongerechtigheid, maar ook om Zichzelf een eigen volk te reinigen. Hun gebeden, smarten, blijdschap en hoop zijn bijzonder, want zij komen uit een geestelijke bron. Vraagt u zich af of u daarbij hoort? Zie dan op het Lam van God en vraag Hem om genade om in Zijn voetstappen te wandelen: uw kruis op te nemen, uzelf te verloochenen en te leven tot Zijn eer. Hij Die Zich voor u gaf, zal Zijn werk in u niet onvoltooid laten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Who gave himself for us, that he might redeem us from all iniquity, and purify unto himself a peculiar people, zealous of good works.
Titus 2:14
How can any one who knows anything of the blessedness of atoning blood and redeeming love and the sanctifying influences of the Holy Spirit continue in sin, that grace may abound? Doctrinal professors may do these things, for a mere ‘letter knowledge’ of the truth brings with it no deliverance from the power of sin.
But the living soul, in whom the God of all grace is carrying on His gracious work—can it trample under foot the cross of the suffering Son of God? It is impossible that a man who knows for himself the redeeming efficacy of Christ’s atoning blood, and whose conscience is made tender in the fear of God, can, under the sweet influence of His love, deliberately crucify Him again.
Not but what there is a falling under the power of sin and temptation, as David and Peter fell; but there will not be a willful sinning against Him, when the blessed Spirit is bringing near His blood and grace and love.
May we never forget that the suffering Son of God gave Himself to purify unto Himself a peculiar people—a people whose thoughts are peculiar, for their thoughts are the thoughts of God, as having the mind of Christ; a people whose affections are peculiar, for they are fixed on things above; whose prayers are peculiar, for they are wrought in their heart by the Spirit of grace and supplication; whose sorrows are peculiar, because they spring from a spiritual source; whose joys are peculiar, for they are joys which the stranger cannot understand; whose hopes are peculiar, as anchoring within the veil; and whose expectations are peculiar, as not expecting to reap a crop of happiness in this marred world, but looking for happiness in the kingdom of rest and peace in the bosom of God.
And if they are peculiar inwardly, they should be peculiar outwardly. They should make it manifest that they are a peculiar people by walking in the footsteps of the Lord the Lamb, taking up the cross, denying themselves, and living to the honor, praise, and glory of God.
To the reader…
Does sin weigh upon you like a burden, and would you wholeheartedly long to be delivered from it? That longing is no small thing. A bare letter knowledge of the truth brings no deliverance from the power of sin, but whoever has tasted the redeeming power of Christ’s blood in his conscience cannot go on willingly sinning against Him. There is still falling under temptation, that is true; but the heart is no longer wholeheartedly attached to sin.
For the Lord gave Himself, not only to redeem from all iniquity, but also to purify unto Himself a peculiar people. Their prayers, sorrows, joys and hopes are peculiar, for they spring from a spiritual source. Do you wonder whether you belong to them? Look, then, to the Lamb of God and ask Him for grace to walk in His footsteps: to take up your cross, to deny yourself and to live to His honour. He Who gave Himself for you will not leave His work in you unfinished.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Que se dio a Sí mismo por nosotros para redimirnos de toda iniquidad, y limpiar para Sí un pueblo propio, celoso de buenas obras.
Tito 2:14
¿Cómo puede alguien que sabe algo de la bienaventuranza de la sangre expiatoria, del amor redentor y de las influencias santificadoras del Espíritu Santo perseverar en el pecado para que la gracia abunde? Los que profesan solo la doctrina pueden hacer estas cosas, porque un mero ‘conocimiento de la letra’ de la verdad no trae consigo ninguna liberación del poder del pecado.
Pero el alma viviente, en quien el Dios de toda gracia está llevando adelante Su obra de gracia, ¿puede hollar la cruz del Hijo de Dios que padeció? Es imposible que un hombre que conoce por sí mismo la eficacia redentora de la sangre expiatoria de Cristo, y cuya conciencia ha sido hecha tierna en el temor de Dios, pueda, bajo la dulce influencia de Su amor, crucificarle de nuevo deliberadamente.
No es que no haya caídas bajo el poder del pecado y de la tentación, como cayeron David y Pedro; pero no habrá un pecar voluntariamente contra Él, mientras el bendito Espíritu acerca Su sangre, Su gracia y Su amor.
No olvidemos nunca que el Hijo de Dios que padeció se dio a Sí mismo para limpiar para Sí un pueblo propio, un pueblo peculiar: un pueblo cuyos pensamientos son peculiares, porque sus pensamientos son los pensamientos de Dios, ya que tienen la mente de Cristo; un pueblo cuyos afectos son peculiares, porque están puestos en las cosas de arriba; cuyas oraciones son peculiares, porque son obradas en su corazón por el Espíritu de gracia y de oración; cuyas tristezas son peculiares, porque brotan de una fuente espiritual; cuyos gozos son peculiares, porque son gozos que el extraño no puede entender; cuyas esperanzas son peculiares, pues están ancladas dentro del velo; y cuyas expectativas son peculiares, pues no esperan cosechar felicidad en este mundo estropeado, sino que buscan la felicidad en el reino de descanso y paz, en el seno de Dios.
Y si son peculiares por dentro, deben serlo también por fuera. Deben manifestar que son un pueblo peculiar andando en las pisadas del Señor, el Cordero, tomando la cruz, negándose a sí mismos y viviendo para la honra, la alabanza y la gloria de Dios.
Al lector…
¿Pesa el pecado sobre usted como una carga, y anhela de todo corazón ser librado de él? Ese anhelo no es poca cosa. Un mero conocimiento de la letra de la verdad no trae liberación del poder del pecado, pero quien ha gustado en su conciencia el poder redentor de la sangre de Cristo no puede seguir pecando voluntariamente contra Él. Todavía hay caídas bajo la tentación, es cierto; pero el corazón ya no está apegado de todo corazón al pecado.
Porque el Señor se dio a Sí mismo, no solo para redimir de toda iniquidad, sino también para limpiar para Sí un pueblo propio. Sus oraciones, tristezas, gozos y esperanzas son peculiares, porque brotan de una fuente espiritual. ¿Se pregunta si usted pertenece a ellos? Mire entonces al Cordero de Dios y pídale gracia para andar en Sus pisadas: para tomar su cruz, negarse a sí mismo y vivir para Su honra. Aquel que se dio a Sí mismo por usted no dejará inacabada Su obra en usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl