6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En Ik zal u op saffieren grondvesten.
Jesaja 54:11
Voordat wij vast kunnen staan op de dingen Gods, moeten wij een goed fundament hebben, iets stevigs voor ons geloof, onze hoop, onze liefde, ons alles, om op te rusten. God belooft dat te leggen voor Zijn bedroefd Zion: „Ik zal u op saffieren grondvesten.” „Een gift”, lezen wij, „is een kostbare steen in de ogen van hem die hem heeft.” Elke getuigenis dan die God aan de ziel geeft, elke belofte die in het hart valt, elke openbaring van genade, elk bezoek van liefde, elke toepassing der Waarheid, kunnen wij in geestelijke zin een saffier noemen; want zij is inderdaad een edelgesteente, schitterend met de gloed des hemels. Wanneer God dus de saffieren in de ziel legt, maken zij een stevig fundament voor het geloof.
En daar zij door de hand Gods Zelf gelegd zijn, moeten zij vast zijn; daar het saffieren zijn, zijn zij onvergankelijk. Die saffieren, het is waar, kunnen alle begraven zijn onder het stof van vleselijkheid en wereldsgezindheid; de onreinheid en modder van onze gevallen natuur mogen er met de vloed overheen rollen. Maar worden zij daardoor bedorven? Is hun natuur veranderd, hun waarde verminderd, hun glans bezoedeld en hun luister uitgedoofd en verdwenen? Zij mogen voor het oog verborgen zijn, de wijze waarop ze gezet zijn verduisterd, hun vlakken voor een tijd dof; maar één straal van de Zon der Gerechtigheid zal alles weer aan het licht brengen; één streek van de hand des Polijsters zal hun al hun schoonheid wedergeven. De genade heeft niet meer gemeenschap met de zonde dan een diamant met een mesthoop.
Gij zult met luister mij omringen,
mij troosten in mijn smart.
Dan zal ik blij van hart
met luit en harp uw goedheid zingen,
o heilig Opperwezen,
door Israël geprezen!
Ps. 71:16
Aan de lezer…
Lezer, zijn de saffieren in uw ziel als begraven geraakt? Is het stof van vleselijkheid en wereldsgezindheid erover heen gegaan, en ziet u van al de beloften en bezoeken van liefde die u eens ontving, nauwelijks nog een glans? Dan zegt uw hart misschien dat het alles bedrog geweest is. Maar wat God met eigen hand gelegd heeft, ligt vast; het is onvergankelijk, al zijn de vlakken voor een tijd dof.
De modder van onze gevallen natuur kan het edelgesteente bedekken, maar niet bederven. De genade heeft met de zonde niet meer gemeenschap dan een diamant met een mesthoop. Één straal van de Zon der Gerechtigheid brengt alles weer aan het licht; één streek van de hand des Polijsters geeft alle schoonheid terug. Zie dan uit naar die straal, en rust intussen op wat Hij Zelf voor Zijn bedroefd Zion beloofd heeft: „Ik zal u op saffieren grondvesten.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik zal u op saffieren grondvesten.
Jesaja 54:11
Voordat we vast kunnen staan in de dingen van God, moeten we een goed fundament hebben: iets stevigs waarop ons geloof, onze hoop, onze liefde, ja ons alles kan rusten. God belooft dat te leggen voor Zijn bedroefde Sion: „Ik zal u op saffieren grondvesten.” „Een gift”, lezen we, „is een kostbare steen in de ogen van hem die hem heeft.” Elk getuigenis dat God aan de ziel geeft, elke belofte die in het hart valt, elke openbaring van genade, elk bezoek van liefde, elke toepassing van de Waarheid, kunnen we in geestelijke zin dus een saffier noemen. Want zo’n getuigenis is werkelijk een edelsteen, schitterend met de gloed van de hemel. Wanneer God de saffieren dus in de ziel legt, vormen ze een stevig fundament voor het geloof.
En omdat ze door de hand van God Zelf gelegd zijn, moeten ze vast liggen; omdat het saffieren zijn, zijn ze onvergankelijk. Het is waar: die saffieren kunnen allemaal begraven raken onder het stof van vleselijkheid en wereldsgezindheid. De onreinheid en modder van onze gevallen natuur kunnen er als een vloed overheen rollen. Maar worden ze daardoor bedorven? Is hun aard veranderd, hun waarde verminderd, hun glans bezoedeld en hun luister gedoofd en verdwenen? Ze kunnen voor het oog verborgen zijn, de manier waarop ze gezet zijn kan verduisterd zijn en hun facetten kunnen een tijd dof zijn. Maar één straal van de Zon der Gerechtigheid brengt alles weer aan het licht; één streek van de hand van de Polijster geeft hun al hun schoonheid terug. De genade heeft niet meer gemeenschap met de zonde dan een diamant met een mesthoop.
Gij zult met luister mij omringen,
mij troosten in mijn smart.
Dan zal ik blij van hart
met luit en harp uw goedheid zingen,
o heilig Opperwezen,
door Israël geprezen!
Ps. 71:16
Aan de lezer…
Lezer, zijn de saffieren in uw ziel als het ware begraven geraakt? Is het stof van vleselijkheid en wereldsgezindheid eroverheen gegaan, en ziet u van alle beloften en bezoeken van liefde die u eens ontving nauwelijks nog een glans? Dan zegt uw hart misschien dat het allemaal bedrog is geweest. Maar wat God met eigen hand gelegd heeft, ligt vast; het is onvergankelijk, ook al zijn de facetten een tijd dof.
De modder van onze gevallen natuur kan de edelsteen bedekken, maar niet bederven. De genade heeft met de zonde niet meer gemeenschap dan een diamant met een mesthoop. Eén straal van de Zon der Gerechtigheid brengt alles weer aan het licht; één streek van de hand van de Polijster geeft alle schoonheid terug. Zie dan uit naar die straal, en rust intussen op wat Hij Zelf voor Zijn bedroefde Sion beloofd heeft: „Ik zal u op saffieren grondvesten.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And lay thy foundations with sapphires.
Isaiah 54:11
Before we can stand firmly in the things of God we must have a good foundation, something solid for our faith, our hope, our love, our all, to rest upon. This God promises to lay for His afflicted Zion—“I will lay your foundations with sapphires.” “A gift,” we read, “is a precious stone in the eyes of him that has it.” Every testimony, then, that God gives to the soul, every promise brought into the heart, every manifestation of mercy, every visit of love, or application of truth, we may call, in a spiritual sense, a sapphire; for it is indeed a precious stone, radiant with heaven’s own hue.
When God thus lays His sapphires in the soul, they afford a solid foundation for faith. And as they are laid by the hand of God Himself, they must be firm; as they are sapphires, they must be indestructible. These sapphires, it is true, may every one of them be buried in the dust of carnality and worldly-mindedness; the filth and sewage, the mud and slush, of our fallen nature may roll over them flood after flood.
But are they injured thereby? is their nature changed, their value impaired, their hue tarnished, their luster faded and gone? They may be hidden from view, their setting be obscured, and their faces for a while be dimmed, but one ray from the Sun of righteousness will bring them again to light; one touch of the Polisher’s hand will restore all their beauty. Grace has no more communion with sin than a diamond with an ash-heap.
To the reader…
Reader, have the sapphires in your soul, as it were, become buried? Has the dust of carnality and worldly-mindedness passed over them, and do you hardly see any lustre left of all the promises and visits of love you once received? Then perhaps your heart tells you that it was all a delusion. But what God has laid with His own hand stands firm; it is indestructible, even if its faces are dimmed for a time.
The mud of our fallen nature can cover the precious stone, but not spoil it. Grace has no more communion with sin than a diamond with an ash-heap. One ray of the Sun of Righteousness brings everything to light again; one touch of the Polisher’s hand restores all its beauty. Look out, then, for that ray, and meanwhile rest on what He Himself has promised to His afflicted Zion: “I will lay thy foundations with sapphires.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y sobre zafiros te fundaré.
Isaías 54:11
Antes de que podamos estar firmes en las cosas de Dios, debemos tener un buen fundamento, algo sólido sobre lo cual descansen nuestra fe, nuestra esperanza, nuestro amor, nuestro todo. Esto promete Dios asentar para Su afligida Sion: “Sobre zafiros te fundaré”. “Piedra preciosa es el presente”, leemos, “en ojos de sus dueños”. Cada testimonio, pues, que Dios da al alma, cada promesa traída al corazón, cada manifestación de misericordia, cada visita de amor o aplicación de la verdad, podemos llamarla, en sentido espiritual, un zafiro; porque es en verdad una piedra preciosa, radiante con el color mismo del cielo.
Cuando Dios asienta así Sus zafiros en el alma, estos proporcionan un fundamento sólido para la fe. Y como son asentados por la mano de Dios mismo, tienen que ser firmes; como son zafiros, tienen que ser indestructibles. Es verdad que estos zafiros pueden quedar, todos y cada uno, sepultados en el polvo de la carnalidad y de la mundanalidad; la inmundicia y las aguas sucias, el lodo y el fango de nuestra naturaleza caída pueden pasar sobre ellos en avenida tras avenida.
Pero ¿quedan dañados por ello? ¿Cambia su naturaleza, disminuye su valor, se empaña su color, se apaga y desaparece su brillo? Pueden quedar ocultos a la vista, su engaste puede oscurecerse y sus caras pueden quedar empañadas por un tiempo, pero un solo rayo del Sol de justicia los sacará de nuevo a la luz; un solo toque de la mano del Pulidor les devolverá toda su hermosura. La gracia no tiene más comunión con el pecado que un diamante con un montón de ceniza.
Al lector…
Lector, ¿han quedado, por así decirlo, sepultados los zafiros de su alma? ¿Ha pasado sobre ellos el polvo de la carnalidad y de la mundanalidad, y apenas ve brillo alguno en todas las promesas y visitas de amor que recibió una vez? Quizá su corazón le dice entonces que todo fue un engaño. Pero lo que Dios ha asentado con Su propia mano permanece firme; es indestructible, aunque sus caras estén empañadas por un tiempo.
El lodo de nuestra naturaleza caída puede cubrir la piedra preciosa, pero no echarla a perder. La gracia no tiene más comunión con el pecado que un diamante con un montón de ceniza. Un solo rayo del Sol de justicia lo saca todo de nuevo a la luz; un solo toque de la mano del Pulidor le devuelve toda su hermosura. Esté, pues, atento a ese rayo, y mientras tanto descanse en lo que Él mismo ha prometido a Su afligida Sion: “Sobre zafiros te fundaré”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De paden des rechts
Ik doe wandelen op de weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts.
Spreuken 8:20
Hij doet wandelen op de weg der gerechtigheid. Het is niet alleen maar een gaan rondom Sion en haar torens tellen; het is niet slechts te vergelijken met wanneer ik rondom een paleis wandel en de fraaie vorm ervan bewonder. Nee, het wil zeggen: er persoonlijk heengeleid te worden, het persoonlijk te ondervinden, er een onwaardeerbare omgang mee te hebben en de aangenaamheid ervan te proeven. Dit is het dat de ziel lieflijk verzadigt, en ook niets minder dan dit kan haar voldoen.
Voordat zij die een verzoek aan de Koning hebben, tot Zijn tegenwoordigheid worden toegelaten, zijn er vele voorkamers en zalen waar men door moet gaan, zodat hij die tot het binnenste van het paleis geleid wordt, stap voor stap en kamer voor kamer tot in de tegenwoordigheid van de Koning geleid wordt. Vele arme, twijfelende en bevreesde zielen hebben hun voeten bij wijze van spreken maar net over de drempel gezet, en misschien zien zij hoe anderen voor hun ogen in de tegenwoordigheid van de Koning geleid worden. Wanneer de dienstknecht de deuren opent, zien zij een straaltje van het schitterende vertrek en mogelijk een korte glimp van de Koning. Maar… de deur wordt weer gesloten en hun beurt is nog niet gekomen. Maar hoe gering hun blik ook geweest is, ze hebben toch zoveel van de Koning en Zijn schoonheid gezien, dat het hun harten overwonnen heeft en zij hijgen naar de tijd wanneer zij tot Hem zullen worden toegelaten.
Lezen: Jesaja 33
Aan de lezer…
Staat u, lezer, nog maar net over de drempel? Ziet u hoe anderen voor uw ogen in de tegenwoordigheid van de Koning geleid worden, terwijl voor u de deur weer gesloten wordt? Het is een bange plaats voor een arme, twijfelende ziel, en het hart vraagt dan licht of het er ooit wel binnen zal komen. Maar bedenk: u bent toch over de drempel gezet, en u hebt een straaltje van het schitterende vertrek gezien.
Die korte glimp van de Koning en Zijn schoonheid is geen bedrog. Heeft die uw hart overwonnen, zodat u hijgt naar de tijd wanneer u tot Hem zult worden toegelaten, dan is dat Zijn eigen werk. Hij leidt stap voor stap en kamer voor kamer, en Hij doet het persoonlijk. Niets minder dan Zijn tegenwoordigheid kan uw ziel voldoen; wacht dan op Hem, want Hij doet wandelen op de weg der gerechtigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik doe wandelen op de weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts.
Spreuken 8:20
Hij doet wandelen op de weg der gerechtigheid. Dat is niet alleen maar rondom Sion gaan en haar torens tellen. Het is ook niet te vergelijken met rondom een paleis wandelen en de fraaie vorm ervan bewonderen. Nee, het betekent: er persoonlijk heen geleid worden, het persoonlijk ondervinden, er een onschatbare omgang mee hebben en de aangenaamheid ervan proeven. Dat is het wat de ziel lieflijk verzadigt, en niets minder dan dit kan haar voldoen.
Voordat wie een verzoek aan de Koning heeft tot Zijn tegenwoordigheid wordt toegelaten, moet hij door vele voorkamers en zalen gaan. Wie tot het binnenste van het paleis geleid wordt, wordt dus stap voor stap en kamer voor kamer tot in de tegenwoordigheid van de Koning geleid. Vele arme, twijfelende en bevreesde zielen hebben hun voeten als het ware maar net over de drempel gezet. Misschien zien zij hoe anderen voor hun ogen in de tegenwoordigheid van de Koning geleid worden. Wanneer de dienaar de deuren opent, zien zij een straaltje van het schitterende vertrek en misschien een korte glimp van de Koning.
Maar… de deur wordt weer gesloten en hun beurt is nog niet gekomen. Toch, hoe gering hun blik ook geweest is, ze hebben zoveel van de Koning en Zijn schoonheid gezien dat het hun harten overwonnen heeft. Nu hijgen zij naar de tijd waarop zij tot Hem zullen worden toegelaten.
Lezen: Jesaja 33
Aan de lezer…
Staat u nog maar net over de drempel? Ziet u hoe anderen voor uw ogen in de tegenwoordigheid van de Koning geleid worden, terwijl voor u de deur weer gesloten wordt? Het is een bange plaats voor een arme, twijfelende ziel, en het hart vraagt zich dan al snel af of het er ooit wel binnen zal komen. Maar bedenk: u bent toch over de drempel gezet, en u hebt een straaltje van het schitterende vertrek gezien.
Die korte glimp van de Koning en Zijn schoonheid is geen bedrog. Heeft die uw hart overwonnen, zodat u hijgt naar de tijd waarop u tot Hem zult worden toegelaten, dan is dat Zijn eigen werk. Hij leidt stap voor stap en kamer voor kamer, en Hij doet het persoonlijk. Niets minder dan Zijn tegenwoordigheid kan uw ziel voldoen. Wacht dan op Hem, want Hij doet wandelen op de weg der gerechtigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I lead in the way of righteousness, in the midst of the paths of judgment.
Proverbs 8:20
He leads in the way of righteousness. This is not merely walking about Zion and telling her towers. Nor is it like walking round a palace and admiring its fine form. No, it means being personally led into it, personally experiencing it, having a priceless communion with it and tasting its sweetness. That is what sweetly satisfies the soul, and nothing less than this can content it.
Before one who has a petition to the King is admitted into His presence, he must pass through many antechambers and halls. He who is led into the innermost part of the palace is thus led step by step and room by room into the presence of the King. Many poor, doubting and fearing souls have, as it were, only just set their feet over the threshold. Perhaps they see others led before their eyes into the presence of the King. When the attendant opens the doors, they catch a ray from the splendid chamber and perhaps a brief glimpse of the King.
But… the door is shut again, and their turn has not yet come. Yet, however slight their view has been, they have seen so much of the King and His beauty that it has overcome their hearts. Now they pant for the time when they shall be admitted to Him.
Reading: Isaiah 33
To the reader…
Are you standing only just over the threshold? Do you see others led before your eyes into the presence of the King, while for you the door is shut again? It is an anxious place for a poor, doubting soul, and the heart soon begins to wonder whether it will ever get in. But remember: you have been set over the threshold, and you have seen a ray from the splendid chamber.
That brief glimpse of the King and His beauty is no deception. If it has overcome your heart, so that you pant for the time when you shall be admitted to Him, that is His own work. He leads step by step and room by room, and He does it personally. Nothing less than His presence can content your soul. Wait, then, upon Him, for He leads in the way of righteousness.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por vereda de justicia guiaré, por en medio de sendas de juicio.
Proverbios 8:20
Él guía por vereda de justicia. Esto no es meramente andar alrededor de Sion y contar sus torres. Tampoco es como dar la vuelta a un palacio y admirar su bella forma. No, significa ser guiado personalmente a ella, experimentarla personalmente, tener una comunión inestimable con ella y gustar su dulzura. Eso es lo que satisface dulcemente al alma, y nada menos que esto puede contentarla.
Antes de que alguien que tiene una petición para el Rey sea admitido en Su presencia, tiene que pasar por muchas antecámaras y salas. El que es conducido a la parte más interior del palacio es llevado así paso a paso y sala por sala a la presencia del Rey. Muchas almas pobres, dudosas y temerosas apenas han puesto, por así decirlo, los pies sobre el umbral. Quizá ven a otros ser conducidos ante sus ojos a la presencia del Rey. Cuando el servidor abre las puertas, alcanzan un rayo de la espléndida cámara y quizá una breve vislumbre del Rey.
Pero… la puerta se cierra otra vez, y su turno aún no ha llegado. Sin embargo, por escasa que haya sido su vista, han visto tanto del Rey y de Su hermosura que esto ha vencido sus corazones. Ahora suspiran por el tiempo en que serán admitidas ante Él.
Lectura: Isaías 33
Al lector…
¿Está usted apenas sobre el umbral? ¿Ve a otros ser conducidos ante sus ojos a la presencia del Rey, mientras que para usted la puerta se cierra otra vez? Es un lugar de angustia para un alma pobre y dudosa, y el corazón pronto comienza a preguntarse si alguna vez llegará a entrar. Pero recuerde: usted ha sido puesto sobre el umbral, y ha visto un rayo de la espléndida cámara.
Esa breve vislumbre del Rey y de Su hermosura no es un engaño. Si ha vencido su corazón, de modo que suspira por el tiempo en que será admitido ante Él, eso es obra Suya. Él guía paso a paso y sala por sala, y lo hace personalmente. Nada menos que Su presencia puede contentar su alma. Espere, pues, en Él, porque Él guía por vereda de justicia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Die nu in het schip waren, kwamen en aanbaden Hem, zeggende: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon.
Mattheüs 14:33
Welk een schoonheid en gelukzaligheid is er in de Godheid van de Heere Jezus Christus, wanneer zij door het geestelijk oog wordt aanschouwd! Het is waar, onze redeneringen kunnen wel struikelen over het leerstellige van een vleesgeworden God. Mijn eigen gemoed is somtijds tot het uiterste gedreven geweest door deze grote verborgenheid der Godheid en mensheid, verenigd in de Persoon van Christus, want zij gaat alle menselijk begrip te boven en zij ligt buiten de bevatting van al onze redelijke vermogens. Het is niet tegen de rede, want er is niets in dat onmogelijk is of zichzelf weerspreekt, maar zij is boven het bereik van des mensen gedachten en zijn tastbaar begrip.
Doch wanneer ons geleerd wordt acht te geven op de gewisse en vreselijke gevolgen, zo de Heere Jezus Christus niet ware hetgeen Hij verklaart te zijn, dat is zowel God als mens, dan zien wij ons genoodzaakt, uit de diepe ernst van onze val, onszelf met het gehele gewicht van onze zonden en smarten te werpen op een vleesgeworden God, gelijk een schipbreuklijdende zeeman zich met blijdschap werpt op de rots in de oceaan, als de enige toevlucht voor de verslindende golven. Wanneer wij gevoelen welke zondaars wij zijn en geweest zijn, en blikken in de diepte van de val en enigermate zien wat de zonde is voor het oog van een heilig en rechtvaardig God, wat kan ons dan bewaren voor wanhoop, ware het niet dat ons oog gericht werd op de Godheid van de Heere Jezus Christus, die aan Zijn arbeid aan het kruis en Zijn gehoorzaamheid een waarde toebrengt, genoegzaam om onze schuldige zielen te rechtvaardigen, ons van al onze zware ongerechtigheden te wassen, onze vreselijke misdaden te vergeven en ons bekwaam te maken om te verschijnen in de tegenwoordigheid van een rechtvaardig God? Dan zijn wij bij tijden genoodzaakt, als gereed om om te komen, ons te werpen op de Godheid van Christus, omdat wij in zulk een Goddelijke Zaligmaker, in zulk een dierbaar bloed, een toevlucht zien en anders nergens.
Wij gevoelen dan, indien de Godheid van Christus wordt weggenomen, dat het met de kerk van God verloren is. Waar kunt gij vergeving, waar rechtvaardiging, waar verzoening met God vinden? Waar verzoenend bloed, zo er geen Zaligmaker is, Die het verdiende als God en leed als mens? Wij zouden met al onze zonden op ons hoofd wel in de hel kunnen springen, indien wij niet door een levend geloof geloofden in de Godheid van de Zoon van God, evenzeer als een zeeman die, omdat hij zich op een brandend schip bevindt, over de voorsteven in de kokende golven springt, waarin hij onmiddellijk de dood ingaat, zonder daarop te wachten.
Maar somtijds worden wij in deze heerlijke waarheid liefelijk geleid, en dat niet louter en alleen gedreven door de noodzakelijkheid, maar heilig in deze verborgenheid getrokken wanneer Christus aan onze zielen wordt geopenbaard door de kracht Gods. Zo in Gods licht het licht ziende, beschouwen wij de Godheid van Christus als bekledende iedere gedachte, ieder woord en iedere daad van Zijn lijdende mensheid met een onuitsprekelijke verdienste. Dan zien wij hoe die heerlijke vereniging der Godheid en mensheid in de Persoon van Immanuël aan iedere behoefte voldoet, iedere zonde wegneemt, iedere wonde heelt, iedere traan afwist en de ziel zoet doet rusten in de boezem Gods.
Derhalve, somtijds uit de noodzakelijkheid, wanneer wij door stormen van schuld en golven der verzoeking worden gedreven, en somtijds vriendelijk getrokken door de leidingen en onderwijzingen van de Heilige Geest, houden wij vast aan de hoop die ons voorgesteld is in de wezenlijke Godheid en de lijdende mensheid van de Zoon van God, wetende dat er in Hem een verberging is voor de zonde, voor de dood, de hel en de wanhoop.
Aan de lezer…
Wanneer uw verstand soms struikelt over de grote verborgenheid van een vleesgeworden God, schaam u daar dan niet voor; zij gaat alle menselijk begrip te boven. Maar laat uw redeneringen u niet van de rots af houden. Wanneer u gevoelt welk een zondaar u bent, en iets ziet van wat de zonde is voor het oog van een heilig God, dan zult u merken dat er geen andere toevlucht is dan een Zaligmaker, Die het verdiende als God en leed als mens.
Werpt u zich dan op Hem als een schipbreukeling op de rots in de oceaan, uit pure nood en met het gehele gewicht van uw zonden? Dat is geen schande, dat is geloof. En soms zal Hij u ook vriendelijk trekken, zodat u met de discipelen in het schip aanbidt en zegt: „Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon.” In Hem is een verberging voor de zonde, de dood, de hel en de wanhoop.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die nu in het schip waren, kwamen en aanbaden Hem, zeggende: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon.
Mattheüs 14:33
Wat een schoonheid en gelukzaligheid is er in de Godheid van de Heere Jezus Christus, wanneer zij met het geestelijk oog wordt aanschouwd! Het is waar, ons redeneren kan wel struikelen over de leer van een vleesgeworden God. Mijn eigen gemoed is soms tot het uiterste gedreven door deze grote verborgenheid van de Godheid en de mensheid, verenigd in de Persoon van Christus. Want zij gaat alle menselijk begrip te boven en ligt buiten het bereik van al ons verstandelijk vermogen. Zij is niet tegen de rede, want er is niets in wat onmogelijk is of zichzelf tegenspreekt, maar zij gaat boven het bereik van de menselijke gedachten en van zijn tastbaar begrip uit.
Maar wanneer ons geleerd wordt te letten op de zekere en vreselijke gevolgen als de Heere Jezus Christus niet was wat Hij verklaart te zijn, namelijk zowel God als mens, dan zien wij ons door de diepe ernst van onze val genoodzaakt onszelf met het hele gewicht van onze zonden en smarten op een vleesgeworden God te werpen. Zoals een schipbreukeling zich met blijdschap op de rots in de oceaan werpt, als de enige toevlucht tegen de verslindende golven. Wanneer wij voelen wat voor zondaars wij zijn en geweest zijn, en in de diepte van de val kijken en enigszins zien wat de zonde is in de ogen van een heilig en rechtvaardig God, wat kan ons dan voor wanhoop bewaren? Alleen dit, dat ons oog gericht wordt op de Godheid van de Heere Jezus Christus. Die geeft aan Zijn arbeid aan het kruis en Zijn gehoorzaamheid een waarde die genoeg is om onze schuldige zielen te rechtvaardigen, ons van al onze zware ongerechtigheden te wassen, onze vreselijke misdaden te vergeven en ons bekwaam te maken om te verschijnen in de tegenwoordigheid van een rechtvaardig God. Dan zijn wij soms genoodzaakt, als mensen die op het punt staan om te komen, ons op de Godheid van Christus te werpen, omdat wij in zo’n Goddelijke Zaligmaker, in zulk dierbaar bloed, een toevlucht zien en nergens anders.
Dan voelen wij dat het met de kerk van God verloren is als de Godheid van Christus wordt weggenomen. Waar kunt u vergeving, waar rechtvaardiging, waar verzoening met God vinden? Waar verzoenend bloed, als er geen Zaligmaker is, Die het verdiende als God en leed als mens? Wij zouden met al onze zonden op ons hoofd net zo goed de hel in kunnen springen, als wij niet door een levend geloof geloofden in de Godheid van de Zoon van God. Net als een zeeman die, omdat hij op een brandend schip staat, over de voorsteven in de kolkende golven springt, waarin hij onmiddellijk de dood vindt, zonder daarop te wachten.
Maar soms worden wij lieflijk in deze heerlijke waarheid geleid, niet alleen en uitsluitend door de nood gedreven, maar op heilige wijze in deze verborgenheid getrokken, wanneer Christus door de kracht van God aan onze zielen wordt geopenbaard. Wanneer wij zo in Gods licht het licht zien, zien wij hoe de Godheid van Christus iedere gedachte, ieder woord en iedere daad van Zijn lijdende mensheid met een onuitsprekelijke verdienste bekleedt. Dan zien wij hoe die heerlijke vereniging van de Godheid en de mensheid in de Persoon van Immanuël in iedere behoefte voorziet, iedere zonde wegneemt, iedere wond heelt, iedere traan afwist en de ziel zoet laat rusten in de schoot van God.
Daarom houden wij vast aan de hoop die ons voorgesteld is in de wezenlijke Godheid en de lijdende mensheid van de Zoon van God: soms uit nood, wanneer wij door stormen van schuld en golven van verzoeking worden voortgedreven, en soms vriendelijk getrokken door de leidingen en onderwijzingen van de Heilige Geest. Want wij weten dat er in Hem een schuilplaats is voor de zonde, voor de dood, de hel en de wanhoop.
Aan de lezer…
Wanneer uw verstand soms struikelt over de grote verborgenheid van een vleesgeworden God, schaam u daar dan niet voor; zij gaat alle menselijk begrip te boven. Maar laat uw redeneringen u niet van de rots weghouden. Wanneer u voelt wat voor zondaar u bent, en iets ziet van wat de zonde is in de ogen van een heilig God, dan zult u merken dat er geen andere toevlucht is dan een Zaligmaker, Die het verdiende als God en leed als mens.
Werpt u zich dan op Hem, zoals een schipbreukeling op de rots in de oceaan, uit pure nood en met het hele gewicht van uw zonden? Dat is geen schande, dat is geloof. En soms zal Hij u ook vriendelijk trekken, zodat u met de discipelen in het schip aanbidt en zegt: „Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon.” In Hem is een schuilplaats voor de zonde, de dood, de hel en de wanhoop.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Then they that were in the ship came and worshipped him, saying, Of a truth thou art the Son of God.”
Matthew 14:33
What a beauty and blessedness there is in the Deity of the Lord Jesus Christ, when viewed by the spiritual eye! Our reasoning minds, it is true, may be deeply stumbled at the doctrine of an incarnate God. My own mind, I know, has sometimes been driven almost to its wits’ end by this great mystery of Deity and humanity combined in the Person of Christ, for it so surpasses all human comprehension, and is so removed beyond the grasp of all our reasoning faculties. It is not, indeed, contrary to reason, for there is nothing in it impossible or self-contradictory; but it is beyond and above the reach of human thought and tangible apprehension.
But when we are led to consider what would be the most certain and most fearful consequences unless the Lord Jesus Christ were what He declares He is, God as well as man, we are compelled, from the very necessity of the case, to cast ourselves with all the weight of our sins and sorrows upon an incarnate God, as the shipwrecked sailor gladly casts himself upon the rock in the ocean as the only refuge from the devouring sea. When we feel what sinners we are, and have been, look down into the depths of the fall, and see in some feeble and faint measure what sin is in the sight of a holy and pure God, what can save us from despair unless we see the Deity of the Lord Jesus Christ investing His work upon the cross and His obedience with a merit that shall suffice to justify our guilty souls, wash away our aggravated iniquities, blot out our fearful crimes, and make us fit to appear in the presence of a righteous God? Thus we are sometimes absolutely compelled to throw ourselves on the Deity of Christ, as ready to perish, because in such a divine Saviour, in such precious blood we see a refuge, and we see elsewhere no other.
We then feel that if the Deity of Christ be taken away, the Church of God is lost. Where can you find pardon? where justification? where reconciliation to God? where atoning blood, if there is no Saviour Who merited as God, and suffered as man? We might as well leap into hell at once with all our sins upon our head, as a sailor might spring over the prow of a burning ship into the boiling waves, to meet death instead of waiting for it, unless we believe by a living faith in the Deity of the Son of God.
But sometimes we are sweetly led into this glorious truth, not merely driven by sheer necessity, but blessedly drawn into this great mystery of godliness, when Christ is revealed to our souls by the power of God. Then, seeing light in God’s light, we view the Deity of Christ investing every thought, word, and act of His suffering humanity with unspeakable merit. Then we see how this glorious fact of Deity and humanity in the Person of Immanuel satisfies every need, puts away every sin, heals every wound, wipes away every tear, and sweetly brings the soul to repose on the bosom of God.
Sometimes, therefore, from necessity, driven by storms of guilt and waves of temptation, and sometimes sweetly drawn by the leadings and teachings of the Holy Spirit, we lay hold of the hope set before us in the essential Deity and suffering humanity of the Son of God, knowing that there is a refuge in Him from sin, death, hell, and despair.
To the reader…
When your reason sometimes stumbles over the great mystery of an incarnate God, do not be ashamed of that; it surpasses all human understanding. But do not let your reasonings keep you away from the rock. When you feel what a sinner you are, and see something of what sin is in the eyes of a holy God, you will find that there is no other refuge than a Saviour Who merited as God and suffered as man.
Do you then cast yourself upon Him, as a shipwrecked sailor upon the rock in the ocean, out of sheer necessity and with the whole weight of your sins? That is no shame; that is faith. And at times He will also draw you sweetly, so that with the disciples in the ship you worship and say, “Of a truth Thou art the Son of God.” In Him there is a refuge from sin, death, hell, and despair.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Entonces los que estaban en el barco, vinieron y le adoraron, diciendo: Verdaderamente eres Hijo de Dios.”
Mateo 14:33
¡Qué belleza y qué bienaventuranza hay en la Deidad del Señor Jesucristo, cuando se contempla con el ojo espiritual! Es cierto que nuestra mente razonadora puede tropezar profundamente con la doctrina de un Dios encarnado. Mi propia mente, lo sé, a veces ha sido llevada casi al límite de sus fuerzas por este gran misterio de la Deidad y la humanidad unidas en la Persona de Cristo, porque sobrepasa de tal manera toda comprensión humana y está tan fuera del alcance de todas nuestras facultades de razonamiento. No es, en verdad, contrario a la razón, pues no hay en él nada imposible ni contradictorio; pero está más allá y por encima del alcance del pensamiento humano y de la aprehensión tangible.
Pero cuando somos llevados a considerar cuáles serían las consecuencias más ciertas y más terribles si el Señor Jesucristo no fuera lo que Él declara ser, Dios además de hombre, nos vemos obligados, por la misma necesidad del caso, a echarnos con todo el peso de nuestros pecados y dolores sobre un Dios encarnado, como el marinero náufrago se echa con alegría sobre la roca en medio del océano como único refugio del mar devorador. Cuando sentimos qué pecadores somos y hemos sido, miramos a las profundidades de la caída y vemos en alguna medida débil y escasa lo que es el pecado a los ojos de un Dios santo y puro, ¿qué puede salvarnos de la desesperación si no vemos la Deidad del Señor Jesucristo revistiendo Su obra en la cruz y Su obediencia de un mérito que baste para justificar nuestras almas culpables, lavar nuestras graves iniquidades, borrar nuestros terribles crímenes y hacernos aptos para comparecer en la presencia de un Dios justo? Así nos vemos a veces absolutamente obligados a echarnos sobre la Deidad de Cristo, como quienes están a punto de perecer, porque en tal Salvador divino, en tal sangre preciosa vemos un refugio, y en ninguna otra parte vemos otro.
Sentimos entonces que si se quita la Deidad de Cristo, la Iglesia de Dios está perdida. ¿Dónde puede hallar usted perdón? ¿Dónde justificación? ¿Dónde reconciliación con Dios? ¿Dónde sangre expiatoria, si no hay un Salvador Que mereció como Dios y padeció como hombre? Lo mismo daría que saltáramos de una vez al infierno con todos nuestros pecados sobre la cabeza, como un marinero podría lanzarse por la proa de un barco en llamas a las olas hirvientes, para ir al encuentro de la muerte en vez de esperarla, a menos que creamos con fe viva en la Deidad del Hijo de Dios.
Pero a veces somos llevados dulcemente a esta gloriosa verdad, no solo empujados por pura necesidad, sino atraídos con bienaventuranza a este gran misterio de la piedad, cuando Cristo es revelado a nuestras almas por el poder de Dios. Entonces, viendo la luz en la luz de Dios, contemplamos la Deidad de Cristo revistiendo de un mérito indecible cada pensamiento, palabra y acto de Su humanidad sufriente. Entonces vemos cómo este hecho glorioso de la Deidad y la humanidad en la Persona de Emmanuel satisface toda necesidad, quita todo pecado, sana toda herida, enjuga toda lágrima y lleva dulcemente al alma a reposar en el seno de Dios.
Por eso, a veces por necesidad, empujados por tormentas de culpa y olas de tentación, y a veces dulcemente atraídos por la guía y la enseñanza del Espíritu Santo, nos asimos de la esperanza propuesta en la Deidad esencial y la humanidad sufriente del Hijo de Dios, sabiendo que en Él hay refugio del pecado, de la muerte, del infierno y de la desesperación.
Al lector…
Cuando su razón tropieza a veces con el gran misterio de un Dios encarnado, no se avergüence de ello; sobrepasa todo entendimiento humano. Pero no deje que sus razonamientos le aparten de la roca. Cuando sienta qué pecador es usted, y vea algo de lo que es el pecado a los ojos de un Dios santo, hallará que no hay otro refugio que un Salvador Que mereció como Dios y padeció como hombre.
¿Se echa usted entonces sobre Él, como un marinero náufrago sobre la roca en medio del océano, por pura necesidad y con todo el peso de sus pecados? Eso no es vergüenza; eso es fe. Y a veces Él también le atraerá dulcemente, de modo que con los discípulos en el barco le adore y diga: “Verdaderamente Tú eres Hijo de Dios.” En Él hay refugio del pecado, de la muerte, del infierno y de la desesperación.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl